Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:7113

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-09-2014
Datum publicatie
16-09-2014
Zaaknummer
200.153.440-01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WSNP. Verzoek tot toelating afgewezen op grond van onverantwoord ondernemerschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer 200.153.440/01

(zaaknummer rechtbank C/16/368566 / FT RK 14/1069)

arrest van de derde civiele kamer van 11 september 2014

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. M.J.H. Ruijters, kantoorhoudende te Almere.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 17 juli 2014 is het verzoek van [appellante] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van haar afgewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie van het hof op 24 juli 2014, heeft [appellante] verzocht voornoemd vonnis te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat zij wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een journaalbericht met bijlagen van 8 augustus 2014 en een faxbericht met bijlagen van 2 september 2014, beide van de advocaat.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 september 2014, waarbij [appellante] vergezeld van haar stiefbroer en bijgestaan door haar advocaat, is verschenen.

3 De beoordeling

Vaststaande feiten

3.1

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken. De totale schuldenlast van [appellante] bedraagt tenminste € 600.000,- en bestaat onder meer uit een hypothecaire restschuld aan de ABN Amro van € 425.000,-. Voor het overige zijn de schulden ontstaan in het kader van de uitoefening van een eenmanszaak van [appellante], genaamd [bedrijf A].

Rechtbank

3.2.1

[appellante] heeft eind 2010 getracht een eigen bedrijf op te zetten samen met een oude relatie. Deze relatie eiste een leaseauto voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden. Ondanks dat [appellante] reeds in bezit was van een leaseauto heeft zij op haar eigen naam een tweede leaseauto aangeschaft. Uiteindelijk is een schuld aan BMW Financial Services ontstaan van

€ 43.126,65. Daarnaast heeft [appellante] een belastingschuld van € 50.057,-.

3.2.2

De rechtbank heeft het verzoek van [appellante] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat [appellante] niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schuldenlast. De rechtbank heeft daarbij - samengevat - het volgende overwogen.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is geweest van onverantwoord ondernemerschap. Het had [appellante] duidelijk moeten zijn dat zij een onverantwoord groot financieel risico nam bij het starten van haar onderneming. Dat risico heeft zich verwezenlijkt, mede omdat [appellante] naast een hoge maandelijkse hypotheeklast ook twee leaseauto's uit het hogere segment heeft geleased zonder dat er omzet in de onderneming werd gegenereerd. Daar komt bij dat de rechtbank van oordeel is dat er teveel onduidelijkheden bestaan omtrent de schuld aan de belastingdienst. Ondanks dat [appellante] op de zitting heeft verklaard dat de bedragen aan de belastingdienst niet kloppen, is door haar nagelaten dit nader (met stukken) te onderbouwen.

Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen, is onvoldoende gebleken.

Beroep

3.3

[appellante] kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en voert het volgende aan.

[appellante] erkent dat zij onverstandige beslissingen heeft genomen door een tweede leasecontract op eigen naam aan te gaan. Die auto was niet voor haar zelf bedoeld, maar voor de partner met wie zij haar bedrijf zou opstarten. Dit in plaats van salaris. [appellante] zag dat destijds als een investering. Verder had [appellante] een hoge hypotheek, maar die vaste lasten kon zij op dat moment gemakkelijk betalen. Het is dan ook niet zo dat zij op te grote voet heeft geleefd. Daarnaast heeft [appellante] de nodige tegenslagen gehad. Zo is zij ernstig verbrand geraakt en heeft zij enkele faillissementen meegemaakt waardoor het vinden van een baan vrijwel onmogelijk leek. Dat is mede de reden geweest waarom zij een eigen bedrijf heeft opgestart. Door de crisis en het feit dat haar zakenpartner persoonlijke problemen kreeg, is dit bedrijf geen succes geworden. Ten aanzien van de belastingschulden staat er thans nog een schuld van € 50.057,- open, de hoogte van deze schuld is derhalve lager dan wat in de crediteurenlijst ex artikel 285 Fw staat vermeld.

Ten slotte beroept [appellante] zich subsidiair op artikel 288 lid 3 Fw, de zogenoemde hardheidsclausule. [appellante] heeft de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden onder controle. De schulden zijn er uiteraard nog wel, maar verder is er niets dat in de weg staat aan een toelating tot de schuldsaneringsregeling.

Oordeel van het hof

3.4

Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Fw het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts wordt toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Het ligt op de weg van de schuldenaar om dit met betrekking tot elk van de schulden aannemelijk te maken.

3.5

Daargelaten dat in hoger beroep duidelijkheid is gecreëerd over de hoogte van de belastingschuld, is het hof van oordeel dat ook in hoger beroep niet aannemelijk is geworden dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Het hof overweegt daartoe als volgt.

3.6

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat er bij [appellante] sprake geweest is van onverantwoord ondernemerschap. Het hof overweegt dat [appellante] haar onderneming is gestart zonder dat zij een deugdelijk bedrijfsplan heeft opgesteld. Door geen bedrijfsplan op te stellen en te investeren door leasecontracten aan te gaan voor relatief dure auto’s kan niet geoordeeld worden dat [appellante] een verantwoord ondernemersrisico heeft genomen. Voorts overweegt het hof dat [appellante] ten tijde van het opstarten van de onderneming al over aanzienlijke schulden, waaronder hoge hypotheeklasten, beschikte. Desondanks heeft [appellante] op eigen naam, voor de partner met wie zij het bedrijf heeft opgestart, een tweede leasecontract afgesloten voor een BMW. Het hof is van oordeel dat, nu [appellante] op zo'n onverantwoorde wijze investeringen heeft gedaan, de schulden van [appellante] niet aangemerkt kunnen worden als te goeder trouw.

3.7

Voor zover [appellante] (subsidiair) een beroep heeft gedaan op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw, is het hof van oordeel dat deze clausule niet voor deze situatie is geschreven. Het enkele feit dat [appellante] haar onderneming heeft gestaakt is onvoldoende om aan te nemen dat er een verandering in haar gedrag heeft plaatsgevonden waardoor zij desondanks toch zou moeten worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

Slotsom

3.8

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 17 juli 2014.

Dit arrest is gewezen door mr. J.G. Idsardi, mr. J.H. Kuiper en mr. M.P. den Hollander en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 september 2014.