Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:6976

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
12-09-2014
Zaaknummer
200.131.150-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opdrachtgever stelt adminstratiekantoor aansprakelijk voor beslastingschade, aan het adminstratiekantoor is opdracht gegeven de inkomstenbelasting en de omzetbelasting te verzorgen. De opdrachtgever neemt een werknemer in dienst met wie hij een netto loon afspreekt. Het administratiekantoor gaat ook de loonadministratie verzorgen. De opdrachtgever verwijt het administratiekantoor dat bij het opstellen van de loonspecificaties door de werknemer is nagelaten de cao toe te passen, waardoor teveel loonbelasting aan de belastingdienst is afgedragen. Voorts wordt het adminstratiekantoor verweten dat jaarlijks bij de aangifte inkomstenbelasting de verschuldige pensioenpremie ten behoeve van de werknemer niet op de winst van de opdrachtgever in mindering is gebracht. Na de overeenkomst van opdracht te hebben uitgelegd oordeelt het hof dat het adminstratiekantoor jegens de opdrachtgever is tekortgeschoten. Het adminstratiekantoor heeft ten onrechte nagelaten het systeem van vakantiebonnen in de loonspecificaties toe te passen en heeft nagelaten de opdrachtgever te wijzen op de verplichting pensioenpremie aan A&O Fonds af te dragen. De opdrachtgever hoeft aan pensionfonds geen rente over te laat afgedragen pensieonpremie te betalen zodat geen schade aan rente is. Het verweer dat de opdrachtgever de schade zelf heeft te dragen, omdat de verplichtingen uit de cao op de opdrachtgever rusten, wordt verworpen. Op de opdrachtgever rust de verplichting tot schadebeperking. In tussenvonnis wordt bewijsopdracht verstrekt en nadere informatie verzohct onder de aankondig dat mogelijk een deskuindige bemoemiong volgt ter berekening van de belastingsschade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2174
PJ 2014/192

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.131.150

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/07/194741/HL ZA 12-30)

arrest van de eerste kamer van 9 september 2014

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. W.F. Wienen, kantoorhoudend te Almere,

tegen

[bewindvoerder], in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [saniet],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [bewindvoerder],

advocaat: aanvankelijk mr. M.P.A. Oogjen, thans mr. R.E. van der Hoef, beiden kantoorhoudend te Almere.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het tussenvonnis van 23 januari 2013 en het eindvonnis van 24 april 2013 van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 23 juli 2013;

- de memorie van grieven d.d. 31 december 2013;

- de memorie van antwoord d.d. 25 maart 2014.

Na gevraagd pleidooi is bij tussenarrest van 20 mei 2014 met instemming van partijen een comparitie van partijen bepaald, welke op 5 juni 2014 is gehouden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

2.2

Op basis van de door [appellant] overgelegde afschriften van de processtukken in eerste aanleg en de in hoger beroep genomen processtukken heeft het hof arrest bepaald. Op de zitting is het door [appellant] overgelegde exemplaar van de conclusie van repliek tevens houdende akte wijziging van eis in verband met de daarop door de advocaat van [appellant] met pen aangebrachte aantekeningen verwijderd en is het door [saniet] overgelegde afschrift van die conclusie daarvoor in de plaats gekomen.

2.3

De vordering van [appellant] luidt, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

"1. te vernietigen de vonnissen d.d. 23 januari 2013 (.....) en d.d. 24 april 2013 (zaaknummer / rolnummer: C/07/194741 / HL ZA 12-30), beiden gewezen tussen appellant en geïntimeerde en opnieuw rechtdoende de vordering van eiser, voorzover zij in voornoemd vonnis zijn toegewezen, alsnog af te wijzen en de vorderingen van gedaagde alsnog toe te wijzen;

2. met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties, vermeerderd met een voorwaardelijke veroordeling tot voldoening van het nasalaris (€ 199,00 zonder betekening en € 273,00 met betekening), vermeerderd met de wettelijke rente over de volledige proceskosten, indien niet binnen veertien (14) dagen na betekening van het arrest voldoening daarvan heeft plaatsgevonden.”

3 De feiten

3.1

[appellant] heeft geen grieven gericht tegen de door de rechtbank in het beroepen tussenvonnis van 23 januari 2013 onder 2.1 tot en met 2.8 vastgestelde feiten. Aangevuld met wat in hoger beroep is komen vast te staan, luiden die feiten als volgt.

3.2

[saniet], handelend onder de naam [systeembouw], heeft in 2002 een mondelinge overeenkomst met [appellant], toen handelende onder de naam [administratiekantoor 1], gesloten voor het verrichten van administratiewerkzaamheden met betrekking tot zijn onderneming. Aanvankelijk bestonden die werkzaamheden vooral uit het doen van aangiftes voor de inkomstenbelasting en de omzetbelasting.

3.3

Met ingang van 6 juni 2006 is [A] bij [saniet] in dienst getreden. In artikel 3 van de arbeidsovereenkomst is het navolgende opgenomen over het te betalen loon:

“Werknemer zal in dienst van werkgever een salaris ontvangen van € 1.600,-- netto inclusief 8% vakantietoeslag en inclusief op te nemen verlofdagen”

3.4

[4 werknemers] hebben op basis van 0-urencontracten enige werkzaamheden voor [saniet] verricht.

3.5

De werkzaamheden van [saniet] vallen onder het bereik van de CAO Afbouw. De CAO Afbouw is in ieder geval vanaf 2007 algemeen verbindend verklaard.

3.6

Na de indiensttreding van [A] is [appellant] ook de loonadministratie voor [saniet] gaan verzorgen. Zo stelde [appellant] de loonspecificaties op, verzorgde [appellant] de aangiftes loonbelasting en beheerde [appellant] de zogeheten G-rekening van [saniet] voor in ieder geval de betalingen van de loonbelasting en de omzetbelasting.

3.7

[appellant] heeft per 1 juni 2011 zijn klanten, waaronder [saniet], overgedragen aan het [administratiekantoor 2]. Vanaf dat moment verricht [administratiekantoor 2] de hiervoor genoemde boekhoudkundige werkzaamheden voor [saniet].

3.8

[saniet] heeft [appellant] bij aangetekend verzonden brief van 11 juli 2011 laten weten dat na de overdracht van de financiële administratie aan het [administratiekantoor 2] is gebleken dat er fouten zijn gemaakt, waaronder het opmaken van onjuiste loonstroken. [saniet] sommeert [appellant] hem “het geld terug te betalen en/of te overeenkomen met een regeling”.

3.9

Bij brief van 12 juli 2011 bericht [administratiekantoor 2] [saniet] als volgt:

“Op uw verzoek verklaren wij hieronder wat wij hebben geconstateerd bij het bestuderen van de loonstroken van [systeembouw] door [administratiekantoor 1] (…).

Het bedrijf [systeembouw] valt onder de CAO Afbouw. De hierin vastgelegde afspraken zijn bindend.

[appellant] is uitgegaan van een netto salaris van € 1.680,00 euro, volgens de loonstrook is dat bruto € 2.016,15. Wat betreft de inhoudingen op de loonstrook heeft [appellant] zich gehouden aan de percentages behorende bij de CAO afbouw. De tabel voor vakantiebonnen met meer dan 20 vakantiebonnen is gebruikt. Op de loonstrook staat een bedrag vermeld van het totaal dat aan vakantiebonnen is opgebouwd. (….)

Bij de CAO afbouw wordt er gewerkt met een vakantiebonnen (fonds)systeem. Dit houdt in dat een bepaald percentage van het loon wordt gereserveerd en afgedragen aan A&O Services. 99% van de vakantiebonnen zijn belast en de loonheffing dient per periode te worden afgedragen aan de belastingdienst. Dit is op de loonstrook van [appellant] niet terug te vinden.

[appellant] heeft nimmer [systeembouw] aangemeld als werkgever bij A&O Services. Hierdoor zijn er nimmer pensioenpremies afgedragen en zijn er ook geen bedragen voor het vakantiefonds afgedragen. Hij heeft wel vakantiedagen en vakantiegeld berekend maar dit periodiek uitbetaald en toch de tabel voor vakantiebonnen gebruikt. In dit geval had de gewone witte maandtabel gebruikt moeten worden.
Daarnaast hebben wij geconstateerd dat, ondanks dat er pensioenpremie is ingehouden op het salaris van de werknemer, er geen schuld staat op de balans te betalen pensioenpremie. Dit houdt volgens ons in dat de pensioenkosten voor de werkgever en de inhoudingen werknemer ook nooit zijn meegenomen en dat hierdoor de werkgever jarenlang te veel inkomstenbelasting heeft afgedragen.

Wij, [administratiekantoor 2] vof, in deze vertegenwoordigd door [naam], hebben [appellant] gevraagd waarom er geen premieafdrachten pensioen zijn gedaan en waarom de vakantiefondsregeling niet juist is toegepast. Zijn antwoord hierop was, wij citeren: ‘de heer [saniet] wilde het zo, hij wilde geen pensioenpremie afdragen, daarom is hij niet aangemeld. Ik heb wel gezegd dat het moest maar hij wilde het zo als ik het nu deed en geen premies afdragen. En ja, ik weet dat er van de loonstrook weinig klopt maar hij wilde het echt zo’. Dat was het letterlijke antwoord van [appellant]. Vervolgens heb ik hem nog gezegd dat dat toch niet kan omdat je je aan een CAO moet houden. Zijn reactie hierop was: ‘Ja, dat weet ik maar als de klant het wil …..’. Op de vraag waarom er geen te betalen pensioenpremie op de balans staat antwoordde [appellant]: ‘Wij boeken alleen het nettoloon en de betaalde loonheffing rechtstreeks in de kosten’.

Onze conclusie is dat de heer [appellant] van [administratiekantoor 1] zeer nalatig is geweest in de correcte uitvoering van zijn werk met betrekking tot de loonadministratie van [systeembouw]. De loonstroken zijn niet correct opgesteld en er is nimmer een journaalpost lonen geboekt.”

3.10

A&O Services bericht [saniet] bij e-mailbericht van 21 november 2011 met c.c. aan [administratiekantoor 2] dat de achterstand in pensioenpremie vanaf 2006 t/m de eerste 6 periodes van 2011 voorlopig is begroot op € 23.225,00.

3.11

De advocaat van [saniet] stelt [appellant] bij aangetekend en gewone post verzonden brief van 13 januari 2012 aansprakelijk voor de door [saniet] geleden en nog te lijden schade en sommeert [appellant] om binnen 8 dagen na dagtekening van de brief tot betaling van € 29.434,02 over te gaan.

3.12

[appellant] antwoordt de advocaat van [saniet] bij brief van 19 januari 2012 als volgt:

“(…) U geeft aan dat uw cliënt, [saniet], op 11 juli 2011 mij een brief zou hebben gezonden waarin hij mij rechtstreeks aansprakelijk stelt, helaas is deze brief niet door mij ontvangen. (….)

U praat over een schade van € 29.434,02, dit is geen schade, als [administratiekantoor 2] de correcties heeft doorgevoerd, zoals u aangeeft, ontvangt de heer [saniet] de Loonheffing € 9.033 en de Inkomstenbelasting € 8.357 inclusief rente terug van de belastingdienst. Dat de heer [saniet] geen pensioenpremie heeft afgedragen is niet mijn verantwoordelijkheid, daarvoor is ieder bedrijf zelf verantwoordelijk. Ik geef alleen aan in de loonberekening wat de hoogte van het te betalen bedrag is. (…)”

3.13

De Belastingdienst laat [saniet] bij brief van 26 januari 2012 weten dat de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2007 met € 1.865,00 is verminderd.

3.14

Bij brief van 2 maart 2012 bericht A&O Services [saniet] dat de verschuldigde pensioenpremie voor de periode vanaf juni 2006 tot en met december 2011 (definitief) is vastgesteld op € 26.466,97.

3.15

Desverzocht is de wettelijke schuldsaneringsregeling met ingang van 22 januari 2013 op [saniet] van toepassing verklaard en is mr. [bewindvoerder] tot bewindvoerder aangesteld.

4 De vordering en beoordeling in eerste aanleg

4.1

[bewindvoerder] heeft na wijziging van eis gevorderd een verklaring voor recht dat [appellant] in de uitoefening van zijn werkzaamheden tekort is geschoten en de schade heeft te vergoeden, dat de zaak dient te worden verwezen naar de schadestaatprocedure voorzover het gaat om schade die ten tijde van het vonnis nog niet vaststaat, nog niet bekend is en/of nog niet gevorderd is en dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van € 27.189,02 en de proceskosten, waaronder begrepen de beslagkosten van € 875,53. Het bedrag van € 27.189,02 bestaat uit:

  1. € 6.492,- met rente wegens teveel betaalde inkomstenbelasting;

  2. € 2.710,02 met rente wegens de wettelijke rente over de naheffing pensioenpremie;

  3. € 9.033,- met rente wegens teveel ingehouden loonbelasting;

  4. € 2.000,- met rente wegens kosten van het [administratiekantoor 2] voor het doorlichten van de financiële administratie en het opnieuw berekenen van onder meer de pensioenpremie;

  5. € 6.954,- met rente wegens ten onrechte betaalde facturen van [appellant].

4.2

[appellant] heeft verweer gevoerd, waarna de rechtbank bij tussenvonnis van 23 januari 2013 [appellant] heeft opgedragen te bewijzen dat hij op verzoek van [saniet] is afgeweken van de van toepassing zijnde CAO.

4.3

Nadat [appellant] de rechtbank heeft bericht dat hij niet in staat is het opgedragen bewijs te leveren, heeft de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard eindvonnis van 24 april 2013 [appellant] veroordeeld tot betaling van € 27.189,02, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2012, € 1.454,53 wegens beslagkosten en € 2.634,17 wegens proceskosten en de zaak voor vergoeding van nader opkomende schadeposten verwezen naar de schadestaatprocedure.

5 Beoordeling in hoger beroep

omvang hoger beroep

5.1

[appellant] heeft tegen het tussenvonnis van 23 januari 2013 en het eindvonnis van 24 april 2013 vier grieven ontwikkeld en heeft daarmee beoogd alle beslissingen van de rechtbank waarin ten nadele van [appellant] is beslist aan de beoordeling van het hof voor te leggen. [bewindvoerder] heeft de grieven ook als zodanig opgevat. Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen, maar heeft daarbij met in achtneming van het in hoger beroep geldende grievenstelsel alleen de beslissingen van de rechtbank te beoordelen waartegen tijdig een klacht (grief) is gericht.

overeenkomst tot opdracht

5.2

[bewindvoerder] heeft aan de vordering ten grondslag gelegd, dat [appellant] tekort is geschoten in zijn verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht ten gevolge waarvan [saniet] schade lijdt en heeft geleden. De aan [appellant] verweten tekortkomingen bestaan in het bijzonder uit het opstellen van onjuiste loonspecificaties met betrekking tot de werknemer [A], het niet afdragen van pensioenpremie ten behoeve van [A] en het niet in de balans van de onderneming van [saniet] vermelden van afgedragen of af te dragen pensioenpremie.

5.3

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. In het tussenvonnis van 23 januari 2013 heeft de rechtbank in overweging 4.5 het verweer van [appellant] verworpen en geoordeeld dat [appellant] toerekenbaar tekort is geschoten doordat [appellant] heeft verzuimd in de jaarstukken op te nemen dat er sprake was van een schuld aan de pensioenverzekeraar, geen juist beeld heeft gegeven van de loonkosten en dat hij de inkomstenbelasting onjuist heeft berekend. In grief 1 komt [appellant] onder meer tegen dit oordeel van de rechtbank op.

5.4

Voor het beantwoorden van de vraag of [appellant] jegens [saniet] is te kort geschoten, heeft het hof de overeenkomst van opdracht tussen partijen uit te leggen. Bij deze uitleg betrekt het hof in het bijzonder de volgende omstandigheden:

  • -

    [saniet] is een kleine ondernemer die geen bijzondere kennis heeft met betrekking tot de fiscale en financiële administratie van zijn onderneming;

  • -

    [appellant] exploiteerde bedrijfsmatig een onderneming, waarbij hij tegen betaling zijn diensten voor het voeren van onder meer salarisadministratie en belastingaangiftes aanbood;

  • -

    [saniet] mocht van de professionele beroepsuitoefenaar [appellant] verwachten dat [appellant] onder meer beschikte over de relevante rechtskennis voor het uitvoeren van de aan hem gegeven opdracht;

  • -

    [appellant] is niet opgekomen tegen de aan hem bij tussenvonnis van 23 januari 2013 gegeven bewijsopdracht en de beslissing die de rechtbank daarover in het eindvonnis van 23 april 2013 heeft gegeven, zodat het er voor dient te worden gehouden dat [saniet] niet aan [appellant] heeft opgedragen voor de uitvoering van zijn werkzaamheden ten behoeve van [saniet] af te wijken van de CAO Afbouw.

Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de overeenkomst van opdracht aldus dient te worden uitgelegd, dat op [appellant] de verplichting rustte om met in achtneming van de voor [saniet] geldende contractuele en wettelijke bepalingen voor [saniet] de aangiftes voor de inkomstenbelasting en de omzetbelasting te verzorgen en de loonadministratie te voeren. Voor de loonadministratie hield deze opdracht onder meer in dat [appellant] de loonspecificaties had op te stellen met inachtneming van de algemeen verbindend verklaarde CAO Afbouw. Voorzover uit de toepassing van de CAO Afbouw voor [saniet] betalingsverplichtingen voortvloeide waarmee [appellant] in de loonspecificaties rekening had te houden, brengt de overeenkomst van opdracht mee dat [appellant] [saniet] op die betalingsverplichtingen had te wijzen.

5.5

Het hof is van oordeel dat de loonspecificaties met betrekking tot de werknemer [A] onjuistheden bevatten.

De CAO Afbouw hanteert het systeem van vakantiebonnen. Kort gezegd houdt dit systeem in dat de werkgever aan de werknemer geen vakantiedagen en vakantietoeslag uitkeert, maar aan A&O Services een bedrag overmaakt dat in het vakantiefonds wordt gestort. De werknemer bouwt bij A&O Services vakantierechten op. Vervolgens keert A&O Services uit dat vakantiefonds aan de werknemer de opgebouwde vakantierechten uit.

In afwijking van de CAO Afbouw is in de - volgens [saniet] door [appellant] opgestelde - arbeidsovereenkomst met [A] opgenomen, dat in het door [saniet] te betalen netto salaris per maand een bedrag aan vakantietoeslag en vakantiedagen is begrepen.

Naar het oordeel van het hof diende [appellant] [saniet] er op te wijzen dat hij zich heeft te houden aan de CAO Afbouw, die in ieder geval vanaf 2007 algemeen verbindend is verklaard. De CAO Afbouw brengt met zich mee dat [saniet] geen uitvoering kan geven aan de contractuele afspraak in de arbeidsovereenkomst aan [A] in het netto bedrag ook vakantiegeld en vakantiedagen uit te betalen.

[appellant] had voor de juiste uitvoering van de CAO Afbouw op de loonspecificaties van [A] voor de berekening van het loon in plaats van vakantietoeslag en vakantiedagen maandelijks een bedrag aan vakantiebonnen op te nemen en op basis van dat uitgangspunt de loonbelasting en het aan [A] toekomende nettoloon te berekenen. [appellant] had vervolgens [saniet] erop behoren te wijzen dat [saniet] aan [A] het nettoloon onder aftrek van het bedrag aan vakantiebonnen had over te maken en dat [saniet] het bedrag aan vakantiebonnen had te storten in het vakantiefonds van A&O Services. Voorzover [saniet] aan A&O Services geen bedragen voor vakantiebonnen afdroeg, had [appellant] op de balans aan de passiva zijde een post voor de af te dragen vakantiebonnen op te nemen.

Uit de overgelegde loonspecificaties leidt het hof af, dat [appellant] op de loonspecificaties op afwisselende wijze met vakantiebonnen, vakantietoeslag en vakantiedagen is omgegaan. In 2007 en de maanden augustus t/m december 2009 is maandelijks in het nettoloon een bedrag aan vakantietoeslag en vakantiedagen begrepen, terwijl in de kolom totalen een bedrag aan vakantiebonnen wordt vermeld. Ook in het gehele jaar 2008 is in het maandelijks nettoloon vakantiedagen en vakantiegeld begrepen, maar is in de kolom totalen geen bedrag aan vakantiebonnen opgenomen. In de periode januari t/m juli 2009 wordt bij de berekening van het maandelijkse loon vakantiedagen en vakantiebonnen vermeld. Vakantietoeslag wordt niet genoemd. Het bedrag aan vakantiebonnen is vervolgens bij de inhoudingen opgenomen en maakt daardoor geen deel uit van het aan [A] uit te betalen nettoloon. In de kolom totalen staat steeds een bedrag aan vakantiebonnen. In het jaar 2010 is in het maandelijks loon opgenomen zowel vakantiegeld en vakantiedagen als vakantiebonnen. Ook in dit jaar wordt het bedrag aan vakantiebonnen vervolgens ingehouden en staat een bedrag aan vakantiebonnen in de kolom totalen vermeld. In 2010 is daardoor in het nettoloon vakantiegeld en vakantiedagen begrepen en behoort het bedrag aan vakantiebonnen niet tot het uit te betalen nettoloon.

Het hof is van oordeel dat [appellant] de loonspecificaties niet overeenkomstig de CAO Afbouw heeft opgesteld. Voorts is niet gesteld of gebleken dat [appellant] [saniet] erop heeft gewezen dat op grond van de CAO Afbouw [A] geen vakantietoeslag en vakantiedagen toekwam, maar dat [saniet] aan A&O Services een bedrag aan vakantiebonnen had over te maken en aan [A] had te voldoen het nettobedrag met aftrek van het bedrag aan vakantiebonnen.

Partijen twisten over de vraag of [appellant] het fiscaal loon op juiste wijze heeft berekend, of [appellant] bij de berekening van de loonbelasting de juiste tabel heeft toegepast en of het bedrag aan loonbelasting op de loonspecificaties en jaaropgaves juist is. Voor het beantwoorden van deze vraag behoeft het hof nadere informatie zodat hierover thans nog niet wordt beslist.

5.6

Het hof is voorts van oordeel dat [saniet] op grond van de CAO Afbouw gehouden was pensioenpremie ten behoeve van [A] te reserveren en aan A&O Services af te dragen. [appellant] heeft in de loonspecificaties van [A] in de rechterkolom met totalen weliswaar bedragen ten behoeve van pensioenen opgenomen, maar [appellant] heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van [saniet] geen concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat [appellant] [saniet] er op heeft gewezen dat hij de pensioenpremie aan A&O Services had af te dragen. De enkele vermelding van een bedrag aan pensioenpremie in de kolom totalen op de loonspecificatie van de werknemer [A] is daartoe in dit geval onvoldoende. Evenmin heeft [appellant] jaarlijks een bedrag op de balans voor af te dragen pensioenpremie opgenomen.

5.7

Het voorgaande betekent dat [appellant] jegens [saniet] in zijn verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht tekort is geschoten en dat hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt, zodat hij aan [saniet] de daaruit geleden en te lijden schade heeft te vergoeden. In zoverre slaagt grief 1 niet.

verzuim

5.8

Voorzover [appellant] is tekort is geschoten, acht [appellant] zich niet gehouden tot vergoeding van schade doordat hij niet in gebreke is gesteld en aan hem geen termijn is gegeven de aan hem verweten tekortkomingen te herstellen.

5.9

De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 23 januari 2013 in overweging 4.6. dit verweer op twee gronden verworpen. In de eerste alinea overweegt de rechtbank dat door de aard van de prestatie – correctie van loonstroken, loonadministratie, aangiftes inkomsten- en loonbelasting over verstreken jaren – nakoming onmogelijk is. In de tweede alinea overweegt de rechtbank dat [saniet] uit de reactie van [appellant] op de brief van zijn raadsvrouw van 13 januari 2012 mocht afleiden dat [appellant] zich niet verantwoordelijk acht voor eventuele schade. Op beide zelfstandige gronden verwerpt de rechtbank het verweer van [appellant] dat hij niet in gebreke is gesteld en dat aan hem geen termijn is gegeven om de gebreken te herstellen.

5.10

Gelet op de toelichting bij grief 2 komt [appellant] slechts op tegen de eerste alinea van overweging 4.6. van het tussenvonnis van 13 januari 2012. De tweede alinea van overweging 4.6 wordt door [appellant] in hoger beroep niet bestreden. In die overweging is een zelfstandige grond gegeven op grond waarvan volgens de rechtbank [appellant] niet in gebreke behoefde te worden gesteld met een termijn tot nakoming. Dit betekent dat [appellant] bij zijn grief 2 geen belang heeft en geen verdere bespreking behoeft.

wettelijke rente over pensioenpremie

5.11

[bewindvoerder] vordert bij wege van schadevergoeding de wettelijke rente over de niet tijdig betaalde bedragen aan pensioenpremie. Voor het begroten van dit bedrag heeft [bewindvoerder] bij dagvaarding als productie 3 een berekening overgelegd. In deze berekening is tot uitgangspunt genomen het voorlopig begrote totaalbedrag aan niet afgedragen pensioenpremie van € 23.225,00. Vervolgens is voor de periode 2006 t/m 2011 het jaarlijks te betalen bedrag genomen en is vanaf 31 december van ieder kalenderjaar de wettelijke rente berekend tot 17 december 2012. Dit leidt tot het gevorderde bedrag van € 2.710,02.

Bij repliek heeft [bewindvoerder] gesteld, dat het totale bedrag aan te betalen pensioenpremie zonder rente en kosten en eventuele boetes voor de periode vanaf juni 2006 t/m december 2011 € 26.466,97 bedraagt. Ter onderbouwing heeft [bewindvoerder] de in december 2011 en januari 2012 opgestelde facturen van A&O Services over de periode vanaf juni 2006 t/m december 2011 overgelegd. Het hof stelt vast dat [bewindvoerder] de gevorderde rente niet aan de hand van de definitieve facturen van A&O Services tot en met juni 2011 heeft aangepast.

5.12

[appellant] heeft betwist dat [bewindvoerder] schade lijdt bestaande uit de wettelijke rente over de te laat betaalde pensioenpremie. De rechtbank heeft in het eindvonnis van 24 april 2013 dit verweer in de overwegingen 2.8 t/m 2.12 verworpen. De grieven 1 en 4 zijn mede tegen deze beslissing van de rechtbank gericht.

5.13

[bewindvoerder] heeft erkend dat – in ieder geval tot aan de zitting van 5 juni 2014 - A&O Services nog steeds geen aanspraak op wettelijke rentes, kosten of boetes wegens te laat afgedragen pensioenpremie heeft gemaakt. Hierdoor heeft [bewindvoerder] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [saniet] schade heeft geleden bestaande uit betaalde (wettelijke) rente over te laat betaalde pensioenpremie. De door [appellant] daartegen gerichte grieven slagen. Het hof zal dit deel van de vordering alsnog afwijzen.

teveel betaalde inkomstenbelasting en bijdrage Zorgverzekeringswet

5.14

Hiervoor heeft het hof reeds geoordeeld dat [appellant] tekort is geschoten in zijn verplichting [saniet] er op te wijzen dat hij op grond van de CAO Afbouw ten behoeve van de werknemer [A] pensioenpremie aan A&O Services had af te dragen. Partijen verschillen van mening over de vraag of [saniet] daardoor belastingschade heeft geleden en zo ja tot welk bedrag.

5.15

[bewindvoerder] stelt dat [appellant] de kostenpost af te dragen pensioenpremie jaarlijks ten laste van het resultaat had moeten brengen, zodat de door hem te betalen inkomstenbelasting over een lager bedrag aan winst uit onderneming zou zijn geheven dan op basis van de door [appellant] verzorgde aangiftes het geval is geweest. Hierdoor heeft [saniet] volgens [bewindvoerder] in de jaren 2006 t/m 2010 teveel inkomstenbelasting betaald.

[bewindvoerder] begroot de schade wegens teveel betaalde inkomstenbelasting op € 6.492,00. Dit bedrag is als volgt berekend. Voor de jaren 2006 t/m 2010 is het jaarlijks bedrag aan inkomstenbelasting genomen dat [saniet] op basis van de door [appellant] verzorgde aangiftes inkomstenbelasting heeft betaald. Vervolgens heeft [bewindvoerder] over die jaren steeds het bedrag aan te betalen pensioenpremie op de winst uit onderneming in mindering gebracht en de inkomstenbelasting over het lagere bedrag berekend. Het verschil tussen beide berekeningen leidt over de jaren 2006 t/m 2010 tot een bedrag van € 7.880,00 aan teveel betaalde inkomstenbelasting. Aan de hand van een vergelijkbare berekening is voor de jaren 2006 t/m 2010 ook het teveel betaalde bedrag aan de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) berekend. Dit leidt tot een teveel betaald bedrag van € 477,00.

[bewindvoerder] stelt dat bij de Belastingdienst een verzoek is ingediend de aanslag voor de inkomstenbelasting voor het jaar 2007 ambtshalve te verminderen, hetgeen heeft geleid tot een teruggave van € 1.865,00. Voor dat jaar wordt geen schade wegens teveel betaalde inkomstenbelasting meer gevorderd.

Aldus begroot [bewindvoerder] het bedrag aan teveel betaalde inkomstenbelasting over de jaren 2006 en 2008 t/m 2010 op € 6.492,00 (€ 7.880,00 + € 477,00 - € 1.865,00).

5.16

De rechtbank heeft het verweer van [appellant] tegen deze schadepost in de overwegingen 2.14 t/m 2.16 van het eindvonnis van 24 april 2013 verworpen. [appellant] komt onder meer met de grieven 1, 3 en 4 met verschillende klachten tegen deze beslissing op.

[appellant] voert aan dat voor de aangifte inkomstenbelasting voor [saniet] het kasstelsel kan worden toegepast. Doordat [saniet] in de jaren 2006 t/m juni 2011 feitelijk geen bedragen aan pensioenpremie aan A&O Services heeft afgedragen, kon en hoefde [appellant] in die jaren op het resultaat geen aftrekpost aan afgedragen pensioenpremie opnemen. Hierdoor is volgens [appellant] de aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2006 t/m 2010 op juiste wijze ingevuld en is het juiste bedrag aan door [saniet] te betalen inkomstenbelasting berekend. Er is daardoor geen schade opgetreden. [appellant] betwist dat in de ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2007 de niet betaalde pensioenpremie over dat jaar heeft geleid tot teruggave van een deel van het betaalde bedrag aan inkomstenbelasting over dat jaar.

Voorzover [appellant] de nog af te dragen pensioenpremie in het desbetreffende jaar op het resultaat in mindering kon brengen, betwist [appellant] de hoogte van het gevorderde bedrag aan teveel betaalde inkomstenbelasting en bijdrage Zvw. [appellant] voert aan dat [bewindvoerder] de schade aan teveel betaalde inkomstenbelasting kan wegnemen door ook voor de jaren 2008 t/m 2010 de Belastingdienst te verzoeken de aanslag inkomstenbelasting ambtshalve te verminderen. Voor het jaar 2006 had [bewindvoerder] dat in 2011 nog kunnen doen. Doordat [bewindvoerder] dat heeft nagelaten, komt volgens [appellant] de schade over dat jaar voor rekening en risico van [bewindvoerder].

Voorzover er schade aan inkomstenbelasting en bijdrage Zvw is opgetreden komt volgens [appellant] die schade voor rekening en risico van [saniet]. Op [saniet] als werkgever rustte de verplichting zich aan te melden bij A&O Services en [saniet] was jegens A&O Services gehouden de pensioenpremie ten behoeve van [A] af te dragen. Als [saniet] dat (tijdig) zou hebben gedaan, zou de schade niet zijn ingetreden doordat [appellant] in dat geval de door [saniet] gedane betalingen aan pensioenpremie in het betreffende jaar op het resultaat in mindering zou hebben gebracht.

5.17

Het hof zal eerst het meest verstrekkende verweer van [appellant] beoordelen. Dit verweer houdt samengevat in dat [saniet] aan de schade eigen schuld heeft en in zodanige mate dat de gehele schade voor zijn rekening dient te blijven.

Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat uit de CAO Afbouw volgt dat op [saniet] als werkgever de verplichting rust zich voor de afdracht van pensioenpremie ten behoeve van zijn werknemers aan te melden bij A&O Services. Tussen partijen staat voorts vast dat [saniet] in de periode vanaf 2006 t/m in ieder geval 2010 zich niet bij A&O Services heeft aangemeld en in die periode geen pensioenpremie heeft afgedragen.

Het hof is van oordeel dat in de rechtsverhouding tussen [saniet] en de deskundige [appellant] [saniet] eigen schuld heeft als [saniet] wist dat hij zich als werkgever bij A&O Services had aan te melden en ten behoeve van [A] pensioenpremie had af te dragen en dat hij dat desbewust achterwege heeft gelaten. [saniet] heeft deze kennis betwist. [appellant], op wie ter zake van het beroep op eigen schuld de stelplicht en bewijslast rust, heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat die kennis bij [saniet] aanwezig was. Dit betekent dat het hof het beroep van [appellant] op eigen schuld verwerpt.

5.18

Het hof heeft vervolgens de vraag te beantwoorden of [saniet] schade heeft geleden bestaande uit teveel betaalde inkomstenbelasting en bijdrage Zvw.

Tussen partijen is niet in geschil dat in de jaren 2006 en 2008 t/m 2010 op het resultaat niet in mindering is gebracht de in die jaren aan A&O Services verschuldigde pensioenpremie. In dat opzicht heeft [saniet] in die jaren meer inkomstenbelasting betaald dan het geval zou zijn geweest als de pensioenpremie in die jaren wel ten laste van het resultaat waren gebracht.

Het hof leidt uit de stukken af dat [saniet] een betalingsregeling met A&O Services heeft getroffen en vanaf kennelijk medio 2011 alsnog – zonder extra kosten, boetes en rentes – aan A&O Services de pensioenpremie over de jaren 2006 t/m 2010 afdraagt. Het hof acht het denkbaar dat [saniet] vanaf 2011 de betaalde bedragen aan pensioenpremie over de jaren 2006 t/m 2010 op zijn winst uit onderneming in mindering kan brengen en daardoor vanaf 2011 minder inkomstenbelasting betaalt dan het geval zou zijn geweest als hij die nabetaling aan pensioenpremie niet had te doen. Hierdoor treedt er geen schade op, althans is de schade lager dan door [bewindvoerder] is begroot. Partijen verschillen van mening of deze aftrekmogelijkheid vanaf 2011 bestaat en door [saniet] kan worden benut. Het hof acht zich onvoldoende voorgelicht en zal op dit punt een deskundigenbericht gelasten. In dat kader zal ook aan de orde komen het ter comparitie van partijen gevoerde verweer dat [saniet] bij gebrek aan inkomsten sedert 2011 geen fiscaal voordeel kan krijgen. [bewindvoerder] zal alsdan de benodigde informatie aan de deskundige (en [appellant]) hebben te verstrekken.

5.19

[appellant] heeft betwist dat de Belastingdienst na een verzoek van [saniet] ambtshalve de aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2007 heeft verminderd vanwege het in dat jaar verschuldigde bedrag aan pensioenpremie, welk bedrag toen niet door [saniet] aan A&O Services is afgedragen. [bewindvoerder] heeft bewijs van haar stellingen aangeboden, zodat het hof [bewindvoerder] in de gelegenheid zal stellen bewijs te leveren.

5.20

Op grond van de resolutie ambtshalve vermindering, zoals laatstelijk vastgesteld bij besluit van 16 december 2010 (Staatscourant 2010, 20999), kan [saniet], althans [bewindvoerder], de belastinginspecteur verzoeken om de door [saniet] betaalde inkomstenbelasting ambtshalve te verminderen en terug te geven. De termijn waarbinnen [saniet] een dergelijk verzoek kan indienen vervalt op grond van die regeling door verloop van 5 jaar na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft.

Het hof is van oordeel dat voorzover [bewindvoerder] de schade kan beperken door de belastinginspecteur te verzoeken de aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2006, 2008 t/m 2010 ambtshalve te verminderen zij gehouden is dat te doen, tenzij dat gelet op de daarmee gemoeide kosten en/of complicaties in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd. Voorzover dit verzoek van [saniet], althans [bewindvoerder], kan worden verlangd, heeft [appellant] als schade te vergoeden de kosten die met een dergelijk verzoek zijn gemoeid.

Het hof stelt [saniet] in de gelegenheid – wellicht mede aan de hand van het verzoek aan de Belastingdienst de aanslag inkomstenbelasting over 2007 ambtshalve te verminderen – concreet aan te geven, zo mogelijk ondersteund met bewijsstukken, welke werkzaamheden [saniet] met een dergelijk verzoek heeft te doen en welke kosten daarmee zijn gemoeid.

5.21

Volledigheidshalve merkt het hof op dat na de verkregen informatie en het bewijs het hof zal beoordelen of zij terstond op de geschilpunten een beslissing kan nemen of eerst ook over dit aspect een deskundigenbericht behoeft.

teveel ingehouden loonbelasting

5.22

Hiervoor is overwogen dat [appellant] op de loonspecificaties het aan de werknemer [A] toekomende nettoloon inclusief vakantiebonnen heeft te bruteren. Vervolgens heeft [saniet] aan de Belastingdienst de loonbelasting af te dragen, aan [A] het nettoloon exclusief vakantiebonnen over te maken en aan A&O Services het nettobedrag aan vakantiebonnen te voldoen. Hiervoor is voorts overwogen dat [appellant] de loonspecificaties niet op die wijze heeft ingericht en [saniet] op basis van de loonspecificaties aan [A] veelal vakantietoeslag en vakantiedagen heeft uitgekeerd in plaats van een bedrag aan vakantiebonnen aan A&O Services af te dragen. [appellant] heeft namens [saniet] via de zogeheten G rekening de door hem op de loonspecificaties berekende loonbelasting aan de Belastingdienst afgedragen.

5.23

[bewindvoerder] stelt dat [saniet] door de fouten in de loonspecificaties ten behoeve van [A] teveel loonbelasting aan de Belastingdienst heeft afgedragen. [bewindvoerder] vordert als schadevergoeding het verschil tussen het teveel afgedragen bedrag aan loonbelasting en het bedrag aan loonbelasting dat [saniet] op het loon van [A] had moeten inhouden en aan de Belastingdienst betalen.

[bewindvoerder] heeft de schade aan teveel betaalde loonbelasting gesteld op € 9.033,00. Voor de berekening heeft [bewindvoerder] verwezen naar de toelichting van [administratiekantoor 2] bij brief van 12 juli 2011 en daarnaast nog de volgende toelichting gegeven. Voor ieder jaar is het fiscaal loon volgens de jaaropgave genomen en het bedrag aan vakantiebonnen dat op de salarisspecificatie van december van dat jaar was genoteerd. Dat bedrag aan vakantiebonnen is op het bedrag aan fiscaal loon volgens de jaaropgave in mindering gebracht. Vervolgens is op basis van het lagere fiscale loon het bedrag aan loonbelasting berekend. Het verschil tussen aldus berekende bedrag en de jaarlijks betaalde loonbelasting leidt voor de jaren 2006 t/m 2010 tot een totaalbedrag van € 9.033,00. Ter ondersteuning heeft [bewindvoerder] overgelegd de jaaropgaven, de salarisstroken van december van ieder jaar, een pagina van de volgens [bewindvoerder] door [appellant] gebruikte witte dagtabel en de witte maandtabel die [appellant] volgens [bewindvoerder] had moeten gebruiken.

5.24

[appellant] heeft de schadeberekening gemotiveerd betwist. [appellant] stelt dat het bedrag aan vakantiebonnen niet in het door hem berekende fiscale loon is begrepen, zodat dat bedrag ook niet op het fiscale loon in mindering kan worden gebracht. Voorts betwist [appellant] dat hij de onjuiste tabel heeft gebruikt.

5.25

De rechtbank heeft in het eindvonnis van 24 april 2013 aan het verweer van [appellant] geen overweging gewijd en de vordering van [bewindvoerder] toegewezen. In de grieven 1 en 4 komt [appellant] tegen deze beslissing van de rechtbank op.

5.26

Het meest verstrekkende verweer van [appellant] is dat voorzover schade is geleden [bewindvoerder] die schade kan wegnemen door de Belastingdienst te verzoeken de loonbelasting ambtshalve te verminderen en het teveel betaalde bedrag aan loonbelasting terug te betalen.

Hiervoor heeft het hof reeds overwogen dat voorzover [bewindvoerder] de schade van [saniet] kan beperken door de Belastingdienst te verzoeken geheven belasting te verminderen zij gehouden is dat te doen, tenzij dat gelet op de daarmee gemoeide kosten en/of complicaties in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd.

Het hof is van oordeel dat in dit geval van een complexe situatie met een onzekere uitkomst sprake is, waarbij naar verwacht mag worden de kosten ten opzichte van het bedrag aan teveel betaalde loonbelasting substantieel is.

Allereerst heeft als complicatie te gelden dat de werknemer [A] inmiddels bij de Belastingdienst zijn aangiften inkomstenbelasting over de desbetreffende jaren heeft ingediend en dat de aanslagen voor de inkomstenbelasting aan hem zijn opgelegd, waarbij tot uitgangspunt is genomen de door [appellant] opgestelde salarisspecificaties.

De tweede complicatie is dat als [bewindvoerder] de loonspecificaties over de desbetreffende jaren laat aanpassen door in plaats van vakantietoeslag en vakantiedagen vakantiebonnen op te nemen, het nettoloon opnieuw te bepalen en aan de hand van de verbeterde gegevens de loonbelasting te berekenen, het nog maar de vraag is of de Belastingdienst die herziene loonspecificaties zal accepteren. [saniet] heeft in die jaren immers feitelijk geen vakantiebonnen aan A&O Services afgedragen en heeft aan [A] rechtstreeks (netto) vakantietoeslag en vakantiedagen betaald. Op zichzelf is denkbaar dat [saniet] teneinde de herziene loonspecificaties in overeenstemming met de feitelijke situatie te brengen aan [A] terugbetaling verlangt van de netto betaalde vakantietoeslag en vakantiedagen onder de mededeling dat [saniet] gelijktijdig of kort daarna onder A&O Services het bedrag aan vakantiebonnen zal storten, maar de juridische vraag rijst of [A] met een dergelijk verzoek van [saniet] heeft in te stemmen. Als daarover vervolgens een civiele gerechtelijke procedure tegen [A] moet worden gevoerd zal dat substantiële kosten met zich meebrengen, waarbij de uitkomst onzeker is.

Daarnaast zijn het opstellen van verbeterde loonspecificaties en de overige daarmee samenhangende werkzaamheden naar het oordeel van het hof arbeidsintensief en dienen die werkzaamheden door een administratiekantoor te worden gedaan, zodat de kosten die met een verzoek tot ambtshalve herziening van de loonbelasting zijn gemoeid ten opzichte van het bedrag waarvoor herziening wordt gevraagd substantieel zal zijn.

Onder deze omstandigheden kan in dit geval in redelijkheid niet van [bewindvoerder] worden gevergd dat zij bij de Belastingdienst een verzoek indient de loonbelasting over de jaren 2006 t/m 2010 ambtshalve te verminderen.

5.27

[appellant] verwijt [saniet] dat hij aan de schade eigen schuld heeft doordat [saniet] geen vakantiebonnen aan A&O Services heeft afgedragen.

Het hof heeft hiervoor reeds overwogen dat in de rechtsverhouding tussen [saniet] en de deskundige [appellant] [saniet] eigen schuld heeft als [saniet] wist dat hij zich als werkgever bij A&O Services had aan te melden en ten behoeve van [A] vakantiebonnen had af te dragen en dat hij dat desbewust achterwege heeft gelaten. [saniet] heeft deze kennis betwist. [appellant] heeft naar het oordeel van het hof geen concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat die kennis bij [saniet] aanwezig was. Onder deze omstandigheden brengt de nalatigheid van [saniet] niet mee, dat een deel of de gehele belastingschade, die [saniet] ten gevolge van het handelen van [appellant] heeft geleden, heeft te dragen.

Daarnaast heeft te gelden dat het op juiste wijze inrichten van de loonspecificaties, te weten het opnemen van vakantiebonnen in de brutering van het nettoloon in plaats van vakantietoeslag en vakantiedagen en het hanteren van de juiste tabel voor de berekening van de verschuldigde loonbelasting, niet afhankelijk is van het al dan niet aanmelding van [saniet] bij A&O Services en het al dan niet afdragen van vakantiebonnen aan A&O Services.

Dit betekent dat het hof ook in dit geval het beroep van [appellant] op eigen schuld verwerpt.

5.28

Het hof acht zich onvoldoende voorgelicht om te beslissen of de door [appellant] opgestelde loonspecificaties en de daarin berekende loonbelasting tot een hoger bedrag aan loonbelasting leiden dan in het geval [appellant] op correcte wijze uitvoering had gegeven aan de CAO Afbouw. Het hof zal daartoe zonodig een deskundigenbericht gelasten.

Hiervoor is onder de overwegingen 5.18 en 5.21 overwogen dat het hof mogelijk over de schade aan teveel betaalde inkomstenbelasting voorlichting door een deskundige behoeft. Vandaar dat uit proceseconomische overwegingen het deskundigenbericht eerst zal worden gelast nadat de nadere informatie en het bewijs met betrekking tot de (mogelijke) schade is verkregen.

kosten schadevaststelling en aansprakelijkheidstelling.

5.29

Bij dagvaarding vordert [bewindvoerder] € 2.380,00 incl. btw voor het vaststellen van de aansprakelijkheid en de omvang van de geleden schade. De kosten hebben betrekking op door het [administratiekantoor 2] te maken en gemaakte kosten met betrekking tot onder meer het doorlichten van de administratie, het herberekenen van onder meer de pensioenpremie en het opstellen van een winst- en verliesrekening. Het gevorderde bedrag is gebaseerd op 40 uur tegen een uurtarief van € 50,00 excl. btw. Bij repliek heeft [bewindvoerder] het bedrag aan btw op de vordering in mindering gebracht, zodat een schadebedrag resteert van € 2.000,00. [bewindvoerder] stelt dat in het gevorderde bedrag niet is begrepen de eerste 16 uur voor het doorlichten van de administratie. Die uren heeft het [administratiekantoor 2] al met [appellant] verrekend met de door haar betaalde overnamesom aan [appellant].

5.30

[appellant] betwist het gevorderde bedrag. Zo is hem niet duidelijk of de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. De rechtbank heeft in het eindvonnis van 24 april 2013 het gevorderde bedrag zonder nadere toelichting toegewezen. In de grieven 1 en 4 komt [appellant] tegen deze beslissing op.

5.31

Ter onderbouwing van haar vordering heeft [bewindvoerder] geen facturen van het [administratiekantoor 2] overgelegd of toegelicht. [bewindvoerder] heeft evenmin concreet aangegeven hoeveel tijd op welke dagen aan welke werkzaamheden zijn verricht. Hierdoor kan gelet op de door [appellant] betwiste vordering niet worden vastgesteld of deze schade is geleden en voorzover er schade is geleden tot welk bedrag. In zoverre acht het hof de grieven gegrond.

5.32

Hiervoor heeft het hof ten aanzien van de schade aan teveel betaalde inkomstenbelasting [bewindvoerder] in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten over de vraag welke werkzaamheden en kosten daarmee zijn gemoeid en om eventueel op dit punt (bewijs)stukken in het geding te brengen. Het hof zal een beslissing op dit onderdeel aanhouden tot dat de nadere gevraagde informatie is verstrekt en geoordeeld is of van [bewindvoerder] kan worden verlangd dat zij kosten maakt ter beperking van de schade aan inkomstenbelasting.

betaalde nota’s [appellant]

5.33

[bewindvoerder] vordert voorts betaling van het bedrag van € 6.954,00 wegens aan [appellant] betaalde facturen. Aan deze vordering legt [bewindvoerder] ten grondslag dat de kwaliteit van de door [appellant] uitgevoerde werkzaamheden het in rekening gebrachte bedrag aan honorarium niet rechtvaardigen.

5.34

In het eindvonnis van 24 april 2013 heeft de rechtbank aan deze vordering geen overweging gewijd en in het dictum het gevorderde bedrag toegewezen. De grieven 1 en 4 zijn mede tegen deze beslissing gericht.

5.35

Het hof stelt voorop dat niet gesteld of gebleken is dat [bewindvoerder] de overeenkomst met [appellant] heeft ontbonden. Voorts vordert [bewindvoerder] in deze procedure vergoeding van de schade die zij, althans [saniet], door het handelen en nalaten van [appellant] heeft geleden en zal lijden. Alsdan is er zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, geen grond voor terugbetaling van (een deel van) het door [bewindvoerder] betaalde honorarium. De grieven zijn terecht voorgedragen, zodat het hof dit deel van de vordering alsnog zal afwijzen.

nader op te maken bij staat.

5.36

De rechtbank heeft in r.ov. 4.1.8. geoordeeld dat niet uit te sluiten is dat nog andere schadeposten naar voren komen waarvoor [appellant] aansprakelijk is. De rechtbank heeft in het bijzonder gewezen op boetes en rentes van A&O services. [appellant] maakt tegen deze beslissing in de grieven 1 en 4 bezwaar.

5.37

Het hof heeft hiervoor reeds overwogen dat A&O Services tot aan de zitting van 5 juni 2014 geen kosten, rente en boetes aan [saniet] in rekening heeft gebracht of in het vooruitzicht heeft gesteld. Voorts heeft [bewindvoerder] niet aannemelijk gemaakt dat zij meer schade heeft geleden, lijdt en zal lijden dan in deze procedure is gevorderd (vgl. onder meer HR 17 oktober 1997, LJN:ZC2460). Dit betekent dat de vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure alsnog wordt afgewezen.

6 Slotsom

Het hof acht [appellant] aansprakelijk voor de schade die [saniet] ten gevolge van de tekortkomingen uit de overeenkomst van opdracht lijdt en heeft geleden. De gevorderde wettelijke rente over de pensioenpremie, de gevorderde terugbetaling van de door [saniet] betaalde facturen van [appellant] en de vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure zullen worden afgewezen. Het hof zal [bewindvoerder] toelaten tot het leveren van bewijs dat de Belastingdienst in januari 2012 de inkomstenbelasting van [saniet] over het jaar 2007 vanwege de aan dat jaar toe te rekenen maar niet betaalde pensioenpremie heeft verminderd. [bewindvoerder] zal voorts in de gelegenheid worden gesteld concreet aan te geven welke werkzaamheden en kosten met een verzoek aan de Belastingdienst tot ambtshalve vermindering van de inkomstenbelasting over de jaren vanaf 2006 t/m 2010 zijn gemoeid. Nadat [bewindvoerder] de nadere informatie heeft verstrekt en bewijs heeft geleverd zal het hof zich uitlaten of een deskundigenbericht dient te worden gelast. Partijen zullen alsdan in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de te benoemen deskundige(n) en de aan de deskundige(n) te stellen vragen.

Op de comparitie van partijen hebben partijen overleg gevoerd over een te treffen minnelijke regeling. Voorzover het hiervoor overwogene partijen aanleiding geeft dat overleg voort te zetten en zij nog enige tijd behoeven alvorens [bewindvoerder] de gevraagde nadere informatie verstrekt en zich uitlaat over het te leveren bewijs kunnen zij gezamenlijk het hof om uitstel verzoeken.

De beslissing

Het gerechtshof, recht doende in hoger beroep:

alvorens nader te beslissen

stelt [bewindvoerder] in de gelegenheid zich nader uit te laten, zo mogelijk ondersteund met bewijsstukken, over de vraag welke werkzaamheden en kosten zijn gemoeid met een verzoek aan de Belastingdienst tot ambtshalve vermindering van de inkomstenbelasting over de jaren 2006 t/m 2010 (voor ieder jaar dient een opgave van de werkzaamheden en de kosten te worden gegeven);

draagt [bewindvoerder] op te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de Belastingdienst de aanslag voor de inkomstenbelasting over 2007 ambtshalve heeft verminderd vanwege de in 2007 aan A&O Services verschuldigde pensioenpremie ten behoeve van de werknemer [A], welke premie in dat jaar niet door [saniet] aan A&O Services is betaald;

bepaalt dat, indien [bewindvoerder] dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. D.H. de Witte, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat [bewindvoerder], althans [saniet], en [appellant] in persoon bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat [bewindvoerder] het aantal van de voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen in de maanden november 2014 t/m januari 2015 van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zullen opgeven op de roldatum van dinsdag 21 oktober 2014, waarna de raadsheer-commissaris dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) vaststelt;

bepaalt dat [bewindvoerder] overeenkomstig artikel 170 Rv de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt dat het hof de overgelegde afschriften van de processtukken in eerste aanleg en in hoger beroep onder zich houdt zodat die stukken voor het houden van een getuigenverhoor niet opnieuw behoeve te worden overgelegd;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. P. van der Wal en mr. D.H. de Witte en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 9 september 2014.