Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:685

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-02-2014
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
200.138.655
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op het inkomen, de leeftijd en de omstandigheden waarin de schuldenaar verkeert en gelet op de omstandigheid dat inmiddels de gehele lening is opgeëist, moet worden aangenomen dat schuldenaar thans niet meer in staat is en ook in de toekomst niet zal zijn om de leningen af te lossen. Hiermee is voldoende aannemelijk geworden dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer 200.138.655

(zaaknummer rechtbank Overijssel (Almelo) 145940 / FT RK 13/1563)

arrest van de eerste civiele kamer van 3 februari 2014

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant,

advocaat: mr. J. Keupink.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo van 5 december 2013 is het verzoek van appellant (hierna te noemen: [appellant]) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar voornoemd vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 11 december 2013 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en alsnog het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling toe te wijzen.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, alsmede van de brief met bijlagen van 16 januari 2014 van de advocaat van [appellant].

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 januari 2014, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn advocaat.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting van het hof is het volgende gebleken. [appellant] is een [leeftijd appellant] alleenstaande man met een totale schuldenlast van € 24.003,19. Deze bestaat uit een schuld van € 1.158,60 aan Rabobank en blijkens de brieven van EuroQuo Incasso van 28 december 2013 een schuld van € 22.844,59 aan LaSer Services. [appellant] ontvangt een netto loon uit dienstbetrekking van € 1.356,55 per maand, exclusief vakantiegeld.

3.2

De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat niet is gebleken dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Uit de stukken blijkt immers dat [appellant] niets aflost op de schuld aan LaSer Services en alleen maar € 200,- rente per maand betaalt, maar [appellant] heeft niets gesteld waaruit valt af te leiden dat hij niet in staat is de maandelijkse termijnen te voldoen. De enkele omstandigheid dat de aflossing van een schuld vele jaren zal vergen, leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot het oordeel dat [appellant] zich in een uitzichtloze situatie bevindt, als bedoeld in artikel 288 lid 1 onder a Faillissementswet.

3.3

[appellant] kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en is van mening dat hij, zodra LaSer Services de reeds aangekondigde incassomaatregelen gaat treffen en overgaat op beslaglegging op goederen onder derden, hij wel degelijk in een uitzichtloze situatie terechtkomt. [appellant] heeft budgetbeheer bij de Stadsbank en moet van een leefgeld van € 60,- per week en wat benzinegeld voor zijn bromfiets rondkomen. De bromfiets heeft hij nodig voor zijn werk als tuinman bij de sociale werkvoorziening. Omdat [appellant] niet kan aflossen op de schulden en slechts de rente kan voldoen, zal hij tot in lengte van jaren hiervan rond moeten komen. [appellant] heeft tot aan het overlijden van zijn moeder en broer altijd bij hen ingewoond. In 2000 is hij samen met zijn moeder en broer een lening bij LaSer Services aangegaan onder meer voor de aanschaf van een auto. De lening werd op naam van [appellant] gesteld omdat deze een vast inkomen had. Onderling werd afgesproken dat [appellant] in plaats van kostgeld te betalen voortaan maandelijks het overeengekomen termijnbedrag van € 500,- aan LaSer Services zou voldoen. Toen zijn moeder en broer vroegtijdig kwamen te overlijden, moest [appellant] alle woonlasten zelf betalen en was hij niet langer in staat om maandelijks het bedrag van € 500,- aan LaSer Services te voldoen. LaSer Services is akkoord gegaan met een maandelijkse betaling van € 200,-, waarmee [appellant] slechts de rente van de lening voldeed maar niets meer afloste. Hetzelfde geldt voor de schuld aan de Rabobank uit 1997. Inmiddels heeft LaSer Services het gehele bedrag opgeëist.

3.4

Het hof is van oordeel dat in hoger beroep voldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, nu, gelet op zijn inkomen, leeftijd en de omstandigheden waarin hij verkeert en de omstandigheid dat inmiddels de gehele lening is opgeëist, moet worden aangenomen dat hij thans niet in staat is en ook in de toekomst niet in staat zal zijn om de leningen bij LaSer Services en de Rabobank af te lossen. Nu het schulden betreft die langer dan vijf jaar geleden zijn ontstaan en [appellant] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het onbetaald laten van deze schulden te goeder trouw is geweest, zal het hof [appellant] dan ook toelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

3.5

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd en dat beslist moet worden als volgt.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 5 december 2013 en, opnieuw recht doende:

verklaart de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van [appellant].

Dit arrest is gewezen door mrs. M.B. Beekhoven van den Boezem, H.L. Wattel en F.J.P. Lock en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2014.