Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:6860

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-08-2014
Datum publicatie
09-09-2014
Zaaknummer
200.153.230-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaating. Meerdere meldingen van artsen. In pleeggezin nauwelijks sprake van ziek zijn van de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.153.230/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/364840/JLRK 14-208)

beschikking van de familiekamer van 26 augustus 2014

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E. Huls, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

Bureau Jeugdzorg Flevoland,

kantoorhoudende te Lelystad,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: BJZ.

Als belanghebbende is verder aangemerkt:

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader
advocaat mr. C. Waanders, kantoorhoudende te Zeist.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 2 juni 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna ook wel genoemd: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 15 juli 2014, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
A. de bestreden beschikking te vernietigen;
B. indien het onder A verzochte wordt afgewezen, een bijzonder curator te benoemen, te
weten een kinderpsycholoog/psychiater, teneinde diens bevindingen mee te kunnen
wegen bij de beslissing inzake het toekomstperspectief van [minderjarige] en de beslissing
inzake de omgangsregeling tussen [minderjarige], ouders en haar overige familie;
C. indien het onder A verzochte wordt afgewezen een omgangsregeling vast te stellen
waarbij de moeder:
a. [minderjarige] iedere week een middag bij zich mag hebben en;
b. [minderjarige] eenmaal per veertien dagen van vrijdag tot en met zondag bij zich mag
hebben;
c. in de herfstvakantie 2014 [minderjarige] twee dagen bij zich mag hebben;
d. in de kerstvakantie 2014 [minderjarige] een week bij zich mag hebben;
e. bij speciale gelegenheden op school, zoals toneeluitvoeringen, aanwezig mag zijn;

D. met compensatie van de kosten van partijen.

2.2

BJZ heeft op 13 augustus 2014 een verweerschrift ingediend, gedateerd 11 augustus 2014, waarin BJZ heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel ongegrondverklaring met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

2.3

Namens de vader is op 15 augustus 2014 een verweerschrift ingediend waarin is geconcludeerd tot verwerping van de grieven van de moeder tegen de bestreden beschikking met veroordeling van de moeder in de proceskosten, aan de zijde van de vader gemaakt.

2.4

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken waaronder:

- het journaalbericht met bijlagen van mr. Waanders van 12 augustus 2014;
- het faxbericht van mr. Huls van 15 augustus 2014 met bijlage (toevoeging) en;
- de brief met bijlagen van mr. Huls van 13 augustus 2014 met bijbehorend journaalbericht.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op maandag 18 augustus 2014 plaatsgevonden. Verschenen zijn de moeder en haar advocaat mr. Huls, namens BJZ [A] en de gezinsvoogd [B] en voorts zijn de vader en zijn advocaat mr. Waanders verschenen.


Geweigerde stukken

2.6

Het hof heeft geen kennisgenomen van de bijlagen bij de brief van mr. Huls van 13 augustus 2014 voor zover het betreft het rapport van [X], klinisch en sociaal maatschappelijk werker, van 24 juli 2014. Dat rapport is niet binnen de in het procesreglement voorgeschreven termijn ingediend. Bovendien is het enkel gebaseerd op dossieronderzoek zodat hier geen doorslaggevende waarde aan toegekend kan worden.

3 Feiten en achtergronden

3.1

Uit de stukken is het hof onder meer het volgende gebleken.

3.2

Uit de relatie die de vader en de moeder met elkaar hebben gehad is [in 2004] geboren de thans nog minderjarige [minderjarige].

3.3

Enige maanden na de geboorte van [minderjarige] is de relatie tussen de ouders van [minderjarige] verbroken en heeft de vader de gemeenschappelijke woning verlaten. Sindsdien verblijft [minderjarige] bij de moeder.

3.4

Op 30 november 2010 doet de huisarts van [minderjarige], [huisarts], een zorgmelding bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). Het AMK doet onderzoek en concludeert dat [minderjarige] (dan zes jaar oud) klem zit tussen haar ouders. De ouders zijn verwikkeld in een onderlinge strijd en er is sprake is van psychische kindermishandeling. Het AMK adviseert inschakeling van professionele hulp (IPT, Geheime Tuin, mediation).

3.5

Bij beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 januari 2011 is onder meer aan de vader vervangende toestemming verleend om [minderjarige] te erkennen en zijn de vader en de moeder voortaan gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige]. De vader en de moeder hebben nadien onder meer in rechte gestreden over de invulling van de omgang tussen de vader en [minderjarige].

3.6

In juni 2012 doen de huisarts van [minderjarige] en de kinderarts, [kinderarts], wederom zorgmeldingen bij het AMK. Het AMK doet wederom onderzoek en is van mening dat in deze sprake is van kindermishandeling, ongeacht of er wel of geen seksueel misbruik heeft plaatsgevonden zoals de moeder stelt. Het AMK adviseert een ondertoezichtstelling omdat er geen vooruitgang is geboekt sinds het vorige advies. Het AMK onderschrijft dat hulpverlening voor [minderjarige] en ouders gestart dient te worden bij De Bascule (verbonden aan het Academisch centrum en gespecialiseerd in kinder- en jeugdpsychiatrie). Mocht deze vorm van hulpverlening stagneren of voortijdig afgebroken worden dan acht het AMK noodzakelijk dat een neutrale plek voor [minderjarige] overwogen wordt. Dit gezien de ernstige vorm van psychische en mogelijk lichamelijke mishandeling waaraan [minderjarige] jarenlang blootgesteld is geweest.

3.7

De raad heeft in de eerste helft van 2011 onderzoek gedaan in het kader van de zorgregeling. Het tweede rapport van de raad dateert van november 2012 en is uitgebracht in het kader van een beschermingsonderzoek. De raad acht hulpverlening in de vorm van een systeemgerichte aanpak noodzakelijk, bijvoorbeeld door De Bascule. Daarbij dient aandacht besteed te worden aan de ontwikkeling van [minderjarige] en haar angsten. Een traject bij De Bascule kan inzicht geven in de oorzaak van de klachten van [minderjarige] waarna zij passende behandeling kan krijgen. Van belang is volgens de raad dat er met beide ouders gewerkt gaat worden aan het gezamenlijk ouderschap zodat [minderjarige] ontlast wordt en uit de strijd van de ouders gehaald wordt. De raad acht de kinderbeschermingsmaatregel ondertoezichtstelling noodzakelijk omdat hulp in het vrijwillig kader ontoereikend zal zijn om de ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige] op te heffen.

3.8

[minderjarige] staat sinds 28 augustus 2012 onder toezicht van BJZ. De ondertoezichtstelling van [minderjarige] is nadien verlengd, laatstelijk tot 27 augustus 2014.

3.9

De raad heeft op 15 januari 2013 een derde rapport uitgebracht in het kader van de zorgregeling. Uit dat rapport blijkt onder meer dat de raad voortzetting van het traject bij De Bascule nodig acht om duidelijk te krijgen welke systeemproblematiek er speelt. De omgang kan volgens de raad (geleidelijk) worden uitgebreid.

3.10

De aanmelding bij De Bascule dateert van mei 2012. Op 12 september 2013 heeft de moeder een vooraankondiging van een schriftelijke aanwijzing gekregen van BJZ (omdat zij niet in gesprek wilde) voor het niet nakomen van afspraken met de hulpverlening waardoor de voor [minderjarige] noodzakelijke hulp vertraging oplevert. In de vooraankondiging is onder meer aangegeven dat de moeder een afspraak bij De Bascule op 19 september 2013 doorgang moest laten vinden, maar de moeder is die afspraak niet nagekomen.

3.11

Bij beschikking van 19 september 2013 heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, BJZ een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend geldig tot 4 oktober 2013. Voorts heeft de kinderrechter bij beschikking van 3 oktober 2013 aan BJZ machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een crisisvoorziening verleend met ingang van 4 oktober 2013 tot 19 december 2013.

3.12

Bij beschikking van 5 december 2013 heeft dit hof voormelde beschikkingen van 19 september 2013 en 3 oktober 2013 bekrachtigd. Het hof heeft in die beschikking onder meer overwogen dat BJZ niet heeft aangetoond dat een verhoor van belanghebbende niet kon worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige], maar dat genoegzaam is komen vast te staan dat de machtiging tot uithuisplaatsing zowel in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk is als tot onderzoek van haar lichamelijk of geestelijke gesteldheid.

3.13

Bij beschikking van 12 december 2013 heeft de kinderrechter machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend ten behoeve van [minderjarige], geldig tot 19 april 2014.

3.14

BJZ heeft op 14 maart 2014 het inleidend verzoekschrift ingediend bij de rechtbank strekkende tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling (tot 27 augustus 2014).

3.15

De moeder heeft een verweerschrift ingediend en zelfstandige verzoeken gedaan met betrekking tot omgang, benoeming van een bijzonder curator en verwijzing naar een meervoudige kamer indien de rechtbank oordeelt over het perspectief van [minderjarige].

3.16

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter vervolgens, na mondelinge behandeling op 17 april 2014, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 19 april 2014 voor de duur van de ondertoezichtstelling (tot 27 augustus 2014).


Het standpunt van de moeder

3.17

De moeder is onder aanvoering van drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De eerste grief strekt tot betoog dat de kinderrechter ten onrechte de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] heeft verlengd. Ter toelichting op de grief is onder meer opgemerkt dat geen enkele instantie tot nu toe onderzoek heeft verricht naar de (thuis)situatie. De Bascule heeft een start proberen te maken maar door de spoeduithuisplaatsing is het bij een intake gebleven. Door het hof is volgens de moeder in de vorige beschikking aan BJZ voorgehouden dat onderzoek zou worden verricht: diagnostisch onderzoek bij [minderjarige] en gezinsonderzoek door Vitree. De moeder merkt op dat deze onderzoeken niet hebben plaatsgevonden en dat BJZ heeft laten weten dat die onderzoeken ook niet zullen gaan plaatsvinden. BJZ heeft volgens de moeder in strijd met het eigen protocol gehandeld door niet eerst voorwaarden te stellen waaraan ouders moeten voldoen voor thuisplaatsing. Thans stelt BJZ dat onderzoek niet in het belang van [minderjarige] is, terwijl de uithuisplaatsing eerst noodzakelijk was teneinde onderzoek te verrichten en hulpverlening op te starten. Inmiddels heeft BJZ laten weten dat de beslissing is genomen om [minderjarige] te laten ‘ingroeien’ bij de vader. BJZ baseert zich op een verklaring van De Bascule maar de moeder begrijpt niet dat het advies van de Bascule ten grondslag wordt gelegd aan besluitvorming door BJZ. De moeder benadrukt dat De Bascule [minderjarige] al sinds 3 juni 2013 niet meer heeft gezien en het effect van de uithuisplaatsing op [minderjarige] niet heeft onderzocht. Ook uit het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de Hoge Raad (HR) volgt volgens de moeder een inspanningsverplichting voor de overheid om alternatieven voor uithuisplaatsing te onderzoeken. In het kader van de ondertoezichtstelling is echter nooit gewerkt aan verbetering van de thuissituatie. Pas bij de uithuisplaatsing van [minderjarige] in september 2013, na een jaar ondertoezichtstelling, werd de moeder beticht van het ziek maken van [minderjarige] en het belasten van [minderjarige] met volwassenproblematiek. De moeder heeft meermalen aangegeven open te staan voor hulp (in de thuissituatie) of onderzoek maar daarvan is geen gebruik gemaakt. De moeder heeft inmiddels zelf hulp ingeschakeld. De rapportage van de door de moeder ingeschakelde psychologe [psychologe] zit bij de stukken en kan volgens moeder niet zomaar van tafel worden geveegd. Zij is BIG geregistreerd en schrijft Pro Justitia rapportages. De moeder verzoekt het hof om de handelwijze van BJZ een halt toe te roepen door een uitgebreide motiveringsplicht alsmede een actieve houding met betrekking tot thuisplaatsing te verlangen. Op dit moment wordt een omgekeerde bewijslast gehanteerd in die zin dat van de moeder wordt verlangd om bewijs te leveren dat de beschuldigingen niet waar zijn en geen sprake is van een symbiotische relatie tussen de moeder en [minderjarige]. De tweede grief van de moeder strekt tot betoog dat de kinderrechter ten onrechte haar zelfstandig verzoek om uitbreiding van de omgang vast te stellen, heeft afgewezen. De moeder doet in dit verband een beroep op artikel 8 EVRM en artikel 9 IVRK en is in dat verband van mening dat de kinderrechter zijn beslissing om niet tegemoet te komen aan haar verzoek, onvoldoende heeft gemotiveerd. In dit verband zijn de noodzaak en proportionaliteit van de huidige beperkte omgangsregeling volgens de moeder onvoldoende gemotiveerd, alsmede is niet aangegeven waarom moeder niet onder begeleiding van haar ouders [minderjarige] zou kunnen zien. Voorts is niet ingegaan op het verzoek om een andere regeling voor de vakanties vast te stellen. Het valt de moeder in dit verband op dat zij tijdens de zomervakantie wel ineens voor de duur van drie uren omgang mag hebben met [minderjarige] omdat [minderjarige] op vakantie gaat met het pleeggezin en aldus een omgangsmoment gecompenseerd wordt. Ten slotte bepleit de moeder in haar derde en laatste grief de benoeming van een bijzonder curator mede omdat [minderjarige] volgens de moeder heeft aangegeven, blijkens het verslag van pleegzorg van maart 2014, bij de moeder dan wel oma (mz) te willen wonen en BJZ heeft besloten tot plaatsing bij de vader. Daardoor is sprake van een belangentegenstelling. Voorts kan de bijzonder curator een oordeel vormen over de omgangsregeling en vormt deze een waarborg dat [minderjarige] voldoende wordt gehoord in het proces dat over haar toekomstperspectief gaat.

De overige standpunten

3.18

BJZ heeft in zijn verweerschrift het standpunt van de moeder gemotiveerd bestreden en daartoe onder meer een uiteenzetting gegeven van de aanleiding voor de uithuisplaatsing van [minderjarige]. Concluderend stelt BJZ dat een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder niet tot de mogelijkheden behoort omdat de moeder tot nu toe geen ontwikkeling heeft laten zien en er nog grote zorgen zijn over de samenwerking van de moeder met de hulpverlening. Daarnaast geeft de moeder geen erkenning en herkenning aan de problematiek en kan daardoor niet aansluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft. De interactie tussen de moeder en [minderjarige], de opvoedingsproblemen in de thuissituatie bij de moeder en de echtscheidingsproblematiek waardoor [minderjarige] zich in een loyaliteitsconflict bevindt, baren BJZ eveneens zorgen. Ten slotte is bij [minderjarige] sprake van psychiatrische problematiek. BJZ is van mening dat het van groot belang is dat de huidige pleegzorgplaatsing gehandhaafd blijft, vooral gezien het feit dat [minderjarige] zich positief ontwikkelt in het pleeggezin en [minderjarige] gebaat is bij stabiliteit en een helder perspectief. De gezinsvoogd zal [minderjarige]’s ontwikkeling blijven monitoren en regelmatig met de betrokkenen bekijken of een plaatsing van [minderjarige] bij vader tot de mogelijkheden behoort. Verder heeft BJZ in zijn verweerschrift gemotiveerd uiteengezet dat en waarom uitbreiding van de omgang tussen de moeder (en grootouders mz) en [minderjarige] op dit moment niet aan de orde is en benoeming van een bijzonder curator niet aan de orde is.

3.19

De vader heeft zich in zijn verweerschrift en ter zitting, zeer kort samengevat, achter BJZ en de bestreden beschikking geschaard. Daartoe heeft de vader er onder meer op gewezen dat de moeder (deels) weer tegen de uithuisplaatsing zelf opkomt maar dat hier niet ter beoordeling staat of [minderjarige] al dan niet in september 2013 terecht uit huis is geplaatst, omdat daarover reeds eerder in rechte beslist. Hier is aan de orde of er reden is voor verlenging van die maatregel in de onderhavige periode. Volgens de vader kan van een terugplaatsing van [minderjarige] naar de moeder op dit moment geen sprake zijn. Het gaat nu beter met [minderjarige]. Zij bloeit op in het pleeggezin, terwijl aan de zijde van de moeder geen veranderde houding is gebleken. Sterker nog, de moeder volhardt volgens de vader in haar houding. De vader begrijpt dan ook niet dat de moeder nu stelt dat zij openstaat voor hulpverlening. Volgens de vader heeft de moeder aantoonbaar in het verleden hulpverlening afgehouden dan wel getraineerd en komt zij ook nu nog afspraken met BJZ niet na. In plaats van de samenwerking te zoeken werkt de moeder alleen maar tegen. Zo heeft de moeder recentelijk in mei 2014 nog geweigerd om het paspoort van [minderjarige] af te geven (pas ter zitting in kort geding is de moeder daartoe overgegaan) en weigert zij nog om de hamster van [minderjarige] af te geven. Voorts is de moeder volgens de vader nog steeds niet in staat om de contacten tussen [minderjarige] en de vader te begeleiden. De moeder is en blijft van mening dat contact tussen [minderjarige] en de vader niet goed is voor haar. Met dit alles creëert de moeder een onveilig opvoedingsklimaat voor [minderjarige] en is het in haar belang dat zij in het pleeggezin kan blijven. De negatieve beïnvloeding van [minderjarige] door de moeder is nu gestopt en dat dient voor het welzijn van [minderjarige] (voorlopig) zo te blijven. Met betrekking tot het verzoek van de moeder om uitbreiding van de omgang is de vader van mening dat zulks op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is. Ook in dit verband wijst de vader erop dat het gedrag van de moeder niet is veranderd. Ten slotte kan de vader zich ook niet vinden in het verzoek van de moeder om benoeming van een bijzonder curator. Daarover is reeds eerder door het hof beslist in de strekking dat de situatie daarvoor geen aanleiding geeft. Voorts worden de belangen van [minderjarige] volgens de vader op goede en adequate wijze behartigd door BJZ.

4 De motivering van de beslissing



De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing

4.1

Met betrekking tot de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, betreffende de periode van 19 april 2014 tot 27 augustus 2014, overweegt het hof als volgt.

4.2

Voor het antwoord op de vraag of aanleiding bestaat voor verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing dient beoordeeld te worden of de gronden voor de maatregel zich nog voordoen.

4.3

Het hof is in zijn vorige beschikking van 5 december 2013 uitgebreid ingegaan op de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige]. Daartoe heeft het hof in die beschikking onder meer gewezen op het feit dat van verschillende kanten (waaronder de school van [minderjarige], de huisarts en de kinderarts) zorgen zijn geuit over de ontwikkeling van [minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder. Die zorgen betroffen onder meer bovenmatig schoolverzuim en medicalisering van [minderjarige] in de vorm van ziekmeldingen en frequent artsenbezoek, zonder aantoonbaar medische noodzaak, hetgeen onder meer tot een leerachterstand bij [minderjarige] heeft geleid en gebrek aan sociale aansluiting op school. Daarbij is erop gewezen dat [minderjarige] klem zit tussen haar ouders, waarbij zij in de thuissituatie bij de moeder belast wordt met volwassenproblematiek en een (te) negatief beeld van de vader. [minderjarige] kampt door de strijd tussen haar ouders met een loyaliteitsconflict. Voorts is erop gewezen dat de noodzakelijke hulpverlening voor [minderjarige] bij De Bascule onnodige vertraging heeft opgelopen door de opstelling van de moeder. De moeder verzet afspraken of zegt afspraken af en stelt voorwaarden ten aanzien van de hulpverlening, bijvoorbeeld dat die zich in de eerste plaats moet richten op seksueel misbruik, waar de hulpverleners niet achter kunnen staan. De Bascule heeft in juni 2013 verslag uitgebracht in de strekking van het later uitgebracht eindverslag van 31 maart 2014. Door de onderzoekers van De Bascule is onder meer opgemerkt dat [minderjarige] in bepaalde situaties (die ze niet kan overzien) bepalend, aanhankelijk en regressief gedrag vertoont en dat de moeder haar daarin onvoldoende begrenst. Tevens zijn door De Bascule onder meer zorgen geuit over de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] waarbij is opgemerkt dat [minderjarige] verschillende identiteiten laat zien. Van meerdere kanten is verder een symbiotische relatie tussen de moeder en [minderjarige] geconstateerd. Het hof heeft daarbij geconstateerd dat de moeder dit alles niet (h)erkent.

4.4

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat de gronden voor de maatregel zich tot op heden nog voordoen. Het hof heeft in dit verband aan de zijde van de moeder geen wezenlijke verandering waargenomen in houding ten opzichte van de onderhavige problematiek. De moeder erkent en herkent nog steeds de zorgen rondom [minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder voor een groot deel niet. De inhoud van de schriftelijke verklaring van de psycholoog [psychologe] die de moeder heeft ingebracht maakt dat niet anders nu ook daaruit blijkt dat de moeder de oorzaak van de problematiek voor een belangrijk deel buiten zichzelf, namelijk bij de vader, legt. Daarbij duurt de strijd tussen de ouders kennelijk tot op heden nog onverminderd voort blijkens onder meer het kort geding dat recentelijk (mei 2014) heeft plaatsgevonden omtrent het paspoort van [minderjarige]. Van een basis voor terugkeer van [minderjarige] naar de moeder is dan ook geen sprake. Dat geldt wellicht te meer nu [minderjarige] in het pleeggezin opbloeit. Er is geen sprake meer van ziek zijn en schoolverzuim en aan de leerachterstand wordt hard gewerkt. Voorts is [minderjarige] minder bezig met (aangepraat) 'ziek zijn'. Het hof is dan ook van oordeel dat in ieder geval voor de onderhavige periode het perspectief van [minderjarige] in het pleeggezin ligt.

4.5

Voor zover BJZ en de moeder het hof hebben gevraagd zich uit te laten over het verdere perspectief van [minderjarige] overweegt het hof dat de onderhavige procedure zich naar zijn aard niet leent voor een definitieve uitspraak over het perspectief van [minderjarige] (of dat al dan niet in het pleeggezin ligt dan wel bij de ouders). De onderhavige maatregel is naar zijn aard immers tijdelijk en hier ligt slechts ter beoordeling aan het hof voor of de gronden voor de maatregel zich nog voordoen in de genoemde periode (tot 27 augustus 2014). Voor zover BJZ en/of de moeder meer duidelijkheid wensen over het toekomstperspectief van [minderjarige] dienen andere wegen bewandeld te worden, bijvoorbeeld een verzoek van BJZ aan de raad om een onderzoek in te stellen naar de wenselijkheid van een verderstrekkende maatregel.

4.6

Voor zover de moeder heeft gesteld dat onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden dan wel dat ten onrechte het door BJZ aangekondigde onderzoek is uitgebleven, volgt het hof haar daarin niet. Voorafgaande aan de uithuisplaatsing van [minderjarige] hebben diverse onderzoeken plaatsgevonden van onder meer het AMK, de raad en De Bascule. Bovendien blijkt uit de stukken dat de moeder door haar opstelling het onderzoek en de hulpverlening bij De Bascule heeft getraineerd waardoor er zelfs een (vooraankondiging van een) schriftelijke aanwijzing aan te pas moest komen. Het hof wijst er verder op dat de onderhavige machtiging reeds gerechtvaardigd is vanwege de zorgen over de opvoedingssituatie van [minderjarige] bij de moeder. Die zorgen zijn naar het oordeel van het hof voldoende gefundeerd op de meldingen en onderzoeken die hebben plaatsgevonden van verschillende personen en instanties. Van omkering van de bewijslast is dan ook geen sprake zoals namens de moeder is gesteld. Het is nu aan de moeder om een veranderde houding te laten zien zodat in ieder geval de zorgen en belemmeringen voor terugkeer van [minderjarige] op dat punt bestreden kunnen worden. Overigens lijkt het gegeven dat [minderjarige] zich positief ontwikkelt sinds de plaatsing in het pleeggezin en ziekte en schoolverzuim niet meer aan de orde zijn, erop te wijzen dat de oorzaak van de vóór de uithuisplaatsing geconstateerde problematiek niet is gelegen in [minderjarige] zelf maar in haar gezinssituatie (moeder en de moeder-vader strijd). In plaats van [minderjarige] te diagnosticeren in dit onveranderde gezinsverband zoals de moeder verzoekt, en dus haar weer in de eerder ziekmakende omgeving te plaatsen, heeft [minderjarige] belang bij rust en een neutrale omgeving waarin zij zichzelf mag zijn en zich zo goed mogelijk kan ontwikkelen.

4.7

Ter zitting van het hof is gebleken dat de moeder inmiddels heeft ingestemd met een persoonlijkheidsonderzoek voor zichzelf. Hoewel dat natuurlijk een stap in de goede richting is, zijn daaromtrent nog geen resultaten bekend en heeft de moeder desgevraagd ook niet kunnen aangeven wanneer dat persoonlijkheidsonderzoek zal plaatsvinden dan wel zal zijn afgerond. Ook hier heeft het hof de indruk dat de moeder 'stroperig' opereert nu zij stelt al maandenlang bezig te zijn met zo'n onderzoek.

4.8

Met betrekking tot het beroep van de moeder op het EVRM en IVRK overweegt het hof ten slotte nog dat een machtiging tot uithuisplaatsing naar zijn aard inbreuk maakt op het gezinsleven maar dat ook volgens die Verdragen de inbreuk gerechtvaardigd kan zijn wanneer de gezondheid en/of het geestelijk welzijn van de minderjarige dat vordert. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat de inbreuk in het onderhavige geval in het belang van de gezondheid van [minderjarige] noodzakelijk is. Van strijd met enige verdragsbepaling of bestendige jurisprudentie is dan ook geen sprake.



De omgangsregeling

4.9

Het hof is gebleken dat de rechtbank in de bestreden beschikking het zelfstandig verzoek van de moeder met betrekking tot uitbreiding van de omgang op inhoudelijke gronden heeft afgewezen en dat de moeder zich in hoger beroep daartegen heeft gekeerd op inhoudelijke gronden.

4.10

Het hof overweegt ambtshalve dat ingevolge artikel 1:259 lid 2 BW bij het verzoekschrift tot vervallenverklaring de desbetreffende schriftelijke aanwijzing van BJZ dient te worden overgelegd. Uit de stukken kan het hof in dit verband niet afleiden van welke schriftelijke aanwijzing de moeder precies vervallenverklaring heeft verzocht in haar verweerschrift van 8 april 2014 (bedoeld in artikel 1:259 BW, gelezen in samenhang met artikel 1:263a BW). In ieder geval wordt de datum van de betreffende schriftelijke aanwijzing niet vermeld in het zelfstandig verzoek van de moeder. Het hof kan daardoor niet vaststellen of het verzoek van de moeder binnen de wettelijke voorgeschreven termijn van twee weken is ingediend (1:259 lid 3 BW). Het hof zal daarom het verzoek tot vervallenverklaring alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

4.11

Overigens, voor zover dat al anders zou zijn en de moeder bijvoorbeeld heeft beoogd (prematuur) op te komen tegen de tot de stukken behorende schriftelijke aanwijzing van BJZ van 14 april 2014, verenigt het hof zich met de inhoudelijke motivering van de rechtbank in de bestreden beschikking en verwijst daar kortheidshalve naar. Dat geldt ook indien ervan uit moet worden gegaan dat het verzoek van de moeder is gericht tegen de schriftelijke aanwijzing van 20 maart 2014 (en dat besluit niet aanstonds is toegezonden aan de moeder zodat het verzoek tot vervallenverklaring tijdig zou zijn ingediend) nu die schriftelijke aanwijzing van gelijke strekking is.


De benoeming van een bijzonder curator

4.12

Het hof ziet ook thans, net als in de vorige beschikking van het hof van 5 december 2013 is overwogen, geen aanleiding om in de onderhavige zaak een bijzondere curator voor [minderjarige] te benoemen. Het behoort in dit verband tot de taak van BJZ om toe te zien op de belangen van de minderjarige. Van een belangentegenstelling als bedoeld in artikel 1:250 BW is geen sprake. De uitingen van [minderjarige] naar de moeder over verblijf en contact met haar passeert het hof in het licht van [minderjarige]'s al eerder geconstateerd loyaliteitsconflict.


Slotoverweging en conclusie

4.13

Het hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling van de moeder als door de vader verzocht en zal de proceskosten compenseren aldus dat ieder de eigen kosten van het geding draagt. Van (te) lichtvaardig procederen is in dit verband niet gebleken. Het staat de moeder vrij de zaak in hoger beroep ter beoordeling in rechte voor te leggen.

4.14

Het voorgaande leidt tot de conclusie, aangezien ook overigens niets is aangevoerd dat tot een ander oordeel moet leiden, dat de bestreden beschikking moet worden bekrachtigd behoudens voor zover de moeder daarbij is ontvangen in haar verzoek met betrekking tot de omgangsregeling c.q. vervallenverklaring.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de bestreden beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 2 juni 2014 voor zover de moeder daarbij is ontvangen in haar verzoek met betrekking tot de omgangsregeling;



en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek met betrekking tot de vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van BJZ (omgangsregeling);

bekrachtigt de bestreden beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 2 juni 2014 voor het overige;

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten van het geding draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Idsardi, mr. G. Jonkman en mr. D.J. Buijs en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2014 in bijzijn van de griffier.