Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:708

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
13/00021
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:2808
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of het belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2008 bij aanslagregeling te hoog is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0305
V-N Vandaag 2014/261
V-N 2014/24.1.2

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

nummer 13/00021

uitspraakdatum: 4 februari 2014

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 22 november 2012, nummer AWB 12/997, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst kantoor Emmen (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.215. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 71.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 22 november 2012 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2013 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede mr. [A] namens de Inspecteur. Ter zitting zijn de zaken met de nummers 13/00022 en 13/00023 gelijktijdig behandeld.

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende was in het jaar 2008 werkzaam als freelance-vertegenwoordiger in bedrijfs- en werkkleding, elektrisch gereedschap en lasapparatuur. Hij werkte in het jaar 2008 op provisiebasis voor [B] B.V., gevestigd te [L]. Volgens een door [B] B.V. opgesteld contract wordt de provisie berekend op basis van de door belanghebbende behaalde bruto omzet per maand. Op deze bruto omzet wordt door [B] B.V. 10% handling-/bedrijfskosten in mindering gebracht. Over het restant van de bruto omzet zal volgens het contract 50% provisie worden uitgekeerd door [B] B.V. In het contract wordt vermeld dat belanghebbende aan [B] B.V. een nota zal uitreiken inzake de te declareren provisie verhoogd met omzetbelasting.

2.2

Belanghebbende heeft in de maanden mei en oktober van het jaar 2008 facturen uitgereikt aan [B] B.V. betreffende de maanden januari tot en met augustus van het jaar 2008.

Hij heeft per maand de volgende bedragen (exclusief btw) gefactureerd aan [B] B.V.:

januari

3.026,72

februari

2.625,58

maart

2.213,43

april

2.466,81

mei

2.231,99

juni

2.595,26

juli

2.671,71

augustus

2.123,71

De facturen betreffende de maanden januari tot en met juli van het jaar 2008 zijn door [B] B.V. betaald gedurende de periode juni tot en met november 2008.

2.3

Belanghebbende heeft op 31 december 2009 zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2008 ingediend bij de Inspecteur. In deze aangifte heeft hij als bruto resultaat uit overige werkzaamheden een bedrag van € 8.915 verantwoord. Dit bedrag heeft hij als volgt berekend:

inkomen 2008 € 20.088

niet betaald door [B] € 11.173

netto inkomen € 8.915

Als kosten heeft belanghebbende een bedrag van € 25.476 aangegeven. Deze kosten bestaan (deels) uit:

Baron lease auto

9.900

brandstof (diesel)

3.687

gebruik auto privé

1.762

representatiekosten

800

inventaris

514

kosten administratie en vervoer goederen door [B]

6.432

ziektekostenverzekering en bril

1.880

Tevens heeft belanghebbende huur- en energiekosten in aftrek gebracht. Belanghebbende heeft bij de berekening van zijn kosten een rekenfout van € 1.270 gemaakt. Het netto resultaat uit overige werkzaamheden bedraagt volgens belanghebbendes aangifte € 16.561 negatief. Verder heeft belanghebbende geen inkomsten aangegeven, zodat het door hem aangegeven inkomen uit werk en woning ook € 16.561 negatief bedraagt.

2.4

De Inspecteur heeft op 12 november 2010 bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van onder meer de aangifte IB/PVV voor het jaar 2008. De controle-medewerker heeft hiervan op 2 februari 2011 een rapport opgemaakt. Volgens dit rapport bestond de administratie voor het jaar 2008 ten tijde van het onderzoek uit:

- een order met de inkomende facturen (kosten);

- SNS bankafschriften met rekeningnummer [00.00.00.000];

- overzicht met uitgaven/kosten 2008.

De onder punt 2.2 bedoelde facturen heeft de controlemedewerker niet bij belanghebbende aangetroffen. Zij heeft deze facturen alsnog verkregen door middel van een derdenonderzoek bij [B] B.V. Ten aanzien van de door belanghebbende in aanmerking genomen kosten (zie punt 2.3) heeft de Inspecteur inzake de kosten voor inventaris, representatiekosten en kosten administratie en vervoer goederen door [B] geen facturen of betalingen aangetroffen.

2.5

De controlemedewerker heeft belanghebbendes omzet (bruto resultaat uit overige werkzaamheden) voor het jaar 2008 berekend op een bedrag van € 20.857,39. Dit bedrag bestaat uit de door belanghebbende over de maanden januari tot en met augustus gefactureerde bedragen (zie hiervoor onder punt 2.2), vermeerderd met het extra uitbetaalde bedrag van € 902,18.

2.6

De controlemedewerker heeft berekend dat op belanghebbendes bruto resultaat uit overige werkzaamheden een bedrag van € 11.300 aan kosten in aftrek kan worden gebracht. Dit bedrag bestaat voor een bedrag van € 7.267 aan huisvestingskosten, een bedrag van € 3.286 uit autokosten en een bedrag van € 747 uit algemene kosten.

De huisvestingskosten (exclusief btw) zijn als volgt berekend:

huurkosten € 8.251

gas + elektra € 1.639

verzekering € 179

totale huisvestingskosten € 10.069

privé-gebruik woning (1,3% van € 215.500) € 2.802 --/

aftrekbare huisvestingskosten € 7.267

De autokosten (exclusief btw) zijn als volgt berekend:

leasekosten € 6.442

brandstofkosten € 3.099

totale autokosten € 9.541

bijtelling privé-gebruik auto € 6.255 --/

aftrekbare autokosten € 3.286

De bijtelling privé-gebruik auto heeft de controlemedewerker voor de periode januari tot en met juni 2008 berekend op een bedrag van € 2.874 (€ 22.995 maal 25% maal 6/12). Dit betreft de auto met het kenteken [00-YY-XX]. Voor de periode juli tot en met december 2008 heeft de controle-medewerker de bijtelling berekend op een bedrag van € 3.381 (€ 27.050 maal 25% maal 6/12). Dit betreft de auto met het kenteken [01-SS-TT].

De algemene kosten van € 747 bestaan voor een bedrag van € 65 uit kosten voor de Kamer van Koophandel en een bedrag van € 682 uit telefoonkosten. De controle-medewerker heeft de door belanghebbende opgegeven (zie punt 2.3) kosten voor inventaris, representatiekosten en kosten administratie en vervoer goederen door [B] niet in aanmerking genomen omdat zij hiervan geen facturen of betalingen heeft aangetroffen. Ook de door belanghebbende opgegeven kosten voor de ziektekostenverzekering en een bril heeft de controle-medewerker niet in aanmerking genomen als kosten voor overige werkzaamheden (zie hierna onder punt 2.8), omdat dit geen bedrijfskosten zijn.

2.7

Het (netto) resultaat uit overige werkzaamheden heeft de Inspecteur berekend op een bedrag van € 9.557 (€ 20.857 minus € 11.300).

2.8

Als buitengewone uitgaven wegens ziektekosten heeft de controlemedewerker de kosten voor de bril (€ 500) in aanmerking genomen. Hierop heeft zij de drempel van € 158 (1,65% van het inkomen vóór persoonsgebonden aftrek) in mindering gebracht. Aldus heeft de controle-medewerker een bedrag van € 342 als buitengewone uitgaven in aanmerking genomen.

2.9

De controle-medewerker heeft ter bepaling van belanghebbendes belastbaar inkomen uit werk en woning het netto resultaat uit overige werkzaamheden (€ 9.557) verminderd met de buitengewone uitgaven (€ 342). Het belastbaar inkomen uit werk en woning heeft zij aldus bepaald op een bedrag van € 9.215.

2.10

De Inspecteur heeft overeenkomstig het door de controle-medewerker bepaalde belastbaar inkomen uit werk en woning aan belanghebbende een aanslag IB/PVV voor het jaar 2008 opgelegd.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of het belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2008 bij aanslagregeling te hoog is vastgesteld.

3.2

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de bestreden aanslag tot op een opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en vaststelling van een verlies van € 16.561.

3.3

De Inspecteur beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 - vermelde vraag ontkennend, en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

De provisie

4.1

De Inspecteur heeft gesteld dat de factuur betreffende de maand augustus 2008, ad € 2.123,71 (exclusief btw), is betaald op 27 februari 2009. Deze betaling is € 902,18 (exclusief btw) hoger dan het bedrag van die factuur. Belanghebbende bestrijdt de ontvangst van deze extra uitbetaling van € 902,18. Belanghebbende betwist tevens de juistheid van de stelling van de Inspecteur ten aanzien van het moment van betaling van dit bedrag, aangezien deze volgens hem eerst in 2012 – na een uitspraak van de civiele kamer van dit Gerechtshof – heeft plaatsgevonden. Nu belanghebbende ter zitting voor het Hof heeft verklaard dat de eerder genoemde uitspraak van de sector civiel van het Hof (onder meer) betrekking had op facturen over de maanden mei tot en met augustus 2008 en voor wat betreft die maanden een door [B] te betalen bedrag van € 12.858,36 betrof, omvat dit bedrag mede (gelet op de onder 2.2. genoemde bedragen) het genoemde bedrag € 902,18 (exclusief btw). Naar het oordeel van het Hof, kan voorts in het midden blijven of de betaling over de periode augustus 2008 in 2009 dan wel in 2012 heeft plaatsgevonden, aangezien de gedingstukken er geen onduidelijkheid over laten bestaan dat de hiervoor genoemde bedragen per 31 december 2008 in rekening zijn gebracht. Op grond van het bepaalde in artikel 3.95 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) gelezen in verbinding met artikel 3.25 van de Wet, wordt het jaarresultaat uit overige werkzaamheden volgens goedkoopmansgebruik bepaald. Voor zover in het onderhavige geval relevant, betekent zulks dat een gefactureerde omzet, reeds in dat jaar tot het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden moet worden gerekend, behoudens bijzonder omstandigheden welke in het onderhavige geval niet zijn gesteld of gebleken. Dat brengt met zich dat, ongeacht het jaar van betaling, de bestreden omzetcomponent tot het jaarresultaat in 2008 behoort. Ten aanzien van een voorziening voor dubieuze debiteuren is niets gesteld of gebleken.

Privégebruik auto

4.2

Belanghebbende heeft in hoger beroep voorts gesteld dat hij ter zake van het privégebruik van de auto voor het onderhavige jaar een afspraak met de Inspecteur heeft gemaakt, welke inhoudt, naar het Hof begrijpt, dat in afwijking van de wettelijke regeling slechts (12.000 kilometer x € 0,19 =) € 2.280 ter zake van de onttrekking voor privé gebruik van de tot het bedrijfsvermogen behorende auto’s in aanmerking behoeft te worden genomen. Belanghebbende, op wie, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de Inspecteur, de bewijslast rust ter zake van de gereleveerde afspraak, is er, naar het oordeel van het Hof, met hetgeen hij heeft gesteld niet in geslaagd deze afspraak aannemelijk te maken.

Heffingskorting

4.3

Ten slotte heeft belanghebbende zich erop beroepen recht te hebben op een aftrek ten laste van zijn resultaat uit overige werkzaamheden wegens “bezwaar heffingskorting”. Naar het Hof begrijpt, bedoelt belanghebbende daarmee de algemene heffingskorting als bedoeld in artikel 8.10 van de Wet. Gelet op de onweersproken stelling van de Inspecteur dat bij de aanslagregeling over 2008 met de heffingskorting reeds rekening is gehouden bij de bepaling van het bedrag van de verschuldigde IB/PVV, en voorts gelet op het systeem van de Wet, kan het Hof belanghebbende ook in zijn laatste stelling niet volgen.

Heffingsrente

4.4

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu het Hof ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is het beroep ook in zoverre ongegrond.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. G.J. van Leijenhorst en mr. J. Huiskes, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 4 februari 2014 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong)

(P. van der Wal)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 5 februari 2014

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.