Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:6956

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
16-09-2014
Zaaknummer
200.096.570-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg schriftelijke overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.096.570/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 98938 / HA ZA 09-771)

arrest van de tweede kamer van 9 september 2014

in de zaak van

[appellante],

gevestigd te [plaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. G.J.P.M. Grijmans, kantoorhoudend te Bolsward,

tegen

[geïntimeerde],

gevestigd te [plaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.D. Kalmijn, kantoorhoudend te Leeuwarden.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 13 december 2011 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

In dit tussenarrest heeft het hof een comparitie na aanbrengen gelast. Deze comparitie is gehouden op 23 februari 2012; het daarvan opgemaakte proces-verbaal maakt deel uit van de stukken.

1.2

Het verdere verloop van de procedure is als volgt:

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord,

- een akte d.d. 31 december 2013 van [appellante],

- een antwoordakte.

1.3

Vervolgens heeft [geïntimeerde] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

1.4.

De vordering van [appellante] in hoger beroep luidt:

"bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank Leeuwarden d.d. 27 juli 2011 (zaak- /rolnummer 98938 / HA ZA 09-771) gewezen tussen appellante als eiseres en geïntimeerde als gedaagde, te vernietigen en opnieuw rechtdoende, de vorderingen van appellante alsnog (geheel) toe te wijzen, dit met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het geding in beide instanties, waaronder begrepen de daarmee verband houdende nakosten."

2 De beoordeling

2.1.

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 3. (3.1. tot en met 3.9.) van het vonnis van 27 juli 2011 is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, luiden:

2.1.1.

[appellante] heeft een bedrijfspand in eigendom aan [adres].

2.1.2.

[appellante] heeft op 12 april 2007 een overeenkomst met [geïntimeerde] gesloten, inhoudende dat [geïntimeerde] de asbesthoudende dakplaten van het dak van het bedrijfspand van [appellante] zouden verwijderen en afvoeren. In de overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

(…)

Uit te voeren werkzaamheden

Verwijderen en afvoeren asbesthoudende dakplaten van een te renoveren loods volgens afspraak

(…)

De werkzaamheden bestaan uit:

  • -

    Organisatorische werkzaamheden (benodigde papieren, inclusief het aanmelden van de werkzaamheden bij de verschillende instanties )

  • -

    Het verwijderen van de asbesthoudende materialen zoals hierboven genoemde.

  • -

    Beschermingsmiddelen en veiligheidsmaatregelen

  • -

    Verbruik en verpakkingsmaterialen.

  • -

    (…)

Tijdens uitvoering van de werkzaamheden is het niet toegestaan dat andere personen binnen het afgebakende werkgebied komen."

2.1.3.

[appellante] heeft op 3 september 2008 een overeenkomst met "De IJzeren man" gesloten ter zake de levering en plaatsing van een nieuw dak, direct nadat Find Inspecties & Analyses B.V te Nijehaske (hierna: Find) het dak (in verband met de verwijdering van de asbest) zou hebben vrijgegeven.

2.1.4.

Op 5 augustus 2008 is [A] van [geïntimeerde] bij [appellante] langs geweest om vanwege de slechte weervoorspellingen het werk uit te stellen. Later die dag heeft de heer [X] (hierna: [X]) met [geïntimeerde] gesproken en gezegd "dat de werkzaamheden nu maar eens moesten gebeuren".

2.1.5.

[geïntimeerde] heeft haar werkzaamheden aangevangen op maandag

8 december 2008 en deze voortgezet op dinsdag 9 december 2008 vanaf 7:00 uur.

2.1.6.

In de door [appellante] in het geding gebrachte inspectierapporten van Find is vermeld dat het eerste deel van het bedrijfspand op 9 december 2008 is geïnspecteerd van 8:00 uur tot 8:40 uur en het tweede deel van 9:05 uur tot 9:35 uur.

2.1.7. "

De IJzeren man" heeft haar werkzaamheden aangevangen op 9 december 2008

vanaf 10:15 uur.

2.1.8.

Ten tijde van de hiervoor bedoelde werkzaamheden aan het dak van het

bedrijfspand van [appellante] heeft het geregend. Door het binnendringen van water in het

bedrijfspand is schade ontstaan aan de opstal en bedrijfsinventaris van [appellante].

2.1.9.

De aansprakelijkheidsverzekeraar van [geïntimeerde] — te weten Aegon

Schadeverzekeringen NV (hierna: Aegon) — heeft Crawford & Compagny (Nederland) BV

(hierna: Crawford) ingeschakeld voor het verrichten van een onderzoek naar de toedracht en

de omvang van de schade. De schade is door Crawford vastgesteld op een bedrag van

€ 23.810,65 exclusief BTW.

2.1.10.

Aegon heeft zonder erkenning van enige aansprakelijkheid een bedrag van

€ 11.904,65 (te weten de helft van de door Crawford vastgestelde schade) aan [appellante] uitgekeerd.

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

2.2.1

[appellante] heeft, na wijziging van eis, gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 11.904,65, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 9 december 2008 tot aan de dag van algehele voldoening; tot betaling van een bedrag van € 952, - ter zake buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening en de proceskosten. Deze vordering van [appellante] strekt in hoofdzaak tot betaling van het niet door Aegon vergoede gedeelte van de door [appellante] geleden schade. [appellante] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] jegens haar is tekort geschoten in haar contractuele verplichtingen, door haar niet te waarschuwen voor de regen en geen voorzieningen te treffen om schade te voorkomen.

2.2.2.

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat zij vanwege de slechte weersomstandigheden de werkzaamheden wilde uitstellen, maar dat [appellante] nadrukkelijk te kennen heeft gegeven dat zij de werkzaamheden door wilde laten gaan. Verder heeft [geïntimeerde] aangegeven dat zij nooit voorzieningen treft en dit ook aan [appellante] heeft meegedeeld, omdat zij dit niet tot haar verantwoordelijkheid wil maken.

2.2.3.

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen en haar veroordeeld in de proceskosten.

Het geschil en de beslissing in hoger beroep

2.3.

Grief I richt zich tegen de zinsnede: "In tegendeel, uit het hiervoor geciteerde gedeelte uit de dagvaarding blijkt juist dat [appellante] van mening is dat [geïntimeerde] - anders dan de IJzeren Man - niet aansprakelijk is voor de onderhavige schade." in r.o. 6.3.1. van het vonnis van 27 juli 2011. In de toelichting op de grief voert [appellante] aan dat de rechtbank ten onrechte overweegt dat [appellante] [geïntimeerde] niet aansprakelijk houdt voor de ontstane schade.

2.4.

De grief berust op een onjuiste lezing van voornoemde overweging. De overweging heeft betrekking op de grondslag van de vordering van [appellante] jegens [geïntimeerde]. De rechtbank constateert in voornoemde overweging dat [appellante] in de dagvaarding geen rechtsgrond heeft genoemd voor haar vordering tegen van [geïntimeerde] voor de door [appellante] geleden schade en niet dat [appellante] [geïntimeerde] niet aansprakelijk houdt voor de schade. De grief faalt.

2.5.

De grieven II, III en IV richten zich tegen r.o. 6.5.2. van het bestreden vonnis, voor zover daarin staat vermeld: "Voor zover op [geïntimeerde] al een waarschuwingsplicht rustte en het niet een feit van algemene bekendheid is dat het vervangen van een dak in de regen de nodige risico's op waterschade met zich brengt - heeft [geïntimeerde] dan naar het oordeel van de rechtbank aan deze waarschuwingsplicht voldaan. De rechtbank constateert dat [appellante] ter comparitie van partijen tevens heeft erkend dat zij later - kennelijk nadat zij eerst (zoals [geïntimeerde] heeft gesteld) had ingestemd met een uitstel van de werkzaamheden - tegen [geïntimeerde] heeft gezegd dat het nu "wel eens een keer moest gebeuren". Naar het oordeel van de rechtbank heeft [geïntimeerde] deze verklaring redelijkerwijs aldus mogen begrijpen - zoals zij stelt te hebben gedaan - dat [appellante] de werkzaamheden op de geplande datum door wenste te laten gaan ondanks de slechte weersvoorspelling. Daarmee heeft [appellante] welbewust het risico op waterschade aanvaard. Indien [appellante] met deze verklaring niet heeft bedoeld de werkzaamheden op de onderhavige dag doorgang te laten vinden, had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van [appellante] gelegen om voor de aanvang van de werkzaamheden door [geïntimeerde] aan laatstgenoemde mee te delen. [appellante] was op dat moment immers in het bedrijfspand aanwezig." In de toelichting op de grieven heeft [appellante], kort gezegd, gesteld dat: [geïntimeerde] uit de opmerking van [X] niet heeft mogen opmaken dat, mede gelet op artikel 7:754 BW, de werkzaamheden doorgang moesten vinden en dat het op de weg van [geïntimeerde] had gelegen maatregelen te treffen om waterschade te voorkomen. Het hof ziet aanleiding de grieven gezamenlijk te beoordelen.

2.6.

Tussen partijen staat vast dat [A] op vrijdag 5 augustus 2008 bij [appellante] is geweest om de werkzaamheden vanwege de slechte weersvoorspellingen uit te stellen, nadat het werk al eens eerder was uitgesteld wegens de regen (verklaring [X] ter comparitie in eerste aanleg). Met de mededeling dat het werk diende te worden uitgesteld vanwege de slechte weersvoorspellingen heeft [geïntimeerde] aan haar eventuele waarschuwingsplicht voldaan. [X] heeft tijdens de comparitie eveneens erkend dat nadat [A] langs was geweest om het werk uit te stellen in verband met de slechte weersomstandigheden, hij later die dag heeft gezegd dat het werk nu weleens moest gebeuren. Dit sluit aan bij de verklaring van [A] (proces-verbaal comparitie in eerste aanleg) dat [X] er aanvankelijk mee heeft ingestemd dat het werk zou worden uitgesteld, maar later heeft gebeld dat hij wilde dat de klus door zou gaan. Het hof is met de rechtbank van oordeel, dat in die omstandigheden [geïntimeerde] heeft mogen begrijpen, zoals zij stelt te hebben gedaan, dat [appellante] wilde dat (toch) op de aanvankelijk daarvoor geplande dagen de werkzaamheden zouden worden uitgevoerd. Indien [appellante] dat niet zo heeft bedoeld, zoals thans wordt gesteld, had het op haar weg gelegen om aan te geven dat de werkzaamheden geen doorgang moesten vinden. [X] was immers op
8 en 9 december 2008 ter plekke aanwezig maar heeft nagelaten, ondanks zijn eigen verklaring dat het die tweede dag om 07.00 uur al regende, om de werkzaamheden te doen staken.

2.7.

[appellante] heeft in de toelichting op de grieven voorts gesteld dat het afdekken van het dak op basis van de overeenkomst tot de werkzaamheden van [geïntimeerde] behoort, wat door [geïntimeerde] wordt betwist. [geïntimeerde] heeft gesteld dat zij [appellante] heeft gewezen op het feit dat zij het dak niet zal afdekken, wat op haar beurt door [appellante] wordt betwist.

2.8.

De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, kan niet worden beantwoord op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De rechten en verplichtingen van partijen ten opzichte van elkaar worden niet alleen bepaald door hetgeen zij uitdrukkelijk zijn overeengekomen, doch ook door hetgeen de redelijkheid en billijkheid die hun rechtsverhouding beheerst. (Hoge Raad 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7024).

In de overeenkomst staan de werkzaamheden staan genoemd die [geïntimeerde] zal uitvoeren, daarbij staat niet genoemd het afdekken van het dak indien de weersomstandigheden dat vereisen. In de overeenkomst staat wel vermeld dat er "beschermings- en veiligheidsmaatregelen" worden getroffen (r.o. 2.1.2.), maar gelet op de aard van de werkzaamheden en de plaats van voornoemde zinsnede in de opsomming van de werkzaamheden in de offerte, is het hof van oordeel dat die zinsnede ziet op de maatregelen die dienen te worden getroffen wegens het werken met asbesthoudend materiaal. Feiten en omstandigheden die tot een andere uitleg kunnen leiden zijn niet althans in onvoldoende mate gesteld noch gebleken.

2.9.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of, zoals subsidiair door [appellante] wordt gesteld, op basis van hetgeen maatschappelijk betaamt diegene die het dak opent, ook moet zorgen voor afdekking van het dak bij regen.

2.10

Die stelling ziet eraan voorbij dat over het gevaar van regen met [appellante] is gesproken, dat [appellante] zelf heeft aangegeven dat de werkzaamheden moesten gebeuren en dat [X] aanwezig was toen het gevaar zich voltrok en niet heeft ingegrepen

(zie r.o. 2.6.). De grieven II, III en IV falen.

2.11.

Gelet op het voorgaande kan in het midden kan blijven of [geïntimeerde] aan [appellante] hebben meegedeeld dat zij zaken nooit afdekt, daarmee behoeft grief V geen beoordeling.

2.12.

Grief VI richt zich in algemene bewoordingen tegen de afwijzing van de vorderingen in eerste aanleg, heeft naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis en behoeft daarom eveneens niet te worden beoordeeld.

2.13.

[appellante] heeft in hoger beroep bewijs aangeboden van haar stellingen. Het hof gaat aan dat bewijsaanbod voorbij, nu dat aanbod niet ter zake dienend is.

Slotsom

2.14.

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 649,- aan verschotten en € 1.341,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief: (1,5 punt x tarief II: € 894, -).

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van rechtbank Leeuwarden van 27 juli 2011;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.341,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 649,- voor verschotten;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. G. van Rijssen en mr. I. Tubben en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag
9 september 2014.