Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:6996

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
10-09-2014
Zaaknummer
200.140.089-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ook een betalingsachterstand van één maand rechtvaardigt in dit geval ontbinding van de overeenkomst. De betalingsachterstand is immers al voor 26 april 2012 ontstaan en bedroeg na een betaling op 6 junie 2012 nog tenminste één maandtermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.140.089/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 582070 \ CV EXPL 13-4201)

arrest van de eerste kamer van 9 september 2014 in de zaak van:

[appellant],

wonende en zaakdoende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. U.R. Slangenberg, kantoorhoudend te Winschoten,

tegen

BCM Music Systems B.V.,

gevestigd te Weert,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: BCM,

niet verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het (verstek)vonnis van 24 juli 2012 van de toenmalige rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Winschoten en het vonnis van 3 september 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij exploot van 27 november 2013 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het vonnis van de kantonrechter van 3 september 2013.

2.2

BCM is niet verschenen in hoger beroep en tegen haar is verstek verleend.

2.3

De conclusie van de memorie van grieven (met één productie) luidt:

"(..) te vernietigen het vonnis gewezen (...) op 3 september 2013 (...) tussen appellant als opposant en geïntimeerde als geopposeerde en opnieuw rechtdoende, geïntimeerde alsnog in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen en te ontzeggen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

2.4

Ten slotte heeft [appellant] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De feiten, het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

Het hof ziet aanleiding om de feiten zelfstandig vast te stellen. Deze feiten komen, als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende gemotiveerd betwist alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties, op het volgende neer.

3.2

Ter uitvoering van een schriftelijke, op 26 oktober 2011 ondertekende overeenkomst heeft [appellant] van BCM een muziekinstallatie in operational lease gekregen voor de periode van 1 november 2011 tot 1 november 2016. Voor hetzelfde tijdvak heeft [appellant] door BCM zelf ontwikkelde software en/of datadragers in gebruik gekregen, welke door BCM en haar licentiegevers auteursrechtelijk zijn beschermd. [appellant] is hiervoor in totaal € 146,31 per maand verschuldigd aan BCM.

3.3

In verband met een betalingsachterstand is [appellant] door (de deurwaarder van) BCM op 26 april 2012, 4 mei 2012, 9 mei 2012 en 16 mei 2012 gesommeerd de achterstallige bedragen (inclusief vertragingsrente en incassokosten) te voldoen.

3.4

[appellant] heeft op 8 mei 2012 een bedrag van € 50,- betaald. Verdere betalingen zijn uitgebleven tot het uitbrengen door BCM van de inleidende dagvaarding van 1 juni 2012. Nadien, op 6 juni 2012, heeft [appellant] een bedrag van € 337,06 betaald. Voorts heeft [appellant] op 5 juli 2012 en 27 augustus 2012 steeds een bedrag van € 146,31 aan BCM betaald.

3.5

Bij vonnis van 24 juli 2012 heeft de kantonrechter aan [appellant] verstek verleend en de vorderingen van BCM grotendeels toegewezen.

3.6

Van laatstgenoemd vonnis is [appellant] bij exploot van 6 maart 2013 in verzet gekomen. De kantonrechter heeft het verzet gedeeltelijk gegrond geoordeeld en het verstekvonnis van 24 juli 2012 vernietigd. Het dictum van het vonnis van 3 september 2013 luidt verder:

ontbindt de in de dagvaarding bedoelde tussen partijen bestaande abonnementsovereenkomst en/of leaseovereenkomst;

veroordeelt [appellant] om tegen bewijs van betaling aan Music Systems te voldoen:

- € 224,08 vermeerderd met de contractuele rente van 1.5% per maand over een bedrag van € 198,18 vanaf 31 mei 2012;

- € 146,31 zijnde de door [appellant] verschuldigde leaseverplichting en gebruikskosten voor de door Music Systems ter beschikking gestelde software, vanaf 1 juni 2012, een gedeeltelijke maand voor een volle gerekend, tot aan het tijdstip dat de onderhavige overeenkomsten zijn ontbonden;

- terzake van schadevergoeding een bedrag van € 146,31 per maand, een gedeeltelijke maand voor een volle gerekend, vanaf het tijdstip dat de onderhavige overeenkomsten zijn ontbonden tot aan het tijdstip dat Music Systems aan [appellant] in operational lease ter beschikking gestelde muziekinstallatie en software en datadragers onder dezelfde voorwaarden aan een ander ter beschikking heeft gesteld, echter wel ten hoogste tot en met d.d. 1 november 2016, zijnde de expiratiedatum van de schriftelijke overeenkomsten;

veroordeelt [appellant] om binnen 10 dagen na betekening van het vonnis tot afgifte van de geleasede muziekinstallatie aan Music Systems op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat [appellant] hiermee in gebreke blijft tot een maximum van € 5.000,00;

veroordeelt [appellant] om binnen 10 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis tot afgifte van de aan Music Systems in eigendom toebehorende drager van muzieklicenties / harddisk inclusief software en/of dongel op straffe van een direct opeisbare boete van € 750,00;

veroordeelt [appellant] in de kosten van de verstek- en de verzetprocedure, die aan de zijde van Music Systems tot aan deze uitspraak worden vastgesteld op € 109,00 aan griffierecht, € 87,17 aan dagvaardingskosten en € 200,00 aan salaris van Music Systems;

verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

4 De beoordeling in hoger beroep

4.1

[appellant] heeft één grief ontwikkeld, die erop neerkomt dat de betalingsachterstand ontbinding van de overeenkomst van 26 oktober 2011 niet rechtvaardigt. Ter toelichting op de grief heeft [appellant] gesteld dat het gebruikelijk was dat hij aan het einde van de maand betaalde. De betalingsachterstand op 1 juni 2012 bedroeg volgens [appellant] niet vier, maar drie maandtermijnen minus het op 8 mei 2012 betaalde bedrag van € 50,-. In aanmerking nemend dat hij op 6 juni 2012 nog een bedrag van € 337,06 heeft betaald ten titel van twee maandtermijnen en enige kosten, heeft de kantonrechter miskend dat ten tijde van de uitspraak de betalingsachterstand niet meer dan één maandtermijn bedroeg, aldus [appellant].

4.2

Het hof overweegt het volgende. Uitgangspunt is, dat iedere tekortkoming in de nakoming grond kan opleveren voor gehele of gedeeltelijke ontbinding van de tussen BCM en [appellant] gesloten overeenkomst. Op [appellant] rusten ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv stelplicht en bewijslast van de uitzondering op voormeld uitgangspunt dat de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [appellant] stelt echter wel dat de kantonrechter hem een termijn had moeten gunnen om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen omdat de ontbinding voor hem zulke verstrekkende gevolgen heeft, maar welke die gevolgen zijn en waarom die gevolgen voor hem zo verstrekkend zijn dat gehele ontbinding van de overeenkomst met BCM disproportioneel zou zijn, heeft [appellant] in het geheel niet onderbouwd. [appellant] heeft evenmin met kracht van argument onderbouwd waarom de door hem opgelopen betalingsachterstand, mede gelet op de aard van de overeenkomst, een tekortkoming van te geringe betekenis zou zijn om de gehele ontbinding van de overeenkomst te kunnen rechtvaardigen.

4.3

Zelfs indien [appellant] wordt gevolgd in zijn stelling dat de betalingsachterstand niet meer dan één maand bedroeg, rechtvaardigt deze tekortkoming - anders dan [appellant] ingang wil doen vinden - naar het oordeel van het hof gehele ontbinding van de overeenkomst van 26 oktober 2011. Te meer omdat uit de sommaties van (de deurwaarder van) BCM blijkt dat de betalingsachterstand al voor 26 april 2012 is ontstaan en - ook volgens de eigen stellingen van [appellant] - in ieder geval tot na de datum van de inleidende dagvaarding (1 juni 2012) heeft voortgeduurd en na de betaling op 6 juni 2012 van € 337,06 nog tenminste één maandtermijn bedroeg.

4.4

De grief faalt, zodat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep. De proceskosten aan de zijde van BCM zullen worden vastgesteld op nihil.

De beslissing

Het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van 3 september 2013;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het geding in hoger beroep en stelt deze kosten aan de zijde van BCM vast op nihil;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. H. de Hek en mr. A.M. Koene en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag

9 september 2014.