Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:6914

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-09-2014
Datum publicatie
09-09-2014
Zaaknummer
200.141.787-01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WSNP. Verzoek om heropening van het onderzoek ter zitting toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer 200.141.787/01

(zaaknummer rechtbank C/08/13/332-333 R)

arrest van de derde civiele kamer van 5 september 2014

inzake

1 [appellant],

2. [appellante],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: [appellanten][appellanten][appellanten],

advocaat: mr. J.A. van der Lem, kantoorhoudende te Deventer.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij vonnissen van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 16 mei 2013 is ten aanzien van [appellanten] de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.

1.2

Bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 3 februari 2014 is de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling op voordracht van de rechter-commissaris tussentijds beëindigd.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie van het hof op 11 februari 2014, hebben [appellanten] verzocht voornoemd vonnis van 3 februari 2014 te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van hen van toepassing blijft, subsidiair dat de termijn van de schuldsaneringsregeling, indien dit naar het oordeel van het hof noodzakelijk is, zal worden verlengd met de duur van één jaar, en onder de voorwaarde dat [appellanten] zich stellen onder budgetbeheer.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een journaalbericht met bijlagen van 17 april 2014 van mr. Van der Lem. Van mr. P.N.S. van Leeuwen (hierna: de bewindvoerder) is een brief met bijlagen van 17 maart 2014 ontvangen.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 april 2014, waarbij mr. Van der Lem en de bewindvoerder zijn verschenen. [appellanten] zijn - hoewel behoorlijk opgeroepen - niet verschenen. Mr. Van der Lem heeft ter zitting enkele stukken overgelegd en mede het woord gevoerd aan de hand van de door haar overgelegde pleitaantekeningen.

2.4

Op 1 mei 2014 heeft het hof een faxbericht van mr. Van der Lem ontvangen waarin zij verzocht om heropening van het onderzoek ter zitting en bepaling van een dag en tijdstip voor een nieuwe behandeling, omdat [appellanten] wegens bijzondere redenen verhinderd waren om op de zitting van 29 april 2014 te verschijnen en zij alsnog gebruik wensten te maken van hun aanwezigheidsrecht. [appellant] heeft onderweg naar de zitting op 29 april 2014 een aanval van nierstenen met acute heftige pijn gehad, waardoor hij niet meer in staat was om de zitting bij te wonen. Ter onderbouwing van deze stelling hebben [appellanten] een verklaring van hun huisarts overgelegd.

Het hof heeft dit verzoek toegewezen en de nieuwe mondelinge behandeling op 28 augustus 2014 bepaald. In eerste instantie was de mondelinge behandeling op 30 juli 2014 bepaald, maar op verzoek van mr. Van der Lem is de behandeling uitgesteld omdat [appellanten] wegens een ziekenhuisopname van [appellante] niet in staat waren tijdig nadere stukken in te dienen naar aanleiding van het verslag van de bewindvoerder van 11 juli 2014.

2.5

Vervolgens zijn ter griffie van het hof binnengekomen:

- een brief, met bijlagen, van 3 juni 2014 van de bewindvoerder;

- een brief, met bijlagen, van 11 juli 2014 van de bewindvoerder.

2.6

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2014. Verschenen zijn mr. Van der Lem en de bewindvoerder. [appellanten] zijn - hoewel behoorlijk opgeroepen - opnieuw niet verschenen.

3 De beoordeling

3.1

De rechtbank heeft de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellanten] beëindigd op grond van het oordeel dat feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288, eerste en tweede lid Fw (artikel 350, lid 3, aanhef en onder f, van de Faillissementswet (hierna: Fw).

De rechtbank heeft daarbij - samengevat - het volgende overwogen. Gebleken is dat de ter verificatie ingediende schuldenlast veel hoger is dan in het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling staat vermeld. Volgens het verzoekschrift bedraagt de totale schuldenlast € 91.097,98, terwijl thans reeds vorderingen van in totaal € 133.175,43 ter verificatie zijn ingediend.

Het CJIB heeft een vordering ter verificatie ingediend van € 5.559,89 betreffende, onder andere, in de periode van 2010 tot en met 2012 opgelegde boetes. Volgens het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling was er echter slechts sprake van een schuld van € 390,- aan het CJIB. Gebleken is dat de omvang van de schuldenlast zoals die door het CJIB is ingediend, ten tijde van de toelatingszitting uit de door de rechtbank ontvangen gegevens van het CJIB bij de rechtbank bekend waren. Kennelijk heeft dit toen niet tot afwijzing van het verzoek geleid. Om die reden kunnen deze schulden niet leiden tot een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Een andersluidend oordeel zou neerkomen op een verkapt hoger beroep.

Daarnaast is er sprake van een schuld aan Salland Verzekeringen van € 19.900,96. Volgens het verzoekschrift bedraagt de schuld echter € 3.420,27. Indien de hoogte van de aanzienlijke schuld aan Salland Verzekeringen ten tijde van de beoordeling van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling bekend zou zijn geweest, dan zou dit mogelijk reden zijn geweest het verzoek af te wijzen. Gelet op de hoogte van de schuld is er sprake van het structureel niet voldoen van verzekeringspremies over een periode van vier tot vijf jaar. Zowel voor de hoogte als voor de reden van het ontstaan van de schuld hebben [appellanten] geen, althans onvoldoende, verklaring kunnen geven. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [appellanten] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van deze schuld.

3.2

[appellanten] kunnen zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en voeren in hoger beroep - samengevat - het volgende aan. De rechtbank verwijt [appellanten] dat zij vanaf 2006 stelselmatig de premie zorgverzekering aan Salland Verzekeringen onbetaald hebben gelaten. Zij beschikten echter over onvoldoende middelen om de premie te betalen. Voorschotten huur- en/of zorgtoeslag werden door de belastingdienst met openstaande vorderingen verrekend. Verder beschikten [appellanten] over onvoldoende middelen doordat er een inhouding ten behoeve van derden plaatsvond op de WWB-uitkering. Daarnaast zijn de energiekosten vrij hoog. De openstaande vorderingen aan de belastingdienst bestaan onder meer uit teruggevorderde huurtoeslag omdat het inkomen van de inwonende meerderjarige werd herzien.

De omstandigheid dat een schuldenaar ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden niet te goeder trouw is geweest, brengt nog niet mee dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling achterwege moet blijven. In artikel 288 lid 1 onder b Fw gaat het om een gedragsmaatstaf waarbij met alle omstandigheden van het geval rekening dient te worden gehouden. [appellanten] hebben maatregelen genomen om verdere toename van de schulden te voorkomen. Per augustus 2013 zijn er geen inwonende kinderen meer, waardoor het inkomen van [appellanten] is gestabiliseerd. Bovendien werken [appellanten] goed mee aan de schuldsaneringsregeling.

3.3

Het hof overweegt als volgt. De bewindvoerder heeft in hoger beroep verklaard dat [appellanten] tijdens de schuldsaneringsregeling nieuwe schulden hebben laten ontstaan bij het CJIB (€ 76,-), het CAK (€ 102,62), GBLT (gemeente- en waterschapsbelastingen, was € 250,11 en is inmiddels verhoogd naar € 301,-) en Salland (de schuld van [appellant] aan Salland bedraagt thans ruim € 1.200,- en de schuld van [appellante] bedraagt thans bijna € 2.000,-). Het hof constateert dat [appellanten] hun eerdere toezegging aan de bewindvoerder om met het te behouden deel van het vakantiegeld een deel van de schuld aan Salland af te lossen, niet zijn nagekomen. De schuld aan Salland is hierdoor derhalve verder toegenomen.

Daarbij komt dat de bewindvoerder na januari 2014 geen sollicitatiebrieven meer van [appellant] heeft ontvangen. De bewindvoerder heeft eind mei 2014 wel een overzicht ontvangen van [appellant] van bedrijven waar hij in de periode februari tot en met mei 2014 zou hebben gesolliciteerd, maar bij dit overzicht ontbreken bewijsstukken van de verrichte sollicitaties. De bewindvoerder heeft een aantal bedrijven gebeld om te controleren of [appellant] had gesolliciteerd bij die bedrijven, maar de bedrijven waren niet bekend met een sollicitatie van [appellant]. Gelet hierop is het hof van oordeel dat [appellant] zijn sollicitatieverplichting in 2014 niet naar behoren is nagekomen.

Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat [appellanten] de afgelopen maanden ook hun informatieverplichting niet naar behoren zijn nagekomen. De bewindvoerder heeft verklaard dat zij (op haar verzoek) eind mei 2014 nog bankafschriften van [appellanten] heeft ontvangen, maar dat zij daarna geen informatie meer van hen heeft ontvangen. Voor zover [appellanten] de sollicitatie- en informatieverplichting niet zijn nagekomen omdat - zo hebben zij aan de bewindvoerder verklaard - zij niet meer over een computer beschikken, is het hof van oordeel dat dit niet rechtvaardigt dat [appellanten] de bewindvoerder niet op andere wijze hebben geïnformeerd.

3.4

Het hof heeft deze ontwikkelingen ter zitting van 28 augustus 2014 aan de orde gesteld. Mr. Van der Lem heeft meegedeeld niet in staat te zijn op de stellingen van de bewindvoerder te reageren. Naar het oordeel van het hof is het aan [appellanten] te verwijten dat zij nieuwe schulden hebben laten staan en hun informatie- en sollicitatieverplichting niet naar behoren zijn nagekomen. De bewindvoerder heeft [appellanten] diverse malen gewezen op hun verplichtingen, maar [appellanten] hebben nagelaten hun verplichtingen na te komen. Ook in de periode tussen de procedure in eerste aanleg en de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben [appellanten] op geen enkele wijze getoond dat zij bereid zijn de schuldsaneringsregeling alsnog tot een goed einde te brengen.

3.5

Het hof is van oordeel dat de bovenstaande schendingen van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen dusdanig ernstig zijn, dat reeds op grond hiervan de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellanten] thans beëindigd dient te worden. Hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd met betrekking tot de overwegingen van de rechtbank behoeft dan ook geen bespreking meer. Gelet op de ernst van de schending van de verplichtingen dient het subsidiaire verzoek van [appellanten] tot verlenging van de schuldsaneringsregeling met de duur van één jaar en onder de voorwaarde dat zij zich onder budgetbeheer stellen, tevens te worden afgewezen. Het hof acht niet aannemelijk dat [appellanten] tijdens een eventuele verlenging van de duur van de schuldsaneringsregeling hun verplichtingen wel naar behoren zullen nakomen, te meer daar de bewindvoerder - zo heeft zij ter zitting verklaard - [appellanten] vanaf het begin van de schuldsaneringsregeling heeft aangeraden om gebruik te maken van budgetbeheer, maar zij zijn hier volgens de bewindvoerder niet toe bereid.

3.6

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellanten] beëindigd dient te worden, nu ook overigens niet is gebleken van feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 3 februari 2014.

Dit arrest is gewezen door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. I.A. Vermeulen en mr. H.J. de Ruijter, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 september 2014.