Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:7023

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-09-2014
Datum publicatie
11-09-2014
Zaaknummer
TBS P14/0233
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:1625, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Situatie waarin niet voldaan wordt aan de verlengingsgrond van artikel 38d Wetboek van Strafrecht én waarin de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging nog niet minimaal een jaar heeft geduurd. Waar artikel 509t, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering met ingang van 1 juli 2013 is gewijzigd, is de in artikel 38d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht genoemde termijn waarmee de terbeschikkingstelling kan worden verlengd (hetzij met een jaar hetzij met twee jaar) door de wetgever in stand gelaten. Het ligt niet op de weg van de rechter, maar op die van de wetgever om in het licht van het gewijzigde artikel 509t, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering desgewenst de in artikel 38d van het Wetboek van Strafrecht genoemde termijn aan te passen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

TBS P14/0233

Beslissing d.d. 11 september 2014

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van het openbaar ministerie in de zaak tegen

[naam terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende te [woonplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Oost-Brabant van 8 april 2014, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling tot 28 juni 2014.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

  • -

    de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 mei 2002, waarbij de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege werd opgelegd;

  • -

    de beslissing van de rechtbank Oost-Brabant van 28 juni 2013, waarbij de verpleging van overheidswege voorwaardelijk is beëindigd;

  • -

    het verlengingsadvies en voortgangsverslag TBS van de reclassering van het Leger des Heils van 8 januari 2014;

  • -

    de rapportage pro justitia van 18 maart 2014, opgemaakt door J.M.J.F. Offermans, psychiater;

  • -

    de vordering van de officier van justitie, ingekomen op 14 februari 2014;

  • -

    het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg van 25 maart 2014;

  • -

    de beslissing waarvan beroep;

  • -

    de akte van beroep van 10 april 2014, waarbij het openbaar ministerie beroep heeft ingesteld tegen voornoemde beslissing;

  • -

    de schriftuur hoger beroep OM, ingekomen op 18 april 2014;

  • -

    het voortgangsverslag TBS van de reclassering van het Leger des Heils van 10 april 2014;

  • -

    het verlengingsadvies en voortgangsverslag TBS van de reclassering van het Leger des Heils van 4 augustus 2014.

Het hof heeft ter zitting van 21 augustus 2014 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr A.L. Louwerse, advocaat te Haarlem, en de advocaat-generaal

mr A.A. Schut.

Overwegingen

Het advies van de reclassering

In het verlengingsadvies van 8 januari 2014 heeft de reclassering de diagnose van de Van der Hoevenkliniek gehanteerd, te weten afhankelijkheid van verschillende middelen, thans in remissie en een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit, gecombineerde type. Daarnaast is er bij de terbeschikkinggestelde sprake van een borderline, antisociale, narcistische en paranoïde persoonlijkheidsstoornis. Voor de risicotaxatie heeft de reclassering verwezen naar de verlengingsrapportage van de Van der Hoevenkliniek van 16 januari 2013, waaruit blijkt van een op de korte termijn laag tot matig risico van terugval in gewelddadig gedrag zonder tbs-kader, dat naar verwachting op de middellange termijn zal toenemen, en naar de hierna te noemen rapportage van psychiater Offermans.

De reclassering heeft aangegeven dat de terbeschikkinggestelde zich op een goede en constructieve wijze heeft weten los te maken van de kliniek. De terbeschikkinggestelde heeft nog meer tijd nodig om voldoende stabiliteit in zijn leven te ontwikkelen. Er is blijvend sprake van een complexe combinatie van verslavings- en persoonlijkheidsproblematiek, waarbij vooral afglijden in drugsgebruik of verlies van beschermende structuren volgens de reclassering nog een te groot risico van terugval in crimineel en/of agressief gedrag tot gevolg kan hebben. De terbeschikkinggestelde heeft een waarschuwing gekregen vanwege overtreding van de voorwaarden, te weten middelengebruik rond de feestdagen van 2013. Behandeling, begeleiding en toezicht vanuit het dwingende tbs-kader wordt nog noodzakelijk geacht ter vermindering van het recidiverisico op lange termijn. Daarom heeft de reclassering geadviseerd de terbeschikkingstelling te verlengen met een jaar.

In het voortgangsverslag van 10 april 2014 heeft de reclassering geconcludeerd tot voortzetting van het reclasseringstoezicht op dezelfde wijze.

Uit het verlengingsadvies en voortgangsverslag TBS van 4 augustus 2014 blijkt dat de terbeschikkinggestelde in de periode na zijn terugval in middelengebruik (softdrugs) hulp heeft gezocht en hij weet nu ook perioden die spanningsvol voor hem zijn op een adequate manier op te vangen. Daarbij speelt volgens de reclassering een rol dat hij een betere balans tussen zijn werkzaamheden en vrije tijd heeft aangebracht. De terbeschikkinggestelde heeft in de periode na het vorige verlengingsadvies laten zien dat hij op alle fronten zijn leven goed op de rails heeft kunnen houden, dat de verslavings- en persoonlijkheidsproblematiek voldoende ingekapseld blijkt en dat het recidiverisico tot een aanvaardbaar niveau is gedaald. De heer Spapens, psychotherapeut bij De Waag, is van mening dat de terbeschikkinggestelde optimaal geprofiteerd heeft van zijn behandeling bij De Waag en ziet een onvoorwaardelijk ontslag uit de tbs als een logische stap. De reclassering acht het evenzo niet langer noodzakelijk om de terbeschikkinggestelde in een verplichtend kader te begeleiden en adviseert om de terbeschikkingstelling te beëindigen.

Het advies van de psychiater

Psychiater Offermans geeft in zijn rapport aan dat bij de terbeschikkinggestelde sprake is van ADHD, afhankelijkheid van verschillende middelen onder toezicht in remissie en van een persoonlijkheidsstoornis NAO (niet anders omschreven) met borderline, narcistische en antisociale kenmerken, die in de loop der jaren milder is geworden. Hij schat het risico op gewelddadig gedrag als laag in voor de korte en middellange termijn en als laag tot matig voor de lange termijn. Volgens psychiater Offermans zijn er geen verdere mogelijkheden dan wel is er geen noodzaak voor een behandeling in engere zin. Hooguit zou de terbeschikkinggestelde nog baat kunnen hebben bij een kortstondige voortzetting van het reclasseringscontact op vrijwillige basis gericht op praktische zaken, echter niet noodzakelijkerwijs binnen het kader van een tbs (waarvan de verpleging van overheidswege

voorwaardelijk is beëindigd). Daarom adviseert hij de maatregel van terbeschikkingstelling te beëindigen.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Ten tijde van de behandeling in eerste aanleg was de verpleging van overheidswege nog geen jaar voorwaardelijk beëindigd en derhalve stond artikel 509t, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering aan afwijzing van de vordering in de weg. De rechtbank heeft in strijd met artikel 38d Wetboek van Strafrecht de terbeschikkingstelling verlengd met een kortere periode dan een jaar. Inmiddels duurt echter de periode van voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege meer dan een jaar. Onder verwijzing naar het advies van de reclassering en de rapportage van psychiater Offermans heeft de advocaat-generaal daarom geconcludeerd tot vernietiging van de beslissing van de rechtbank en afwijzing van de vordering.

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsvrouw

De raadsvrouw heeft primair verzocht om de beslissing van de rechtbank te bevestigen teneinde van het hof een standpunt te verkrijgen over de situatie waarin niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor verlenging, maar waarin sinds de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege ten tijde van een volgende verlengingsprocedure nog geen jaar is verstreken. Subsidiair hebben de terbeschikkinggestelde en zijn raadsvrouw verzocht om de beslissing van de rechtbank te vernietigen en de vordering af te wijzen.

Het oordeel van het hof

Vernietiging

Het hof zal de beslissing van de rechtbank vernietigen, daar het hof om de hierna te

vermelde redenen tot een andere beslissing komt.

Doelstelling maatregel

De primaire doelstelling van de maatregel van de terbeschikkingstelling is de beveiliging van de samenleving. De maatregel wordt opgelegd aan personen die een ernstig delict hebben gepleegd en bij wie ten tijde van het begaan van dat delict een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond die (mede) van invloed is geweest op het plegen van het delict. Behandeling van die stoornis is noodzakelijk om het recidivegevaar tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen.

Gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens

Ten tijde van het begaan van de indexdelicten was bij de terbeschikkinggestelde sprake van afhankelijkheid van middelen en van een persoonlijkheidsstoornis met borderline, narcistische en antisociale kenmerken. Daarvan is thans nog sprake, met dien verstande dat de persoonlijkheidsstoornis in de loop der jaren milder is geworden.

Recidiverisico

De kans op recidive wordt ingeschat als laag voor de korte en middellange termijn en als laag tot matig voor de lange termijn.

Gelet op het voorgaande wordt naar het oordeel van het hof niet langer voldaan aan het in artikel 38d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht genoemde vereiste voor verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling, te weten dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen die verlenging eist, Dit betekent dat de maatregel moet worden beëindigd. Anders dan ten tijde van de beslissing van de rechtbank staat het tweede lid van artikel 509t, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering hieraan niet langer in de weg, nu de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging inmiddels feitelijk al een jaar heeft geduurd. Het hof zal dan ook de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling afwijzen.

Overweging ten overvloede

Met betrekking tot de situatie dat niet voldaan wordt aan de verlengingsgrond van artikel 38d Wetboek van Strafrecht én een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging nog niet minimaal een jaar heeft geduurd merkt het hof ten overvloede op dat volgens vaste jurisprudentie van het hof de terbeschikkingstelling, behoudens het bepaalde in artikel 38e of artikel 38j, slechts met een jaar dan wel twee jaar kan worden verlengd en niet met een andere termijn, gezien de duidelijke tekst van het tweede lid van artikel 38d van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken in de hiervoor genoemde situatie.

Waar artikel 509t, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering met ingang van 1 juli 2013 is gewijzigd, is de in artikel 38d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht genoemde termijn waarmee de terbeschikkingstelling kan worden verlengd (hetzij met een jaar hetzij met twee jaar) door de wetgever in stand gelaten. Het ligt niet op de weg van de rechter, maar op die van de wetgever om in het licht van het gewijzigde artikel 509t, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering desgewenst de in artikel 38d van het Wetboek van Strafrecht genoemde termijn aan te passen. De rechtbank had derhalve in de onderhavige zaak de terbeschikkingstelling niet mogen verlengen met een termijn korter dan een jaar.

Beslissing

Het hof:

vernietigt de beslissing van de rechtbank Oost-Brabant van 8 april 2014 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [naam terbeschikkinggestelde].

Wijst af de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling.

Aldus gedaan door

mr Y.A.J.M. van Kuijck als voorzitter,

mr M. Keppels en mr E.G. Smedema als raadsheren,

en drs. E. Harmsen en drs. R. Vecht-van den Bergh als raden,

in tegenwoordigheid van mr I.H.A. Bijl als griffier,

en op 11 september 2014 in het openbaar uitgesproken.

Mr E.G. Smedema en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.