Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:7096

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-06-2014
Datum publicatie
19-09-2014
Zaaknummer
200.139.416-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie en schuldsanering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.139.416/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/340350 / FL RK 13-644)

beschikking van de familiekamer van 26 juni 2014

inzake

[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. F. Heidinga, kantoorhoudend te Almere,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. H.C.M.J. Karskens, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 8 oktober 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 23 december 2013;

- het verweerschrift, binnengekomen op 13 maart 2014;

- een journaalbericht van mr. Heidinga van 9 januari 2014 met bijlagen, ingekomen op 10 januari 2014;

- een journaalbericht van mr. Heidinga van 14 mei 2014 met bijlagen, ingekomen op 15 mei 2014;

- een journaalbericht van mr. Heidinga van 21 mei 2014 met bijlagen, ingekomen op 22 mei 2014.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 3 juni 2014 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.3

Na de mondelinge behandeling is op verzoek van het hof op 5 juni 2014 binnengekomen een afschrift van het (volledige) verzoekschrift.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van de man en de vrouw is op 19 januari 2006 ontbonden door echtscheiding.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van [kind 1] geboren [in 1998]

(hierna te noemen: [kind 1]) en [kind 2], geboren [in 2001]

(hierna te noemen [kind 2]), over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. De kinderen hebben hun vaste verblijfplaats bij de vrouw.

3.3

De man en de vrouw zijn bij convenant overeengekomen dat de man per 1 oktober 2005 een bijdrage van € 130,- per kind per maand aan de vrouw zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Door de wettelijke indexering bedroeg deze bijdrage in 2013 € 150,78 per kind per maand en bedraagt deze thans € 152,14.

3.4

Bij beschikking van 4 oktober 2012 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de man uitgesproken.

3.5

Bij verzoekschrift van 15 maart 2013, bij de rechtbank binnengekomen op

18 maart 2013, heeft de man de rechtbank verzocht de door hem aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen per 11 februari 2013, althans met ingang van een in goede justitie te bepalen datum, op nihil te stellen. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.

3.6

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2].

4.2

De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen tegen de bestreden beschikking.

Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.

4.3

Ter zitting van het hof heeft de man zijn verzoek in appel gewijzigd, in die zin dat hij het hof thans verzoekt te beslissen dat de door hem aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] per 1 april 2013 op nihil wordt gesteld, nu hij tot die datum deze bijdrage, ondanks de toepassing van de WSNP, nog heeft voldaan.

5 De standpunten van partijen

5.1

De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat van hem verwacht had mogen worden dat hij eerst een verzoek tot verhoging van het vrij te laten bedrag bij de rechter-commissaris had indiend alvorens hij een gerechtelijke procedure tot nihilstelling van de kinderalimentatie startte. De man is per 4 oktober 2012 toegelaten tot de Wettelijke Schuldsanering Natuurlijke Personen (hierna te noemen: WSNP). In het kader van de WSNP kan de man slechts beschikken over het vrij te laten bedrag dat is vastgesteld door de rechter-commissaris. Na de bestreden beschikking heeft de bewindvoeder de rechter-commissaris aangeschreven met het verzoek het vrij te laten bedrag te verhogen in verband met de te betalen kinderalimentatie. De rechter-commissaris heeft dit verzoek afgewezen en daarbij aangegeven dat de rechtbank Midden-Nederland het beleid heeft dat in het vrij te laten bedrag geen rekening wordt gehouden met de betaling van kinderalimenatatie, behoudens uitzonderlijke omstandigheden. Nu de rechter-commissaris niet heeft toegestaan dat het vrij te laten bedrag werd verhoogd heeft de man onvoldoende draagkracht om bij te kunnen dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2].

5.2

Daarnaast is de man van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de man, door geen gebruik te maken van de mogelijkheid om een verzoek tot verhoging van het vrij te laten bedrag in te dienen, onvoldoende oog zou hebben gehad voor de belangen van de kinderen. Volgens de man was de rechter-commissaris van meet af aan op de hoogte van de alimentatieplicht van de man, maar heeft de rechter-commissaris geen uitzonderlijke omstandigheden vastgesteld op grond waarvan het vrij te laten bedrag zou dienen te worden verhoogd.

5.3

De vrouw betwist de stellingen van de man. Dat de man heeft nagelaten direct nadat de WSNP van toepassing werd verhoging te vragen van het vrij te laten bedrag staat volgens de vrouw vast en is hem te verwijten. Volgens de vrouw hoeven zowel het verzoek van de bewindvoerder als de beslissing van de rechter-commissaris om het vrij te laten bedrag niet te verhogen niet te leiden tot de conclusie dat de man de kinderalimentatie over de afgelopen periode niet verschuldigd zou zijn. Het verzoek van de bewindvoerder verzuimt volgens de vrouw bijzondere omstandigheden te vermelden en de beslissing van de rechter-commissaris laat zich niet uit over de toelaatbaarheid van de betaling van kinderalimentatie over de verstreken periode.

5.4

Volgens de vrouw is voorts duidelijk dat de man heeft nagelaten aan zijn verplichtingen te voldoen. Die verplichting bestond er in ieder geval uit om direct verhoging van het vrij te laten bedrag te vragen. De man is hier ook uitdrukkelijk op gewezen.

6 De motivering van de beslissing

6.1

De omstandigheid dat de man toegelaten is tot de WSNP brengt met zich mee dat hij met ingang van genoemde datum niet langer meer de vrije beschikking heeft over zijn salaris, sindsdien moet leven van enkel het vrij te laten bedrag (hierna te noemen: VLTB), dat op de voet van artikel 295 lid 2 Fw wordt afgestemd op de belastingvrije voet en de noodzakelijke kosten van het bestaan, en dat als uitgangspunt geldt dat hij geen draagkracht meer heeft om kinderalimentatie te voldoen.

6.2

Het hof overweegt dat, zoals ook verwoord in het arrest van de Hoge Raad van

18 november 2011 (LJN BU4937), op grond van artikel 295 lid 3 Faillissementswet aan de rechter-commissaris de bevoegdheid is toegekend om op verzoek van de schuldenaar, de bewindvoerder, dan wel ambtshalve het VTLB te verhogen met een door hem vast te stellen nominaal bedrag. Niet is bedoeld om daarmee de schuldenaar in staat te stellen al zijn niet in de schuldsanering betrokken financiële verplichtingen te voldoen, ook niet als het gaat om alimentatieverplichtingen. Het betreft een discretionaire bevoegdheid, bij het gebruik waarvan de rechter-commissaris rekening kan houden met de omstandigheden van het geval. Rechters-commissarissen dienen derhalve niet stelselmatig en zonder acht te slaan op de omstandigheden van het geval voor schuldenaren die een onderhoudsplicht jegens minderjarigen hebben het VLTB te verhogen met het bedrag waarop de alimentatie laatstelijk is vastgesteld, met een maximum van € 136,- per kind per maand. Het is dus uitdrukkelijk niet de bedoeling geweest om in alle gevallen de kinderalimentatievordering een feitelijke voorrangspositie ten opzichte van de andere in de schuldsanering betrokken vorderingen te verlenen.

6.3

Vast is komen te staan dat de rechter-commissaris geen gebruik heeft gemaakt van zijn ambtshalve bevoegdheid het VTLB te verhogen als hiervoor is bedoeld. Ook staat vast dat het verzoek van de man hiertoe door de rechter-commissaris is afgewezen bij brief van

22 oktober 2013. De rechter-commissaris heeft in deze brief overwogen dat bij de rechtbank als beleid geldt dat in het vrij te laten bedrag geen rekening wordt gehouden met betaling van kinderalimentatie, tenzij sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. De man heeft in deze aangegeven dat hij volledige openheid van zaken heeft gegeven. Het hof heeft geen aanleiding om daaraan te twijfelen. De vrouw stelt weliswaar dat de man heeft verzuimd bijzondere omstandigheden in zijn verzoek naar voren te brengen maar de vrouw heeft haar stelling niet nader onderbouwd. Evenmin heeft zij zelf in de onderhavige procedure bijzondere omstandigheden aangevoerd die afwijking van het beleid van de rechtbank zouden kunnen rechtvaardigen. Van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden is het hof ook niet gebleken. Het hof concludeert dan ook dat de man gedurende de periode waarin op hem de schuldsaneringsregeling van toepassing is niet over voldoende draagkracht beschikt om een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen te betalen. Het feit dat de man pas op 16 oktober 2013 een verzoek bij de rechter-commissaris heeft ingediend om bij de bepaling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsbijdrages voor [kind 1] en [kind 2] doet daaraan niet af.

6.4

In de periode van 1 april 2013 tot heden is er een klein bedrag aan kinderalimentatie door het LIBO bij de man geïncasseerd in opdracht van de vrouw. Het hof acht het redelijk om aan te nemen dat deze gelden door de vrouw overeenkomstig de behoefte van [kind 1] en [kind 2] zijn aangewend om in de kosten van hun verzorging en opvoeding te voorzien.

Tot op heden is immers voor een groot deel niet voorzien in de behoefte van [kind 1] en [kind 2], zodat het alleszins gerechtvaardigd is het (eventueel) door de man ten onrechte betaalde niet terug te vorderen van de vrouw. De man heeft ter zitting aangegeven daarmee te kunnen instemmen.

7 De slotsom

7.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] op nihil stellen vanaf 1 april 2013 gedurende de periode dat hij is toegelaten tot de WSNP en het verzoek van de man afwijzen voor zover het de nihilstelling na afloop van het genoemde schuldsaneringstraject betreft, onder bepaling dat de vrouw niet gehouden zal zijn tot terugbetaling van eventueel teveel door haar ontvangen bijdragen.

8 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 8 oktober 2013;

in zoverre opnieuw beslissende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [kind 1], geboren [in 1998], en [kind 2], geboren [in 2001], met ingang van 1 april 2013 en voor de duur van de schuldsanering op nihil;

bepaalt dat de vrouw niet is gehouden aan de man terug te betalen hetgeen hij per heden ter zake van deze bijdrage aan haar te veel heeft betaald;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.W. Beversluis, mr. M.P. den Hollander en

mr. G.K. Schipmölder, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van

26 juni 2014 in bijzijn van de griffier.