Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:6886

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
09-09-2014
Zaaknummer
200.126.347
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBONE:2013:BY8423, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1309, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadestaatprocedure. Onrechtmatige daad Provincie Gelderland jegens voetbalclub Vitesse en private financiers. Causaal verband tussen onrechtmatige daad Provincie en de gevorderde schade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvS&R 2014, afl. 4, p. 99
NJF 2014/412

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.126.347

(zaaknummer rechtbank Oost-Nederland, team kanton en handelsrecht, locatie Arnhem 207327)

arrest van de derde kamer van 9 september 2014

in de zaak van

1 de stichting Stichting Betaald Voetbal “Vitesse-Arnhem”,

gevestigd te Arnhem,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. Vitesse,

gevestigd te Arnhem,

3. [appellant sub 3],

wonende te [woonplaats appellant sub 3], gemeente [gemeente 1],

4. [appellant sub 4],

wonende te [woonplaats appellant sub 4], gemeente [gemeente 2],

5. [appellant sub 5],

wonende te [woonplaats appellant sub 5], gemeente [gemeente 3],

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellante sub 6] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats appellante sub 6],

7. de stichting Stichting Vrienden van Vitesse,

gevestigd te Arnhem,

appellanten,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Provincie Gelderland,

zetelend te Arnhem,

geïntimeerde,

advocaat: mr. W.E.M. Klostermann.

Appellanten zullen hierna gezamenlijk Vitesse c.s. worden genoemd. Appellanten sub 1 en 2 zullen hierna als Stichting Vitesse en B.V. Vitesse worden aangeduid. Appellanten sub 3, 4, 5 en 6 zullen hierna gezamenlijk als de private financiers en afzonderlijk als [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellante sub 6] worden aangeduid. Appellante sub 7 zal hierna de Stichting Vrienden worden genoemd. Geïntimeerde zal de Provincie worden genoemd.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

24 november 2010, 19 januari 2011 en 16 januari 2013 die de rechtbank (respectievelijk rechtbank Arnhem, sector civiel recht, en rechtbank Oost-Nederland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem) tussen Vitesse c.s. als eisers en de Provincie als gedaagde heeft gewezen. Het vonnis van 16 januari 2013 is gepubliceerd onder ECLI:RBONE:2013:BY8423.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 16 april 2013, zoals hersteld op 26 april 2013,

- de memorie van grieven, met producties,

- de memorie van antwoord, met producties,

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities. Hierbij is akte verleend van het in het geding brengen van de stukken die respectievelijk bij berichten van 2 april 2014 door mr. W.E.M. Klostermann namens de Provincie en 4 april 2014 door mr. S.M. van Steenbergen namens Vitesse c.s. zijn toegezonden.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten en het procesverloop

3.1

Het hof gaat in dit hoger beroep in de schadestaatprocedure tussen Vitesse c.s. en de Provincie allereerst uit van de feiten zoals beschreven in rechtsoverweging 3.1 van het in de aansprakelijkheidsprocedure gewezen arrest van de Hoge Raad van 25 juni 2010 (gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2010:BL5420) en voorts van de feiten vermeld onder 2.16 en 2.17 en 2.19 – 2.23 in het in de schadestaatprocedure gewezen vonnis van

16 januari 2013. Voor zover grief I betoogt dat meer of andere feiten in de beoordeling moeten worden betrokken, zal het hof daarop – voor zover voor de beoordeling van belang – onder 4 ingaan. Aldus staat in hoger beroep het volgende vast.

3.2

Medio 2001 werd voor de professionele voetbalclub Vitesse (hierna: Vitesse) voor het boekjaar 2001-2002 een tekort van fl. 22.700.000,- voorzien. Voorts had zij een schuld aan hoofdsponsor Nuon van ongeveer fl. 76.000.000,-.

3.3

De KNVB heeft bij brief van 22 juni 2001 aan Vitesse laten weten dat, voordat definitief licentie zou worden gegeven voor deelname aan betaald voetbal in het seizoen 2001-2002, vóór 1 juli 2001 aan een aantal voorwaarden diende te zijn voldaan. Tot die voorwaarden behoorde dat dekking voor het onder 3.2 bedoelde tekort zou worden aangetoond. De gestelde termijn is nadien verlengd tot 17 juli 2001.

3.4

Enkele private financiers van Vitesse hebben een reddingsplan opgesteld, inhoudende:

( a) het doorvoeren van bezuinigingen tot een bedrag van fl. 1.000.000,-,

( b) het verstrekken van leningen ter grootte van fl. 16.000.000,- aan Vitesse door de private financiers en de Stichting Vrienden van Vitesse, en

( c) verlaging van de huur voor het stadion waarin werd gespeeld, Gelredome, van

fl. 8.000.000,- naar fl. 2.000.000,-.

3.5

Op initiatief van de gedeputeerde [gedeputeerde 1], in het college van Gedeputeerde Staten van de Provincie houdster van de portefeuille financiën, heeft op 1 juli 2001 een verkennend, informeel overleg plaatsgevonden. Aan het overleg namen deel vier van de vijf gedeputeerden van de Provincie, te weten [gedeputeerde 1], [gedeputeerde 2], [gedeputeerde 3] en [gedeputeerde 4], voorts [appellant sub 3] en [appellant sub 5], leden van het bestuur van de Stichting Betaald Voetbal Vitesse Arnhem (hierna: Stichting Vitesse), de houdster van de KNVB licentie, en bovendien – via een door hen gecontroleerde B.V. – de private financiers van Vitesse, verder de directieleden van Nuon, [directielid 1] en [directielid 2], en de advocaat van Nuon, Grapperhaus, en ten slotte twee projectontwikkelaars, in verband met een mogelijke aankoop van het stadion Gelredome door één of meer private partijen. Het was de genoemde gedeputeerden duidelijk dat Vitesse acute financiële problemen had en dat de dreiging bestond dat de KNVB-licentie niet verleend zou worden, waardoor Vitesse inkomsten zou missen en de verschuldigde huur voor het Gelredome niet meer zou kunnen opbrengen. Als gevolg daarvan zou ook Gelredome N.V., die het stadion als eigenares daarvan verhuurde aan de Stichting Vitesse, in financiële problemen kunnen geraken.

3.6

Andermaal op initiatief van [gedeputeerde 1] is het overleg voortgezet op de volgende dag, 2 juli 2001, vanaf 18.00 uur in het Provinciehuis. Daarbij waren aanwezig aan de zijde van de Provincie niet alleen opnieuw [gedeputeerde 1], [gedeputeerde 2] en [gedeputeerde 4] (hierna ook: de gedeputeerden), maar nu ook [medewerker], medewerker van de concernstaf van de Provincie. Verder was aanwezig [bestuurslid GOM], bestuurslid van de Gelderse Ontwikkelingsmaatschappij N.V. (hierna ook: GOM), houdster van een prioriteitsaandeel in Gelredome N.V. GOM had het recht een bestuurslid van de Stichting Gelredome te benoemen (evenals de Provincie, Nuon en GOM, terwijl de Stichting Vitesse het recht had twee bestuursleden te benoemen). Namens Nuon was ter vergadering aanwezig [directielid 2] voornoemd, vergezeld van de advocaten Grapperhaus en De Vlam. Ten slotte waren [appellant sub 3] en [appellant sub 5] aanwezig. De twee projectontwikkelaars die bij het overleg van de vorige dag aanwezig waren, zijn door de gedeputeerden niet opnieuw uitgenodigd omdat het voor de Provincie onbespreekbaar was dat het stadion in private handen zou vallen.

3.7

Tijdens het overleg is gesproken over verlaging door Gelredome N.V. van de huurprijs voor het stadion Gelredome van fl. 8.000.000,- naar fl. 2.000.000,- voor het seizoen 2001-2002, waarbij de Provincie behulpzaam zou zijn. Tevens is gesproken over kwijtschelding van een aanzienlijk deel van de schuld van Vitesse aan Nuon, en verstrekking door de Stichting Vrienden van Vitesse van financiële middelen voor de sanering van de financiële situatie van Vitesse.

3.8

Aansluitend aan dit overleg is nog diezelfde avond elders nader overlegd tussen enerzijds [appellant sub 3] en [appellant sub 5] en anderzijds [directielid 2], Grapperhaus en De Vlam. Dit overleg heeft geresulteerd in de afspraken dat de private financiers de schuld van Vitesse aan Nuon voor een bedrag van ƒ 5.000.000,- zouden overnemen en dat zij bovendien een bedrag van fl. 16.000.000,- aan Vitesse ter beschikking zouden stellen.

3.9

Op basis van een door [medewerker] opgesteld voorstel hebben Gedeputeerde Staten op 3 juli 2001 een besluit genomen waarvan de kernpunten zijn: kenbaar maken aan Gelredome N.V. dat van provinciewege steun zal worden verleend aan verlaging door Gelredome N.V. van de huurprijs voor het stadion, uitspreken van de bereidheid in verband daarmee bancaire leningen te herfinancieren, en uitspreken van het voornemen te zijner tijd een voorstel bij Provinciale Staten in procedure te brengen ter zake van de herfinanciering. Van dit besluit is Gelredome N.V. diezelfde dag bij brief in kennis gesteld.

3.10

Op 4 juli 2001 is een persbericht van Gedeputeerde Staten uitgegaan waarin onder meer is meegedeeld dat de licentie voor Vitesse is veiliggesteld, waardering is uitgesproken voor de inbreng van de Vrienden van Vitesse en de directie van Gelredome N.V., en is aangekondigd dat Gedeputeerde Staten met een nader voorstel aan Provinciale Staten zouden komen dat het mogelijk moest maken dat Gelredome N.V. uitvoering kon geven aan haar voornemen de huur van het stadion voor het seizoen 2001-2002 te verlagen.

3.11

Bij brief van 5 juli 2001 heeft Gelredome N.V., onder verwijzing naar overleg met vertegenwoordigers van de Provincie, aan Vitesse toegezegd dat voor het seizoen 2001-2002 een huur van niet meer dan fl. 2.000.000,- hoefde te worden betaald. Deze brief bevatte onder meer de volgende passage:

"Uitkomst van dit overleg is dat de Provincie Gelderland, bij besluit van het College van Gedeputeerde Staten d.d. 3 juli 2001, Gelredome in staat zal stellen deze inkomstenverlaging op te vangen, e.e.a. vooruitlopend op een definitieve oplossing."

3.12

Op 16 juli 2001 zijn overeenkomsten ondertekend waarin de hiervoor in 3.8 genoemde afspraken zijn 'geformaliseerd' (schriftelijk vastgelegd).

3.13

Na een telefonisch onderhoud tussen de directeur betaald voetbal van de KNVB, [naam directeur], en de Commissaris van de Koningin van de Provincie, [commissaris], over de medewerking van de Provincie aan de verlaging van de huurprijs van het stadion Gelredome, waarin [commissaris] zich geruststellend heeft uitgelaten over de uitkomst van de besluitvorming door Provinciale Staten, zonder deze te garanderen, heeft de KNVB op 17 juli 2001 aan Vitesse definitief licentie verleend voor deelname aan betaald voetbal voor het seizoen 2001-2002.

3.14

Een brief van Gelredome N.V. aan Vitesse, gedateerd 18 juli 2001, bevat onder meer de volgende passage:

"Het is een misverstand dat de provincie Gelderland aan Gelredome heeft toegezegd de huurverlaging voor het lopende seizoen te zullen compenseren. (...)

Op welke wijze de exploitatie van Gelredome door de komende jaren kan worden veiliggesteld vormt onderwerp van overleg met de Gom en de provincie, waarna met de overige financiers zal worden overlegd over de gedachte oplossing."

3.15

Op 18 september 2001 hebben Gedeputeerde Staten aan Provinciale Staten een voorstel inzake herfinanciering van het stadion gedaan. Dat voorstel is niet in stemming gebracht omdat bleek dat het politiek onhaalbaar was.

3.16

Op 21 september 2001 hebben [appellante sub 6], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] enerzijds en B.V. Vitesse anderzijds een leningovereenkomst gesloten (productie 3 bij inleidende dagvaarding), in het kader waarvan de drie eerstgenoemden aan B.V. Vitesse een bedrag van fl. 9.000.000,- hebben geleend, te voldoen op schriftelijke afroep van B.V. Vitesse op basis van de liquiditeitsbehoefte van B.V. Vitesse, onder de in die overeenkomst nader omschreven voorwaarden.

3.17

Eveneens op 21 september 2001 hebben de Stichting Vrienden, B.V. Vitesse, [appellant sub 5], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] een leningovereenkomst gesloten (productie 4 bij dagvaarding), in het kader waarvan de Stichting Vrienden een bedrag van maximaal fl. 7.000.000,- aan B.V. Vitesse heeft geleend, te voldoen op schriftelijke afroep van B.V. Vitesse op basis van de liquiditeitsbehoefte van B.V. Vitesse, en waarbij [appellant sub 5], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] jegens de Stichting Vrienden hoofdelijke aansprakelijkheid op zich hebben genomen voor de betalingen waarop de Stichting Vrienden op grond van de overeenkomst recht heeft, één en ander onder de in die overeenkomst nader omschreven voorwaarden.

3.18

In een brief van 30 november 2001 hebben Gedeputeerde Staten aan de Stichting Vitesse bericht dat zij samen met de gemeente Arnhem intensief hebben gezocht naar wegen die kunnen bijdragen aan een gezondmaking van de exploitatie van Gelredome, mede om te bezien in hoeverre ruimte bestaat voor een (eenmalige) neerwaartse aanpassing van de door Stichting Vitesse verschuldigde huur aan Gelredome N.V. Dat zoeken hield verband met, zoals het in de brief werd gesteld, een inspanningsverplichting die voortvloeide uit hetgeen is neergelegd in de brief van Gedeputeerde Staten van 3 juli 2001 aan de directie van Gelredome N.V. In de brief werd voorts opgemerkt dat Gedeputeerde Staten tot de conclusie zijn gekomen dat een structurele huursom van fl. 2.000.000,- absoluut ontoereikend is voor een levensvatbare exploitatie van Gelredome N.V. en dat Vitesse dan ook rekening moet houden met een substantieel hogere huursom in de toekomst.

3.19

Bij overeenkomst van 3 april 2002 (productie 7 bij dagvaarding) heeft de gemeente Arnhem een kredietfaciliteit verstrekt aan Vitesse c.s. tot een maximum van € 5.400.000,- tegen een rente (samengestelde interest) van 10% op jaarbasis. Tot zekerheid van terugbetaling heeft B.V. Vitesse aan de gemeente Arnhem verschillende pandrechten verstrekt. De hoofdsom moest uiterlijk 1 juli 2003 aan de gemeente Arnhem zijn terugbetaald.

3.20

In september 2002 hebben Gedeputeerde Staten aan Provinciale Staten een tweede voorstel – volgend op dat van 30 november 2001 (zie onder 3.18) – voorgelegd, dat neerkwam op herfinanciering van de lasten van het stadion Gelredome samen met de gemeente Arnhem. Dat voorstel is aangenomen, maar niet uitgevoerd. De herfinanciering van het stadion heeft uiteindelijk zonder betrokkenheid van de Provincie plaatsgevonden.

3.21

Op 22 september 2002 is tussen de gemeente Arnhem, B.V. Vitesse en [appellant sub 3] en [appellant sub 4] als bevoegd vertegenwoordigers van Stichting Vitesse een “Reddingsplan Gelredome-Vitesse” tot stand gekomen (productie 8 bij dagvaarding), in het kader waarvan de schuldpositie van B.V. Vitesse jegens de gemeente Arnhem werd geherfinancierd in die zin dat de gemeente Arnhem aan B.V. Vitesse een nieuwe geldlening zou verstrekken ter hoogte van € 6.500.000,- ter aflossing van de schuld van B.V. Vitesse aan de gemeente Arnhem. De looptijd van deze overeenkomst was veertig jaar en de rente bedroeg 9,7% op jaarbasis. Tot zekerheid voor de nakoming heeft B.V. Vitesse ten behoeve van de gemeente Arnhem een pandrecht gevestigd op al haar bestaande en toekomstige vorderingen op derden.

3.22

Op 14 oktober 2003 is een overeenkomst gesloten tussen de gemeente Arnhem, [appellante sub 6], [appellant sub 5], [B.V. 1] B.V, [appellant sub 4], [B.V. 2] B.V., [appellant sub 3], de Stichting Vrienden, B.V. Vitesse en Stichting Vitesse (productie 9 bij dagvaarding). Met deze overeenkomst hebben [appellante sub 6], [appellant sub 5], [B.V. 1] B.V, [appellant sub 4], [B.V. 2] B.V. en [appellant sub 3] onvoorwaardelijk en onherroepelijk afstand gedaan van al hun vorderingsrechten op Vitesse c.s.

3.23

Op 3 maart 2008 heeft de rechtbank Arnhem Vitesse c.s. voorlopige surseance van betaling verleend. In het kader van deze surseance van betaling is een akkoord gesloten met de schuldeisers, waarbij de schulden van B.V. Vitesse zijn gesaneerd tegen een gedeeltelijke betaling van de schuldeisers, waaronder de private financiers en de Stichting Vrienden. In het kader van deze sanering is aan de private financiers en de Stichting Vrienden een bedrag van € 1.437.152,- uitgekeerd.

3.24

Tegen de voorgaande achtergrond hebben Vitesse c.s. de Provincie gedagvaard voor de rechtbank Arnhem en daarbij schadevergoeding, nader op te maken bij staat, gevorderd. In hoger beroep heeft dit hof geoordeeld, kort samengevat, dat de Provincie onrechtmatig heeft gehandeld jegens Vitesse c.s. en de vordering tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat, toegewezen. Het arrest van dit hof is gepubliceerd onder ECLI:NL:GHARN:2008:BD6676.

3.25

De Hoge Raad heeft het (principaal) cassatieberoep van de Provincie in zijn arrest van 25 juni 2010 (gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2010:BL5420) verworpen en daartoe onder meer het volgende overwogen:

“3.3 De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Het hof heeft dit vonnis vernietigd en de zaak naar de schadestaat verwezen. Het oordeelde daartoe, kort samengevat, en voor zover thans nog van belang, als volgt. (…)

(c) De vordering is daarentegen wél toewijsbaar op de subsidiaire grondslag die erop neerkomt dat de Provincie (althans de gedeputeerden) Vitesse c.s. op het verkeerde been heeft gezet en heeft nagelaten de strekking van het handelen van de gedeputeerden en hun bevoegdheid daartoe te verduidelijken toen dat mogelijk en nodig was, met als gevolg dat Vitesse c.s. in het vertrouwen dat ook de Provincie een omvangrijke financiële inspanning zou verrichten, financiële verplichtingen van zeer aanzienlijke omvang op zich hebben genomen (…)

4.1.2

Uit de hiervoor in 3.3 onder (c) weergegeven overwegingen van het hof volgt dat, anders dan waarvan de onderdelen 1, 8 en 9 uitgaan en de eerste zin van rov. 4.31 op zich zelf genomen lijkt mee te brengen, de door het hof aanvaarde onrechtmatigheid niet bestaat in - en evenmin is gebaseerd op - de niet-nakoming door de Provincie van de op 2 juli 2001 gedane toezegging.

(…).

4.3

Het hiervoor in 3.3 onder (c) kort weergegeven oordeel van het hof moet aldus worden verstaan.

De Provincie heeft door de gedragingen van de gedeputeerden, die in het maatschappelijk verkeer als gedragingen van de Provincie zelf hebben te gelden, Vitesse c.s. ertoe bewogen financiële verplichtingen van zeer aanzienlijke omvang op zich te nemen.

Die gedragingen hielden in dat de gedeputeerden aan Vitesse c.s. gedetailleerde instructies inzake de financiële sanering van Vitesse hebben gegeven en daarbij de toezegging hebben gedaan - waarop Vitesse c.s. in de gegeven omstandigheden mochten afgaan - dat ook de Provincie zelf, die in deze kwestie eigen financiële belangen had, een zeer omvangrijke financiële inspanning zou verrichten waardoor het door Vitesse c.s. nagestreefde doel, namelijk dat de KNVB aan Vitesse licentie zou verlenen voor deelname aan het betaald voetbal in het seizoen 2001-2002, kon worden verwezenlijkt. De gedeputeerden hadden behoren te begrijpen dat Vitesse c.s. zeer aanzienlijke schade zouden lijden - bestaande uit in dat geval tevergeefs gemaakte kosten en aangegane verplichtingen - als het daartoe bevoegde orgaan, Provinciale Staten, de noodzakelijke toestemming voor hun handelen niet zou verlenen. Het lag niet op de weg van de andere aanwezigen navraag te doen naar de bevoegdheid van de gedeputeerden om de toezegging te doen. In de gegeven - hierna in 4.6.2 vermelde - omstandigheden mocht van de gedeputeerden, en in het bijzonder van [gedeputeerde 1], worden verwacht dat zij tegenover Vitesse c.s. voldoende duidelijk een voorbehoud hadden gemaakt van toestemming van Provinciale Staten, dan wel dat zij uitdrukkelijk Vitesse c.s. hadden gewaarschuwd dat de Provincie slechts een inspanningsverplichting op zich nam. Nu de gedeputeerden niets van dit alles hebben gedaan, heeft de Provincie Vitesse c.s. op het verkeerde been gezet en onrechtmatig tegenover hen gehandeld.

4.4

Onderdeel 2 van het middel bestrijdt in diverse varianten dat het hiervoor in 3.3 onder (c) en 4.3 bedoelde vertrouwen in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd was en dat de Provincie in de gegeven omstandigheden uit onrechtmatige daad aansprakelijk is geworden tegenover Vitesse c.s.

4.5

Op zichzelf is het waar dat uit de Provinciewet voortvloeit dat de gedeputeerden zonder delegatie of goedkeuring achteraf door Provinciale Staten, niet bevoegd waren de Provincie door de onderhavige toezegging te binden. Uit de volgende feiten en omstandigheden, in samenhang beoordeeld:

- dat de bevoegdheidsverdeling in de Provinciewet onmiskenbaar is,

- dat in een democratische rechtsstaat groot gewicht toekomt aan een zodanige bevoegdheidsverdeling,

- dat een aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad wegens vertrouwen dat is gewekt door een onbevoegd verrichte vertegenwoordigingshandeling, met een en ander niet gemakkelijk is te rijmen,

- dat Vitesse c.s., althans hun vertegenwoordigers, hooggekwalificeerde professionals zijn, zodat van hen mocht worden verwacht dat zij van deze bevoegdheidsverdeling op de hoogte waren, en

- dat Vitesse c.s. wisten dat het overleg van 2 juli 2001 pas daags tevoren was afgesproken en dat het niet een provinciale taak is betaald voetbal te financieren,

volgt dat slechts onder bijzondere omstandigheden plaats is voor het oordeel dat het hiervoor in 4.3 omschreven handelen van de Provincie jegens Vitesse c.s. onrechtmatig is.

4.6.1

Het hof heeft dit echter niet miskend. Het heeft geoordeeld dat sprake is van bijzondere omstandigheden als vorenbedoeld, die meebrachten dat Vitesse c.s. erop mochten vertrouwen dat de gedeputeerden - die geen voorbehoud omtrent hun bevoegdheid hadden gemaakt, noch hadden gewaarschuwd dat de Provincie slechts een inspanningsverplichting op zich nam - intern maatregelen hadden genomen om een voor de Provincie bindende regeling te kunnen treffen teneinde te voorkomen dat Vitesse c.s. bij het opvolgen van hun instructies aanzienlijke schade zouden lijden, bestaande uit - in dat geval: tevergeefs - gemaakte kosten en aangegane verplichtingen.

4.6.2

De vorenbedoelde feiten en omstandigheden zijn de volgende:

(i) Als de huur van het stadion niet meer zou kunnen worden opgebracht, zou ook Gelredome N.V. daardoor in financiële moeilijkheden geraken. De Provincie had financieel belang bij het voortbestaan van Gelredome N.V. en daarmee indirect bij licentieverlening aan de voetbalclub Vitesse. Bij een déconfiture van Gelredome N.V. zou de Provincie immers haar achtergestelde lening aan deze vennootschap niet kunnen incasseren, terwijl bovendien de mogelijkheid bestond dat Europese subsidies ten bedrage van ongeveer ƒ 10 miljoen moesten worden terugbetaald.

(ii) Er was sprake van een crisissituatie en de urgentie om tot een beslissing over de verdere financiering van Vitesse te komen, was hoog (zie hiervoor in 3.1 onder (ii)). Zowel voor Vitesse c.s. als voor de Provincie - voor deze laatste langs voormelde indirecte weg - dreigde een zeer aanzienlijke schade als niet op heel korte termijn doeltreffende maatregelen werden genomen.

(iii) De gedeputeerden - met name de gedeputeerde [gedeputeerde 1] - hebben in deze situatie het initiatief genomen voor de bespreking van 2 juli 2001 die plaatsvond in het Provinciehuis.

(iv) Het was voor de Provincie onbespreekbaar dat het stadion in private handen zou vallen. Het feit dat zij aldus een mogelijke oplossing voor de geschetste urgente problemen blokkeerde, kon bijdragen tot het vertrouwen dat de opstelling van de gedeputeerden tijdens de bespreking ertoe strekte deze problemen langs andere weg daadwerkelijk op te lossen.

(v) De gedeputeerde [gedeputeerde 1] gaf gedetailleerde instructies aan de andere aanwezige partijen inzake de door hen te leveren bijdragen aan de financiële sanering van Vitesse. Dit kon de indruk wekken - die ook inderdaad is ontstaan, blijkens het feit dat deze instructies nog diezelfde avond zijn opgevolgd - dat tegenover de grote financiële inspanningen die Vitesse c.s. op basis van deze instructies verrichtten, de provincie van haar kant daadwerkelijk de toegezegde financiële steun zou verlenen.

(vi) Gedeputeerden nemen binnen de bestuurlijke organisatie van de provincie een belangrijke positie in; ingevolge art. 158 lid 1, aanhef en onder a, Provinciewet zijn zij immers - behoudens een nu niet terzake dienende uitzondering - bevoegd het dagelijks bestuur van de provincie te voeren. Het lag dus bij uitstek op de weg van de gedeputeerden in deze crisissituatie handelend op te treden om het onmiddellijk dreigende risico van zeer aanzienlijke schade voor de Provincie af te wenden.

4.7

Gelet op de hiervoor in 4.6 vermelde omstandigheden, geeft het hiervoor in 4.3 weergegeven oordeel van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Ook de daartegen gerichte motiveringsklachten falen.

4.8

Door de onderdelen 6 en 8 wordt naar voren gebracht dat dit oordeel van het hof niet verenigbaar is met zijn hiervoor in 3.3 onder (b) samengevatte oordeel over de primaire grondslag van de vordering. Bij deze klacht heeft de Provincie geen belang nu de primaire grondslag van de vordering, die erop is gebaseerd dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, een wezenlijk andere strekking heeft dan de subsidiaire grondslag van de vordering, die erop is gebaseerd dat de Provincie onrechtmatig tegenover Vitesse c.s. heeft gehandeld door hen op het verkeerde been te zetten, waardoor zij schade hebben geleden.

(…)”

3.26

Vervolgens hebben Vitesse c.s. de onderhavige schadestaatprocedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Arnhem. De rechtbank heeft de vorderingen in het thans bestreden vonnis van 16 januari 2013 afgewezen, kort gezegd omdat volgens de rechtbank niet is komen vast te staan dat de schade waarvan Vitesse c.s. vergoeding vordert het gevolg is van de onrechtmatige daad van de Provincie.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Zoals hiervoor onder 3.1 is weergegeven, betreft de onderhavige procedure de schadestaatprocedure die is gevolgd op de eerdere procedure die heeft geleid tot het onder 3.1 vermelde arrest van de Hoge Raad waarin de Hoge Raad het (principaal) cassatieberoep tegen het arrest van dit hof van 3 juni 2008, waaronder de verwijzing naar de schadestaatprocedure, heeft verworpen. Op grond daarvan moet in de onderhavige procedure ervan worden uitgegaan dat de Provincie onrechtmatig heeft gehandeld jegens Vitesse c.s. en staat in de onderhavige procedure de vraag centraal of, en zo ja in welke omvang, Vitesse c.s. schade hebben geleden als gevolg van dat onrechtmatig handelen.

Voor de beantwoording van die vraag is van belang welk onrechtmatig handelen van de Provincie in de aansprakelijkheidsprocedure is komen vast te staan. Partijen zijn verdeeld over de vraag hoe het arrest van de Hoge Raad op dat punt moet worden uitgelegd.

Het hof overweegt over deze, door de grieven II en V aan het hof voorgelegde vraag, als volgt.

4.2

In rov. 4.3 heeft de Hoge Raad het oordeel van het hof geduid als in die overweging is weergegeven en daarbij ten aanzien van die weergave als (door het hof aanvaarde) onrechtmatige daad aangemerkt het in de gegeven - in 4.6.2 vermelde - omstandigheden nalaten door de gedeputeerden om tegenover Vitesse c.s. ter zake van de toegezegde eenmalige huurverlaging voor het seizoen 2001/2002 voldoende duidelijk een voorbehoud te maken dat daarvoor nog toestemming van Provinciale Staten nodig was, dan wel dat zij uitdrukkelijk Vitesse c.s. hadden gewaarschuwd dat de Provincie (voor die eenmalige huurverlaging) slechts een inspanningsverplichting op zich nam, terwijl dat van hen, en in het bijzonder van [gedeputeerde 1], mocht worden verwacht. Nu de gedeputeerden niets van dit alles hebben gedaan, heeft de Provincie Vitesse c.s. op het verkeerde been gezet en onrechtmatig tegenover hen gehandeld, aldus de weergave door de Hoge Raad van het arrest van het hof.

Vervolgens heeft de Hoge Raad in rov. 4.5 erop gewezen dat een aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad wegens vertrouwen dat is gewekt door een onbevoegd verrichte vertegenwoordigingshandeling, met onder meer de publiekrechtelijke bevoegdheidsverdeling niet gemakkelijk is te rijmen. De Hoge Raad heeft desondanks het oordeel van het hof dat onder de – door de Hoge Raad in 4.6.1. vermelde omstandigheden – in dit geval plaats is voor een zodanige aansprakelijkheid in rov. 4.7 stand gelaten. In rov. 4.8 heeft de Hoge Raad tenslotte de subsidiaire grondslag van de vordering aldus samengevat “dat deze erop is gebaseerd dat de Provincie onrechtmatig tegenover Vitesse c.s. heeft gehandeld door hen op het verkeerde been te zetten, waardoor zij schade hebben geleden”. Deze samenvatting komt overeen met de subsidiaire grondslag zoals die door Vitesse c.s. in de aansprakelijkheidsprocedure is geformuleerd (inleidende dagvaarding, in het bijzonder onder 119 en 127).

4.3

Uit deze overwegingen uit het arrest van de Hoge Raad leidt het hof, met de rechtbank, af dat de Hoge Raad het oordeel van dit hof, dat sprake is van een aan de Provincie toe te rekenen onrechtmatige daad, in stand heeft gelaten voor zover het daarbij gaat om het, onder de bijzondere in 4.6.1 van het arrest vermelde omstandigheden van dit geval, nalaten een voorbehoud te maken over de bevoegdheid van de gedeputeerden voor de door hen toegezegde eenmalige huurverlaging voor het seizoen 2001/2002 en het niet waarschuwen dat zij voor die eenmalige huurverlaging slechts een inspanningsverplichting op zich nam. Anders dan Vitesse c.s. betogen, vormen de in 4.6.1 vermelde omstandigheden daarbij als zodanig – los van dit nalaten – geen als onrechtmatige daad gekwalificeerde handelingen. In het bijzonder kan in het arrest van de Hoge Raad niet worden gelezen dat het niet nakomen van de toegezegde eenmalige huurverlaging als zodanig onrechtmatig is geacht. Het voorgaande wordt niet anders doordat de Hoge Raad het principaal cassatieberoep heeft verworpen en daarmee het dictum van het arrest van het hof – waaronder de daarin opgenomen verklaring voor recht – in stand heeft gelaten, nu dit dictum moet worden uitgelegd in het licht van de daaraan voorafgaande overwegingen, zoals die door de Hoge Raad in zijn arrest zijn geduid. Vitesse c.s. miskennen met hun stelling dat het hof in deze schadestaatprocedure gebonden is aan de door de Hoge Raad aan het arrest van het hof gegeven uitleg. Niet langer bepalend zijn daarmee de letterlijke overwegingen of het dictum van het hof, maar de uitleg van het arrest door de Hoge Raad. Het staat het hof in deze schadeprocedure ook niet vrij te treden buiten deze door de Hoge Raad geschapen kaders. Evenmin doet aan het voorgaande af dat de Hoge Raad in rov. 5 van zijn arrest het incidenteel cassatieberoep onbesproken heeft gelaten, nu dit laatste slechts is geschied omdat volgens de Hoge Raad naar de eigen stellingen [curs. hof] van Vitesse c.s. de eenmalige huurverlaging zowel op de primaire als de subsidiaire grondslag toewijsbaar is en zij volgens hun eigen stellingname dan ook geen belang hebben bij bespreking van de primaire grondslag. Voorts is, hoewel het arrest van de Hoge Raad op enkele plaatsen spreekt van als gevolg van de onrechtmatige daad geleden schade in de vorm ‘tevergeefs gemaakte kosten en aangegane verplichtingen’, noch in het arrest van de Hoge Raad noch in het daarvoor gewezen arrest van dit hof een oordeel gegeven over de aanwezigheid van een causaal verband tussen de verschillende door Vitesse c.s. onder die noemer gebrachte concrete schadeposten. Het hof heeft zich – behoudens de afgewezen buitengerechtelijke kosten – in de aansprakelijkheidsprocedure nog niet uitgesproken over de aanwezigheid en toewijsbaarheid van concrete schadeposten en/of over het causaal verband van zulke concreet gevorderde schadeposten met de aan de Provincie verweten onrechtmatige daad. Het heeft de zaak ook op dat punt verwezen naar de schadestaatprocedure, voor welke verwijzing reeds voldoende is dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is.

4.4

Dit alles brengt mee dat in de onderhavige schadestaatprocedure nog openliggen de vragen of sprake is van causaal verband tussen de verschillende (gestelde) schadeposten en de onder 4.3 bedoelde onrechtmatige daad van de Provincie, evenals – zo dit causaal verband komt vast te staan – wat de hoogte van die schade is.

Voor het vereiste causaal verband is, gezien de hiervoor door de Hoge Raad aanvaarde (beperkte) grondslag voor de aansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad, bepalend of de desbetreffende schadeposten al dan niet zouden zijn geleden indien de gedeputeerden destijds bij de besprekingen op 1 en 2 juli 2001 wel het hier bedoelde voorbehoud zouden hebben gemaakt en/of de genoemde waarschuwing zouden hebben gegeven.

Tegen het in rov. 4.2 van het bestreden vonnis gegeven oordeel van de rechtbank dat voor de door Vitesse c.s. bepleite toepassing van de omkeringsregel in dit geval geen plaats is, hebben Vitesse c.s. geen (voldoende kenbare) grief gericht. Overigens sluit het hof zich bij het desbetreffende oordeel van de rechtbank aan. Daarmee falen de grieven II en V.

4.5

Grief III komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de verschillende door Vitesse c.s. gevorderde schadeposten bij gebreke van causaal verband met de onrechtmatige daad van de Provincie moeten worden afgewezen. Grief IV keert zich tegen de in dat verband door de rechtbank uit de notitie van [deskundige] getrokken conclusie, dat niet is komen vast te staan dat de financiële situatie van B.V. Vitesse in 2001 verband hield met de hoogte van de huur en de Provincie bij een juiste informatieverstrekking B.V. Vitesse in het geheel niet te hulp zou zijn geschoten. Grief I bevat klachten tegen de door de rechtbank uit het rapport van [deskundige] getrokken conclusies over de aard van het in 2001 bestaande tekort van fl. 22.700.000,-, onder meer omdat op dat punt volgens Vitesse c.s. in de aansprakelijkheidsprocedure bindende eindbeslissingen zijn gegeven.

4.6

Voor zover Grief III voortbouwt op de in de grieven II en V bepleite onrechtmatige daad en maatstaf voor de causaliteit, faalt zij om de hiervoor vermelde redenen. Het hof ziet aanleiding om vóór de verdere beoordeling van grief III in te gaan op het hiervoor weergegeven in de grieven I en IV vervatte betoog over de status van het rapport [deskundige] met betrekking tot de daarin onderzochte herkomst van het op 1 juli 2001 bestaande tekort van NLG 22,7 miljoen, in de dekking waarvan het reddingsplan heeft voorzien.

4.7

In de door Vitesse c.s. zelf in het geding gebrachte ‘Notitie: Ontstaan en samenstelling bedrag van NLG 22,7 miljoen (productie 25 bij conclusie van repliek) staat onder meer:

“Op 2 juli 2011 zijn vertegenwoordigers van Vitesse, NUON, Provincie Gelderland, GOM en enkele particulieren bij elkaar gekomen om gezamenlijk zorg te dragen voor een dekking van NLG 22,7 miljoen die benodigd was bij Vitesse ter verkrijging van de KNVB licentie.

(…)

2.3.1 (…)

Het bedrag van NLG 22,7 miljoen is een resultante van een in de licentieaanvraag opgenomen verwachte inkomsten uit spelersverkopen gedurende januari 2001 tot en met juni 2002 van NLG 63,5 miljoen. De KNVB heeft van Vitesse geëist dat deze inkomsten uit spelersverkoop met contracten werden onderbouwd of dat er een vergelijkbare zekerheid voor werd gegeven. Voor een bedrag van NLG 40,8 miljoen heeft Vitesse aan deze eis voldaan. Het resterende bedrag aan verwachte spelersinkomsten gedurende het seizoen 01/02 was bij aanvang van het seizoen 2001/2002 nog niet zeker gesteld.

2.3.2

Het bedrag van NLG 22,7 miljoen betreft dus in tegenstelling tot wat het Hof in rechtsoverweging 3.4 stelt geen voorzienbaar exploitatietekort over het boekjaar 2001/2002. Het bedrag van 22,7 miljoen betrof een verwachte inkomst, maar diende te worden gegarandeerd als zekere inkomst om een KNVB licentie te verkrijgen. Er is geen informatie beschikbaar waaruit blijkt dat de begrote transferresultaten niet realistisch waren. (…)

2.3.3

Aangezien het bedrag van NLG 22,7 miljoen zijn oorsprong vind in het bedrag van NLG 63,5 miljoen dat is opgenomen in de licentieaanvraag als inkomsten voor de tweede helft van het seizoen 00/01 plus het volledige seizoen 01/02 kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een ‘jaarlijks’ karakter.

2.3.4 (…)

dat spelersverkopen voornamelijk in de maanden juni, juli en augustus plaatsvinden. Vitesse stelt daarbij eveneens dat het verkopen van spelers onderdeel uit maakt van de reguliere exploitatie. Immers in de zomermaanden van de twee voorafgaande jaren werden voor meer dan NLG 28 miljoen aan transferinkomsten gerealiseerd. Toch krijgt de voetbalclub slechts tot 1 juli 2001 om de NLG 22,7 miljoen aan verkopen te onderbouwen met contracten. Omdat dit niet voor 1 juli 2001 is gelukt wordt op 2 juli 2001 het ‘Reddingsplan’ opgesteld. Dit wil niet zeggen dat er op dat moment al een tekort van NLG 22,7 miljoen was. Vitesse had immers nog zowel twee van de drie zomermaanden waarin spelers frequent van club wisselen als het volledige seizoen 01/02 om de verkopen te realiseren, zoals het in de jaren daarvoor ook had gedaan. Uiteindelijk heeft Vitesse in de twee zomermaanden geen spelers meer hoeven verkopen, er was inmiddels voor dekking van de begrote inkomsten gezorgd door het Reddingsplan. De verkoop doelstellingen zijn daarmee aangepast.”

4.8

Anders dan Vitesse c.s. onder grief I betogen, kan in de schadestaatprocedure wel acht worden geslagen op de in de notitie van [deskundige] vermelde conclusies over de aard van het tekort. In de schadestaatprocedure ligt dat causaliteitsdebat zoals onder 4.4 is overwogen immers nog open en daarmee ook de vraag of – in het licht van de financiële situatie van Vitesse in 2001 – door Vitesse c.s. anders zou zijn gehandeld indien de Provincie de haar verweten onrechtmatige daad niet zou hebben gepleegd. Het debat heeft zich op dat punt in de schadestaatprocedure verdiept en in het daarbij door Vitesse c.s. zelf in het geding gebrachte rapport [deskundige] is een – op zichzelf ook niet door Vitesse c.s. bestreden – nadere uitleg gegeven aan het in 2001 bestaande tekort. Zo in de aansprakelijkheidsprocedure al over de aard van dat tekort eindbeslissingen zijn gegeven, acht het hof zich daaraan niet gebonden, ter vermijding van het risico dat op een onjuiste feitelijke grondslag wordt beslist.

Partijen zijn in de onderhavige procedure ook (ruimschoots) in de gelegenheid geweest zich over de notitie van [deskundige] en de daarin vervatte bevindingen uit te laten. Grief I faalt ook in zoverre.

4.9

Gelet op het onder 4.8 overwogene, gaat het hof dan ook voorbij aan de stelling van Vitesse c.s. dat ervan moet worden uitgegaan dat – overeenkomstig de volgens Vitesse c.s. bindende vaststelling van het hof in de aansprakelijkheidsprocedure – in 2001/2002 sprake was van een voorzien exploitatietekort ten bedrage van NLG 22,7 miljoen. Vitesse c.s. hebben in de schadestaatprocedure overigens ook zelf, in aansluiting op het rapport van [deskundige], aangevoerd: dat in de begroting 2001/2002 een post van 62,5 miljoen aan verwachte transferopbrengsten was opgenomen, dat na een daartoe door de KNVB gedaan verzoek voor NLG 40,8 miljoen aan transferopbrengsten kon worden onderbouwd met contracten en door de KNVB werd geaccepteerd, maar niet voor het restant van NLG 22,7 miljoen, dat volgens Vitesse c.s. dan ook een incidenteel karakter had, en dat dit gat moest worden opgevuld met het reddingsplan, welk plan met name nodig was om de cruciale KNVB-licentie voor betaald voetbal te verkrijgen voor het seizoen 2001/2002. Ook volgens Vitesse c.s. ging het bij dit bedrag derhalve om ‘verwachte transferopbrengsten’ (memorie van grieven, onder 4.9). Ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep is van de zijde van Vitesse c.s. nog verklaard dat als de spelers in 2001 (vóór het reddingsplan) zouden zijn verkocht, NUON de opbrengsten daarvan zou hebben gekregen omdat NUON (toen nog) alle pandrechten bezat. Dat dit bezwaar na het reddingsplan nog bestond – toen NUON zich had teruggetrokken en de desbetreffende pandrechten bij de private financiers waren komen te liggen – is evenwel gesteld noch gebleken.

4.10

Vitesse c.s. hebben er nog op gewezen dat de KNVB aan het verlenen van de licentie betaald voetbal, naast dekking voor het tekort van NLG 22,7 miljoen, tevens de voorwaarde stelde van een genoegzame onderbouwing van het niet opnemen van de aflossingsverplichtingen aan NUON door middel van contracten of vergelijkbare zekerheden (pleitnota in hoger beroep, onder 6.10). Vitesse c.s. hebben de overige door de KNVB gestelde voorwaarden echter onvoldoende in het causaliteitsdebat betrokken. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat, teneinde de KNVB-licentie te verkrijgen, het gat van NLG 22,7 miljoen moest worden gedekt, dat daarvoor het reddingsplan ‘om de hoek kwam kijken’ (memorie van grieven, 7.5), en dat de toezegging van de gedeputeerden onderdeel uitmaakte van het op dekking van dat (incidentele) tekort gerichte reddingsplan.

4.11

Het hof gaat dan ook ervan uit dat het reddingsplan bedoeld was om de acute situatie op te lossen, die was ontstaan doordat de KNVB voor de verlening van de licentie betaald voetbal op zeer korte termijn dekking eiste van het incidentele tekort van NLG 22,7 miljoen, alsmede dat het bij dit bedrag ging om verwachte maar nog niet gerealiseerde transferinkomsten. Vitesse c.s. hebben niet gesteld dat het bedrag van NLG 22,7 miljoen aan verwachte transferinkomsten niet realistisch was en niet nadien (op enig moment) had kunnen worden gerealiseerd. Volgens het hiervoor geciteerde rapport [deskundige] bestaan daarvoor ook geen aanwijzingen, maar heeft de met dat bedrag corresponderende verkoop van spelers uiteindelijk geen doorgang hoeven vinden, omdat inmiddels door het reddingsplan afdoende gelden beschikbaar waren gekomen. Wel is ter gelegenheid van het pleidooi zijdens Vitesse c.s. gesteld dat na het reddingsplan ineens onrust was ontstaan en die onrustige ‘firesale’-periode toen de verkoop van spelers tegenwerkte, dat actief is gezocht naar potentiële kopers, maar dat dit niet in een paar dagen tijd gerealiseerd kon worden.

De urgentie van de situatie begin juli 2001 vloeide gelet op het voorgaande zowel voort uit de zeer korte termijn waarbinnen de KNVB in zijn brief van 22 juni 2001 dekking van het incidentele tekort wenste te zien (aanvankelijk 1 juli 2001, nadien verlengd tot 17 juli 2001) als uit de financiële noodsituatie die zou ontstaan indien de licentie niet zou zijn verleend, nu het uitblijven van die licentie (volgens Vitesse c.s.) mede door het transfervrij worden van de spelersgroep vrijwel zeker het faillissement van Vitesse zou hebben betekend. Grief IV faalt.

4.12

Het hof zal hierna, mede tegen de achtergrond van het onder 4.7 tot en met 4.11 overwogene, beoordelen of de afzonderlijke schadeposten voor toewijzing in aanmerking komen.

De door Stichting Vitesse en B.V. Vitesse gestelde schade

4.13

Stichting Vitesse en B.V. Vitesse hebben vergoeding van de volgende schadeposten gevorderd:

a. a) teveel betaalde huur 2001/2002,

b) wettelijke rente over a),

c) financieel nadeel noodplan gemeente Arnhem,

d) expertisekosten,

e) saneringskosten,

f) inkomensderving,

g) wettelijke rente over c-f.

4.14

Vitesse c.s. hebben hun vordering ter zake van de teveel betaalde huur 2001/2002 erop gebaseerd dat de onrechtmatige daad van de Provincie heeft bestaan in het niet nakomen van de door gedeputeerden gedane toezegging om een eenmalige huurverlaging over dat tijdvak te realiseren. Dat laatste standpunt is hiervoor onder 4.3 reeds verworpen.

Uitgaand van de in rov. 4.4 geformuleerde causaliteitsmaatstaf, heeft Vitesse c.s. onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat de gestelde schade bestaande uit de huur over het tijdvak 2001/2002 – de onrechtmatige daad van de Provincie weggedacht – niet zou zijn geleden. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, kan ook niet worden geoordeeld dat het bij de op grond van lopende verplichtingen reeds verschuldigde huur gaat om een als gevolg van de onrechtmatige daad van de Provincie tevergeefs aangegane verplichting of om tevergeefs gemaakte kosten. Deze schadepost – evenals de wettelijke rente daarover – is dan ook niet toewijsbaar.

4.15

Aan de vorderingen sub c tot en met f hebben Vitesse c.s. ten grondslag gelegd dat Vitesse als gevolg van het niet nakomen van de toezegging de (eenmalige) huurverlaging te realiseren, al snel weer in de financiële problemen kwam omdat er direct een tekort ontstond van € 2.620.851 (de bijdrage van de provincie in verband met de eenmalige huurverlaging). Daardoor waren binnen 8 maanden opnieuw maatregelen nodig om een faillissement van Vitesse te voorkomen. Negatieve publiciteit in verband met de opnieuw noodzakelijk gebleken kredieten had in financieel en sportief opzicht – onder meer doordat spelers gedwongen moesten worden verkocht – een negatieve spiraal tot gevolg die Vitesse tot en met de sanering in 2008 niet te boven is gekomen. Ter onderbouwing van deze stellingen hebben Vitesse c.s. verschillende notities van haar deskundige [deskundige] (de producties

22 – 31 bij conclusie van repliek) in het geding gebracht.

De gevorderde schade bestaat uit de zware financiële lasten waarmee Vitesse door dit noodplan van de gemeente werd opgezadeld, de expertisekosten die in verband met het noodplan zijn gemaakt, de in het kader van de surseance van betaling in 2008 gemaakte saneringskosten en de als gevolg van de negatieve spiraal gederfde wedstrijdbaten, sponsorinkomsten, televisiegelden en overige inkomsten.

4.16

Naar het oordeel van het hof hebben Vitesse c.s. in het licht van de gemotiveerde betwisting door de Provincie hun hiervoor samengevat weergegeven stellingen onvoldoende uitgewerkt en onderbouwd om op grond daarvan te kunnen oordelen dat de onrechtmatige daad van de Provincie de oorzaak is geweest van de hier gevorderde schade. Allereerst heeft de onrechtmatige daad van de Provincie niet verhinderd dat een reddingsplan tot stand is gekomen, waarmee de KNVB licentie was veiliggesteld en een acuut dreigend faillissement van Vitesse (door het transfervrij raken van de spelers) was afgewend, terwijl bovendien niet behoefde te worden overgegaan tot de (wel begrote) verkoop van spelers voor NLG 22,7 miljoen, welk spelerskapitaal dan ook behouden bleef. De stellingen van Vitesse c.s. komen erop neer dat de onderhavige schade is geleden doordat de Provincie de gedane toezegging niet is nagekomen. Hiervoor is evenwel geoordeeld dat de onrechtmatige daad van de Provincie niet is gelegen in het niet nakomen van de toegezegde (eenmalige) huurverlaging, maar in het op het verkeerde been zetten van de bij het reddingsplan betrokkenen.

4.17

Maar ook het gestelde causaal verband tussen de niet gerealiseerde (eenmalige) huurverlaging en het tekort waarvoor in 2002 ondersteuning van de gemeente nodig was, is door Vitesse c.s. – ook met de notities van [deskundige] – onvoldoende onderbouwd. Volgens de notitie ‘Krediet Gemeente Arnhem april 2002’ (productie 27 bij conclusie van repliek) is het gemeentelijk krediet in 2002 slechts ten dele verleend en opgenomen in verband met een urgent liquiditeitstekort, dat volgens de notitie € 1,3 miljoen betrof, derhalve de helft van de uitgebleven huurverlaging van (volgens Vitesse c.s.) € 2,6 miljoen. In de notitie wordt geen uitsluitsel gegeven over de redenen voor de aanzienlijk hogere opname van het door de gemeente verschafte krediet. Een liquiditeitsbehoefte in verband met de seizoensgebonden verkoop van spelers wordt in de notitie als mogelijke oorzaak genoemd. In de als productie 24 bij conclusie van repliek overgelegde notitie van [deskundige] wordt onder 1.4.2 geconcludeerd dat door het enkele uitblijven van de (het hof begrijpt: eenmalige) huurverlaging Vitesse in het seizoen 2001/2002 nog niet in de problemen zal komen. Onder 1.5.1 van die notitie wordt vermeld dat, hoewel de verwachting was dat Vitesse ook zonder de huurverlaging aan alle verplichtingen in seizoen 2001/2002 zou kunnen voldoen, zij op

3 april 2002 het gemeentelijke krediet van € 5,4 miljoen heeft ontvangen. Volgens het rapport moeten er daarom naast het uitblijven van de huurverlaging onvoorziene tegenvallers zijn geweest in het seizoen 2001/2002. Als (mede) oorzaak van het opgenomen krediet noemt de notitie vervolgens het mislopen van NLG 5 miljoen aan sponsorinkomsten doordat geen nieuwe hoofdsponsor kon worden gevonden. Dit laatste zou verband houden met de onrustige situatie rond Vitesse. Verwacht kon worden dat Vitesse vanaf het seizoen 02/03 opnieuw in de problemen zou komen, omdat het gemeentelijke krediet toen zou moeten worden afgelost, aldus de notitie van [deskundige]. Zoals ook de Provincie tegen deze bevindingen heeft ingebracht, lijken de twee notities tegenstrijdig op het punt of het uitblijven van de huurverlaging een liquiditeitstekort heeft veroorzaakt. Voorts wordt in deze notities niet verklaard waarom het dan toch per 30 juni 2002 bestaande liquiditeitstekort van € 1,3 miljoen medio 2002 niet kon worden opgevangen met de verkoop van spelers. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, moet het er immers voor worden gehouden dat het bij het in juli 2001 door het reddingsplan gedekte begrote tekort ging om – op zichzelf realistische – transferinkomsten die in 2001 als gevolg van het reddingsplan niet meer behoefden te worden gerealiseerd. Met dit alles is de noodzaak voor het tegen volgens Vitesse c.s. zeer ongunstige voorwaarden overeengekomen krediet – evenals de hogere opname daarvan – onvoldoende onderbouwd. Voorts is onvoldoende gebleken dat geen hoofdsponsor kon worden gevonden als gevolg van een – (in de visie van Vitesse c.s.) door het uitblijven van de eenmalige huurverlaging veroorzaakte – onrustige situatie bij Vitesse. Voorts is onvoldoende onderbouwd dat de onrustige situatie waardoor geen hoofdsponsor kon worden gevonden nu juist het gevolg is van het uitblijven van de eenmalige huurverlaging of – zo Vitesse c.s. dit mede mochten stellen – de onder 4.4 bedoelde onrechtmatige daad van de Provincie. De stukken bieden ook onvoldoende steun voor de stelling van Vitesse c.s. dat negatieve publiciteit rondom het reddingsplan en het noodplan de door Vitesse c.s. gestelde financieel en sportieve negatieve spiraal tot aan de in 2008 gevolgde sanering tot gevolg heeft gehad. De door Vitesse c.s. gestelde gedwongen verkoop van spelers tegen lagere prijzen evenals de op die verkoop betrokken notitie van [deskundige] zijn door de Provincie uitvoerig en gemotiveerd betwist. Op die betwisting heeft Vitesse c.s. vervolgens onvoldoende gereageerd. De Provincie heeft voorts gemotiveerd betwist dat de meerjarenbegroting destijds een reëel toekomstperspectief bood en dat het uitblijven van de eenmalige huurverlaging heeft verhinderd dat die toekomstverwachting zich niet heeft verwezenlijkt. Ook op die betwisting is een voldoende gemotiveerde reactie uitgebleven, waardoor ook de aan deze stelling van Vitesse c.s. gegeven onderbouwing tekortschiet.

4.18

Voor zover Vitesse c.s. (mede) hebben betoogd dat de publiciteit rond het na de (hiervoor onder 4.4 bedoelde) onrechtmatige daad met de Provincie ontstane geschil het wegvallen van sponsors, teruglopende inkomsten en de hernieuwde noodsituatie in 2002 tot gevolg heeft gehad, is ook dat gestelde causaal verband, zoals hiervoor ook is overwogen, te speculatief en onvoldoende onderbouwd om de daarop gegronde vorderingen te kunnen toewijzen.

4.19

Gelet op het voorgaande zijn ook de met het gemeentelijke noodplan gemoeide kosten niet toewijsbaar als – als gevolg van de onrechtmatige daad van de Provincie gemaakte – kosten ter vermijding van (grotere) schade, zoals Vitesse c.s. hebben betoogd.

Nu niet ervan kan worden uitgegaan dat de surseance van betaling in 2008 het gevolg is van de onrechtmatige daad van de Provincie noch – los daarvan – in voldoende verband staat tot de uitgebleven (eenmalige) huurverlaging over de periode 2001/2002, kunnen de in 2008 gemaakte saneringskosten (schadepost sub e) evenmin als kosten ter beperking van schade in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub a BW worden toegewezen, zoals Vitesse c.s. hebben aangevoerd.

4.20

Tenslotte gaat het hof voorbij aan de stelling van Vitesse c.s. dat indien de Provincie niet onrechtmatig zou hebben gehandeld door wél een voldoende voorbehoud te maken dan wel te waarschuwen voor het inspanningskarakter van de toegezegde eenmalige huurverlaging, Vitesse failliet zou zijn gegaan en in dat scenario de gevorderde schade niet zou zijn geleden. Daargelaten dat onvoldoende is toegelicht dat die nadien gemaakte kosten in dat alternatieve scenario vermogensschade van het (alsdan gefailleerde) Vitesse vormen, is het hof – zoals hierna zal worden besproken – van oordeel dat de bij het reddingsplan betrokken financiers in de gegeven omstandigheden, de onrechtmatige daad van de Provincie weggedacht, het niet op een faillissement van Vitesse zouden hebben laten aankomen.

4.21

Volgens Vitesse c.s. zijn de door hen gevorderde expertisekosten (schadepost sub d) – de kosten van Deloitte (voor het als productie 12 bij dagvaarding overgelegde rapport), UNO Bedrijfsadviseurs, intern gemaakte bedrijfskosten en de kosten van de door [deskundige] opgestelde notities – toewijsbaar als kosten ter vaststelling van de schade waarvoor de Provincie aansprakelijk is geoordeeld.

De desbetreffende rapporten zijn evenwel alle gebaseerd op de – hiervoor verworpen – stelling dat de Provincie gehouden is tot vergoeding van schade wegens het uitblijven van de door gedeputeerden zonder voorbehoud of waarschuwing toegezegde eenmalige huurverlaging. Nu deze rapportages berusten op een onjuiste grondslag, kunnen zij naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als redelijke kosten ter vaststelling van schade als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Ook deze schadepost is dan ook niet toewijsbaar.

4.22

De slotsom is dat ook de schadeposten sub c tot en met f niet toewijsbaar zijn. Daarmee kan ook de over deze posten gevorderde wettelijke rente niet worden toegewezen. Grief III faalt ook in zoverre.

De door de private financiers gestelde schade

4.23

De private financiers vorderen vergoeding van de volgende schadeposten:

a. a) schade in verband met de in het kader van het reddingsplan verstrekte leningen,

b) schade in verband met de in het kader van het reddingsplan overgenomen positie van Nuon,

c) immateriële schade,

d) wettelijke rente over a – c.

4.24

Gelet op het in 4.4 overwogene, is voor toewijzing van de sub a, b en d vermelde schadeposten vereist dat de private financiers, indien gedeputeerden wel een voorbehoud hadden gemaakt omtrent de voor een eenmalige huurverlaging vereiste toestemming van Provinciale Staten dan wel hen wel hadden gewaarschuwd voor het inspanningskarakter van de verplichting deze eenmalige huurverlaging te realiseren, de desbetreffende verplichtingen van reddingsplan niet op zich zouden hebben genomen. Hierbij acht het hof van belang dat ervan moet worden uitgegaan dat de – allen nauw bij Vitesse betrokken – private financiers op de hoogte waren van de onder 4.7 aan het rapport [deskundige] ontleende (als zodanig ook niet betwiste) achtergrond van het bedrag van NLG 22,7 miljoen waarvoor op 1 juli 2001 met grote spoed dekking moest worden gevonden teneinde de KNVB licentie betaald voetbal veilig te stellen.

4.25

Op het in 4.24 genoemde vereiste causaal verband stuiten de vorderingen van de private financiers reeds af. Naar het oordeel van het hof hebben Vitesse c.s. in het licht van het door de Provincie gevoerde verweer onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat de private financiers anders zouden hebben gehandeld indien begin juli 2001 door de gedeputeerden wel het meergenoemde voorbehoud was gemaakt of de waarschuwing was gedaan. Het hof neemt hierbij het volgende in aanmerking.

- De private financiers [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] waren in 2001 geruime tijd mede bestuursleden van de Stichting Vitesse en (derhalve) nauw bij Vitesse betrokken. Voor [appellante sub 6] geldt hetzelfde. Deze vennootschap werd gecontroleerd door haar enig aandeelhouder en bestuurder [appellant sub 5], die de door hem in het kader van het reddingsplan verstrekte gelden in deze vennootschap heeft gestort.

- De situatie in juli 2001 was acuut. Indien niet binnen de door de KNVB gestelde zeer korte termijn aan de door de KNVB gestelde voorwaarden zou zijn voldaan, zou de licentie betaald voetbal niet worden verleend met vrijwel zeker het faillissement van Vitesse tot gevolg.

- Naar thans in de schadestaatprocedure is gebleken, ging het bij het tekort van NLG 22,7 miljoen waarvoor door middel van het reddingsplan dekking moest worden verkregen, evenwel om (een deel van de) reeds begrote transferinkomsten, waarvan de KNVB een nadere onderbouwing wenste. Aan dat verzoek kon, mede gezien de transferwindow, op de daarvoor gestelde korte termijn niet meer door (onderbouwde) spelersverkopen worden voldaan. Dat de begrote transferinkomsten op zichzelf niet reëel waren, is echter gesteld noch gebleken. Het hof verwijst naar het hiervoor onder 4.7 tot en met 4.11 overwogene.

- Niet (voldoende gemotiveerd) betwist is dat de private financiers van deze financiële situatie op de hoogte waren.

- De leningen zijn verstrekt met een zekerheidsrecht op de spelersgroep.

- De zonder voorbehoud of waarschuwing gedane toezegging van de betrokken gedeputeerden had betrekking op een eenmalige huurverlaging. Ten aanzien van een structurele huurverlaging is alleen toegezegd dat de Provincie zich daarvoor zou inspannen. Voor zover Vitesse c.s. in hoger beroep (memorie van grieven, 8.37 en pleitnota, 3.8) betogen dat de vaststelling van het hof in de aansprakelijkheidsprocedure, dat geen concrete toezegging over een structurele huurverlaging is gedaan, ‘kennis achteraf’ is zonder verband met de ‘perceptie’ van de toenmalige betrokkenen, gaan zij eraan voorbij dat het hof heeft geoordeeld wat is bewezen omtrent hetgeen die betrokkenen in 2001 uit de verklaringen en gedragingen van de gedeputeerden mochten begrijpen.

De concreet toegezegde bijdrage van de Provincie was derhalve relatief gering van omvang. Voor de structurele huurverlaging, waarmee een veel groter belang was verbonden, namen de financiers genoegen met een inspanningsverplichting.

- De private financiers hebben, nadat hen bekend was geworden dat voor de eenmalige huurverlaging nog toestemming van Provinciale Staten nodig was, niet getracht de aangegane verplichtingen ongedaan te maken. Evenmin hebben zij de bedongen zekerheden ingeroepen. Integendeel hebben zij in verband met het noodplan van de gemeente hun pandrechten op de transferinkomsten opgegeven (overeenkomst van 14 oktober 2003, productie 9 bij inleidende dagvaarding). De – betwiste – stelling dat de private financiers hiertoe (zakelijk) gedwongen waren, hebben Vitesse c.s. onvoldoende uitgewerkt en toegelicht, zodat van de juistheid van die stelling niet kan worden uitgegaan.

4.26

Het hof leidt uit dit alles af dat bij de private financiers, mede gezien hun betrokkenheid bij Vitesse, de noodzaak om de licentie en het voortbestaan van Vitesse veilig te stellen en de aard van het te dekken tekort, een grote bereidheid bestond om Vitesse financieel bij te staan. Niet (voldoende) gesteld of gebleken is dat de private financiers het op een faillissement van Vitesse zouden hebben doen aankomen. Dat – zo de KNVB geen genoegen zou hebben genomen met een onder voorbehoud van instemming van Provinciale Staten of waarschuwing voor het inspanningskarakter gedane toezegging de eenmalige huurverlaging te realiseren – de private financiers voor het met die eenmalige huurverlaging gemoeide bedrag geen aanvullende financiering zouden hebben verkregen, is naar het oordeel van het hof niet (voldoende onderbouwd) gesteld. Het hof verwijst hierbij opnieuw naar de bij de private financiers aanwezige kennis over de aard van het ‘tekort’ van NLG 22,7 miljoen, dat veeleer een tijdelijk karakter had in verband met de door de licentie ontstane situatie, maar waartegenover op zichzelf wel ‘dekking’ voorhanden was in het spelerskapitaal van Vitesse. Aldus gaat ook het hof voorbij aan de, tegen de in 4.17 weergegeven achtergrond, onvoldoende gemotiveerde en onderbouwde stelling van Vitesse c.s. dat de private financiers anders zouden hebben gehandeld indien de Provincie hen niet op het verkeerde been had gezet over de nog benodigde instemming van Provinciale Staten en het inspanningskarakter van de verplichting zorg te dragen voor een huurverlaging over het tijdvak 2001/2002.

4.27

Wat betreft de door de private financiers gevorderde immateriële schade, hebben Vitesse c.s. onder de grieven V en VII – los van de door hen meer algemeen bepleite ruimere uitleg van de onrechtmatige daad van de Provincie en van het volgens hen toepasselijke causaliteitsbegrip – geen voldoende kenbare grief gericht tegen het in rechtsoverweging 4.15 gegeven oordeel van de rechtbank dat dit deel van de vordering moet worden afgewezen. Het hof is overigens met de rechtbank van oordeel dat Vitesse c.s. onvoldoende hebben gesteld om te kunnen oordelen dat sprake is van reputatieschade die kan worden herleid tot de onder 4.4 vermelde onrechtmatige daad.

De door de Stichting Vrienden gestelde schade

4.28

De Stichting Vrienden vordert vergoeding van de volgende schadeposten:

a. a) schade in verband met de in het kader van het reddingsplan verstrekte leningen

b) de wettelijke rente over a).

4.29

De Stichting Vrienden is op 4 juli 2001 opgericht in het kader van het reddingsplan om financiële middelen te verwerven en heeft de als productie 4 bij inleidende dagvaarding overgelegde overeenkomst van geldlening gesloten, in verband waarmee zij de onderhavige schade vordert. Vitesse c.s. hebben ten aanzien van de Stichting Vrienden dezelfde stellingen betrokken als ten aanzien van de private financiers (zie conclusie van repliek, onder 9) en ook in hoger beroep hebben zij tussen beide groepen financiers geen (voldoende concreet en onderbouwd) onderscheid aangebracht. In het bijzonder hebben Vitesse c.s. niet gesteld dat bij de Stichting Vrienden – die juist was opgericht in verband met het reddingsplan – minder of andere wetenschap omtrent de (financiële) situatie in 2001 bij Vitesse bestond dan bij de private financiers, zodat het hof in dat opzicht ervan uitgaat dat voor de beslissing van de Stichting Vrienden om de geworven gelden ter beschikking te stellen hetzelfde geldt als voor de private financiers. Verder moet ook bij de Stichting Vrienden bekendheid worden aangenomen met de urgentie van de te verstrekken lening en de gevolgen voor Vitesse als de KNVB de licentie betaald voetbal niet zou verlenen, terwijl ook de Stichting Vrienden, toen zij met het onrechtmatige handelen van de Provincie bekend werd, niet heeft getracht de door haar bedongen zekerheden uit te winnen en, integendeel, heeft meegewerkt aan het latere gemeentelijke noodplan. Het hof verwijst voor het overige naar 4.25 – 4.26 en de daarin getrokken conclusie dat de financiers evenals de Stichting met dit alles blijk hebben gegeven van een zeer grote bereidheid Vitesse financieel bij te staan. Tegen deze achtergrond schieten ook stellingen van Vitesse c.s. ten aanzien van het vereiste causaal verband tussen de onrechtmatige daad van de Provincie en de door de Stichting Vrienden gevorderde schade tekort.

De in 4.28 genoemde vorderingen van de Stichting Vrienden zijn dan ook niet toewijsbaar.

Winstafdracht

4.30

Met Grief VI komen Vitesse c.s. op tegen de afwijzing van hun op grond van artikel 6:104 BW ingestelde vordering tot winstafdracht.

4.31

Het hof overweegt hierover als volgt. Op grond van artikel 6:104 BW kan de rechter, indien iemand die op grond van onrechtmatige daad jegens een ander aansprakelijk is door die daad winst heeft genoten, de schade op vordering van die ander begroten op het bedrag van die winst of op een gedeelte daarvan. De bepaling geeft geen ‘vordering tot winstafdracht’ maar geeft de rechter een (discretionaire) bevoegdheid de schade te begroten op het bedrag van de door het onrechtmatig handelen genoten winst en leent zich juist voor toepassing in gevallen waarin niet vastgesteld kan worden wat de omvang van de daadwerkelijk geleden schade is (HR 24 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1202 en HR 18 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9662).

4.32

Zoals hiervoor is overwogen, is in de onderhavige schadestaatprocedure niet komen vast te staan dat de door Vitesse c.s. gestelde schade het gevolg is van de onrechtmatige daad van de Provincie. Bij die stand van zaken bestaat geen aanleiding om, zo de Provincie als gevolg van de onrechtmatige daad de door Vitesse c.s. al het gestelde financiële voordeel heeft genoten (de Provincie heeft dit gemotiveerd betwist), met toepassing van artikel 6:104 BW die schade op het bedrag van dat voordeel te begroten.

4.33

Feiten of omstandigheden die tot een andere beoordeling leiden, zijn niet (voldoende onderbouwd) gesteld of (voldoende specifiek) te bewijzen aangeboden, zodat het hof niet toekomt aan bewijslevering.

4.34

Grief VII – gericht tegen de kostenveroordeling – bouwt voort op de voorgaande grieven en faalt derhalve. Gelet op het falen van die grieven dienen Vitesse c.s. immers als de in eerste aanleg in het ongelijk gestelde partij te worden aangemerkt, zodat zij in de kosten van de procedure in eerste aanleg moeten worden veroordeeld.

5 Slotsom

5.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Vitesse c.s. in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de Provincie zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 4.961,-

- salaris advocaat € 13.740,- (3 punten x tarief VIII)

Totaal € 18.701,-.

5.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Oost-Nederland (team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem) van 16 januari 2013;

veroordeelt Vitesse c.s. in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Provincie vastgesteld op € 4.961,- voor verschotten en op € 13.740,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt Vitesse c.s. in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval Vitesse c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.J. Lenselink, I.A. Katz-Soeterboek en M.F.J.N. van Osch, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. Katz-Soeterboek en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 september 2014.