Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:723

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
27-10-2014
Zaaknummer
200.115.831
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling en verrekening pensioenrechten. Verjaring

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2014/59
PJ 2015/7

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.115.831

(zaaknummer rechtbank Utrecht 318679)

arrest van de vierde kamer van 4 februari 2014

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. P.A.G. Verstappen,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna: de man,

advocaat: mr. J. Voorberg.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

28 maart 2012 en 25 juli 2012 die de rechtbank Utrecht tussen de vrouw als eiseres in conventie/verweerster in reconventie en de man als gedaagde in conventie/eiser in reconventie heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 18 oktober 2012, tevens memorie van grieven, met producties 1-6,

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, met 1 productie,

- de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

- een akte tot rectificatie van de zijde van de man,

- een antwoordakte van de zijde van de vrouw.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 en 2.2. van het bestreden vonnis van 25 juli 2012.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

Inleiding

4.1

Het gaat in dit geding, kort weergegeven, om het volgende. Partijen zijn vanaf 3 april 1968 tot 8 februari 1989 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest. De man heeft vóór en tijdens het huwelijk met de vrouw pensioen opgebouwd. De man heeft op

23 maart 2009 de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en ontvangt sindsdien ouderdomspensioen.

4.2

De vrouw heeft bij inleidende dagvaarding van 16 januari 2012 de onderhavige procedure gestart. De procedure betreft het ouderdomspensioen dat de man ontvangt. De vrouw stelt dat zij nog een vordering op de man heeft en dat nog geen verdeling van de opgebouwde pensioenrechten heeft plaatsgevonden. Zij heeft gevorderd de man te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 20.091,10 te vermeerderen met de wettelijke rente en de man te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 591,- per maand met ingang van 1 januari 2012. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 25 juli 2012 de vorderingen van de vrouw afgewezen, omdat haar vordering verjaard zou zijn en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

4.3

De vrouw is met één grief tegen het vonnis van 25 juli 2012 opgekomen. De vrouw stelt in deze grief - samengevat - dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld, dat de door haar gestelde vordering op de man op 8 februari 2009 is verjaard.

Nadere verdeling en verjaring?

4.4

De vrouw stelt dat zij op grond van het arrest Boon/Van Loon (Hoge Raad 27 november 1981, LJN: AG4271) een vordering uit hoofde van niet verdeelde/verrekende pensioenrechten op de man heeft. Volgens de vrouw is ten tijde van de echtscheiding geen regeling getroffen voor de door de man opgebouwde pensioenrechten en is aldus sprake van een overgeslagen goed, dat alsnog verdeeld moet worden. Met verwijzing naar de artikelen 3:178 lid 2 en 3:179 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) stelt de vrouw dat een vordering tot verdeling van een overgeslagen goed niet verjaart.

4.5

De man verweert zich hiertegen en voert aan dat bij de echtscheiding van partijen een verdeling heeft plaatsgevonden waarin de pensioenrechten zijn betrokken, zodat geen sprake is van een overgeslagen goed. En bovendien is haar vordering verjaard. De vrouw had haar vordering dienen in te stellen voor 8 februari 1989, aldus de man.

4.6

Het hof overweegt als volgt. De man voert ter onderbouwing van zijn verweer, dat de pensioenrechten niet zijn overgeslagen ten tijde van de verdeling van de gemeenschap van goederen, het volgende aan. De man heeft altijd gedacht dat alleen hij aanspraak kon maken op door hem opgebouwde pensioenrechten omdat de boedelscheiding rond was, dat hij de huwelijkse schulden heeft voldaan, dat hij alleen de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen heeft gedragen en dat ook de partneralimentatie geregeld was.

Naar het oordeel van het hof faalt dit verweer. Uit de verklaringen van partijen ter comparitie van partijen in eerste aanleg blijkt dat partijen nooit gesproken hebben over de verdeling van de pensioenrechten. Verder ontbreken stukken die onderbouwen dat de pensioenrechten destijds bij de echtscheiding in de verdeling zijn betrokken (geweest). Dat een verrekening van die pensioenrechten desalniettemin verdisconteerd zou zijn in de verdeling van de gemeenschap die heeft plaatsgevonden, zoals de man betoogt, oordeelt het hof niet aannemelijk. Nu de vordering niet verjaard is, dient het hof de vraag te beantwoorden of de vrouw alsnog verdeling van de opgebouwde pensioenrechten kan vorderen.

4.7

Omdat het huwelijk van partijen is ontbonden in de periode tussen 27 november 1981 (datum arrest Boon/Van Loon) en 1 mei 1995 (datum inwerkingtreding Wet verevening pensioenrechten bij scheiding) dienen de door partijen voor en tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdoms- en partnerpensioenrechten (verder: pensioenrechten) overeenkomstig de regels van het arrest Boon/Van Loon te worden verdeeld. Op grond van dit arrest zijn de pensioenrechten in de algehele gemeenschap van goederen gevallen en dienden zij in de verdeling van die gemeenschap te worden betrokken. Zoals hiervoor onder 4.6 overwogen zijn de pensioenrechten nog niet verdeeld en is aldus sprake van een 'overgeslagen goed' in de zin van artikel 3:179 lid 2 BW, waarvan een nadere verdeling kan worden gevorderd.

4.8

Het hof is ermee bekend dat in de rechtspraak verschillende opvattingen bestaan over de vraag of een vordering als de onderhavige aan verjaring bloot staat. In de meerderheid van de gevallen wordt geoordeeld dat een dergelijke vordering niet verjaard (Hof Den Bosch 19 maart 2013, ECLI: GHSHE:2013:BZ4995, Hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, 23 juli 2013, ECLI: GHARL:2013:5354 en Rb. Gelderland 23 oktober 2013, ECLI: RBGEL:2013:4819). In het verleden heeft het hof Arnhem bij arrest van 12 mei 2009, ECLI: 2009:BJ3742) geoordeeld, dat een vordering als de onderhavige wél kan verjaren (en zo ook Rb. Leeuwarden 24 oktober 2012, ECLI:2012:BY1372). Thans het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, komt op deze rechtsopvatting terug en motiveert dit als volgt.

4.9

In de wettekst van artikel 3:178 lid 1 BW staat vermeld dat ieder der deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijke goed kan vorderen. De omstandigheid dat bij een verdeling een of meer goederen zijn overgeslagen, heeft alleen tot gevolg dat daarvan een nadere verdeling kan worden gevorderd, aldus artikel 3:179 lid 2 BW. En tot slot bepaalt artikel 3:306 BW: “Indien de wet niet anders bepaalt, verjaart een rechtsvordering door verloop van twintig jaren.”

In de parlementaire geschiedenis bij artikel 3:178 lid 1 BW (PG Vaststellingswet Boek 3, p. 606) staat vermeld: “De woorden ‘te allen tijde’ (…) drukken uit dat de vordering tot verdeling niet aan verjaring onderhevig is.”

In de verschillende wettelijke bepalingen komt de zinsnede/terminologie “te allen tijde” voor, zoals in de artikelen 5:46 en 5:47 BW. De wetgever gebruikt deze terminologie ook in artikel 3:51 lid 3 BW, waarbij een verwerend beroep in rechte (tegen een rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling) “te allen tijde” kan worden gedaan, zodat de verjaringsregeling van artikel 3:52 BW erop niet van toepassing is. Uit het voorgaande leidt het hof af dat de wetgever met het gebruik van de terminologie “te allen tijde” in artikel 3:178 lid 1 BW heeft willen aanduiden, dat de algemene verjaringstermijn van artikel 3:306 BW niet van toepassing is. De verjaringstermijn van twintig jaar in artikel 3:306 BW geldt immers alleen “voor zover de wet niet anders bepaalt”. Nu de wettekst in artikel 3:178 lid 1 BW wat anders bepaalt, is een vordering tot (nadere) verdeling van een gemeenschappelijk goed (zoals een pensioenrecht) niet aan de algemene verjaringsregel van artikel 3:306 BW onderhevig.

De grief van de vrouw slaagt.

4.10

Nu de grief van de vrouw slaagt, brengt de devolutieve werking van het hoger beroep mee dat in eerste aanleg door de man aan de orde gestelde, maar buiten behandeling gebleven of verworpen stellingen en weren, alsnog ambtshalve door het hof moeten worden behandeld, voor zover die in het kader van de bespreking van de grieven nog niet aan de orde zijn geweest.

Rechtsverwerking ?

4.11

De man heeft (subsidiair) aangevoerd dat sprake is van rechtsverwerking. De vrouw komt 22 jaar na de echtscheiding en drie jaar na zijn pensionering met haar vordering. De vrouw was ervan op de hoogte dat de pensioenuitkeringen, op het moment dat hij 65 jaar werd, waren ingegaan. Via het contact met de familie, de kinderen en de kleinkinderen is de vrouw volledig op de hoogte van de situatie van de man en zij weet dat hij, toen hij 65 jaar werd, is gestopt met werken. Daarnaast heeft het pensioenfonds ABP de vrouw daarvan op de hoogte gesteld. Verder heeft de vrouw hem alle schulden uit de huwelijkse periode laten betalen en heeft hij de vrouw nog tot 1999 alimentatie betaald. Bovendien heeft de vrouw hem opgezadeld met de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen uit het huwelijk (de kinderen zijn aan hem toevertrouwd en hij heeft nadien de voogdij over de kinderen gekregen). Gelet op al deze feiten en omstandigheden mocht er bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen ontstaan dat de vrouw zich niet op haar deel van de pensioenrechten zou beroepen, aldus de man (conclusie van antwoord in conventie sub 2-12 en sub 14). De vrouw heeft op deze stellingen van de man gereageerd (conclusie van antwoord in reconventie sub 3-13).

4.12

Het hof stelt voorop dat van rechtsverwerking slechts sprake kan zijn wanneer de gerechtigde zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht onverenigbaar is. Enkel tijdsverloop of enkel stilzitten is daartoe onvoldoende. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan, hetzij bij de wederpartij van de gerechtigde het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de wederpartij onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in het geval dat de gerechtigde zijn aanspraak alsnog geldend zou maken (vgl. HR 29 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1827).

4.13

De vrouw heeft weliswaar tot 22 jaar na de echtscheiding van de man gewacht alvorens een vordering tot verdeling van de pensioenrechten in te stellen, maar enkel dit stilzitten kan, gelet op het vorenstaande, niet leiden tot een geslaagd beroep op rechtsverwerking. Het hof is van oordeel dat wat de man aanvoert niet kan leiden tot de conclusie dat sprake is van bijzondere omstandigheden, die, in samenhang met het lange stilzitten van de vrouw, bij de man het gerechtvaardigd vertrouwen hebben mogen wekken dat de vrouw haar aanspraken op de pensioenrechten niet meer geldend zou maken. Tussen partijen staat vast dat zij ten tijde van de echtscheiding nooit over de verdeling van pensioenrechten hebben gesproken. Uit de door de man gestelde omstandigheden blijkt niet dat de vrouw wist dat zij recht op verdeling van de pensioenrechten had en dat uit haar handelen redelijkerwijs viel af te leiden dat zij haar aanspraak op een nadere verdeling van de pensioenrechten zou hebben prijsgegeven. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat de positie van de man onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in het geval dat de vrouw haar aanspraak alsnog geldend zou maken. Het enkele feit dat de toewijzing van de vordering van de vrouw tot (nadere) verdeling van de pensioenrechten financiële consequenties zal hebben voor de man, is daarvoor niet voldoende. De man heeft overigens niets aangevoerd of toegelicht met betrekking tot zijn huidige financiële situatie.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van de man op rechtsverwerking geen doel treft.

Beroep op de redelijkheid en billijkheid

4.14

De man heeft tot slot (meer subsidiair) aangevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is indien de vordering van de vrouw zou worden toegewezen (conclusie van antwoord in conventie sub 13-14). De vrouw heeft op deze stellingen van de man gereageerd (conclusie van antwoord in reconventie sub 3-13).

Het hof oordeelt als volgt.

4.15

De man beroept zich kennelijk op artikel 6:2 lid 2 BW. Vaste rechtspraak (van de Hoge Raad) is dat de rechter bij toepassing van de maatstaf “naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar” de nodige terughoudendheid zal moeten betrachten. Hetgeen de man als gronden hiervoor aanvoert is niet anders dan hetgeen hij heeft aangevoerd onder de noemer “rechtsverwerking”, althans zo verstaat het hof zijn stellingname. Het hof ziet in deze gronden (ook) geen aanleiding te oordelen, dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw zich, 22 jaar na de echtscheiding, beroept op (nadere) verdeling van de pensioenrechten waaraan zij immers ook heeft bijgedragen (zie ook onder 4.17 hierna). Hetgeen het hof hiervoor onder 4.13 overwogen geldt hier mutatis mutandis.

4.16

Concluderend oordeelt het hof dat de vrouw in beginsel een nadere verdeling van het door de man opgebouwde pensioenrechten kan vorderen in de vorm van een waardeverrekening ten gunste van haar (verder: verrekeningsvordering).

Verdeling van de pensioenrechten

4.17

Zoals blijkt uit rechtsoverweging 4.7 zijn de pensioenrechten op grond van het arrest Boon/Van Loon in de algehele gemeenschap van goederen gevallen en dienen zij in de verdeling van die gemeenschap te worden betrokken. Daarbij is van belang dat voor pensioenrechten als de onderhavige niet alleen verknochtheid bestaat met de rechthebbende op het pensioen, maar in de regel tevens een niet te verwaarlozen band met de persoon van de andere echtgenoot. Wat betreft de ouderdomspensioenen bestaat deze band hierin dat het pensioenrecht (in ieder geval in de periode waarvoor het arrest Boon/Van Loon geldt), zo de rechthebbende gehuwd is, uit maatschappelijk oogpunt bestemd is (was) te voorzien in de behoeften van beide echtgenoten en dat voorts de opbouw van een zodanig pensioen in verband met de gehele of gedeeltelijke financiering daarvan uit de gemeenschap en de bij velen bestaande taakverdeling binnen het huwelijk, in beginsel moet worden gezien als het resultaat van de gemeenschappelijke inspanning van beide echtgenoten, voortvloeiende uit de zorg die zij krachtens artikel 1:81 BW aan elkaar verschuldigd zijn.

In die zin is het pensioen waar de vrouw thans aanspraak op maakt ook haar pensioen: het is bedoeld om mede in haar behoefte te voorzien vanaf haar 65e levensjaar en ook zij heeft zich voor de opbouw ervan ingespannen. Partijen zijn 21 jaar met elkaar gehuwd geweest.

4.18

Op welke wijze en tot welk bedrag thans de door de vrouw gevorderde nadere verdeling van de pensioenrechten moet plaatsvinden dient blijkens voornoemd arrest te worden vastgesteld aan de hand van de eisen van redelijkheid en billijkheid, die op de verdeling van een gemeenschap van toepassing zijn. Afhankelijk van de beschikbare baten en van de waarde die voor verrekening in aanmerking komt, zullen deze eisen vaak meebrengen dat de verrekening van het ouderdomspensioen slechts kan plaatsvinden door aan de pensioengerechtigde echtgenoot een voorwaardelijke uitkering op te leggen die aan het leven van beide echtgenoten gebonden is, die opeisbaar wordt naarmate de pensioentermijnen opeisbaar worden en die kan worden uitgedrukt in een percentage daarvan.
De verschuldigde bedragen dienen te worden vastgesteld, ervan uitgaande dat recht op verrekening bestaat ten belope van de helft van de contante waarde van het deel van het pensioen dat op het tijdstip van ontbinding van de gemeenschap reeds was opgebouwd. Komt mede een weduwenpensioen voor verrekening in aanmerking, zoals hier het geval is,dan zal zulks in voormelde uitkering worden verwerkt door deze met een naar een overeenkomstige maatstaf te bepalen bedrag te verminderen.

4.19

Voorts kunnen de redelijkheid en billijkheid, in verband met de bijzondere aard van de pensioenrechten als de onderhavige, eisen dat de verrekeningsvordering wordt gematigd of dat in het geheel geen vordering wordt toegekend, zoals wanneer de pensioengerechtigde reeds op andere wijze in de verzorging van de andere echtgenoot heeft voorzien of redelijkerwijs niet tot enige uitkering in staat is. Voorts kunnen er andere bijzondere omstandigheden bestaan die nopen tot afwijzing van de vordering van de vrouw dan wel tot matiging daarvan.

4.20

De man stelt dat destijds een verdeling heeft plaatsgevonden, in ieder geval feitelijk waarbij beide partijen de helft hebben gekregen van de inboedel en de man de schulden en de pensioenrechten heeft gekregen. Dat maakt het volgens de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de vrouw thans aanspraak maakt op een deel van zijn pensioenrechten. De vrouw betwist dat. Zij stelt dat de man in de aanloop naar de echtscheiding en in de echtscheidingsprocedure gelden bij de bank heeft geleend voor privédoeleinden van hemzelf. De schuld is ook alleen op naam van de man gesteld. Bovendien heeft zij de huishoudschulden voor haar rekening genomen. Verder is het volgens de vrouw zeer voorstelbaar dat destijds bij de berekening van de draagkracht van de man voor de partneralimentatie rekening is gehouden met de schulden die hij voor zijn rekening heeft genomen.

4.21

De vrouw heeft ter onderbouwing van haar vordering een berekening overgelegd van 21 december 2011 van drs. [A], verbonden aan Get Smart Consultancy (prod. 3 bij inleidende dagvaarding). Uit deze berekening volgt dat de vrouw, vanaf 1 maart 2009, een aanspraak heeft jegens de man, zolang hij leeft, van jaarlijks € 7.077,-, hetgeen neerkomt op een maandelijks bedrag van € 589,75 bruto (na indexatie per 1 januari 2010 bedraagt het maandelijkse bedrag € 591,40). Vanaf maart 2009 tot en met december 2011 heeft de vrouw recht op een totaalbedrag van € 20.091,10, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover, aldus nog steeds de berekening van [A]. De man heeft deze berekening/onderbouwing niet (gemotiveerd) betwist; hij heeft wel de verschuldigdheid van de wettelijke rente en de kosten van de pensioendeskundige betwist (conclusie van antwoord in conventie sub 15-16).

Het hof oordeelt als volgt.

4.22

Nu de berekening van de vrouw, die ten grondslag ligt aan haar vordering, door de man niet gemotiveerd is betwist, kan haar primaire vordering van € 20.091,10 worden toegewezen. Dit betekent dat de man in beginsel gehouden is aan de vrouw te voldoen het gevorderde bedrag van € 20.091,10 over de periode vanaf 1 maart 2009 tot en met het jaar 2011. De vrouw heeft in de inleidende dagvaarding sub 14 de gevorderde wettelijke rente toegelicht over de reeds verschenen maandbedragen. De man heeft hier (enkel) tegen aangevoerd dat van verschuldigdheid hiervan geen sprake kan zijn, omdat er sprake is van schuldeisersverzuim aan de zijde van de vrouw doordat zij lang heeft stilgezeten. Het hof heeft al hiervoor geoordeeld dat geen sprake is van rechtsverwerking (door lang stilzitten) ten aanzien van de vordering betreffende de pensioenaanspraken van de vrouw. Het beroep op schuldeisersverzuim (ex artikel 6:58 BW) kan het hof, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet plaatsen. Volledigheidshalve oordeelt het hof dat hier sprake is van steeds per maand verschuldigde termijnen, waarvoor geen ingebrekestelling is vereist (ex artikel 6:83 sub a BW), zodat het verzuim steeds is ingetreden met het verstrijken van de maandelijkse termijn(en). De gevorderde wettelijke rente is derhalve in beginsel toewijsbaar.

De vrouw heeft bij inleidende dagvaarding van 16 januari 2012 eveneens primair gevorderd de man te veroordelen tot betaling van de maandelijkse termijnen van € 591,- (bruto) per maand vanaf 1 januari 2012. In de dagvaarding in hoger beroep van 18 oktober 2012 heeft de vrouw veroordeling van de man gevraagd tot betaling van de maandelijkse termijn over de periode 1 januari 2012 tot 31 oktober 2012, met de verschuldigde rente daarover. Zij heeft voorts gevorderd de man te veroordelen tot maandelijkse betaling van de haar toekomende (toekomstige, zo verstaat het hof) aanspraken. Deze vordering is in beginsel eveneens toewijsbaar.

De vrouw heeft de kosten van de deskundige die zij (voor de helft) van de man wenst te vorderen niet in het petitum opgenomen (noch in eerste aanleg noch in hoger beroep), zodat die vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt.

Voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

4.23

De man heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld, welke voorwaarde (geen sprake van verjaring en toewijzing vordering van de vrouw) is vervuld. De man stelt dat sprake is (geweest) van een huwelijkse schuld die hij voor zijn rekening heeft genomen. Het betreft een doorlopend krediet bij ABN AMRO. Hij heeft, zo stelt hij, na de echtscheiding tien jaar lang fl. 400,- per maand betaald aan rente en aflossing, hetgeen neerkomt op een totaalbedrag van fl. 48.000,- dat hij wenst te verrekenen met de vordering van de vrouw. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft de man verschillende stukken overgelegd (productie 1 bij memorie van antwoord/voorwaardelijk incidenteel appel en productie 2 bij conclusie van antwoord conventie/conclusie van eis reconventie). De vrouw heeft de vordering van de man gemotiveerd betwist. Zij voert onder meer aan (conclusie van antwoord in reconventie) dat de man niet heeft aangetoond dat hij daadwerkelijk tien jaar lang die schuld heeft afgelost (de man had ten tijde van de echtscheiding een goed salaris) en dat het zeer voorstelbaar is dat destijds bij het berekenen van de partneralimentatie rekening is gehouden met de (huwelijkse) schulden.

Het hof oordeelt hierover als volgt.

4.24

Uit het rekeningafschrift van ABN Plankrediet van 18 januari 1988 volgt dat sprake was van een kredietlimiet van fl. 15.000,-, een termijnbedrag van fl. 400,- en een theoretische looptijd van 33 maanden. Uit het overzicht (computeruitdraai) van 30 oktober 1998, volgt dat de restschuld nihil is (geworden), dat sprake is geweest van een kredietlimiet van fl. 25.000,- met een maandelijkse aflossing van fl. 500,-. Zonder nadere toelichting die ontbreekt kan het hof uit die twee overzichten niet afleiden dat de man gedurende tien jaar na de echtscheiding het (huwelijkse) krediet van fl. 15.000,- heeft afgelost. De theoretische looptijd (indien er dus geen extra krediet wordt opgenomen) van ABN Plankrediet was immers 33 maanden zodat binnen drie jaar het krediet zou zijn afgelost. De man heeft, mede gelet op het gemotiveerde verweer van de vrouw in eerste aanleg, zijn vordering aldus onvoldoende onderbouwd. Aan een bewijsopdracht van een onvoldoende gemotiveerde stelling/vordering komt het hof dan ook niet toe. Het voorwaardelijke incidenteel hoger beroep van de man faalt.

5 Slotsom

5.1

De grief van de vrouw slaagt, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd. De vorderingen van de vrouw, zoals omschreven onder 4.22, zullen door het hof worden toegewezen als na te melden onder 6.

5.2

Gelet op de omstandigheid dat partijen ex-echtgenoten zijn en het geschil voortvloeit uit hun echtscheiding, zullen de kosten van beide instanties worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Utrecht van 25 juli 2012 en doet opnieuw recht:

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 20.091,10, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover per maandbedrag van € 589,75 vanaf 1 maart 2009 tot en met december 2009 en per maandbedrag van € 591,40 vanaf 1 januari 2010 tot en met 31 oktober 2012;

veroordeelt de man tot maandelijkse betaling aan de vrouw van een bedrag van € 591,40 vanaf 1 november 2012;

compenseert de kosten van beide instanties aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, J.H. Lieber en M.M.H.A. Moes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2014.