Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:6822

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-09-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
200.124.225-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huurgeschil over parkeerterrein. Het ter beschikking stellen van klikkers om de (niet volledige) hekken rond het terrein te bedienen is in dit geval niet hetzelfde als het ter beschikking stellen van het parkeerterrein. Geen toekenning van bedrag aan incassokosten voor onrealistisch hoge vordering die slechts voor een klein gedeelte wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.124.225/01

(zaaknummer rechtbank Groningen 503585 CV EXPL 11-6133)

arrest van de eerste kamer van 2 september 2014

in de zaak van

[appellante],

gevestigd te [plaats],

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. M.L. Bron, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[geïntimeerde],

gevestigd te [plaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.P.H. Jacobs, kantoorhoudend te Utrecht.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnissen van 15 juni 2011, 1 februari 2012 en 19 december 2012 van de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 14 maart 2013, uitsluitend gericht tegen het eindvonnis van 19 december 2012;

- de memorie van grieven d.d. 30 juli 2013, met producties

- de memorie van antwoord, tevens van grieven in incidenteel hoger beroep d.d. 5 november 2013 (met productie);

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep d.d. 31 december 2013;

- een akte met producties zijdens [appellante] d.d. 11 februari 2014;

- een antwoordakte zijdens [geïntimeerde] d.d. 8 april 2014.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. Het hof heeft geconstateerd dat in het dossier van [appellante] het vonnis van 1 februari 2012 ontbreekt, terwijl in het dossier van [geïntimeerde] de akte van 5 april 2012 ontbreekt. Het hof heeft beide procesdossiers gecombineerd teneinde over een volledig dossier te beschikken.

2.3

De vordering van [appellante] luidt:

"bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

het vonnis van de rechtbank te Groningen, sector kanton, locatie Groningen gewezen op

19 december 2012 met zaak- en rolnummer 503585 CV EXPL 11-6133 voor wat betreft de toewijzing van de vordering van geïntimeerde ter zake van huurpenningen voor het parkeerterrein te vernietigen, de vordering van geïntimeerde ter zake van buitengerechtelijke kosten te vernietigen, alsmede de compensatie van proceskosten te vernietigen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, en opnieuw rechtdoende al dan niet onder verbetering van gronden de vorderingen van geïntimeerde af te wijzen; en voorts [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen is betaald op basis van het vonnis a quo, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dat bedrag vanaf de dag der betaling door appellant aan geïntimeerde tot aan die der algehele betaling, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het geding in beide instanties".

2.4

In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] gevorderd:

"In principaal appel

(…) bij arrest voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [appellante] in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem deze te ontzeggen en het vonnis waarvan beroep te bekrachtigen en zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden waarop het berust, met veroordeling van [appellante] in de kosten van deze hoger beroep procedure, de kosten van tenuitvoerlegging van het arrest daaronder begrepen en daarbij te bepalen dat [appellante] de wettelijke rente hierover verschuldigd is indien betaling daarvan niet plaatsvindt binnen twee weken na het wijzen van het arrest, althans de betekening daarvan aan [appellante].

Ter zake incidenteel appel

(…) bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad over te gaan tot (gedeeltelijke) vernietiging c.q. aanvulling van het eindvonnis van de kantonrechter waarbij de navolgende vorderingen alsnog worden toegewezen:

I. [appellante] -primair- te veroordelen om aan [geïntimeerde] Vastgoed te betalen een bedrag van € 12.856,-- betreffende de gebruiksvergoeding van 1 mei 2011 tot en met 21 februari 2012 (zijnde de datum waarop de klikkers zijn ingeleverd en het parkeerterrein geheel ter vrije beschikking is gesteld aan [geïntimeerde]), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf vervaldatum verzonden facturen over deze gebruiksvergoeding, dan wel subsidiair de wettelijke handelsrente vanaf 16 mei 2012 tot de datum van algehele voldoening;

II. [appellante] -subsidiair- te veroordelen tot betaling van een door Uw Gerechtshof in goede justitie vast te stellen maandelijkse gebruiksvergoeding over de periode 1 mei 2011 tot en met 21 februari 2012 (zijnde de datum waarop de klikkers zijn ingeleverd en het parkeerterrein geheel ter vrije beschikking is gesteld aan [geïntimeerde]), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf vervaldata verzonden facturen over de gebruiksvergoeding, danwel subsidiair de wettelijke handelsrente vanaf 16 mei 2012, datum eisvermeerdering tot aan de datum van algehele voldoening;

III. te vernietigen - zo nodig onder aanvulling van de gronden - het vonnis van de kantonrechter voor zover het betreft de compensatie van de proceskosten in conventie waarbij is bepaald dat ieder der partijen eigen kosten draagt, waarbij [appellante] als meest in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld in zowel de proceskosten in eerste aanleg alsmede de kosten in hoger beroep, de kosten van tenuitvoerlegging van dit arrest daaronder begrepen en daarbij te bepalen dat [appellante] de wettelijke rente hierover verschuldigd is, indien betaling daarvan niet plaatsvindt binnen een termijn van twee weken na het wijzen van arrest, althans de betekening van het arrest aan [appellante]."

3 Ten aanzien van de feiten

De grieven richten zich niet tegen het tussenvonnis van 1 februari 2012. Nu ook anderszins niet van bezwaren daartegen is gebleken, zal ook in hoger beroep worden uitgegaan van de feiten, zoals deze als vaststaand zijn weergegeven in rechtsoverweging 1.1 tot en met 1.7 van voormeld vonnis, voor zover voor de beoordeling van het hoger beroep relevant, aangevuld met enige feiten die in hoger beroep tevens als vaststaand kunnen worden aangemerkt.

3.1

[geïntimeerde] verhuurt met ingang van 1 februari 2008 de panden staande en gelegen aan [adres 1] en [adres 2] aan [appellante]. Er is geen schriftelijke huurovereenkomst door beide partijen ondertekend. De aanvangshuurprijs betrof € 3.000,00 per maand.

3.2

[appellante] gebruikt de panden voor de (onder)verhuur van onzelfstandige woonruimte.

3.3

Aan het gehuurde grenst een parkeerterrein met 36 parkeerplaatsen dat toebehoort aan [geïntimeerde]. Partijen zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] het terrein tegen betaling aan [appellante] in gebruik zou verstrekken. [appellante] wilde het terrein onderverhuren aan derden. Er bestaat terzake evenmin een schriftelijk ondertekende huurovereenkomst.

3.4

In juli 2008 zijn er afstandsbedieningen voor de slagbomen (klikkers) bij het parkeerterrein ter beschikking gesteld aan [appellante].

3.5

[appellante] heeft nimmer huur betaald voor het parkeerterrein. Op 10 november 2009 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] geschreven betreffende het parkeerterrein:

“Gelijktijdig met de renovatie van de studio’s aan de [adres 1] hebben wij aan [A], [B] en [C] voorgesteld het parkeerterrein te renoveren en gereed te maken voor (betaald) parkeren voor derden. Het parkeerterrein met 36 plaatsen is conform in april 2008 gerealiseerd. Evenals de woonruimte zou het parkeerterrein aan ons verhuurd worden. Overeengekomen was € 30,00 per plaats / per maand excl. BTW. Het parkeerterrein is, helaas, vanaf het eerste moment bij de [geïntimeerde] in eigen gebruik geweest. Onze huurder (Personeelsvereniging Academisch Ziekenhuis) hebben wij hierdoor moeten teleurstellen.”

3.6

[geïntimeerde] heeft hierop geantwoord op 9 december 2009:

“Parkeerterrein

Op dit punt verschillen wij van mening. Aangezien er geen huurcontract voor het parkeerterrein is getekend en ook geen huur betaling door u is gedaan kan er geen sprake zijn van margederving uwerzijds. Aangezien er wel een mondelinge intentie was met [A] stellen wij voor alsnog het parkeerterrein per 1 januari 2010 aan u te verhuren voor een huurbedrag van 14.000, - ex BTW per jaar. Indien u hiermee instemt zullen wij het contract door DRS laten opmaken.”

3.7

Op 11 januari 2010 heeft [appellante] gereageerd op deze brief:

“Er hebben geen huurbetalingen plaats gevonden omdat het parkeerterrein nooit daadwerkelijk tot onze beschikking is gesteld. Ons standpunt met betrekking tot een vergoeding voor gederfde inkomsten blijft dus onveranderd.

Gezien de vele aanvragen en even zovele teleurstellingen willen wij nu pas overgaan tot inhuur wanneer wij meer dan 27 plaatsen verhuurd hebben. Wij zijn inmiddels begonnen met het, wederom aanbieden van de parkeerplaatsen.”

3.8

Op 8 november 2010 schrijft de [geïntimeerde]:

“Ik doe u hierbij het aanbod om het parkeerterrein per heden te huren, waarbij we de huur per 1 januari 2011 in laten gaan voor een bedrag van EUR 14.000,- exclusief btw voor 2011. Voor zover op deze parkeerplaatsen nog auto’s of andere zaken van Europcar staan, zal ik zorgen dat deze binnen een week na uw akkoord worden weggehaald, waarin u de volledige beschikking heeft over het parkeerterrein. Ik zal aansluitend zorgen dat een geactualiseerd contract voor de parkeerplaatsen naar u toe wordt gestuurd. Graag verneem ik voor 22 november of u al dan niet op mijn aanbod wilt ingaan om het parkeerterrein alsnog van ons te huren”

3.9

Bij brief van 18 maart 2011 heeft [geïntimeerde] de huurovereenkomst van het parkeerterrein opgezegd tegen 30 september 2013 en tegen 1 mei 2011 voor het geval de overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd.

4 De beoordeling in eerste aanleg en de aanduiding van de grieven

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg € 14.390,30 aan huurpenningen voor de panden gevorderd, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 1 mei 2011 en diverse boetebedragen van zeer aanzienlijke omvang (alleen al de benoemde boeten van meer dan € 75.000), daarnaast heeft [geïntimeerde] € 38.378,23 aan huurpenningen voor het parkeerterrein gevorderd - zijnde de achterstallige huur vanaf 1 oktober 2008, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 mei 2011, alsmede beëindiging en ontruiming van het gehuurde en teruggave van de klikkers. Tenslotte heeft [geïntimeerde] een bedrag van € 8.048,16 aan advocaatkosten gevorderd, subsidiair een (aanzienlijk hoger) bedrag aan buitengerechtelijke kosten.

4.1

[appellante] heeft een reconventionele vordering ingesteld waarbij zij onder meer een beroep op verrekening heeft gedaan. Dat beroep is toegewezen tot een bedrag van € 7.292,24. Voor het overige is de reconventionele vordering afgewezen bij vonnis van 1 februari 2012. Daartegen is geen beroep ingesteld.

4.2

De vordering betreffende de huurachterstand voor de panden is door de kantonrechter toegewezen voor een bedrag € 9.761,83 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata van de facturen tot aan de dag der algehele betaling. De gevorderde boeten zijn alle afgewezen.

Ten aanzien van het parkeerterrein heeft de kantonrechter aan [appellante] een bewijsopdracht gegeven dat [geïntimeerde] het gebruik van het parkeerterrein niet aan [appellante] ter vrije beschikking heeft gesteld.

4.3

Bij eindvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat [geïntimeerde] gedurende de hele looptijd van de huurovereenkomst voor het parkeerterrein niet aan haar verplichting heeft voldaan om het gehuurde geheel ter beschikking te stellen en te laten aan [appellante]. [appellante] heeft echter nimmer rechtsmaatregelen getroffen om haar huurrecht af te dwingen. Het gehuurde heeft wel gedeeltelijk tot zijn beschikking gestaan. De kantonrechter heeft vervolgens de waarde van het huurrecht zoals dat ter beschikking is gesteld, geschat op gemiddeld € 300, per maand en derhalve een bedrag € 9.300, - toegewezen.

Tegen deze beslissing richt zich grief 1 in het principaal appel.

4.4

De kantonrechter had reeds in het tussenvonnis uitgesproken dat de huur was beëindigd op 1 mei 2011. [geïntimeerde] had bij eisvermeerdering een gebruiksvergoeding gevorderd van € 12.856,00 omdat de klikkers pas op 21 februari 2012 zijn ingeleverd. Deze gebruiksvergoeding heeft de kantonrechter afgewezen omdat het ter vrije beschikking stellen van [geïntimeerde] niet gelijkstaat aan het inleveren van de klikkers.

Tegen deze beslissing richt zich grief I in incidenteel appel.

4.5

De kantonrechter heeft de gevorderde advocaatkosten afgewezen en buitengerechtelijke kosten toegewezen conform het gebruikelijke tarief ad € 952, -. Dit oordeel wordt aangevochten in grief 2 in principaal appel.

4.6

Ten slotte heeft de kantonrechter de proceskosten gecompenseerd. Tegen die beslissing richten zich de grieven 3 in principaal appel en II in incidenteel appel.

5 De beoordeling van de grieven

De huurovereenkomst parkeerterrein (grief 1 zijdens [appellante])

5.1

De uitvoerige grief op dit punt van [appellante] neemt, afwijkend van het standpunt in eerste aanleg, tot uitgangspunt dat de huurovereenkomst is ingegaan op 1 oktober 2008 en geëindigd per 1 mei 2011 (memorie van grieven randnummer 27). Voorts stelt [appellante] dat het de bedoeling van partijen was dat zij het gehele parkeerterrein zou huren, dat [geïntimeerde] haar de paarkeerplaats nimmer ter beschikking heeft gesteld en dat zij niet gehouden is tot enige huurbetaling.

5.2

[appellante] laat zich niet uit over de juridische grondslag van haar betoog en haar conclusie dat geen huur betaald dient te worden omdat het gehuurde haar niet ter beschikking is gesteld. [geïntimeerde] wijst op artikel 7:207 BW dat volgens haar een lex specialis is ten opzichte van de (partiële) ontbinding. Een dergelijke vordering is volgens haar nooit ingesteld. Het hof laat de opmerkingen over de (partiële) ontbinding voor rekening van [geïntimeerde], aangezien (partiële) ontbinding door geen der partijen is gevorderd.

Artikel 7:207 BW, eerste lid, bepaalt dat de huurder in geval van vermindering van huurgenot ten gevolge van een gebrek een daaraan evenredige vermindering van de huurprijs kan vorderen vanaf de dag waarop hij van het gebrek behoorlijk heeft kennis gegeven aan de verhuurder of vanaf de dag waarop het gebrek reeds in voldoende mate bij de verhuurder bekend was om tot maatregelen over te gaan, tot die waarop het gebrek is verholpen. Naar ’s hofs oordeel levert dit artikel het hier relevante beoordelingskader op.

5.3

[geïntimeerde] heeft gelijk waar zij stelt dat een op artikel 7:207 BW ingestelde vordering van de zijde van [appellante] niet voorligt. De door haar ontwikkelde grief kan wel worden aangemerkt als een beroep op artikel 7:207 BW ter afwering van de huurvordering van [geïntimeerde]. Zelfs als de leer van het Hof ‘s’-Hertogenbosch zou worden gevolgd dat een beroep op artikel 7:207 BW ook ten verwere, zonder reconventie, tegen een vordering tot betaling van de huurprijs kan worden gedaan (Hof ’s- Hertogenbosch 30 juni 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BK2055) – hetgeen overigens door de Hoven Amsterdam, Den Haag en Leeuwarden is bestreden - is voor de toepassing van artikel 7:207 BW altijd nog een melding aan de verhuurder vereist van het gebrek in kwestie. De eerste melding aan de verhuurder waarop in rechte een beroep is gedaan, is de brief van 10 november 2009 (geciteerd onder 3.6).

Dat betekent dat in de door [appellante] in appel gekozen insteek de huur over de periode 1 oktober 2008 tot 10 november 2009 verschuldigd is, nu een juridische grondslag voor een ander oordeel niet is gesteld. Het hof wijst er nog op dat een enkel beroep op een opschortingsrecht nimmer tot definitief ontslag van de opgeschorte verplichting leidt.

5.4

Uitgaande van de zelf door [appellante] gestelde huurprijs van (30 plaatsen à € 36) € 1080,- per maand, komt dit voor 12,33 maanden tot aan 10 november 2009 neer op € 13.316,40. Dat is reeds meer dan het bedrag dat de kantonrechter aan verschuldigde huur voor het parkeerterrein heeft toegewezen, zodat de grief nimmer tot een voor [appellante] gunstiger resultaat kan leiden.

5.5

De grief treft dan ook geen doel.

5.6

Het bewijsaanbod zijdens [geïntimeerde] ten verwere op deze grief kan dan ook buiten beschouwing blijven.

De gebruiksvergoeding (grief I zijdens [geïntimeerde])

5.7

[geïntimeerde] stelt dat zij recht heeft op een gebruiksvergoeding voor het parkeerterrein betreffende de periode 1 mei 2011 (einde huurovereenkomst) tot 21 februari 2012 (de datum van inlevering van de klikkers).

5.8

Het hof overweegt dat volgens [geïntimeerde] het bezitten van de infrarood slagboom bedieningen kennelijk gelijk staat met het – bij uitsluiting – de beschikking hebben over het parkeerterrein. Uit de gedingstukken blijkt afdoende dat dit niet het geval is, zoals [appellante] heeft aangevoerd. In de eerste plaats staat immers vast dat [appellante] de klikkers reeds in juli 2008 ter hand zijn gesteld, terwijl de huurovereenkomst van het parkeerterrein volgens partijen eerst op 1 oktober 2008 aanving, zodat het moment van de beschikking krijgen over de klikkers en het begin van de huurovereenkomst niet samenvallen. Voorts staat vast dat het parkeerterrein in de daarop volgende jaren gebruikt werd door grote aantallen vrachtauto’s van Ster Verhuur, auto’s van Europcar en derden (met toestemming van Europcar),
alsmede dat Europcar en Ster Verhuur vennootschappen zijn die aan [geïntimeerde] zijn gelieerd. Dat deze vennootschappen klikkers van [appellante] hebben ontvangen om hun auto’s aldaar te parkeren, is gesteld noch gebleken, zodat het standpunt dat slechts met één van die klikkers het parkeerterrein voor een auto bereikbaar was, niet kan worden volgehouden. Derhalve kan evenmin het inleveren van de klikkers gelijk worden gesteld met het beëindigen van het gebruik van het terrein.

5.9

Dat [appellante] in de desbetreffende periode tot 21 februari 2012 het terrein anderszins heeft gebruikt, is door [geïntimeerde] niet gesteld.

5.10

De grief faalt.

De buitengerechtelijke incassokosten (grief 2 zijdens [appellante])

5.11

Volgens [appellante] is de kantonrechter buiten het petitum getreden door een proceskostenveroordeling toe te kennen gebaseerd op Voorwerk II, terwijl dat niet gevorderd was. Het hof verwerpt dit standpunt. [geïntimeerde] heeft op basis van niet toepasselijke algemene voorwaarden een veel groter bedrag gevorderd. Op zich staat het de rechter vrij om een hoge vordering te matigen tot een lager bedrag, overeenkomstig een gebruikelijke regeling. Daarbij komt nog dat Voorwerk II juist beoogde om ook bedongen incassokosten zo nodig te matigen tot het in Voorwerk II opgenomen tarief.

5.12

Dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, acht het hof, gelet op hetgeen dat [geïntimeerde] daarover stelt, ook voldoende aannemelijk. Nu [geïntimeerde] haar vorderingen met absurde, op drijfzand gebaseerde boetebedragen heeft opgeklopt en [geïntimeerde] voorts ten aanzien van het bestaan van een huurovereenkomst betreffende het parkeerterrein zelf standpunten heeft ingenomen die niet direct uitmunten in helderheid, onderschrijft het hof evenwel het primaire betoog van [appellante] dat in deze zaak een vergoeding voor incassokosten niet op zijn plaats is. Het verweer van [geïntimeerde] ten aanzien van dat laatste verwijt “dat er binnen [geïntimeerde] veel personele wisselingen zijn geweest, als gevolg waarvan een minder volledige overdracht heeft plaatsgevonden van binnen [geïntimeerde] Vastgoed verantwoordelijke contactpersonen” kan haar niet disculperen. Dit komt voor haar eigen rekening en risico.

5.13

De grief slaagt. Het hof zal de buitengerechtelijke incassokosten alsnog afwijzen.

De proceskosten in eerste aanleg (de grieven 3 zijdens [appellante] en II zijdens [geïntimeerde])

5.14

Beide partijen willen dat de ander als de overwegend in het ongelijk te stellen partij in de kosten van de procedure in eerste aanleg wordt veroordeeld, in plaats van de door de kantonrechter toegepaste compensatie van kosten waarbij elke partij de eigen kosten draagt.

Het hof overweegt dat er andere mogelijkheden zijn dan die welke partijen voorstaan. Gelet op de uitkomst van de procedure waar het de hoofdvorderingen betreft acht het hof compensatie van de advocaatkosten in de door de kantonrechter beoogde zin een juiste uitkomst, maar gelet op de ongefundeerde hoge boetes die [geïntimeerde] heeft gemeend daarnaast te moeten vorderen en die bepalend zijn geweest voor de hoogte van het in rekening te brengen griffierecht, zal het hof bepalen dat [geïntimeerde] in de kosten van het van [appellante] geheven griffierecht dient te worden veroordeeld.

5.15

Grief 3 slaagt ten dele en grief II faalt geheel.

De slotsom

5.16

Het hof zal het vonnis van de kantonrechter van 19 december 2012 bekrachtigen met uitzondering van de beslissingen sub 6 en 7 en in zoverre opnieuw rechtdoende, zal het hof de gevorderde buitengerechtelijke kosten alsnog geheel afwijzen en de kosten van de procedure in eerste aanleg compenseren waar het de advocaatkosten betreft, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt, doch [geïntimeerde] veroordelen tot vergoeding aan [appellante] van het in eerste aanleg geheven griffierecht ad nihil.

Het hof zal [appellante] veroordelen in de kosten van het principaal appel, nu zij daarin overwegend in het ongelijk is gesteld, en [geïntimeerde] veroordelen in de kosten van het incidenteel appel. Nu de inzet van beide appellen vergelijkbaar is, ziet het hof geen reden om onderscheid te maken bij de puntenwaardering, dan wel om het griffierecht uitsluitend het principaal appel toe te rekenen. In beide gevallen zal het hof het geliquideerde salaris vaststellen op 1,5 punt naar tarief II en de verschotten op nihil.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Groningen van 19 december 2012 behoudens de beslissingen sub 6 en 7 en 8 (voor zover betrekking hebbende op de veroordeling onder 6) die worden vernietigd en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten geheel af;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellante] van het van haar geheven griffierecht in eerste aanleg ad nihil en compenseert de kosten voor het overige in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

veroordeelt [appellante] in de kosten op het principaal appel gevallen, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.341,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op nihil voor verschotten;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten op het incidenteel appel gevallen, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellante] vastgesteld op € 1.341,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op nihil voor verschotten;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. K.E. Mollema, mr. J.H. Kuiper en mr. D.H. de Witte en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 2 september 2014.