Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:688

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-02-2014
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
200.138.500
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mate van tekortschieten in informatieplicht en ontstane nieuwe schuld in dit geval onvoldoende reden voor een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregelingen. Om voldoende uitzicht te bieden op aflossing van de nieuwe schuld conform het gedane voorstel wordt de duur van de schuldsaneringsregelingen verlengd tot vijf jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.138.500
(insolventienummers rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: C08/10/397 en 398R)

arrest van de eerste civiele kamer van 3 februari 2014

inzake

[appellant]

en

[appellante],

beiden wonende te [woonplaats appellanten],

appellanten,

advocaat: mr. T. Şeker.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij vonnissen van de rechtbank Almelo van 16 november 2010 is ten aanzien van appellanten (hierna te noemen: [appellanten]) de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken. Hierbij is tot rechter-commissaris benoemd mr. M.M. Verhoeven en tot bewindvoerder T.M.E. Roeloffzen-Mulder.

1.2

Bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 3 december 2013 is de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellanten] tussentijds beëindigd. Het hof verwijst naar laatstgenoemd vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 9 december 2013 ingekomen verzoekschrift zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 3 december 2013 en hebben zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, te bepalen dat de schuldsaneringsregeling voortduurt tot 18 februari 2014, dan wel te bepalen dat de regeling wordt verlengd met een termijn van drie maanden, dan wel een termijn die het hof juist acht.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met één bijlage, de brief met bijlagen van 10 januari 2014 van de bewindvoerder en de brief met bijlagen van 14 januari 2014 van mr. Şeker.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 januari 2014, waarbij [appellanten] in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. Şeker. Voorts is namens de bewindvoerder verschenen mr. R.A. van Malenstein.

2.4

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft mr. Şeker een e-mailbericht van [appellant] aan hem van 14 januari 2014 en een e-mailbericht van de budgetcoach van [appellanten] van de Stadsbank van dezelfde datum overgelegd.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep


3.1 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken.
[appellant], geboren op [geboortedatum appellant], en [appellante], geboren op [geboortedatum appellante], zijn met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen. Samen hebben zij twee kinderen van [leeftijd kind 1] en [leeftijd kind 2] jaar oud. [appellanten] ontvangen een WWB-uitkering.
[appellant] solliciteert (naar de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep heeft verklaard: in voldoende mate) naar betaald werk; [appellante] is door de rechter-commissaris vrijgesteld van de sollicitatieplicht.

3.2

Naar aanleiding van het inlichtingenverhoor op 22 november 2012 heeft de rechter-commissaris bij beschikking van 28 november 2012 de looptijd van de wettelijke schuldsa-neringsregeling van [appellanten] met drie maanden verlengd, tot 18 februari 2014, omdat [appellanten] hun inlichtingenplicht gedurende in ieder geval zes maanden niet naar behoren zijn nagekomen.

3.3

De rechtbank heeft bij het thans bestreden vonnis van 3 december 2013 de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellanten] tussentijds beëindigd en daarbij het volgende overwogen.
Na het verhoor door de rechter-commissaris op 22 november 2012 en de daarop volgende beschikking van 28 november 2012 waarbij de schuldsaneringsregelingen van [appellanten] zijn verlengd tot 18 februari 2014, hebben [appellanten] andermaal niet naar behoren aan hun inlichtingenplicht voldaan, aldus de rechtbank.
Ondanks die waarschuwing, hebben [appellanten] opnieuw niet naar behoren gereageerd op een duidelijke brief van de bewindvoerder, welke brief hen - toen een reactie uitbleef - op 10 oktober 2013 per e-mail is toegezonden (voor ieder naar hun eigen e-mail-adres). Die e-mail is, zo blijkt uit een door de bewindvoerder ontvangen leesbevestiging, door [appellant] op 12 oktober 2013 bekeken en door [appellante] op 15 oktober 2013, getuige haar reactie per e-mail van 15 oktober 2013. Dat [appellant] de e-mail pas heeft gelezen nadat hij de oproep voor de zitting van 21 november 2013 had ontvangen, moet voor zijn rekening blijven, nu uit de door de bewindvoerder overgelegde leesbevestiging blijkt dat hij de e-mail in ieder geval op 12 oktober 2013 heeft gezien, terwijl [appellante] de e-mail in ieder geval op
15 oktober 2013 heeft gelezen, aldus de rechtbank.
[appellant] heeft - nog steeds volgens de rechtbank - nog wel aangevoerd dat hij niet zou weten waarop hij moet reageren, maar dat kan hem niet baten. Duidelijk is dat de bewind-voerder in haar brief van 1 oktober 2013 (die [appellanten] ook bij e-mailbericht van 10 oktober 2013 is toegezonden) wijst op het bestaan van een nieuwe schuld, dat die schuld moet worden voldaan (al dan niet via een betalingsregeling) en dat zij daarover schriftelijk door [appellanten] wenst te worden geïnformeerd. Behalve de e-mail van [appellante] dat zij bezwaar zou hebben aangetekend, heeft de bewindvoerder daarna van [appellanten] niets ontvangen, aldus de rechtbank.

Nu ook ter zitting geen bewijsstukken van het door [appellante] beweerdelijk ingediende bezwaarschrift zijn overgelegd, moet het ervoor worden gehouden dat [appellanten] niet naar behoren hebben voldaan aan hun inlichtingenplicht. Het gegeven dat de vader van [appellant] op [datum overlijden vader] is overleden, kan in dit oordeel geen verandering brengen, nu de verzoeken om informatie van de bewindvoerder en het feit dat [appellanten] naar aanleiding daarvan actie moesten ondernemen geruime tijd voor dit overlijden zijn gelegen. De rechtbank merkte in dit verband voorts op dat zowel [appellant] als [appellante] geen betaalde arbeid verricht, zodat zij ook in dat opzicht voldoende in de gelegenheid moeten zijn geweest hun verplichtingen na te komen.

Daar komt bij dat [appellanten] van het overlijden van de vader van [appellant] evenmin spontaan mededeling aan de bewindvoerder hebben gedaan, hoewel dat gelet op de geldende inlichtingenplicht wel op hun weg had gelegen. Van het overlijden van de vader is immers alleen mededeling gedaan nadat de oproeping voor de zitting van 21 november 2013 door [appellanten] is ontvangen, aldus de rechtbank.

Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat is gebleken dat er inmiddels een bovenmatige schuld is ontstaan aan tandarts [naam tandarts]. Hoewel [appellanten] via beslaglegging op hun uitkering op die nieuwe schuld afbetalen, bedraagt deze schuld nog altijd ruim € 2.200,-. Gelet op de einddatum van deze schuldsaneringsregelingen, 18 februari 2014, is duidelijk dat die nieuwe schuld niet voor die tijd zal kunnen worden afgelost. Daarnaast dient nog rekening te worden gehouden met het bestaan van een nieuwe schuld aan de Belastingdienst van € 278,- (inkomensheffing 2011, € 233,-, en motorrijtuigenbelasting 2013, € 45,-), aldus de rechtbank.


3.4 Het hof is van oordeel dat in de mate waarin [appellanten] zijn tekortgescho-ten in hun informatieverplichting jegens de bewindvoerder onvoldoende aanleiding bestaat om hun schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen. Dat [appellanten] de brief van de bewindvoerder van 1 oktober 2013 en de daarop volgende herinneringse-mail van
10 oktober 2013 (waarin zij worden verzocht om bewijsstukken te overleggen aangaande een door hen te treffen betalingsregeling met de Belastingdienst) niet, dan wel (te) laat, hebben beantwoord, is naar het oordeel van het hof niet zozeer gelegen in het feit dat [appellanten] op dat punt onwelwillend zijn geweest, maar dat zij in die periode werden geconfronteerd en in beslag werden genomen door een ingrijpende ziekte en het overlijden van de vader van [appellant]. Bovendien heeft [appellante] wel, zij het op de door de bewindvoerder gestelde uiterste dag (15 oktober 2013), gereageerd en daarbij aangegeven dat de aanslag niet kan kloppen en dat zij met de Belastingdienst contact zal opnemen. [appellanten] hebben vervolgens ook inderdaad bezwaar gemaakt.

3.5

Ten aanzien van de tijdens de schuldsaneringsregeling ontstane vordering van de Belastingdienst (aanslagen inkomstenbelasting en motorrijtuigenbelasting), is het hof van oordeel dat gezien het feit dat [appellanten] hebben aangegeven dat zij tegen die aanslagen op 15 oktober 2013 bezwaar hebben gemaakt bij de Belastingdienst (op welk bezwaar kennelijk nog niet is beslist), thans nog geen sprake is van een onherroepelijke schuld die een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van [appellanten] rechtvaardigt.
De tijdens de schuldsaneringsregeling ontstane schuld aan tandarts [naam tandarts] valt [appellanten] wel aan te rekenen. Daartoe neemt het hof in aanmerking dat [appellanten] onvoldoende hebben onderzocht of de behandeling die [appellant] bij de tandarts wilde onder-gaan (geheel dan wel gedeeltelijk) door de ziektekostenverzekeraar zou worden vergoed.
Dat [appellanten] zich hierin (mede) hebben laten leiden door hun wijkcoach en dat zij gezien de een maand daarvoor vergoede tandartskosten van [appellante] de verwachting hadden dat ook de kosten van [appellant] vergoed zouden worden, is onvoldoende om het hierin aan hen te maken verwijt opzij te zetten.
De in verband hiermee ontstane schuld bedroeg na een door [appellanten] zonder positief resultaat afgesloten rechtszaak ongeveer € 2.200,-. In afwijking van het aanbod van [appellanten] - zij hadden voorgesteld om de schuld met € 150,- per maand in te lopen - is ingaande oktober 2013 voor uiteindelijk een bedrag van € 113,- per maand beslag gelegd op de uitkering van [appellanten]. Volgens de ter zitting in hoger beroep gegeven verklaring van [appellanten] is de schuld daardoor inmiddels teruggelopen tot een bedrag van circa € 2.000,-.

3.6

Hoewel een tijdens de schuldsaneringsregeling ontstane schuld van deze omvang aanleiding kan zijn om die regeling tussentijds te beëindigen, is het hof van oordeel dat een dergelijke sanctie niet in verhouding staat tot het begane verzuim, mede in aanmerking genomen dat [appellanten] zich bereid hebben verklaard om de nieuwe schuld af te lossen door middel van een concreet voorstel, namelijk maandelijkse aflossingen van € 150,- (in plaats van € 113,-) en het beschikbaar stellen van het vrij te laten deel van hun vakantie-geld. Uitgaande van een maximaal te verlengen looptijd van de schuldsaneringsregelingen tot vijf jaar, is het hof van oordeel dat dit aanbod voldoende uitzicht biedt op een volledige aflossing van deze schuld binnen de te verlengen looptijd en daarnaast mogelijk nog ruimte overlaat om een (eventuele) belastingschuld te voldoen.

3.7

Gelet op het voorgaande zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen en beslissen zoals hierna te melden.


4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 3 december 2013 en, opnieuw recht doende:

bepaalt dat de wettelijke schuldsaneringsregelingen ten aanzien van [appellanten] worden voortgezet en verlengt daartoe de looptijd van die regelingen tot 16 november 2015.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.J.P. Lock, M.B. Beekhoven van den Boezem en H.L. Wattel, en is op 3 februari 2014 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.