Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:6776

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-09-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
200.106.205
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op gebruik in de sector (2.9) en vooral omstandigheid dat verkoop van een vleeskalverbedrijf(locatie) zonder de bijbehorende toeslagrechten leidt tot een lagere koopprijs en dat de ontkoppeling niet heeft geleid tot een meerwaarde voor een dergelijk(e) bedrijf(slocatie) (2.8) brengen eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW) mee dat verkoper de hem toegekende toeslagrechten om niet aan de koper dient over te dragen. Afdoening op grond van onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW) leidt tot zelfde uitkomst. Matiging van contractuele boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.106.205

(zaaknummer rechtbank Arnhem 218493)

arrest van de tweede civiele kamer van 2 september 2014

in de zaak van

[appellant sub 1] en [appellante sub 2],

beiden wonende te [woonplaats appellanten],

appellanten,

hierna: [appellanten] (in mannelijk enkelvoud),

advocaat: mr. F.R.H. Kuiper,

tegen:

[geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats geïntimeerden],

geïntimeerden,

hierna: [geïntimeerden] (in mannelijk enkelvoud),

advocaat: mr. J.M.M. Kroon.

1 Het verloop van het geding

1.1

Voor het verloop van het geding tot aan de beide arresten van 18 juni 2013 en 10 december 2013 verwijst het hof naar die arresten.

1.2

Het vervolg van het geding blijkt uit:

■ proces-verbaal van getuigenverhoor aan de zijde van [appellanten];

■ de akte overlegging producties tevens akte uitlating van [appellanten];

■ de akte uitlating van [geïntimeerden];

■ proces-verbaal van getuigenverhoor aan de zijde van [geïntimeerden];

■ de memorie na enquête van [appellanten].

1.3

Vervolgens hebben partijen andermaal de dossiers overgelegd en heeft het hof andermaal arrest bepaald.

2 Voortgezette motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

Nadat het hof ingevolge het arrest van 18 juni 2013 met partijen had gecompareerd (bij welke gelegenheid [deskundige 1] en [deskundige 2] als deskundigen zijn gehoord), zijn ingevolge het arrest van 10 december 2013 getuigen gehoord met betrekking tot: (1) de vraag op welke wijze bij vergelijkbare transacties is gehandeld, dit met het oog op vaststelling van de verkeersopvattingen binnen de sector, en (2) de wijze van totstandkoming van de onderhavige transactie, in verband met de vraag welke omstandigheden in de koopovereenkomst zijn verdisconteerd. Bovendien zijn door partijen nieuwe stukken overgelegd.

2.2

Thans zal het hof nader beslissen op de grieven 4 (voor zover het betreft het beroep op de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid) en 6, 7 en 8 (onvoorziene omstandigheden).

2.3

Gelet op wat de deskundige [deskundige 1] heeft verklaard, gaat het hof er vanuit dat ten tijde van de koopovereenkomst (28 januari 2008) voor goed geïnformeerde partijen voorzienbaar was dat de inkomenssteun zou worden ontkoppeld van het aantal afgeleverde kalveren, dat ook duidelijk was dat er in plaats van de slachtpremies toeslagrechten zouden komen, maar dat de vormgeving nog onzeker was, met name de keuze van de referentiejaren. Er was een “einddatum” bekend, namelijk 2012, maar er kon ook worden gekozen voor ontkoppeling op een eerder moment, wat uiteindelijk ook is gebeurd (2010). Naar het hof uit de verklaring van [deskundige 1] verder begrijpt, lag het voor personen met voldoende deskundigheid bovendien voor de hand dat met betrekking tot de ontkoppeling van de inkomenssteun voor vleeskalverbedrijven gekozen zou worden voor een langere referentieperiode dan één jaar, bijvoorbeeld twee of drie jaar.

2.4

De deskundige [deskundige 2] heeft vooral verklaard over de vraag of het voor [appellanten]
– ervan uitgaande dat hij minder toeslagrechten had verkregen dan wanneer alle in de referentiejaren 2006, 2007 en 2008 op de door hem aangekochte bedrijfslocatie te [plaats bedrijfslocatie] gerealiseerde productie bij de toekenning aan hem van toeslagrechten zouden zijn meegeteld – voordelig zou zijn geweest om extra toeslagrechten aan te kopen. Naar het hof begrijpt zou dat voordelig geweest zijn vanaf het derde jaar na aankoop van deze extra rechten. [deskundige 2] heeft verder onder meer verklaard over de vermoedelijke inhoud van de voergeldovereenkomst waarbij [appellanten] partij is. Volgens haar pakt de overeenkomst nadelig uit voor [appellanten], maar zijn dit soort contracten wel gangbaar.

2.5

De getuige [getuige 1], hoofd INR en premies binnen de [bedrijf 1], heeft verklaard over de gang van zaken bij andere verkopen van vleeskalverbedrijven in de jaren 2010, 2011 en 2012. Bij de waardering van wat deze getuige heeft verklaard, moet worden bedacht dat veel verkooptransacties niet werkelijk vergelijkbaar zijn. Veel van de verkopers waarover [getuige 1] heeft verklaard, waren “stoppers”, dat wil zeggen vleeskalverhouders die hun bedrijf beëindigden. Deze stoppers hadden er geen belang bij om toeslagrechten op hun naam te krijgen, omdat zij die rechten toch niet zouden kunnen uitnutten. Dit is volgens [getuige 1] anders wat betreft de transacties [transactie 1], [transactie 2], [transactie 3], [transactie 4], [transactie 5] en [transactie 6]. Wat betreft de transactie [transactie 3] weet [getuige 1] niet of partijen wat zijn overeengekomen met betrekking tot toeslagrechten, en zo ja wat daarvan de inhoud is. Met betrekking tot de resterende transacties volgt uit zijn verklaring en de door hem overgelegde stukken kort samengevat het volgende:

■ [transactie 1]: koopovereenkomst van januari 2011; verkoper werkt mee aan overdracht van toeslagrechten in de jaren 2006, 2007 en 2008; daaraan zal een waarde worden toegekend die in mindering strekt op de waarde van de bedrijfsgebouwen; de totale koopsom wordt er niet door beïnvloed (artikel 9 koopakte; akte slechts zeer gedeeltelijk overgelegd).

■ [transactie 2]: koopovereenkomst van 10 april 2010; de toeslagrechten gaan op koper over (artikel 14 koopakte); in de opsplitsing van de koopsom (voorafgaand aan artikel 1) is aan de toeslagrechten geen waarde toegekend.

■ [transactie 4]: koopovereenkomst van oktober 2009; alle tot het verkochte behorende slachtpremies c.q. EU-toeslagrechten welke in het verleden (de referentiejaren) op het bedrijf zijn opgebouwd, zullen op de koper overgaan (artikel 21 koopakte); in de opsplitsing van de koopsom (artikel 22) is aan de toeslagrechten geen waarde toegekend.

■ [transactie 5]: koopovereenkomst van 4 oktober 2011; in de opsplitsing van de koopsom komt een bedrag van € 40.000 voor toeslagrechten voor; volgens [getuige 1] kan dit een fiscale achtergrond hebben (besparing van overdrachtsbelasting).

■ [transactie 6]: koopovereenkomst van 12 mei 2006; achteraf zijn met medewerking van verkoper de referentiegegevens met betrekking tot het overgedragen bedrijfsgedeelte overgeschreven op naam van koper; [getuige 1] is ervan overtuigd dat hij het zou hebben gehoord als verkoper voor zijn medewerking betaling zou hebben verkregen.

Naar aanleiding van de vraag of de getuige transacties kent waarbij “het anders is gegaan”, heeft de getuige verklaard over de transactie [transactie 7], waarvan de transportakte van 26 september 2007 is. In dat geval waren partijen overeengekomen dat er geen premierechten, maïspremies, toeslagrechten of (mest)productierechten in de koop waren inbegrepen (artikel 7). Volgens [getuige 1] is vervolgens voor het overschrijven van toeslagrechten betaald en wel 50% van de uitbetaalde waarde over een periode [getuige 3] jaar. Daarop heeft de advocaat van [geïntimeerden] de desbetreffende overeenkomst overgelegd, waaruit volgt dat de koopsom 75% bedroeg van de ontvangen waarde.

2.6

De getuige [getuige 2], notaris, heeft niets kunnen verklaren wat voor de beslissing van de zaak van belang is.

2.7

De getuige [getuige 3], makelaar, was destijds in opdracht van [appellanten] betrokken bij de koopovereenkomst tussen partijen. Volgens de getuige is er bij de voorbereiding van de koopovereenkomst met geen woord gerept over toeslagrechten, noch in de besprekingen met [geïntimeerden] noch in het contact met [appellanten]. Volgens [getuige 3] is de achtergrond van artikel 20 van de koopovereenkomst (volgens welke in het verkochte geen EU-toeslagrechten begrepen waren) dat er destijds al wel toeslagrechten waren maar geen toeslagrechten die voor vleeskalverbedrijven van belang zijn; er waren slechts slachtpremies. [getuige 3] en zijn kantoor waren er destijds niet mee bekend dat er ook voor vleeskalverbedrijven toeslagrechten zouden (kunnen) komen; die bekendheid bestond volgens de getuige ook niet “vanuit de branchevereniging”. [getuige 3] heeft wat betreft de transactie [transactie 6] verklaard dat de toeslagrechten “zodra dat kon” om niet door [transactie 6] zijn overgedragen. Volgens de getuige heeft een bedrijf zonder toeslagrechten weliswaar een lagere waarde en wordt om fiscale redenen aan het toeslagrecht een waarde toegekend, maar wil dit niet zeggen dat het complex van het over te dragen bedrijf meerwaarde krijgt als gevolg van de ontkoppeling. Als je een bedrijf zou kopen zonder toeslagrechten vertaalt dat zich volgens [getuige 3] onherroepelijk in een veel ongunstiger contract met de integratie, zoals de [bedrijf 1].

2.8

De getuige [getuige 4], agrarisch makelaar, heeft verklaard over de transactie [transactie 7]. Volgens zijn verklaring is tussen partijen uitdrukkelijk aan de orde geweest of toeslagrechten over zouden gaan op de koper en is afgesproken dat de verkoper alle rechten zelf zou aanhouden. Uiteindelijk zijn toch toeslagrechten overgedragen, tegen betaling van 75% van de waarde. Volgens [getuige 4] was er in 2005 en 2006 al voortdurend sprake van de aankomende ontkoppeling in agrarische tijdschriften en via bijscholing. Aan de getuige is verder onder meer ook gevraagd wat een koper te doen stond als hij geen toeslagrechten had. Daarop heeft [getuige 4] geantwoord dat het voorkomt dat er bedrijven worden verkocht zonder toeslagrechten, maar dat dit dan leidt tot een bijstelling van de koopprijs.

2.9

Op grond van deze getuigenverklaringen en stukken stelt het hof vast dat van een gebruik in de sector slechts in beperkte zin is gebleken; het aantal gevallen dat zich goed laat vergelijken met dat van partijen is daarvoor te gering. Niet alleen zijn er maar betrekkelijk weinig transacties waarbij de verkoper geen “stopper” is, maar ook zijn bijna alle transacties waarover de getuigen hebben verklaard, duidelijk later in de tijd (2009 en later, in plaats van begin 2008). Wel wijzen alle relevante transacties waarover door de getuigen is verklaard meer in de richting van het gelijk van [appellanten] dan in dat van [geïntimeerden]. Alleen wat betreft de transactie [transactie 7] is door de koper van de bedrijfslocatie extra voor de toeslagrechten betaald, maar dat betrof een geval waarin geen premierechten, toeslagrechten, of (mest)productierechten in de koop waren inbegrepen. Weliswaar is ook in de koopovereenkomst tussen partijen een beding op genomen volgens welke geen EU-toeslagrechten waren inbegrepen (artikel 20), maar het beding in de transactie [transactie 7] ging veel verder. Ook de wel ten tijde van de koopovereenkomst met betrekking tot vleeskalverbedrijven bestaande mestproductierechten bleven immers buiten de koop, hetgeen aannemelijk maakt dat [transactie 7] de bedoeling hadden om uitsluitend de fysieke productiemiddelen te verkopen respectievelijk kopen.

2.10

Verder blijkt zowel uit de verklaring van [getuige 3] als die van [getuige 4] dat verkoop van een vleeskalverbedrijf(locatie) zonder de bijbehorende toeslagrechten leidt tot een lagere koopprijs en dat de ontkoppeling niet heeft geleid tot een meerwaarde voor een dergelijk(e) bedrijf(slocatie). Dat weegt voor het hof zwaar. Door [geïntimeerden] is niet aangevoerd, in ieder geval niet voldoende gemotiveerd, dat partijen door middel van een lagere koopprijs in hun overeenkomst hebben verdisconteerd dat de (ten tijde van de koopovereenkomst nog toekomstige) toeslagrechten niet aan [appellanten] als koper zouden toekomen. Het komt dus erop neer dat [geïntimeerden] een meerwaarde heeft willen realiseren die voor verkopers onder overigens vergelijkbare omstandigheden niet alleen niet bestond onder het voorheen bestaande stelsel van slachtpremies, maar ook niet thans na de inwerkingtreding van het huidige stelsel van toeslagrechten. [geïntimeerden] zou de bedoelde meerwaarde dus realiseren dankzij de toevallige omstandigheid dat hij de bedrijfslocatie [plaats bedrijfslocatie] heeft verkocht in een overgangsperiode tussen de beide stelsels. Tegenover die door hem gerealiseerde meerwaarde staat bovendien een nadeel voor [appellanten]. Dat nadeel zou deze niet hebben geleden indien hij voorafgaand aan de referentiejaren zou hebben gekocht en evenmin wanneer hij na de inwerkingtreding van het huidige stelsel zou hebben gekocht.

2.11

Gelet op hetgeen onder 2.9 en 2.10 is overwogen brachten en brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid mee dat Henriks de aan hem toegekende toeslagrechten, voor zover die hem werden toegekend op grond van op de aan [appellanten] verkochte bedrijfslocatie [plaats bedrijfslocatie] gerealiseerde productie in de referentiejaren, aan [appellanten] overdraagt en wel om niet.

2.12

Voor het hof is hiervoor een bijkomend argument dat [geïntimeerden] de extra toeslagrechten die hij dankzij “[plaats bedrijfslocatie]” op zijn naam heeft gekregen, oorspronkelijk op de locatie De Klomp niet kon benutten, maar dat hij daartoe extra grond heeft moeten pachten (proces-verbaal comparitie van partijen en proces-verbaal getuigenverhoor 20 december 2013, blad 2). Het is dus niet zo dat de wettelijke regeling met betrekking tot de toeslagrechten [geïntimeerden] zonder meer een voordeel in de schoot wierp; hij heeft de inrichting van zijn (resterende) bedrijf moeten wijzigen om dat voordeel te behalen. Dat had te meer aanleiding voor hem moeten zijn om zich af te vragen of dat voordeel hem in redelijkheid toekwam en hoe het door hem te behalen voordeel zich verhield tot door [appellanten] opgelopen nadeel.

2.13

Aan het voorgaande doet niet af dat partijen in de gevolgen van de ten tijde van de koopovereenkomst nog toekomstige systeemwijziging hadden kunnen voorzien en evenmin dat een voldoende zorgvuldig handelend adviseur van [appellanten] daarop mogelijk ook zou hebben aangestuurd. Vaststaat dat partijen in die systeemwijziging niet hebben voorzien. Dat betekent dat de koopovereenkomst op dit punt een leemte liet, die werd en wordt opgevuld door wat de eisen van redelijkheid en billijkheid in de gegeven omstandigheden meebrengen (art. 6:248 lid 1 Burgerlijk Wetboek).

2.14

Aan het voorgaande doet ook niet af dat [appellanten] het door hem opgelopen nadeel eventueel had kunnen beperken door toeslagrechten aan te kopen. Hij behoefde dat niet te doen omdat hij zich terecht op het standpunt kon stellen dat [geïntimeerden] diende mee te werken aan overschrijving van de aan deze toegekende toeslagrechten (voor zover die hem waren toegekend op grond van op de aan [appellanten] verkochte bedrijfslocatie [plaats bedrijfslocatie] gerealiseerde productie in de referentiejaren).

2.15

In zoverre slaagt dus grief 4. Dat leidt tot toewijzing van de vordering van [appellanten] tot veroordeling van [geïntimeerden] tot overschrijving van de aan hem toegekende toeslagrechten voor zover gebaseerd op verkregen slachtpremies in de jaren 2006, 2007 en 2008, voor zover die premies zijn toegekend naar aanleiding van op de bedrijfslocatie [plaats bedrijfslocatie] gerealiseerde productie. Aan die veroordeling zal het hof een dwangsom verbinden, maar voor een lager bedrag per dag en met een lager maximum dan door [appellanten] gevorderd. Ook toewijsbaar is de vordering tot veroordeling van [geïntimeerden] om aan [appellanten] te voldoen de bedragen die hij op grond van de bedoelde toeslagrechten tot nu toe heeft ontvangen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling van de overheid aan [geïntimeerden]. Wat betreft het ingangsmoment van de wettelijke rente verwijst het hof naar artikel 6:83 aanhef en onder b Burgerlijk Wetboek.

2.16

Niet toewijsbaar is de door [appellanten] gevorderde veroordeling tot betaling van de contractuele boete. Door [geïntimeerden] is een beroep gedaan op matiging (conclusie van antwoord, blad 15, conclusie onder 4). Voor matiging bestaat inderdaad alle grond. Het gaat hier om de niet-nakoming van een gedeelte van de koopovereenkomst waarover tussen partijen onduidelijkheid bestond. Die onduidelijkheid komt in dit verband (dus wat betreft de contractuele boete) niet voor rekening van [geïntimeerden]; integendeel komt in dit verband wél betekenis toe aan de omstandigheid dat partijen in de gevolgen van de ten tijde van de koopovereenkomst nog toekomstige systeemwijziging hadden kunnen voorzien en dat een goed ingevoerde adviseur van [appellanten] daarop ook zou hebben aangestuurd. In verband daarmee eist de billijkheid klaarblijkelijk de matiging van de contractuele boete tot nihil.

2.17

Ten overvloede overweegt het hof nader als volgt. Indien het hof over grief 4 anders zou hebben geoordeeld, zouden slagen de grieven 6, 7 en 8, omdat dan sprake is van onvoorziene omstandigheden van dien aard dat [geïntimeerden] geen ongewijzigde instandhouding van de koopovereenkomst mag verwachten. In dat geval moet de overeenkomst aldus worden gewijzigd dat [geïntimeerden] alsnog verplicht is tot overdracht van de aan deze toegekende toeslagrechten voor zover die hem werden toegekend op grond van op de aan [appellanten] verkochte bedrijfslocatie [plaats bedrijfslocatie] gerealiseerde productie in de referentiejaren en daarnaast ook tot afdracht aan [appellanten] van de door [geïntimeerden] op basis van de bedoelde toeslagrechten ontvangen bedragen (het hof komt in zoverre terug van hetgeen het bij het tussenarrest van 18 juni 2013 onder 4.14 had overwogen). Deze uitkomst komt dus overeen met de uitkomst waartoe het gedeeltelijk slagen van grief 4 leidt. In dit verband beschouwt het hof de onvoorziene omstandigheden als zodanig klemmend dat de bedoelde wijziging van het overeengekomene geboden is, ondanks de in beginsel bij de toepassing van artikel 6:258 Burgerlijk Wetboek te betrachten terughoudendheid. Die klemmendheid volgt met name uit hetgeen hiervoor onder 2.10 is overwogen.

2.18

De slotsom is dat het vonnis van 1 februari 2012 niet in stand kan blijven. Opnieuw rechtdoende zal het hof de primaire vordering van [appellanten] (gemodereerd) toewijzen, met uitzondering van zijn vordering met betrekking tot de contractuele boete.

Het hof zal [geïntimeerden] veroordelen in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep. De aan de zijde van [appellanten] gevallen kosten zal het hof wat betreft de eerste aanleg begroten op € 103,91 voor explootkosten, € 260,— voor griffierecht en € 904,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (twee punten tarief II), en wat betreft het hoger beroep op € 104,64 voor explootkosten, € 291,— voor griffierecht en € 2.682,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (het maximum [getuige 3] punten tarief II). Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Arnhem van 1 februari 2012 en doet opnieuw recht;

veroordeelt [geïntimeerden] om binnen tien werkdagen na betekening van dit arrest mee te werken aan het overschrijven van de referentiejaren 2006, 2007 en 2008 op naam van [appellanten]/op het bedrijfsnummer van [appellanten], dan wel het om niet overdragen van toeslagrechten voor zover gebaseerd op de in de jaren 2006, 2007 en 2008 gerealiseerde productie op de locatie [plaats bedrijfslocatie], op straffe van een dwangsom van € 2.000,— per dag dat dit achterwege blijft, met een maximum van € 100.000,—;

veroordeelt [geïntimeerden] tot voldoening aan [appellanten] van de door hem ontvangen bedragen op grond van zijn toeslagrechten voor zover gebaseerd op de in de jaren 2006, 2007 en 2008 gerealiseerde productie op de locatie [plaats bedrijfslocatie], te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de dag der betaling door de overheid aan [geïntimeerden];

wijst af het meer of anders gevorderde;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep en begroot de tot de uitspraak van dit arrest aan de zijde van [appellanten] gevallen kosten wat betreft de eerste aanleg op € 103,91 voor explootkosten, € 260,— voor griffierecht en € 904,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, en wat betreft het hoger beroep op € 104,64 voor explootkosten, € 291,— voor griffierecht en € 2.682,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

verklaart dit arrest wat betreft voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, H.E. de Boer en Th.C.M. Willemse, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 september 2014.