Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:6806

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-09-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
200.141.150
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

7:377 BW

Pacht. Kort geding vooruitlopend op ontbinding ex art. 7:377 BW.

Voor de vraag of sprake is van een (voorgenomen) bestemming voor “niet tot de landbouw betrekkelijke doeleinden” in de zin van artikel 7:377 BW is niet doorslaggevend of het toepasselijke bestemmingsplan die bestemming al dan niet als “agrarisch” of, zoals hier, “agrarisch met waarden” benoemt. Bepalend is hoe de bestemming in de beschrijving van de bestemming in het bestemmingsplan is gedefinieerd. Het door pachter gebezigde agrarisch gebruik is niet (ook) met het bestemmingsplan in overeenstemming. Dus moet worden verondersteld dat de voorgenomen bestemming in het algemeen belang is omdat zij in overeenstemming is met een onherroepelijk bestemmingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.141.150

(zaaknummer rechtbank Amsterdam KK 13-1914)

arrest in kort geding van de pachtkamer van 2 september 2014

inzake

1 de vennootschap onder firma V.O.F. [pachter sub 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [pachter sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [pachter sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. [pachter sub 4],

wonende te [woonplaats],

appellanten in het principaal beroep,

geïntimeerden in het incidenteel beroep,

hierna: [pachters] (gezamenlijk), en afzonderlijk V.O.F. [pachter sub 1], [pachter sub 2], [pachter sub 3] en [pachter sub 4],

advocaat: mr. J.T.A.M. van Mierlo,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Amsterdam,

zetelende te Amsterdam,

geïntimeerde in het principaal beroep,

appellante in het incidenteel beroep,

hierna: de Gemeente,

advocaat: mr. D.M.H.M. van Dijk.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis in kort geding van 31 december 2013, dat de pachtkamer van de rechtbank Amsterdam tussen [pachters] als gedaagden en de Gemeente als eiseres heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

■ de dagvaarding in hoger beroep van 23 januari 2014, tevens houdende grieven;

■ de memorie van antwoord, gelet op het gestelde onder 15 en 16 tevens houdende incidenteel beroep;

■ de akte overlegging producties van [pachters] van 27 mei 2014;

■ de antwoordakte van de Gemeente van 10 juni 2014.

2.2

[pachters] hebben afgezien van het door hen verzochte pleidooi, waarvoor de datum van 26 mei 2014 was gereserveerd.

2.3

Vervolgens heeft de Gemeente de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

V.O.F. [pachter sub 1], waarvan [pachter sub 2], [pachter sub 3] en [pachter sub 4] de vennoten zijn, pacht van de Gemeente (onder meer) de percelen kadastraal bekend gemeente [A], sectie H, nummer 1518 gedeeltelijk, ter grootte van 3.32.06 hectare, nummer 1519 gedeeltelijk, ter grootte van 2.45.77 hectare, en nummer 1232 ter grootte van 3.87.12 hectare. Tot het verpachte behoort de boerderij aan de [adres] met erf ter grootte van 0.26.00 hectare.

3.2

V.O.F. [pachter sub 1] is een akkerbouwbedrijf. [pachters] houden zelf geen vee (meer). [pachter sub 2], [pachter sub 3] en [pachter sub 4] hebben naast een akkerbouwbedrijf ook een hoveniersbedrijf.

3.3

Op de gepachte percelen is van toepassing het bestemmingsplan “Osdorperweg e.o.”, dat op 16 februari 2010 is vastgesteld door de deelraad van het Stadsdeel Osdorp (inmiddels opgegaan in het nieuwe stadsdeel Nieuw-West) van de gemeente Amsterdam en onherroepelijk geworden bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State van 25 april 2012.

3.4

Het bestemmingsplan “Osdorperweg e.o.” is gedeeltelijk herzien bij het bestemmingsplan “Partiële herziening Osdorperweg e.o.”, vastgesteld op 24 april 2013 door de deelraad van het stadsdeel Nieuw-West. Het daartegen gerichte beroep is bij uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State van 4 december 2013 ongegrond verklaard.

3.5

Volgens het bestemmingsplan heeft het perceel kadastraal bekend gemeente [A], sectie H, nummer 1518, de bestemming “Agrarisch met waarden”.

3.6

In artikel 4.1 van het bestemmingsplan is de bestemming “Agrarisch met waarden” onder meer als volgt omschreven:

“De voor ‘Agrarisch met waarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. agrarisch natuurbeheer;

  2. het beweiden met vee;

  3. het behoud, herstel of de ontwikkeling van de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden van:

1. het veenweidegebied van de Osdorper Binnenpolder Zuid, dat bestaat uit de open en waterrijke karakteristiek van het veenweidelandschap met strokenverkaveling en kavelsloten en de daarbij behorende flora en fauna;

2. de uitgeveende Osdorper Bovenpolder, dat bestaat uit een open landschap met strokenverkaveling en kavelsloten en de daarbij behorende flora en fauna;

3. oeververbindingen in de vorm van bruggen;

ecologische verbindingen;

water, watergangen en oeververbindingen;

(…)”

Volgens artikel 4.3 aanhef en onder f van het bestemmingsplan is strijdig met de bestemming “Agrarisch met waarden” “vogelaantrekkend gebruik zoals moerasgebieden met oppervlaktewateren groter dan 3 hectare”.

De artikelsgewijze toelichting op het bestemmingsplan 2010 houdt met betrekking tot “Artikel 4: Agrarisch met waarden” het volgende in :

“De agrarische functie van deze gronden is beperkt tot agrarisch natuurbeheer (beweiding en maaien). Grondgebonden veehouderij in combinatie met agrarisch natuurbeheer is derhalve mogelijk (koeien en schapen). Het gemengde gebied aan de stadsrand leent zich niet voor intensieve veehouderij en de polders zijn hier van oudsher te nat voor akkerbouw of tuinbouw. Vanwege de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden van dit natte en waterrijke open landschap zijn akkerbouw en tuinbouw hier niet gewenst. Ook glastuinbouw, sierteelt en boom- en fruitteelt zijn hier vanwege de karakteristieke openheid niet gewenst.

Werkzaamheden die de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het waterrijke veenweidegebied kunnen aantasten zijn alleen met een aanlegvergunning toelaatbaar.

Wel is het mogelijk om bruggetjes en hekjes te bouwen ten behoeve van de laarzenpaden (met een hoogte van maximaal 1.50 meter).

Werkzaamheden ten behoeve van de verbetering van de habitat van weidevogels of het ophogen van het waterpeil worden tot het normale onderhoud en beheer van dit gebied gerekend en zijn niet aanlegvergunningplichtig.”

3.7

Op 10 december 2012 is vastgesteld het Definitief Ontwerp voor het project Groene As-verbinding Osdorperbovenpolder Tuinen van West (hierna te noemen: het Definitief Ontwerp). Dit project bestaat uit drie onderdelen, waaronder het onderdeel Moeraszone Osdorperbovenpolder. Met het onderdeel Moeraszone Osdorperbovenpolder wordt beoogd de watergangen te verbreden en het grasland om te zetten in rietmoeras. Voor de realisatie van het rietmoeras wordt de grond tot 20 cm onder het maaiveld afgegraven en ingeplant met riet. Door de moeraszone wordt een struinroute aangelegd op de hoogte van het oorspronkelijk maaiveld.

3.8

Op 19/27 februari 2013 hebben het dagelijks bestuur van het Stadsdeel Nieuw-West van de gemeente Amsterdam en Rijkswaterstaat, dienst Noord-Holland, een overeenkomst ondertekend die onder meer betrekking heeft op de aanleg van de moeraszone in de Osdorperbovenpolder.

3.9

De Gemeente heeft op 5 februari 2014 een omgevingsvergunning verleend ter realisering van de moeraszone. [pachter sub 2] heeft op 21 februari 2014 tegen deze vergunning een bezwaarschrift ingediend.

3.10

De Gemeente heeft bij dagvaarding van 3 december 2013 in een bodemprocedure bij de pachtkamer van de rechtbank Amsterdam ontbinding van de pachtovereenkomst met V.O.F. [pachter sub 1] gevorderd op grond van artikel 7:377 Burgerlijk Wetboek.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

In dit geding heeft de Gemeente bij wijze van voorlopige voorziening veroordeling van [pachters] gevorderd tot ontruiming van het perceel kadastraal bekend gemeente [A], sectie H, nummer 1518 (hierna: het perceel), op straffe van een dwangsom. Bij het bestreden vonnis heeft de pachtkamer in eerste aanleg die vordering toegewezen, onder veroordeling van de Gemeente tot betaling van een voorschot op de schadeloosstelling van € 11.700,— en met compensatie van de proceskosten.

4.2

De pachtkamer in eerste aanleg heeft aan zijn beslissing ten grondslag gelegd dat de vordering van de Gemeente in de bodemzaak, strekkende tot ontbinding van de pachtovereenkomst op grond van artikel 7:377 Burgerlijk Wetboek, zodanige kans van slagen heeft, dat het gerechtvaardigd is op de uitkomst daarvan in kort geding vooruit te lopen. Daartegen richten zich de grieven I en II.

4.3

Met grief I stellen [pachters] zich op het standpunt dat de omstandigheid dat de bestemming van het perceel “Agrarisch met waarden” is, met zich brengt dat geen sprake kan zijn van een bestemming door de Gemeente voor niet tot de landbouw betrekkelijke doeleinden in de zin van artikel 7:377 Burgerlijk Wetboek.

4.4

De grief faalt. Voor de vraag of sprake is van een (voorgenomen) bestemming voor “niet tot de landbouw betrekkelijke doeleinden” in de zin van artikel 7:377 Burgerlijk Wetboek is niet doorslaggevend of het toepasselijke bestemmingsplan die bestemming al dan niet als “agrarisch” of, zoals hier, “agrarisch met waarden” benoemt. De Gemeente beoogt op het perceel een moeraszone aan te leggen. [pachters] voeren zelf aan (appeldagvaarding, overgang p. 4 en 5) dat het afgraven van het perceel teneinde het geschikt te maken als moeraszone een agrarische exploitatie onmogelijk maakt. Daarmee is sprake van een voorgenomen bestemming voor niet tot de landbouw betrekkelijke doeleinden in de zin van artikel 7:377 Burgerlijk Wetboek.

4.5

Met grief II betogen [pachters] dat onvoldoende aannemelijk is dat de door de Gemeente voorgestane bestemming tot “moeraszone” op basis van het vigerende bestemmingsplan kan worden gerealiseerd en in het algemeen belang is.

4.6

Het hof overweegt als volgt. Het perceel heeft niet de bestemming “Agrarisch” maar “Agrarisch met waarden”. Het beroep van [pachters] op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 april 2012 onder 2.13 stuit daarop af. In dit verband wijst het hof erop dat wat betreft de bestemming “Agrarisch” artikel 3.1 onder d van het bestemmingsplan spreekt van “ecologische verbindingszones” (waarin gelezen zou kunnen worden dat het slechts om smalle stroken grond gaat), terwijl hetzelfde plan wat betreft de bestemming “Agrarisch met waarden” in artikel 4.1 sub d spreekt van “ecologische verbindingen”. Laatstbedoelde bepaling staat bovendien in een andere context in verband met de wijze waarop de bestemming “Agrarisch met waarden” in het plan overigens is omschreven en toegelicht (zoals hiervoor onder 3.6 aangehaald). Ook het beroep van [pachters] op Zienswijze 28 bij het bestemmingsplan Osdorperweg e.o. (productie 5 van de zijde van [pachters] bij brief van 9 december 2013) overtuigt niet, reeds omdat die de bestemming Waterstaat/Waterkering betreft.

4.7

[pachters] hebben zich er verder op beroepen dat het perceel groter is dan 3 hectare en dat aldus strijd zou ontstaan met artikel 4.3 sub f van het bestemmingsplan, maar zij hebben ten onrechte niet toegelicht dat de aanleg van de moeraszone leidt tot het ontstaan van een moerasgebied met oppervlaktewateren groter dan 3 hectare.

4.8

[pachters] voeren aan dat de bestemming “Agrarisch met waarden” volledig illusoir wordt gemaakt wanneer van het betreffende gebied een moerasgebied wordt gemaakt; volgens hen had dan de bestemming “Natuur” moeten zijn. Uit de aanduiding van de bestemming met (mede) het woord “agrarisch” kan echter niet worden afgeleid dat uitsluitend agrarisch gebruik is toegestaan, noch dat op het perceel geen moeraszone mag worden aangelegd. Bepalend is hoe de bestemming “Agrarisch met waarden” in de beschrijving van de bestemming in het bestemmingsplan is gedefinieerd, namelijk onder meer als “ecologische verbindingen”.

4.9

Uit het voorgaande blijkt dat de door de Gemeente als eigenaar van het perceel voorgenomen bestemming voor niet tot de landbouw betrekkelijke doeleinden op basis van het vigerende bestemmingsplan kan worden gerealiseerd.

4.10

Vervolgens staat ter beoordeling of die bestemming ook in overeenstemming met het algemeen belang is.

4.11

Uit hetgeen is overwogen, volgt dat de voorgenomen aanleg van een moeraszone in overeenstemming met het bestemmingsplan is. Dat bestemmingsplan is onherroepelijk. Als dat al niet zou gelden voor de laatste gedeeltelijke herziening, geldt dat het oorspronkelijke, onherroepelijke bestemmingsplan (vergelijk hiervoor onder 3.3) op dit punt niet van het herziene plan afwijkt. Voor zover [pachters] suggereren dat het door hen gebezigde agrarisch gebruik (ook) met het bestemmingsplan in overeenstemming is, hebben zij hun standpunt onvoldoende gemotiveerd, omdat immers uit de onder 3.6 aangehaalde beschrijving van de bestemming en de erop gegeven toelichting volgt dat binnen de bestemming “Agrarisch met waarden” wel grondgebonden veehouderij in combinatie met agrarisch natuurbeheer toegelaten is, maar geen akkerbouw of tuinbouw (uiteraard afgezien van de werking van het overgangsrecht), terwijl vaststaat dat [pachters] een akkerbouwbedrijf voeren.

4.12

Gelet op de tweede volzin van artikel 7:377 lid 1 Burgerlijk Wetboek moet dus worden verondersteld dat de voorgenomen bestemming in het algemeen belang is omdat zij in overeenstemming is met een onherroepelijk bestemmingsplan. Dat de voorgenomen bestemming in het algemeen belang is, volgt ten overvloede ook uit het Definitief Ontwerp Groene AS-verbinding Osdorperbovenpolder Tuinen van West (productie 4 van de zijde van de Gemeente) en de Overeenkomst tot regeling van de in het kader van de aanleg van de Westrandweg te realiseren 3 maatregelen ter versterking van de Groene AS in de gemeente Amsterdam (productie 6 van de zijde van de Gemeente).

4.13

Grief II faalt dus in al zijn onderdelen.

4.14

Met grief III beklagen [pachters] zich erover dat de pachtkamer in eerste aanleg een voorschot op de door de Gemeente verschuldigde schadeloosstelling heeft toegekend ter grootte van niet meer dan € 11.700,—, zijnde 90% van het door de Gemeente aangeboden bedrag van € 13.000,—. Zij betogen dat de pachtkamer in eerste aanleg zich lijdelijk had moeten opstellen en € 13.000,— diende toe te wijzen.

4.15

De grief faalt. Zonder een daarop gerichte vordering heeft de pachtkamer in eerste aanleg de Gemeente veroordeeld tot betaling van een voorschot op de schadeloosstelling van € 11.700,—. Klaarblijkelijk heeft de pachtkamer in eerste aanleg daarmee overeenkomstige toepassing willen geven aan het tweede lid van artikel 54k Onteigeningswet. Dat tussen partijen geen overeenstemming bestond over de hoogte van het voorschot, blijkt uit het vonnis onder 12. In het midden kan blijven of in dit geding zonder een daarop gerichte vordering veroordeling tot betaling van een voorschot mogelijk was; de Gemeente werpt daartegen immers geen grief op. Ervan uitgaande dat die veroordeling mogelijk was, valt niet in te zien op grond waarvan méér behoort te worden toegewezen dan in het vergelijkbare geval zoals geregeld in artikel 54k Onteigeningswet.

4.16

Grief IV strekt ten betoge dat het bestreden vonnis non-existent is, omdat het slechts is ondertekend door de voorzitter en de griffer, en niet ook mede door de beide deskundige leden van de pachtkamer.

4.17

De grief faalt. De pachtkamer is een meervoudige kamer. Volgens artikel 230 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt het vonnis van een meervoudige kamer ondertekend door de voorzitter en de griffier. Van enig gebrek is dus geen sprake, laat staan van een gebrek dat ertoe leidt dat het vonnis non-existent is.

4.18

Grief V van [pachters], welke grief betrekking heeft op de proceskosten, veronderstelt dat de Gemeente in het ongelijk behoort te worden gesteld. Die grief moet aldus in het lot van de overige grieven delen.

4.19

De memorie van antwoord onder 15 en 16 bevat een incidentele grief met betrekking tot de beslissing van de rechtbank omtrent de proceskosten.

4.20

De grief slaagt. Afgezien van het geval dat tussen partijen een familierechtelijke betrekking bestaat, kent artikel 237 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de mogelijkheid om de proceskosten te compenseren alleen in het geval dat partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld. Daarvan is geen sprake. Indien daartoe aanleiding bestaat, kan in de bodemprocedure bij de begroting van de schadeloosstelling ex artikel 7:377 lid 3 Burgerlijk Wetboek met de in dit geding ten laste van [pachters] uit te spreken proceskostenveroordeling (evenals met de door hen zelf gemaakte proceskosten) rekening worden gehouden. Die aanleiding zal met name bestaan in het geval dat de schadeloosstelling voor de tijd welke de pachter bij niet-ontbinding ingevolge de pachtovereenkomst nog op het gepachte had kunnen blijven, op een hoger bedrag wordt begroot dan door de Gemeente aan [pachters] was aangeboden (vergelijk artikel 50 lid 1 Onteigeningswet). In verband met de mogelijkheid dat aldus de proceskosten alsnog voor rekening van de Gemeente zullen komen, geeft het hof de Gemeente in overweging om de veroordeling van [pachters] in de proceskosten vooralsnog niet tegen hen ten uitvoer te leggen.

4.21

De slotsom is dat de grieven in het principaal beroep alle falen. De grief in het incidenteel beroep slaagt. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen uitsluitend wat betreft de beslissing met betrekking tot de proceskosten. De aan de zijde van de Gemeente gevallen kosten van het geding in eerste aanleg zal het hof begroten op € 92,82 voor explootkosten, op € 112,— voor griffierecht en op € 1.000,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.

4.22

Het hof zal [pachters] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het principaal beroep en het incidenteel beroep. De aan de zijde van de Gemeente gevallen kosten van het principaal beroep zal het hof begroten op € 704,— voor griffierecht en € 1.341,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (anderhalf punt tarief II à € 894,—) en die van het incidenteel beroep op € 316,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (een half punt tarief I ).

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Amsterdam van 31 december 2013 uitsluitend wat betreft de beslissing omtrent de proceskosten en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt [pachters] in de kosten van het geding in eerste aanleg en begroot de aan de zijde van de Gemeente gevallen kosten op € 92,82 voor explootkosten, op € 112,— voor griffierecht en op € 1.000,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

bekrachtigt genoemd vonnis voor het overige;

veroordeelt [pachters] in de kosten van het principaal en het incidenteel beroep en begroot de aan de zijde van de Gemeente gevallen kosten wat betreft het principaal beroep op € 704,— voor griffierecht en € 1.341,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en wat betreft het incidenteel beroep op € 316,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest wat betreft voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, G.P.M. van den Dungen en Th.C.M. Willemse en de deskundige leden mr. ing. H.J. Vinke en ir. H.K.C. Roelofsen, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 september 2014.