Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:6769

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-09-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
200.108.891-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitvoering periodiek verrekenbeding in huwelijksvoorwaarden.

Niet is komen vast te staan dat partijen het verrekenbeding tijdens het huwelijk zijn nagekomen. Dit betekent dat alsnog moet worden verrekend en dat het vermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW hier van toepassing is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.108.891/01

(zaaknummer rechtbank Groningen 108231 / HA ZA 09-209)

arrest van de tweede kamer van 2 september 2014

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. P.B. Rietberg, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J-W.F. van Horssen, kantoorhoudend te Leek.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 11 juni 2013 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

[geïntimeerde] heeft op 9 juli 2013 een akte, met productie 35, genomen en [appellante] heeft op 3 september 2013 een antwoordakte, met productie 36, genomen.

1.2

Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

In het principaal appel en in het incidenteel appel

De vaststaande feiten

2.1

Over de weergave van de vaststaande feiten in de rechtsoverwegingen 2.1 en 2.2 van het tussenvonnis van 3 november 2010 bestaat geen geschil, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan, aangevuld met enkele andere feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan. Het volgende staat vast:

2.2

Partijen zijn vanaf 1 juni 1988 met elkaar gaan samenwonen.

2.3

Op 1 november 1988 hebben zij het appartement aan [adres 1] in eigendom verkregen voor een koopsom van ƒ 65.000,-. Daarbij zijn zij een hypothecaire geldlening bij de Postbank aangegaan met een hoofdsom van ƒ 65.000,-.

2.4

Op 15 juni 1990 hebben partijen het appartement aan [adres 2] gekocht en geleverd gekregen voor een koopsom van ƒ 55.000,-. Ter zake van deze aankoop is een rekening-courantschuld aangegaan van ƒ 50.000,-.

2.5

Eveneens op 15 juni 1990 is tussen partijen een akte houdende een samenlevingsovereenkomst, verleden voor notaris [notaris 1], destijds gevestigd te [woonplaats], waarin onder meer het volgende is vermeld:

"De comparanten verklaarden:

Dat zij sedert één juni negentienhonderd achtentachtig een gemeenschappelijke huishouding voeren;

dat zij geen aantekening hebben gehouden door wie de kosten van hun huishouding voor het grootste deel zijn gedragen;

dat zij op heden niets van elkander te vorderen hebben.

(…)

Tenslotte verklaarden de comparanten dat thans aan hen tezamen in eigendom toebehoren, ieder voor de onverdeelde helft, de navolgende zaken:

- het appartementsrecht (….) plaatselijk bekend [adres 1] (…);

- de hypothecaire schuld, rustende op voormeld appartementsrecht (…) groot ƒ 65.000,-;

- het appartementsrecht (…) plaatselijk bekend [adres 2] (…);

- de hypothecaire schuld, rustende op voormeld appartementsrecht (..) groot ƒ50.000,-;

(…)"

2.6

Op 1 september 1992 hebben partijen, ieder voor de onverdeelde helft, de woning aan [adres 3] gekocht en geleverd gekregen voor ƒ 157.500,-. Daarvoor zijn zij een hypothecaire geldlening aangegaan bij de Postbank groot ƒ 155.000,-.

2.7

Partijen hebben het appartement aan [adres 1] op 3 september 1992 verkocht voor ƒ 112.500,-.

2.8

[in] 1992 zijn zij met elkaar gehuwd op huwelijksvoorwaarden. In deze huwelijksvoorwaarden is onder meer het volgende bepaald:

"Kosten huishouding

Artikel 5.

1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, daaronder begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de uit het huwelijk geboren kinderen, van de door de echtgenoten geadopteerde kinderen, alsmede van de kinderen die met beider toestemming in het gezin zijn opgenomen, wat de laatste kinderen betreft voor zover deze kosten niet ten laste van derden komen, worden voldaan als volgt:

a. de rentelasten van al dan niet hypothecaire leningen, aangegaan tot verwerving of instandhouding van de door partijen als dagelijks hoofdverblijf bewoonde woning en de daartoe behorende onroerende zaken:

- voorzover mogelijk uit de netto reële opbrengsten - vóór aftrek van andere dan zakelijke lasten en belastingen - van aan partijen in mede-eigendom (al dan niet voor de onverdeelde helft) toebehorende onroerende zaken en

- voor het meerdere geheel ten laste van de vóór verdeling van deze lasten meestverdienende echtgenoot en

b. de overige kosten der huishouding uit de netto-inkomens uit arbeid der echtgenoten, zoals deze resteren na verrekening van het onder a hiervoor omschrevene, en wel naar evenredigheid daarvan; voor zover deze inkomens ontoereikend zijn, worden deze kosten voldaan uit ieders nettovermogen naar evenredigheid daarvan.

2. Onder inkomsten uit arbeid worden verstaan de netto-inkomsten uit arbeid en worden mede begrepen uitkeringen ter vervanging van inkomsten uitarbeid, zoals sociale uitkeringen en pensioenuitkeringen, alsmede winst uit een zelfstandig uitgeoefend beroep en bedrijf.

3. Onder netto-inkomsten uit arbeid worden verstaan de inkomsten uit arbeid als hiervoor bedoeld, verminderd met de belasting op inkomen voor zover deze betrekking heeft op de in lid 2 genoemde inkomensbestanddelen, alsmede verminderd met premieheffing-volksverzekeringen en andere wettelijke inhoudingen of heffingen.

Indien en voor zover een echtgenoot in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten van een niet op zijn eigen naam uitgeoefend bedrijf hem rechtstreeks of middellijk ten goede komen, worden die winsten geacht door hem te zijn genoten en worden zij - na aftrek van hetgeen verschuldigd zou zijn aan bovengenoemde belastingen en heffingen - gerekend tot de netto-inkomsten uit arbeid.

Onder netto-vermogen wordt verstaan het begrip vermogen als bedoeld in de Wet op de vermogensbelasting 1964 verminderd met alle belasting op inkomen en de over het vermogen verschuldigde belasting op vermogen, met dien verstande dat de vermogens van niet duurzaam gescheiden levende echtgenoten voor de toepassing van deze regeling niet worden samengevoegd.

4. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.

(…)

Verrekening van inkomsten

Artikel 8

De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun netto-inkomen uit arbeid in de zin van artikel 5, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, overblijft onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. Indien de echtgenoten over en weer een vordering op elkaar krijgen worden de vorderingen door een desbetreffende verklaring verrekend tot het bedrag van de kleinste vordering. Indien aan een echtgenoot langs andere weg iets ten goede komt of is gekomen van het overblijvende van het inkomen uit arbeid van de andere echtgenoot, wordt zijn vordering dienovereenkomstig verminderd.

Artikel 9.

1. De uitkering van het verschuldigde moet gedaan worden binnen een jaar na afloop van het desbetreffende kalenderjaar.

2. Ingeval gewichtige redenen zich verzetten tegen prompte voldoening zullen de echtgenoten een redelijke betalingsregeling - al of niet met zekerheidsstelling - treffen waarbij de belangen van beiden in acht genomen worden."

(…)

Artikel 11.

Geen verrekening heeft plaats:

a over de tijd, dat de echtgenoten anders dan in onderling overleg niet samenwonen of dat tussen hen scheiding van de tafel en bed bestaat;

(…)

Slotverklaringen

De comparanten verklaarden voorts:

De door hen ten huwelijk aangebrachte rechten aan toonder en roerende zaken, die geen registergoederen zijn, staan (naast eventuele overige goederen), vermeld op de aan deze akte gehechte door comparanten en mij, notaris ondertekende staat van aanbrengsten.

2.9

Aan deze akte houdende huwelijksvoorwaarden is een lijst van aanbrengsten gehecht, door partijen en de notaris ondertekend, waarin het volgende is opgenomen:

" STAAT VAN AANBRENGSTEN

als bedoeld in de aangehechte akte, houdende huwelijksvoorwaarden tussen

[geïntimeerde] en mevrouw [appellante].

Door de comparante-bruid wordt aangebracht:

het saldo-tegoed te haren name op bankrekening nummer [rekeningnummer] bij de ABN-Amrobank ten bedrage van ongeveer achtduizend gulden (ƒ 8.000,00).

Door de comparant-bruidegom worden aangebracht:

a. het saldo- tegoed te zijnen name op postrekening nummer [rekeningnummer] ten bedrage van ongeveer eenentachtigduizend gulden (f 81.000,00);

b. een postzegel- en muntenverzameling en

c. het onverdeeld aandeel in de nalatenschap van zijn vader, [vader]."

2.10

Op 18 december 1992 is aan partijen, ieder voor de onverdeelde helft, een kavel tuingrond bij de woning te [woonplaats] geleverd voor een koopsom van ƒ 16.838,50.

2.11

Op 1 juni 1993 is aan partijen, ieder voor de onverdeelde helft, geleverd het appartement aan [adres 4], voor een koopsom van ƒ 79.000,-. Dit pand is op 29 juni 1993 verkocht en geleverd voor een bedrag van ƒ 105.000,-.

2.12

Het appartement aan [adres 2] is op 15 september 1993 verkocht aan een derde voor ƒ 107.500,-.

2.13

Op 18 maart 1998 zijn aan [geïntimeerde] vijf garageboxen te [plaats] geleverd voor een totale koopsom van ƒ 32.500,-.

2.14

Op 19 juli 1999 heeft [geïntimeerde] de woning aan [adres 5] in eigendom verkregen voor een koopsom van ƒ 279.000,-. De koopsom is deels betaald van de gezamenlijke bankrekening van partijen. Op 28 oktober 1999 is de woning weer verkocht voor een bedrag van ƒ 315.000,-, waarna het voor de aankoop gebruikte bedrag weer is teruggestort op de gezamenlijke rekening.

2.15

Op 3 april 2000 heeft [geïntimeerde], tezamen met een derde, elk voor de onverdeelde helft, de woning aan [adres 6] gekocht voor ƒ 120.000,-. Deze woning is verkocht en geleverd aan een derde op 26 september 2003 voor € 92.000,-.

2.16

Op 9 maart 2001 hebben partijen, elk voor ¼ onverdeeld aandeel, en de kinderen van partijen, elk voor 1/12 onverdeeld aandeel, de woning aan [adres 7] gekocht en geleverd gekregen voor een koopsom van ƒ 127.500,-. Deze woning is op 3 december 2004 aan een derde verkocht en geleverd voor € 77.500,-.

2.17

Op 8 oktober 2001 heeft [geïntimeerde], tezamen met een derde, elk voor de onverdeelde helft, twee garageboxen in [plaats] in eigendom verkregen voor een totale koopsom van ƒ 10.000,-.

2.18

Op 19 april 2005 hebben partijen, ieder voor de onverdeelde helft, de boerderij aan [adres 8] in eigendom verkregen voor een koopsom van € 235.000,-. Partijen zijn hiervoor een hypothecaire geldlening bij MoneYou aangegaan van in totaal € 460.000,-. Het geleende bedrag van € 460.000,- is opgesplitst in een leningdeel met nummer 119 groot € 300.000,- met een looptijd van 30 jaar en een leningdeel met nummer 120 groot € 160.000,- met een looptijd van 24 maanden dat geldt als overbrugging. In de offerte van MoneYou van 12 april 2005 is opgenomen:

"Overbrugging

Aflossing van de overbrugging dient plaats te vinden bij verkoop van [adres 3]. Na aflossing wordt royement verleend voor de hypothecaire inschrijving op dit onderpand.

Van het geleende bedrag van € 460.000,- is € 200.000,- in een bouwdepot gestort ten behoeve van de verbouw van deze boerderij.

2.19

Bij hypotheekakte op 19 april 2005 verleden voor notaris [notaris 2] is tot zekerheid voor de terugbetaling van de lening van MoneYou een recht van eerste hypotheek gevestigd op de boerderij aan [adres 8] en een recht van tweede hypotheek op de woning aan [adres 3].

2.20

[appellante] heeft tot 1996 inkomen uit arbeid gegenereerd.

2.21

[geïntimeerde] heeft begin september 2005 de echtelijke woning te [woonplaats] metterwoon verlaten en heeft zijn intrek genomen in de boerderij te [woonplaats].

2.22

Het huwelijk tussen partijen is geëindigd door de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Groningen van 28 maart 2006 in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats] op 12 april 2006.

2.23

Bij beschikking van 12 september 2005 heeft de rechtbank Groningen een voorlopige voorziening getroffen en bepaald dat [geïntimeerde] voor de duur van het geding vanaf 1 oktober 2005 een bedrag van € 167,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan [appellante] dient te voldoen.

2.24

Bij beschikking van de rechtbank Groningen van 11 maart 2008 is bepaald dat [geïntimeerde] voor zijn zonen [kind 1] en [kind 2] vanaf 12 april 2006 tot 1 januari 2007 een bedrag van € 116,- per kind per maand aan kinderalimentatie, vanaf 1 januari 2007 tot 1 november 2007 een bedrag van € 167,- per kind per maand en vanaf 1 november 2007 een bedrag van € 212,- per kind per maand, aan [appellante] dient te voldoen.

2.25

In juli 2009 is het bouwdepot opgeheven en het daaruit vrijkomende bedrag van € 221.152,36 afgelost op leningdeel 119 van de hypothecaire schuld aan MoneYou, waarna nog een hypotheekschuld van € 238.847,64 resteerde.

2.26

[geïntimeerde] heeft de boerderij te [woonplaats] op 1 januari 2010 metterwoon verlaten.

2.27

Bij brief van 28 januari 2010 heeft [appellante] twee schikkingsvoorstellen aan [geïntimeerde] gedaan:

"Indien de man bij zijn ingenomen standpunt blijft dat hij geen belangstelling meer heeft om de boerderij tegen kostprijs (€ 269.000) in eigendom over te nemen, wil de vrouw de volgende schikkingsvoorstellen doen:

Nadat de boerderij leeg en ontruimd is wenst de vrouw in overleg met haar ex-man de boerderij tegen kostprijs à €. 269.000,- over te nemen om vervolgens alsnog een 'bed en breakfast" onderneming daarin te vestigen. De ouderlijke woning te [woonplaats] kan in dat geval worden verkocht voor een door de man geëist bedrag van €. 225.000,-. De te benaderende makelaar in deze zal in gezamenlijke overleg gekozen dienen te worden. Ook het bouwdepot op de boerderij kan daarbij ingetrokken en vervallen worden. De inmiddels opgebouwde rentevergoeding van ruim € 30.000,- kan dan over beide partners verdeeld worden. Duidelijk is dat de opgebouwde rente vergoeding ten koste is gegaan van de draagkrachtberekening van de kinder- en partneralimentatie. De vrouw zou in dat geval recht hebben op een 60 % aandeel daarvan doch is bereid het bedrag over de beide partners gelijkwaardig te verdelen.

Een tweede schikkingsvoorstel:

(…)

De overige procedures met betrekking tot verdeling van het vermogen van beide partners, zoals de voorhuwelijkse periode, pensioen en dergelijke zullen nog verder afzonderlijk geregeld dienen te worden."

2.28

Bij brief van 9 februari 2010 heeft de raadsman van [geïntimeerde] het volgende aan de raadsvrouwe van [appellante] bericht:

"Cliënt deelde mee dat hij akkoord gaat met het eerste schikkingsvoorstel van uw cliënte. Dit houdt in dat zij de boerderij overneemt voor een bedrag ad € 269.000,00. Alle punten verwoord in het eerste schikkingsvoorstel van uw cliënte zijn wat cliënt betreft akkoord (…)".

2.29

De woning te [woonplaats] is op 14 december 2012 aan een derde verkocht en geleverd voor een koopsom van € 170.000,-. Na aflossing van de op dat moment nog € 18.187,79 bedragende hypotheekschuld bij de ING Bank (voorheen de Postbank) en van de hypotheekschuld bij MoneYou met een bedrag van € 161.044,41 en betaling van bijkomende kosten, zoals de makelaarskosten, resteerde na verkoop nog een bedrag door partijen aan de notaris te voldoen van € 13.445,08.

3 De vorderingen van partijen en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[geïntimeerde] heeft [appellante] op 23 februari 2009 gedagvaard voor de rechtbank Groningen en - kort gezegd - de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden en verdeling van het gezamenlijke vermogen van partijen gevorderd. [appellante] heeft ten aanzien daarvan vorderingen in reconventie ingesteld.

3.2

De rechtbank heeft op 6 mei 2009, 3 november 2010 en 21 december 2011 een tussenvonnis gewezen.

3.3

De rechtbank heeft in het eindvonnis van 21 maart 2012 - zakelijk weergegeven - [appellante] veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van de aan partijen toebehorende woningen te [woonplaats] en [woonplaats] en haar veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van:

- een bedrag van € 4.828,35 zijnde de door [geïntimeerde] reeds betaalde hypotheekrente voor de woning te [woonplaats] over de maanden februari 2010 tot en met december 2010;

- een bedrag van € 482,83 per maand vanaf 1 januari 2011 totdat die woning zal zijn verkocht en de eigendom op de kopers zal zijn overgegaan;

- een bedrag van € 731,- terzake de verrekeningen van banksaldi en overige financiële producten;

- een bedrag van € 918,- ter verrekening van de beschikking van de rechtbank Groningen van 11 maart 2008;

- een rentevergoeding van € 21.320,- over het bedrag van € 100.000,-, zijnde het aandeel van [geïntimeerde] in de woning te [woonplaats], over de periode september 2005 tot 1 januari 2011;

- een rentevergoeding van 4 % over het bedrag van € 100.000,-, zijnde het aandeel van [geïntimeerde] in de woning te [woonplaats], vanaf 1 januari 2011 tot 21 maart 2012. Tevens is [appellante] veroordeeld tot afgifte aan [geïntimeerde] van de in de inleidende dagvaarding omschreven roerende zaken.

In dit vonnis heeft de rechtbank [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling aan [appellante] van:

- een bedrag van € 1.100,- terzake van een aantal kleine vorderingen; en

- een bedrag van € 25.000,- terzake de verrekening van pensioenrechten.

4 De gewijzigde vorderingen van partijen in hoger beroep

4.1

[appellante] heeft in haar appeldagvaarding - hier samengevat weergegeven, en letterlijk weergegeven in het tussenarrest van 2 oktober 2012 - gevorderd:

Primair en subsidiair

- te bepalen dat op "de beperkte gemeenschap van onroerend goed" artikel 3:185 BW van toepassing is, dat de "in gemeenschappelijk bezit zijnde" woningen moeten worden verkocht en dat [appellante] geen woonvergoeding aan [geïntimeerde] dient te voldoen;

Primair

- te bepalen dat het rechtsvermoeden van artikel 141 BW lid 3 op de afrekening van de onverteerde inkomsten op grond van de huwelijksvoorwaarden van toepassing is en dat het gemiddelde vermogen dat volgens de belastingaangifte 2005 op 18 juli 2005 aanwezig was dient te worden verdeeld, waarbij [appellante] de helft van het gemiddelde vermogen toekomt, met uitzondering van:

* de rekening van de kinderen;

* hetgeen [appellante] voor het huwelijk aan eigen geld in de woningen heeft geïnvesteerd en op haar rekening had staan;

* de schenkingen van de ouders van [appellante] waar [geïntimeerde] mee heeft gewerkt,

- het bedrag te bepalen dat [geïntimeerde] op grond van bovengenoemde verrekening aan [appellante] dient te voldoen;

Subsidiair

- te bepalen dat [geïntimeerde] bankafschriften dient te overleggen waaruit blijkt dat hij op 7 oktober 1992 f 81.000,- op zijn (diverse) rekeningen had staan (aanbrengstenlijst);

- [appellante] gelegenheid te bieden tegenbewijs te leveren tegen de staat van aanbrengsten in die zin dat deze staat onvolledig is en niet overeenkomt met het vermogen dat [appellante] voor het huwelijk toebehoorde;

- en verder dat op grond van artikel 1:141 lid 3 BW de bedragen genoemd op de aangifte inkomstenbelasting 2005 worden verrekend (waaronder de girorekeningen met de nummers [rekeningnummer] en [rekeningnummer] en de bankrekeningen van [appellante]), waarop in mindering komt:

a. het vermogen op de girorekening van [geïntimeerde] met nummer [rekeningnummer] dat [geïntimeerde] aantoonbaar heeft aangebracht tijdens huwelijk;

b. de ten name van de kinderen van partijen gestelde bankrekeningen;

c. hetgeen [appellante] cash heeft ingebracht en wat zij voor het huwelijk aan eigen vermogen in de woningen heeft geïnvesteerd (de aanbrengsten);

d. de schenkingen die zij van haar ouders op haar bankrekening en op de bankrekeningen van de kinderen heeft ontvangen en die vervolgens door [geïntimeerde] in de woningen zijn geïnvesteerd;

en op grond hiervan te bepalen het bedrag dat [geïntimeerde] aan [appellante] moet voldoen.

4.2

Bij tussenarrest van 11 juni 2013 zijn de volgende eisvermeerderingen van [appellante] toegestaan:

- de vernietiging van de veroordeling onder 3.11 van het dictum van het vonnis van 21 maart 2012 om een rentevergoeding aan [geïntimeerde] te betalen in verband met zijn vermogen in de woning te [woonplaats];

- te bepalen dat een andere makelaar wordt benoemd (naar het hof aanneemt voor de verkoop van de woning in [woonplaats]).

4.3

[geïntimeerde] heeft in zijn memorie van antwoord het volgende gevorderd:

" (…) uitvoerbaar bij voorraad voor zover wettelijk mogelijk:

de vonnissen van de Rechtbank te Groningen d.d. 21 december 2011 en 21 maart 2012

vernietigt en, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad voor zover wettelijk

mogelijk:

Primair

uitgaande van de situatie, dat de tussen partijen, in grief 1 van het incidenteel appèl,

genoemde afspraken door het Gerechtshof als overeenkomst wordt gekwalificeerd:

a. de woning aan [adres 8] aan de vrouw

toescheidt voor een bedrag van € 269.000,00 onder de gehoudenheid van de

vrouw om de op dit pand rustende hypotheekleningen voor haar rekening te

nemen, de man terzake deze leningen te vrijwaren en de vrouw daarbij te veroordelen om aan de man te betalen de helft van de overwaarde.

b. de vrouw veroordeelt om binnen één maand na betekening van het ten deze te

wijzen vonnis mee te werken aan het passeren van een notariële akte, waarbij de

hierboven genoemde woning aan [adres 8] aan

haar zal worden geleverd onder gehoudenheid van de vrouw om de op dit pand

rustende hypotheekleningen voor haar rekening te nemen, de man terzake deze

leningen te vrijwaren en de vrouw daarbij te veroordelen om aan de man te

betalen de helft van de overwaarde.

c. de vrouw veroordeelt om aan de man te betalen een bedrag van € 9.656,70 zijnde

de door de man reeds betaalde hypotheekrente voor de woningen te [woonplaats]/[woonplaats] over de maanden februari 2010 tot en met december 2010, één en ander bij toewijzing van het onder h gevorderde te verminderen met de samenloop van € 7.260,00 van deze vorderingen.

d. de vrouw veroordeelt om aan de man te betalen een bedrag van € 965,67 per

maand terzake de door de man betaalde hypotheekrente voor de woningen te

[woonplaats]/[woonplaats] ingaande 01 januari 2011 en eindigend aan het einde van

de maand waarin de notariële overdracht van de woning aan [adres 8]

[adres 8] als omschreven onder b van deze vordering heeft

plaatsgevonden, bij toewijzing van het onder h gevorderde te verminderen met de

samenloop van € 660,00 per maand van deze vorderingen gedurende de periode

01 januari 2011 tot 26 juli 2012.

e. de vrouw veroordeelt tot:

primair: aan de man te betalen een bedrag van € 19.215,50, zijnde de helft van de rente die door de man is betaald over het deel van de hypotheeklening dat

betrekking had op het bouwdepot waarmee de hypotheekschuld op [adres 8]

[adres 8] is verminderd.

subsidiair: aan de man te betalen een bedrag van € 15.166,00 (de helft van

€ 30.332,00), zijnde het bedrag waar de vrouw het voordeel van heeft gehad

zonder hier zelf iets voor op te offeren doordat hiermee de hypotheekschuld op [adres 8] is verminderd.

f. de vrouw veroordeelt aan de man te betalen de door hem betaalde kosten gemaakt

van 2005 tot en met 2012 terzake [adres 8] en [adres 3], betrekking

hebbende op verzekering, ozb, waterschapsbelastingen, zijnde een bedrag van € 3.879,00.

g. de vrouw veroordeelt tot betaling van € 16.974,00 aan de man voor door de man

voor haar betaalde hypotheekrente terzake de hypotheek gevestigd op de

[adres 3] door MoneYou over de periode september 2005 tot 01 november

2007.

h. de vrouw veroordeelt tot betaling van € 37.940,00 aan de man voor door de man voor haar betaalde hypotheekrente ter zake van de hypotheek gevestigd op de

[adres 3] door MoneYou over de periode 01 november 2007 tot 26 juli 2012.

i. de vrouw veroordeelt tot betaling van € 10.000,00 aan de man in verband met de

door hem geleden schade als gevolg van de aan de vrouw verwijtbare waardevermindering van de woning aan [adres 3].

j. de vrouw veroordeelt terzake de verrekeningen van banksaldi en overige

financiële producten aan de man te betalen een bedrag van € 731,00.

k. de vrouw veroordeelt aan de man te betalen € 4.434,00 ter verrekening van de

uitspraak van de Rechtbank van 11 maart 2008.

l. de vrouw veroordeelt om ingaande september 2005 tot 26 juli 2012 als

rentevergoeding aan de man te betalen een bedrag van 4 % per jaar over de

€ 100.000,00 welk vermogen de man in de woning te [woonplaats] heeft zitten,

derhalve een totaal bedrag van € 27.653,00.

m. de vrouw veroordeelt de roerende zaken, zoals vermeld onder punt 13 en punt 14

van de inleidende dagvaarding in de Rechtbankprocedure, aan de man af te geven

en de vrouw daarbij veroordeelt een bedrag van € 28.500,00 aan de man te

betalen ter vergoeding van de munten- en postzegelverzameling, wanneer deze

verzamelingen niet uiterlijk één maand na betekening van het in dezen te wijzen

arrest door de vrouw aan de man zijn afgegeven.

n. de vrouw veroordeelt tot betaling aan de man van een dwangsom van € 1.000,00

per dag voor iedere dag, waaruit blijkt dat gedaagde in strijd handelt met een aan

haar in het deze te wijzen arrest opgelegde veroordeling, betaling van een

geldsom niet betreffende.

o. de vrouw veroordeelt tot betaling aan de man van de wettelijke rente, subsidiair

4% per jaar, over het bedrag dat de vrouw krachtens het in deze procedure te

wijzen arrest verschuldigd zal zijn aan de man met ingang van 12 september 2005.

p. de vrouw veroordeelt in de kosten van deze procedure.

Subsidiair

voor het geval uw Rechtbank van oordeel is dat er tussen partijen geen afspraak tot

stand is gekomen omtrent de toescheiding van de boerderij te [woonplaats] aan de

vrouw voor de prijs van € 269.000,00:

1. de vrouw veroordeelt tot het meewerken aan de verkoop van de woning aan [adres 8]

[adres 8] via makelaardij [makelaardij],

alwaar het pand thans in de verkoop is aangeboden tegen een zo hoog mogelijke

opbrengst, één en ander te bepalen door de betreffende makelaar.

2. bepaalt, dat de verkoopopbrengst van de woning te [woonplaats] zal worden

aangewend voor het voldoen van de (door de makelaar) in rekening te brengen

kosten alsmede het inlossen van de op dit pand rustende hypotheekleningen en te

bepalen dat de netto restantopbrengst tussen partijen in twee gelijke delen

verdeeld dient te worden, danwel dat het tekort door beide partijen voor gelijke

delen voor rekening dient te komen.

3. de vrouw veroordeelt om aan de man te betalen een bedrag van € 4.828,00, zijnde de helft van de door de man reeds betaalde hypotheekrente voor de woning te [woonplaats]/[woonplaats] over de maanden februari 2010 tot en met december 2010, bij toewijzing van het onder 8 gevorderde te verminderen met de samenloop van € 3.630,00 van deze vorderingen.

4. de vrouw veroordeelt om aan de man te betalen een bedrag van € 482,00 per maand terzake de door de man betaalde hypotheekrente voor de woning te [woonplaats]/[woonplaats] ingaande 01 januari 2011 en eindigend aan het einde van de maand waarin de notariële overdracht van de woning aan [adres 8] als omschreven onder b van deze vordering heeft plaatsgevonden, bij toewijzing van het onder 8 gevorderde te verminderen met de samenloop van € 330,00 per maand van deze vorderingen gedurende de periode 01 januari 2011 tot 26 juli 2012.

5. de vrouw veroordeelt:

primair: aan de man te betalen een bedrag van € 19.215,50, zijnde de helft van de

rente die door de man is betaald over het deel van de hypotheeklening dat betrekking had op het bouwdepot waarmee de hypotheekschuld op [adres 8] is verminderd.

subsidiair: aan de man te betalen een bedrag van € 15.166,00 (de helft van

€ 30.332,00), zijnde het bedrag waarvan de vrouw het voordeel heeft gehad

zonder hier zelf iets voor op te offeren doordat hiermee de hypotheekschuld op

[adres 8] is verminderd.

6. de vrouw veroordeelt aan de man te betalen de door hem betaalde kosten gemaakt

van 2005 tot en met 2012 ter zake van [adres 8] en [adres 3]

betrekking hebbende op verzekering, ozb, waterschapsbelastingen, zijnde een

bedrag van € 3.879,00.

7. de vrouw veroordeelt tot betaling van € 16.974,00 aan de man voor door de man

voor haar betaalde hypotheekrente terzake de hypotheek gevestigd op de

[adres 3] door MoneYou over de periode september 2005 tot 01 november

2007.

8. de vrouw veroordeelt tot betaling van € 37.940,00 aan de man voor door de man

voor haar betaalde hypotheekrente terzake de hypotheek gevestigd op [adres 3] door MoneYou over de periode 01 november 2007 tot 26 juli 2012.

9. de vrouw veroordeelt tot betaling van € 10.000,00 aan de man in verband met

aan verwijtbare waarde vermindering van [adres 3].

10. de vrouw veroordeelt terzake de verrekeningen van banksaldi en overige

financiële producten aan de man te betalen een bedrag van € 731,00.

11. de vrouw veroordeelt aan de man te betalen € 4.434,00 ter verrekening van de

uitspraak van de Rechtbank van 11 maart 2008.

12. de vrouw veroordeelt om ingaande september 2005 tot 26 juli 2012 als

rentevergoeding aan de man te betalen een bedrag van 4% per jaar over de € 100.000,00, welk vermogen de man in de woning te [woonplaats] heeft zitten

derhalve een totaal bedrag van € 27.653,00.

13. de vrouw veroordeelt de roerende zaken, zoals vermeld onder punt 13 en punt 14

van de inleidende dagvaarding, aan de man af te geven en daarbij de vrouw

veroordeelt een bedrag van € 28.500,00 aan de man te betalen ter vergoeding van de munten- en postzegelverzameling, wanneer deze verzamelingen niet uiterlijk

één maand na betekening van het in dezen te wijzen arrest door de vrouw aan de

man is afgegeven.

14. de vrouw veroordeelt tot betaling aan de man van een dwangsom van € 1.000,00

per dag voor iedere dag, waaruit blijkt dat de vrouw in strijd handelt met een aan

haar in het deze te wijzen arrest opgelegde veroordeling, betaling van een

geldsom niet betreffende.

15. de vrouw veroordeelt tot betaling aan de man van de wettelijke rente, subsidiair

4% per jaar, over het bedrag dat de vrouw krachtens het in deze procedure te

wijzen arrest verschuldigd zal zijn aan de man met ingang van 12 september 2005.

16. de vrouw veroordeelt in de kosten van deze procedure."

De omvang van het appel

[appellante] heeft in de aanhef van haar appeldagvaarding, tevens houdende haar grieven, aangezegd in hoger beroep te komen van het eindvonnis van de rechtbank van 21 maart 2012. In het petitum van de appeldagvaarding heeft zij echter vernietiging gevorderd van dit eindvonnis en voor zover nodig de tussenvonnissen (d.d. 3 november 2010 en 21 december 2011), hetgeen het hof doorslaggevend acht voor de omvang van het hoger beroep. Uit de in de appeldagvaarding opgenomen grieven is evenzeer genoegzaam gebleken dat het principaal hoger beroep zich mede richt tegen de tussenvonnissen van 3 november 2010 en 21 december 2011.

Het hof gaat er daarom vanuit dat het principaal hoger beroep zich tevens richt tegen die tussenvonnissen.

5 De grieven

[appellante] heeft in het principaal appel elf grieven opgeworpen.

[geïntimeerde] heeft in het incidenteel appel vijf grieven opgeworpen.

6 De beoordeling

In het principaal appel

6.1

Grief I richt zich tegen de afwijzing van nagenoeg al de vorderingen van [appellante] in reconventie en klaagt erover dat in de eindbeslissing van 21 maart 2012 niet over het voorhuwelijkse vermogen wordt gerept.

6.2

[appellante] heeft aangevoerd dat zij op de datum van ondertekening van de staat van aanbrengsten over meer vermogen beschikte dan het bedrag van ƒ 8.000,- op haar rekening bij ABN AMRO Bank met nummer [rekeningnummer] dat hierin is vermeld, en dat [geïntimeerde] geen ƒ 81.000,- op zijn girorekening met nummer [rekeningnummer] had staan, en heeft ter zake tegenbewijs aangeboden.

6.3

Nu deze vordering, gezien het petitum van de appeldagvaarding, is ingesteld in het kader van de uitvoering van het volgens [appellante] niet nagekomen verrekenbeding, waarbij haar aanbrengsten buiten die verrekening dienen te blijven, zal het hof deze grief hierna ten dele tezamen met de grieven II en V in het principaal appel bespreken.

6.4

Grief II klaagt over het oordeel (r.o. 2.8.4 van het vonnis van 21 december 2011) dat [appellante] de stellingen van [geïntimeerde], waarin nauwkeurig en met overlegging van diverse bescheiden wordt gestaafd dat partijen ten tijde van het huwelijk, conform hetgeen zij in de huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen, ieder eigen vermogen hebben opgebouwd en dat beider inkomens werden aangewend ter bekostiging van de dagelijkse huishouding zodat er sprake was een voortdurende verrekening, onvoldoende heeft weersproken. Het hof zal deze grief tegelijk met grief V bespreken, die zich richt tegen het oordeel dat er geen plaats is voor toepassing van het in artikel 1:141 lid 3 BW neergelegde rechtsvermoeden (r.o. 2.8.8 van het vonnis van 21 december 2012).

6.5

[geïntimeerde] heeft in hoger beroep opnieuw gesteld dat partijen aan het begin van het huwelijk hebben afgesproken dat zijn vermogen uit de voorhuwelijkse periode en de vermogensvooruitgang van dit vermogen afgescheiden zouden zijn van de rest. Alle andere inkomsten van partijen werden op de gezamenlijke rekeningen gestort. De jaarlijkse afrekening zoals voorgeschreven in de huwelijksvoorwaarden vond volgens hem feitelijk plaats doordat er permanent werd afgerekend doordat de eerste tien jaar van het huwelijk alleen het bedrag op zijn spaarrekeningen (of vervangende onroerende zaken) afgescheiden was en de besparingen van partijen gedurende het jaar overgemaakt werden naar de gezamenlijke rekeningen. Na deze 10 jaar had volgens [geïntimeerde] ook [appellante] geld op haar eigen spaarrekeningen staan. De bedragen die op alle bankrekeningen stonden zijn elk jaar vermeld in de achterliggende stukken bij de belastingaangiften. Partijen hebben ieder jaar hun vermogenspositie besproken bij het doen van de belastingaangiften. Het vermogen van [geïntimeerde] stond op de spaarrekeningen gekoppeld aan de girorekening met nummer [rekeningnummer] en op zijn rekening-courant. Volgens hem heeft geen vermenging plaatsgevonden. [geïntimeerde] heeft in het kader daarvan onder 36 tot en met 75 van zijn memorie van antwoord, tevens incidenteel appel, tevens wijziging van eis, aan de hand van bankafschriften van zijn spaarrekeningen het verloop van zijn gestelde eigen, afgescheiden, vermogen gedurende het huwelijk geanalyseerd. Dit leidt er volgens [geïntimeerde] toe dat ten aanzien van de bankrekeningen het saldo op de aan zijn girorekening met nummer [rekeningnummer] gekoppelde spaarrekeningen uitsluitend aan hem toekomt, omdat dit naar zijn mening is gevormd door zijn aanbrengsten en door vermogenstoename.

6.6

[appellante] heeft betwist dat partijen aldus tijdens het huwelijk de overgespaarde inkomsten uit arbeid hebben verrekend. Zij heeft onder meer aangevoerd dat [geïntimeerde] niet al zijn salaris heeft gestort op de gezamenlijke rekening van partijen, omdat hij meer verdiende en een gedeelte van zijn inkomen op een andere rekening liet storten. Hij ontving volgens haar zijn gehele salaris (ƒ 2.800,-) op zijn eigen rekening en stortte een gedeelte hiervan (ƒ 2.500,-) op de gezamenlijke rekening. [appellante] heeft toegelicht dat de vermogens van partijen niet gescheiden waren, maar door elkaar liepen omdat met de beide vermogens panden werden aangekocht en verkocht en de aflossingen plaatsvonden via het gemeenschappelijk inkomen van partijen, dus uit de onverteerde inkomsten.

6.7

Het hof overweegt als volgt.

6.8

Het hof overweegt dat volgens artikel 8 van de huwelijksvoorwaarden partijen zich hebben verplicht ieder jaar te verrekenen wat van het netto-inkomen uit arbeid onverteerd is gebleven, in die zin dat de ene partij een vordering op de ander krijgt voor de helft van het aan diens zijde overblijvende. Indien aan een partij langs andere weg iets ten goede is gekomen van het overblijvende van het inkomen uit arbeid wordt die vordering volgens deze bepaling in hun huwelijksvoorwaarden dienovereenkomstig verminderd. In artikel 9 van de huwelijksvoorwaarden is bepaald dat de het verschuldigde binnen een jaar na afloop van het desbetreffende kalenderjaar moet worden uitgekeerd.

6.9

Indien een verrekenplicht betrekking heeft op een in de huwelijksvoorwaarden omschreven tijdvak van het huwelijk en over dat tijdvak niet is afgerekend, blijft de verplichting tot verrekening over dat tijdvak in stand en strekt zich uit over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan. Indien bij het einde van het huwelijk aan deze periodieke verrekenplicht niet is voldaan, wordt het alsdan aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit

(artikel 1:141 lid 1 en 3 BW).

6.10

Volgens de toepasselijke wettelijke regeling en vaste rechtspraak van de Hoge Raad strekt een verrekenbeding als voorkomend in de huwelijksvoorwaarden van partijen naar zijn aard ertoe dat periodiek wordt verrekend hetgeen van de inkomsten van partijen wordt bespaard, waarna ieder der echtgenoten vervolgens in staat is zijn aandeel in de besparingen, door belegging, te besteden aan vorming en vermeerdering van het eigen vermogen (vergelijk Hoge Raad 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9605).

6.11

[geïntimeerde] heeft in de loop van deze procedure uitsluitend het verloop van zijn privévermogen in kaart gebracht. Ten aanzien van de besteding van zijn salaris, dat binnenkwam op girorekening met nummer [rekeningnummer], geldt dat hij slechts de bankafschriften over de periode vanaf 12 januari 2005 tot en met 10 augustus 2005 heeft overgelegd (productie 17 bij de conclusie van antwoord in reconventie). Daarmee heeft [geïntimeerde] niet voldoende inzicht gegeven in wat er vanaf de huwelijksvoltrekking [in] 1992 tot 12 januari 2005 met de overige (overgespaarde) inkomsten uit arbeid is gebeurd. Evenmin is inzichtelijk gemaakt hoe het salaris van [appellante] - zij had een baan tot 1996 - is besteed.

6.12

Uit de overgelegde bankafschriften van de girorekening met nummer [rekeningnummer] leidt het hof af dat niet van alle betalingen van deze girorekening zonder meer duidelijk is of deze in het kader van de gemeenschappelijke huishouding, dan wel ten behoeve van [geïntimeerde] alleen zijn gedaan.

6.13

Tot slot heeft [geïntimeerde] geen acht geslagen op artikel 5 lid 1 van de huwelijksvoorwaarden, met name sub a, waarin is bepaald hoe de rentelasten van de (hypothecaire) leningen ten aanzien van de als hoofdverblijf dienende woning moet worden gedragen, wat consequenties heeft voor de omvang van de volgens de huwelijksvoorwaarden overgespaarde inkomsten uit arbeid.

6.14

Het hof acht daarom niet aangetoond dat partijen uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding op de in de huwelijksvoorwaarden voorgeschreven wijze en dat [appellante] tijdens het huwelijk in staat is geweest over haar aandeel in de overgespaarde inkomsten uit arbeid te beschikken en dit te besteden aan vorming en vermeerdering van het eigen vermogen.

6.15

Nu niet is komen vast te staan dat partijen het verrekenbeding tijdens het huwelijk zijn nagekomen moet thans alsnog worden verrekend en is het vermoeden van

artikel 1:141 lid 3 BW van toepassing.

6.16

De grieven II en V slagen.

6.17

Door het slagen van deze grieven, brengt de devolutieve werking van het hoger beroep met zich dat de niet behandelde of verworpen weren en de niet prijsgegeven stellingen van [geïntimeerde] in eerste aanleg, voorzover niet al besproken bij deze grieven, thans nog beoordeeld moeten worden.

6.18

Op grond van artikel 11 sub a van de huwelijksvoorwaarden eindigt het tijdvak waarover alsnog verrekend moet worden op de dag dat partijen anders dan in onderling overleg niet samenwonen. Hoewel [appellante] in haar petitum van de appeldagvaarding uitgaat van 18 juli 2005, staat tussen partijen wel vast dat [geïntimeerde] de woning op 12 september 2005 heeft verlaten. Het op 12 september 2005 aanwezige vermogen wordt daarom vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.

6.19

Tussen partijen is niet in geschil dat partijen op 12 september 2005 in elk geval ieder voor de helft gerechtigd c.q. aansprakelijk waren tot:

- de woning aan [adres 3];

- de boerderij aan [adres 8];

- het bouwdepot bij MoneYou dat bestemd was voor de verbouw van de boerderij te [woonplaats];

- het saldo op de gezamenlijke girorekening met nummer [rekeningnummer] en de hieraan gekoppelde effecten- en loyaalrekening;

- de spaarloonregeling bij de Postbank ten name van [geïntimeerde];

- het Postbank winstvastplan met nummer [rekeningnummer] ten name van [geïntimeerde];

- de hypothecaire geldlening bij MoneYou groot € 460.000,-;

- de voor de verkrijging van de woning te [woonplaats] aangegane hypotheeklening bij de Postbank.

6.20

Op dat moment stonden ten name van [geïntimeerde] de lopende rekening bij de Postbank met nummer [rekeningnummer] en de daaraan gekoppelde spaarrekeningen.

6.21

Ten name van [appellante] stonden op dat moment de rekening bij ABN Amro Bank met nummer [rekeningnummer], de rekening bij de Postbank met nummer [rekeningnummer] en de rekening bij de voormalige NMB Bank met nummer [rekeningnummer].

6.22

Ieder van de drie - allen toen minderjarige - kinderen van partijen had op dat moment een Loyaalrekening bij de Postbank. Partijen zijn het er over eens dat de saldi op die rekeningen niet tot het op 12 september 2005 aanwezige te verrekenen vermogen behoren.

6.23

In het kader van de verrekening dient het op 12 september 2005 aanwezige vermogen te worden vastgesteld. Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen bij akte de saldi op 12 september 2005 van de onder 6.19, 6.20 en 6.21 genoemde bankrekeningen, het bouwdepot, het winstvastplan, de spaarloonregeling en van de schulden in het geding te brengen.

6.24

De stellingen van beide partijen komen erop neer dat het op 12 september 2005 aanwezige vermogen deels is gevormd uit niet te verrekenen inkomsten. [appellante] heeft gesteld dat zij (eerst) haar aanbrengsten en de van haar ouders ontvangen schenkingen terug dient te ontvangen. [geïntimeerde] heeft hetzelfde gesteld voor zijn aanbrengsten, die hij stelt steeds afgescheiden te hebben gehouden van de gelden op de gezamenlijke rekening, namelijk op zijn spaarrekeningen.

6.25

Het hof overweegt ten aanzien van de aanbrengsten als volgt.

6.26

Het gaat in het kader van de door [appellante] gevorderde verrekening om het door ieder van partijen bij het huwelijk aangebrachte vermogen en de door [appellante] ontvangen schenkingen, voor zover op 12 september 2005 nog aanwezig.

6.27

Geen grief is gericht tegen de beslissing van de rechtbank (r.o. 3.4.2 van het vonnis van 3 november 2010) dat de staat van aanbrengsten dwingend bewijs oplevert, in die zin dat voorshands als waar wordt aangenomen dat de staat van aanbrengsten een juiste weergave is van hetgeen partijen zijn overeengekomen ten aanzien van de omvang van hun beider vermogens bij de aanvang van het huwelijk, behoudens tegenbewijs, zodat ook het hof hiervan uitgaat.

6.28

De vrouw heeft in grief I gesteld dat [geïntimeerde] op de datum van ondertekening van de staat van aanbrengsten niet het bedrag van ƒ 81.000,- op zijn rekening met nummer [rekeningnummer] had staan, maar 5 maanden later omdat die rekening pas toen is geopend.

6.29

Het hof leidt uit het door [geïntimeerde] als productie 2 bij memorie van antwoord overgelegde bankafschrift van de ABN Amrorekening met nummer [rekeningnummer] van 15 september 1992 af dat op 14 september 1992 een bedrag van ƒ 83.979,- is overgemaakt naar de girorekening van [geïntimeerde] met nummer [rekeningnummer], zodat aannemelijk is dat [geïntimeerde] ten tijde van het aangaan van het huwelijk [in] 1992 over een bedrag van ƒ 81.000,- op die girorekening heeft beschikt. Van [appellante] had in het licht van dat stuk mogen worden verwacht dat zij haar stelling dat [geïntimeerde] bij aanvang van het huwelijk géén ƒ 81.000,- op zijn rekening had staan, nader had onderbouwd. Nu zij dat heeft nagelaten is voor het leveren van tegenbewijs geen plaats.

6.30

Vast staat dan ook dat [geïntimeerde] een bedrag van ƒ 81.000,- (€ 36.756,20) bij het huwelijk heeft aangebracht.

6.31

[appellante] heeft in grief I gesteld dat zij bij de aanvang van het huwelijk over meer vermogen beschikte dan het bedrag van ƒ 8.000,- dat in de staat van aanbrengsten is vermeld, namelijk:

- de onverdeelde helft van het appartement aan [adres 2];

- de onverdeelde helft van de woning te [woonplaats] en de hieraan verbonden hypotheekschuld,

- de onverdeelde helft van het saldo van de gezamenlijke bankrekeningen van partijen

- de onverdeelde helft van de auto;

- haar aandeel in de verkoopwinst van het appartement aan [adres 1], dat is verkocht op 3 september 1992;

- een vordering van ƒ 31.000,- op [geïntimeerde] wegens van haar privérekening naar de privérekening van [geïntimeerde] overgeschreven bedragen.

6.32

Vast staat dat [appellante], afgezien van haar op de staat van aanbrengsten opgenomen goederen, bij de aanvang van het huwelijk tezamen met [geïntimeerde] gerechtigd was tot de helft van de door haar genoemde woningen, bankrekeningen en auto.

6.33

[geïntimeerde] heeft uitgebreid gemotiveerd aangevoerd dat [appellante] ten tijde van het aangaan van het huwelijk haar aandeel in de verkoopwinst van het appartement aan [adres 1] reeds had ontvangen. Alsmede dat [appellante] het bedrag van ƒ 31.000,- aan hem heeft overgemaakt in het kader van de betaling van het aandeel van [appellante] in de koopsom van het appartement aan [adres 2] op 15 juni 1990.

6.34

Nu [appellante] bewijs heeft aangeboden tegen de staat van aanbrengsten aldus dat ten tijde van de huwelijksvoltrekking tevens tot haar vermogen behoorden haar aandeel in de verkoopwinst van het appartement aan [adres 1] en een vordering van ƒ 31.000,- op [geïntimeerde], zal zij, na en afhankelijk van de door partijen te nemen akten, dit tegenbewijs mogen leveren

6.35

De verdere beoordeling van grief I zal in afwachting hiervan worden aangehouden.

6.36

[geïntimeerde] heeft in zijn memorie van antwoord uitgebreid in kaart gebracht wat hij tijdens het huwelijk met het bedrag van ƒ 81.000,- heeft gedaan. Daarin is hij tevens ingegaan op de aankoop op 19 juli 1999 voor ƒ 279.000,- en de verkoop op 29 oktober 1999 voor ƒ 315.000,- van de woning aan [adres 5].

6.37

Het hof overweegt dat vaststaat dat een bedrag van ƒ 142.989,25 van de koopsom van de woning aan [adres 5] is voldaan met gelden van de gezamenlijke kapitaalrekening met nummer [rekeningnummer]. De met de verkoop behaalde verkoopnettowinst (volgens [geïntimeerde] ƒ 24.700,-) heeft [geïntimeerde] in zijn uiteenzetting geheel als privévermogen aangemerkt. Nu deze verkoopwinst aldus voor een aanzienlijk deel is behaald door het beleggen van overgespaarde inkomsten (afkomstig van de gezamenlijke kapitaalrekening) deelt het hof dit standpunt van [geïntimeerde] niet. [geïntimeerde] heeft in elk geval niet aangetoond dat het saldo van zijn spaarrekeningen op 12 september 2005 geheel en al voortkomt uit het bij het huwelijk aangebrachte bedrag van ƒ 81.000,-.

6.38

Ook wat betreft het door [appellante] aangebrachte vermogen van in elk geval ƒ 8.000,- geldt dat nog niet is aangetoond in hoeverre het op 12 september 2005 aanwezige vermogen mede hieruit is voortgekomen.

6.39

Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten over het deel van het op 12 september 2005 aanwezige vermogen dat wordt geacht te zijn voortgekomen uit de aanbrengsten van elk van partijen. Het hof geeft partijen ter overweging mee hierover een minnelijke regeling te treffen.

6.40

Grief III strekt ertoe dat, in verband met het gebruik van te verrekenen inkomsten voor de aankoop van de woning aan [adres 5] het op de peildatum aanwezige vermogen moet worden verrekend. Nu in het vorenstaande is beslist dat in beginsel het op 12 september 2005 aanwezige vermogen van partijen moet worden verrekend heeft deze grief geen zelfstandige betekenis meer.

6.41

Dit geldt ook voor grief IV waarin hetzelfde standpunt als in de vorige grief wordt ingenomen met betrekking tot de aankoop in 2001 van de woning aan [adres 7], waarvoor (te verrekenen) gelden van gezamenlijke kapitaalrekening met nummer [rekeningnummer] zijn gebruikt.

6.42

Wat betreft de in grief IV opgenomen stelling dat de door de ouders van [appellante] aan haar gedane schenkingen op de bankrekeningen van de kinderen geparkeerd stonden en zijn gebruikt voor de betaling van ¼ van de koopsom van deze woning, zal het hof deze betrekken in de bespreking van grief XI.

6.43

De eveneens met de verrekening verband houdende grief XI heeft betrekking op de afwijzing van de vordering tot terugbetaling aan [appellante] van de door haar ouders aan haar gedane schenkingen (r.o. 2.16 van het vonnis van 21 december 2011). Volgens [appellante] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat deze schenkingen geacht moeten worden gemeenschappelijk te zijn (r.o. 2.16 van het vonnis van 21 december 2011) en haar vordering afgewezen. Volgens [appellante] heeft de rechtbank miskend dat [geïntimeerde] (zowel voor als tijdens het huwelijk) gelden van haar rekening naar zijn rekening overmaakte om zodoende panden aan te kopen. Op die manier heeft hij met haar vermogen, waaronder de schenkingen, gewerkt.

6.44

[appellante] heeft gesteld dat zij in totaal € 24.120,- aan schenkingen van haar ouders heeft ontvangen, waarvan € 4.000,- op haar privérekening. De rest van deze schenkingen heeft [geïntimeerde] volgens [appellante] overgeboekt naar de gemeenschappelijke rekening van partijen en gebruikt voor de aankoop van de huizen. Zij stelt nog € 20.120,- terug te moeten ontvangen.

6.45

[geïntimeerde] heeft niet weersproken dat de ouders van [appellante] dit bedrag hebben geschonken, zij het dat dit deels aan partijen tezamen is geschonken en voor het overige deel is bijgeschreven op de eigen privérekening van [appellante], waar nu circa € 31.000,- op staat.

6.46

Vaststaat dat de ouders van [appellante] schenkingen hebben gedaan. [geïntimeerde] heeft gesteld dat die schenkingen aan partijen tezamen zijn gedaan. Nu [appellante] deze stelling heeft betwist, rust op [geïntimeerde] de bewijslast van zijn stelling. [geïntimeerde] heeft ter zake geen specifiek bewijsaanbod gedaan en het hof ziet geen reden hem ambtshalve tot bewijslevering toe te laten. Daarmee staat vast dat [appellante] een bedrag van € 24.120,- aan schenkingen heeft ontvangen.

6.47

Het hof overweegt dat nog onvoldoende is gesteld of gebleken in hoeverre het op 12 september 2005 aanwezige vermogen uit de door [appellante] ontvangen schenkingen (en niet uit overgespaarde inkomsten) is ontstaan. Het hof zal partijen, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 6.39 ten aanzien van de aanbrengsten is overwogen, in de gelegenheid stellen zich om bij akte erover uit te laten hoe zij zich op dit onderdeel de wijze van verrekening voorstellen.

6.48

Grief VI klaagt erover dat [appellante] de helft van de door [geïntimeerde] voor de boerderij te [woonplaats] betaalde hypotheekrente over de periode februari 2010 tot en met december 2010, zijnde een totaalbedrag van € 4.828,35, aan [geïntimeerde] moet voldoen, en dat zij vanaf januari 2011 tot de dag dat de boerderij aan een derde in eigendom is overgedragen elke maand de helft van de verschuldigde hypothecaire maandrente oftewel een bedrag van € 482,83 aan hem dient te voldoen. Deze grief hangt samen met de grieven I en IV in het incidenteel appel en zal na de bespreking van grief I in het incidenteel appel worden besproken.

6.49

Grief VII heeft betrekking op rechtsoverweging 2.8.9 van het vonnis van

21 december 2011, waarin is beslist dat [appellante] onvoldoende heeft weersproken dat [geïntimeerde] op grond van het te verdelen saldo van de gemeenschappelijke rekening een vordering met betrekking tot de periode na 12 september 2005 op haar heeft van € 731,-. [appellante] heeft aangevoerd dat zij niet weet welke overige financiële producten de rechtbank hier bedoelt, zodat zij zich daar ook niet tegen kan verweren en deze vordering moet worden afgewezen.

6.50

[geïntimeerde] heeft in hoger beroep zijn vordering wederom toegelicht en daartoe verwezen naar de in eerste aanleg voor zijn vordering van € 731,- gegeven adequate onderbouwing. [appellante] heeft deze vordering ook in hoger beroep niet voldoende gemotiveerd weersproken.

6.51

De grief faalt.

6.52

Grief VIII klaagt over het toewijzen aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 918,00 wegens door [geïntimeerde] onverschuldigd aan [appellante] betaalde kinderalimentatie. [appellante] heeft aangevoerd dat het betalen van alimentatie niets met de verdeling/verrekening op grond van de huwelijksvoorwaarden te maken heeft. Verrekening van die vordering is volgens haar niet mogelijk omdat alimentatie-uitkeringen niet in beslag mogen worden genomen (artikel 6:135 onder a BW). Verder handhaaft zij haar stelling dat geen sprake is geweest van onverschuldigde alimentatie.

6.53

Het hof constateert dat [geïntimeerde] in de conclusie van zijn memorie van antwoord tevens incidenteel appel tevens wijziging eis opnieuw het bedrag van € 4.434,- heeft gevorderd, waarvan de rechtbank € 918,- heeft toegewezen. Nu [geïntimeerde] geen grief heeft gericht tegen de toewijzing van een lager bedrag dan hij heeft gevorderd en hij in onderdeel 134 van zijn memorie van antwoord tevens incidenteel appel tevens wijziging van eis heeft verklaard dat de uitspraak van de rechtbank op dit punt gehandhaafd moet worden, gaat het hof ervan uit dat het bedrag van de vordering op een misverstand berust.

6.54

Het hof overweegt dat [appellante] niet voldoende heeft weersproken dat [geïntimeerde] tussen 12 april 2006 en 1 januari 2007 een totaalbedrag van € 918,- te veel aan kinderalimentatie heeft betaald. Nu hier sprake is van terugbetaling van ten onrechte ontvangen kinderalimentatie is het door [appellante] ingeroepen artikel 6:135 onder a BW niet van toepassing.

6.55

De grief is ten onrechte opgeworpen.

6.56

Grief IX richt zich tegen de toewijzing van het bedrag van € 21.320,- en een rentevergoeding van 4% per jaar over het aandeel van [geïntimeerde] in de overwaarde van de woning te [woonplaats] groot € 100.000,- vanaf 1 januari 2011 tot de dag van betaling ervan.

6.57

[appellante] heeft allereerst aangevoerd dat [geïntimeerde] haar heeft toegezegd dat zij zonder vergoeding in de woning mocht blijven wonen, waaraan zij hem wil houden. Daarnaast is uit de verkoop van deze woning gebleken dat er geen overwaarde is, maar een restschuld van € 11.518,06 inzake het overbruggingskrediet dat is overgebleven. Zij acht het in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat zij een vergoeding moet betalen terwijl de vriendin van [geïntimeerde] jaren in de woning in [woonplaats] heeft gewoond zonder enige vergoeding hiervoor aan haar te betalen of dat daar in de berekening van de alimentatie rekening mee is gehouden. Bovendien is het percentage van 4 % achterhaald en dient dit 2,5 % te zijn. Mocht zij een woonvergoeding verschuldigd zijn dan is dat op grond van artikel 1:165 BW uitsluitend voor de periode van zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, aldus nog steeds [appellante].

6.58

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat deze toezegging is gedaan in het kader van een voorstel om tot verdeling te komen, wat niet is geaccepteerd en is komen te vervallen, nu aan de voorwaarden waaronder dit voorstel is gedaan niet is voldaan. Aan de hand van de gemiddelde WOZ-waarden over de jaren 2005, 2008 en 2010 heeft hij betoogd dat de te hanteren overwaarde € 109.000,- bedraagt en dat hij vasthoudt aan het gevorderde bedrag van 4 % van € 100.000,- per jaar.

6.59

Het hof overweegt dat op grond van de hoofdregel van bewijsrecht van artikel 150 Rv op [appellante] de bewijslast rust van haar stelling dat [geïntimeerde] heeft toegezegd dat zij gratis in de woning te [woonplaats] mocht blijven wonen, aangezien [geïntimeerde] dit gemotiveerd heeft betwist. [appellante] heeft van deze stelling geen gespecificeerd bewijs aangeboden. Nu het hof geen aanleiding ziet haar ambtshalve tot dit bewijs toe te laten, is deze toezegging niet komen vast te staan.

6.60

Het hof constateert dat de rechtbank blijkens haar beslissing in rechtsoverweging 2.12.3 van het vonnis van 21 december 2011 een gebruiksvergoeding heeft toegekend als vergoeding voor het alleengebruik door [appellante] van dit gemeenschappelijke vermogensbestanddeel en de hoogte van deze gebruiksvergoeding heeft vastgesteld aan de hand van de rente over het aandeel van [geïntimeerde] in de overwaarde van deze woning vanaf 12 september 2005 tot de datum van het eindvonnis, zijnde 21 maart 2012.

6.61

Voor zover [appellante] stelt dat de rechtbank de gebruiksvergoeding op grond van artikel 1:165 BW heeft toegewezen en dat dit maximaal voor zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking kan zijn, geldt dat die bepaling een voorlopige voorziening met het oog op de echtscheidingsprocedure geeft en dus hier niet van toepassing is. De door [appellante] gestelde tijdslimiet van zes maanden geldt hier derhalve niet. Nu [appellante] vanaf september 2005 het alleengebruik van de woning heeft gehad, heeft zij met een verwijzing naar artikel 1:165 BW evenmin voldoende onderbouwd waarom de gebruiksvergoeding pas per 12 april 2006 verschuldigd is.

6.62

[appellante] heeft niet gegriefd tegen de wijze waarop de gebruiksvergoeding dient te worden vastgesteld, behoudens het daarbij te hanteren rentepercentage, zij het dat [appellante] op grond daarvan tot de conclusie komt dat zij per saldo niets voor het gebruik aan [geïntimeerde] hoeft te betalen. Het hof zal daarom de gebruiksvergoeding, overeenkomstig de rechtbank heeft gedaan, berekenen op de rente over het aandeel van [geïntimeerde] in de overwaarde van de woning.

6.63

Vaststaat dat de woning in december 2012 is verkocht voor € 170.000,-. De ter financiering van deze woning aangegane schuld bedroeg op 31 december 2007 € 24.063,80. Ten tijde van de verkoop van de woning te [woonplaats] bedroeg deze schuld nog € 18.187,79. Zoals hierna ten aanzien van grief IV in het incidenteel appel zal worden overwogen heeft de bij de verkoop van de woning te [woonplaats] eveneens (deels) afgeloste hypotheekschuld bij MoneYou betrekking gehad op de verkrijging en voorgenomen verbouw van de boerderij in [woonplaats]. De overwaarde van de woning zal het hof daarom berekenen op € 170.000,- minus het gemiddelde van € 24.063,80 en € 18.187,79, ofwel op (€ 170.000,- minus € 21.125,80 =) € 148.874,20. Het aandeel van [geïntimeerde] hierin is € 74.437,10. Het hof hanteert het standpunt dat de door [appellante] te betalen vergoeding dient te worden berekend op 2,5 % van het aandeel van [geïntimeerde] in deze overwaarde groot € 74.437,10, zijnde € 1.860,93 per jaar.

6.64

[geïntimeerde] wil blijkens het petitum van zijn memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel deze gebruiksvergoeding toegekend zien tot 26 juli 2012, waar de rechtbank deze heeft toegewezen tot 21 maart 2012. Nu [geïntimeerde] deze einddatum niet expliciet heeft toegelicht, gaat het hof hieraan verder voorbij.

6.65

De slotsom is dat [appellante] voor het gebruik van de woning te [woonplaats] een vergoeding van € 1.860,93 per jaar aan [geïntimeerde] dient te voldoen vanaf 12 september 2005 tot 21 maart 2012, zijnde in totaal 78,3 maanden x € 1.860,93:12, ofwel € 12.142,57.

6.66

De grief slaagt in zoverre.

Voorts in het principaal appel en in het incidenteel appel

6.67

Grief X in het principaal appel klaagt over de veroordeling van [appellante] tot afgifte van de in de inleidende dagvaarding omschreven roerende zaken aan [geïntimeerde]. Grief V in het incidenteel appel klaagt erover dat de door [geïntimeerde] in het kader daarvan gevraagde dwangsom is afgewezen. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep gevorderd dat [appellante] hem een vergoeding van € 28.500,- betaalt indien de tot de roerende zaken behorende munten- en inboedelverzameling niet tijdig aan hem wordt afgegeven. Nu deze grieven alle betrekking hebben op de vordering tot afgifte zal het hof deze tezamen bespreken.

6.68

Het hof constateert uit onderdeel 152 van de memorie van antwoord in het principaal appel tevens wijziging eis dat het thans nog gaat om de afgifte aan [geïntimeerde] van de munten- en postzegelverzameling, een bij de kraantjespot behorend tinnen koekjestrommeltje, een schilderij van [X], koksmessen, een groot aantal cd's, fotoalbums van [geïntimeerde], dinky toys, diverse tinnen kandelaars en karaffen, Bose boxen en stereo-installatie, de helft van de keukeninventaris met Finse kokki pannen en een videocamera. Wat betreft de munten- en postzegelverzameling heeft [geïntimeerde] gesteld dat deze een waarde van zeker € 28.500,- heeft, en dat [appellante] in een schikkingsvoorstel in 2008 heeft aangegeven die verzameling te hebben, zodat de conclusie gerechtvaardigd is dat zij die nog in haar bezit heeft.

6.69

[appellante] heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank zonder enig bewijs heeft aangenomen dat zij in het bezit is van die zaken en verder dat het genoemde schilderij aan haar is geschonken en dus haar eigendom is. Bij het schikkingsvoorstel uit 2008 ging zij ervan uit dat de muntenverzameling op zolder stond. Dit heeft zij pas nadien gecontroleerd en toen bleek de verzameling niet op zolder aanwezig te zijn. Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] in de periode van het feitelijk uiteengaan van partijen de woning doorzocht en diverse spullen meegenomen. Zij acht niet waarschijnlijk dat [geïntimeerde] daarbij een dergelijke kostbare verzameling zou hebben achtergelaten.

6.70

Gezien de gemotiveerde betwisting is nog niet komen vast te staan dat

[appellante] de door [geïntimeerde] gevorderde zaken onder zich heeft en aan de gevorderde afgifte kan voldoen. De door [geïntimeerde] gestelde eigendom van het schilderij staat gezien deze betwisting evenmin vast. Op [geïntimeerde] rust op grond van de hoofdregel van bewijsrecht (artikel 150 Rv) de bewijslast van zijn stelling dat hij eigenaar is van het schilderij en dat [appellante] de roerende zaken onder zich heeft. Nu [geïntimeerde] op dit punt geen specifiek bewijsaanbod heeft gedaan en het hof geen aanleiding ziet hem ambtshalve tot dit bewijs toe te laten, is dit niet komen vast te staan. Dit leidt ertoe dat de vorderingen tot afgifte en de daarmee samenhangende dwangsom en tot (vervangende) schadevergoeding moeten worden afgewezen.

6.71

Grief X in het principaal appel slaagt en grief V in het incidenteel appel faalt.

6.72

Grief I in het incidenteel appel richt zich tegen de afwijzing van de primaire vordering van [geïntimeerde], te weten nakoming van de overeenkomst tot verdeling van de drie "tot de te verdelen goederengemeenschap behorende onderdelen" en het hem niet toelaten tot bewijslevering. Volgens [geïntimeerde] hebben partijen overeenstemming bereikt over toedeling van de boerderij te [woonplaats] aan [appellante] voor € 269.000,- met bijbehorend bouwdepot en over de verkoop van de woning te [woonplaats]. [geïntimeerde] heeft betwist dat [appellante] de boerderij te [woonplaats] niet kan overnemen. Dat [appellante] hiertoe financieel niet in staat zou zijn brengt volgens hem ook niet met zich dat uit oogpunt van billijkheid en de belangen van partijen aan de overeenkomst mag worden voorbijgegaan. [geïntimeerde] is bereid zijn aandeel in de overwaarde in deze boerderij aan [appellante] te lenen. Daarbij acht [geïntimeerde] [appellante] financieel in staat de rentelasten uit haar partneralimentatie te voldoen.

6.73

[appellante] heeft betwist dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de overname van de boerderij te [woonplaats]. Er is geen schriftelijke overeenkomst overgelegd. Bovendien was het bouwdepot op het moment van haar schikkingsvoorstel opgeheven, wat haar toen niet bekend was, en is het geld aangewend om de hypotheekschuld te verminderen. Als zij dit had geweten had zij dit voorstel niet gedaan. Verder heeft [geïntimeerde] volgens [appellante] ter comparitie in eerste aanleg afgezien van het vorderen van nakoming van deze overeenkomst en kan hij daar niet meer op terugkomen. Voorts wijst [appellante] erop dat partijen na het vonnis van 3 november 2010 opnieuw over de verdeling van de boerderij te [woonplaats] hebben onderhandeld, waarbij [geïntimeerde] het voorstel heeft gedaan dat deze aan hem wordt toegedeeld en partijen het niet eens zijn geworden over de prijs.

6.74

Het hof constateert dat [geïntimeerde] in hoger beroep zijn stelling dat tussen partijen een overeenkomst tot verdeling tot stand is gekomen wat betreft de woning te [woonplaats], de boerderij te [woonplaats] en het bouwdepot heeft onderbouwd met de hiervoor onder 2.27 gedeeltelijk weergegeven brief van [appellante] van 28 januari 2010 en de hiervoor onder 2.28 weergegeven brief van zijn advocaat van 9 februari 2010. Uit die brieven kan voorshands worden afgeleid dat partijen in februari 2010 een overeenkomst tot verdeling zijn aangegaan. Dat [appellante] hierbij mocht hebben gedwaald over de aanwezigheid van het bouwdepot doet hier niet aan af, aangezien haar schikkingsvoorstel net zo goed uitging van het opheffen van het bouwdepot (en het mitsdien aflossen van de resterende hypothecaire geldlening) en het tussen beiden delen van de over het bouwdepot opgebouwde rente.

6.75

In het proces-verbaal van de op 22 juli 2010 gehouden comparitie is opgenomen dat [geïntimeerde] als volgt heeft verklaard:

"Partijen hebben schikkingsonderhandelingen gevoerd en naar de mening van mijn cliënt is tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen die inhoudt dat de vrouw de boerderij in [woonplaats] voor EUR 269.000,00 en de bijbehorende hypotheek overneemt en daarnaast een bedrag van EUR 15.000,00 aan de man betaalt. De vrouw heeft zelf dit schikkingsvoorstel gedaan, de man heeft het voorstel aanvaard. De vrouw heeft het schikkingsvoorstel maanden later, op 12 mei 2010, ingetrokken. Ik heb overleg gehad met de deken met betrekking tot het overleggen van de correspondentie die ziet op de totstandkoming van de overeenkomst. Ik mag de correspondentie echter niet in deze procedure overleggen, behalve in het kader van een eventuele bewijsopdracht. Mijn cliënt was aanvankelijk van plan zijn eis te wijzigen en nakoming van die overeenkomst te vorderen maar ziet daar nu toch van af. (…)"

6.76

Vervolgens heeft de rechtbank op 3 november 2010 vonnis gewezen en overwogen dat niet ondenkbaar is dat partijen alsnog tot overeenstemming kunnen komen en de zaak naar de rol verwezen voor partijberaad. [geïntimeerde] heeft bij conclusie van 29 december 2010 zijn vordering alsnog gewijzigd en nakoming van de overeenkomst gevorderd. [appellante] heeft in haar reactie van 23 februari 2011 hiertegen aangevoerd dat partijen na het vonnis van 3 november 2010 opnieuw hebben onderhandeld en dat [geïntimeerde] op 11 november 2010 een nieuw (tegen)voorstel heeft gedaan waarbij hij de woning in [woonplaats] toegedeeld wilde krijgen, maar dat zij niet tot overeenstemming zijn gekomen. Deze stellingen heeft zij in hoger beroep herhaald.

6.77

Het hof stelt voorop dat de woning te [woonplaats], waarvan partijen ieder voor de helft eigenaar zijn, een eenvoudige gemeenschap in de zin van artikel 3:166 BW betreft. De rechtsbetrekkingen tussen partijen - als deelgenoten in de eenvoudige gemeenschap - worden beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 3:166 lid 3 BW in samenhang met artikel 6:2 BW).

6.78

Het hof constateert dat uit het vorenstaande blijkt dat [geïntimeerde] in eerste instantie geen nakoming van de overeenkomst heeft gevorderd. Het hof overweegt voorts dat [geïntimeerde] niet heeft weersproken dat partijen na het bestreden vonnis van 3 november 2010 opnieuw hebben onderhandeld over de verdeling van de woning te [woonplaats]. Niet gesteld of gebleken is dat [geïntimeerde] bij de onderhandelingen het voorbehoud heeft gemaakt dat de overeenkomst werd gehandhaafd indien partijen niet opnieuw tot overeenstemming zouden komen. Nu [geïntimeerde] kennelijk niet vasthield aan de nakoming van de overeenkomst mocht [appellante] er in beginsel redelijkerwijze vanuit gaan dat [geïntimeerde] haar niet aan een eerdere overeenkomst wilde houden.

6.79

Het hof oordeelt dan ook dat [geïntimeerde] hier in redelijkheid geen nakoming van deze overeenkomst (meer) kan vorderen.

6.80

De grief faalt.

6.81

Dit betekent dat de beslissing van de rechtbank dat de boerderij te [woonplaats] dient te worden verkocht overeind blijft.

6.82

[geïntimeerde] heeft gevorderd makelaardij [makelaardij] ten behoeve van de verkoop van de boerderij als makelaar te benoemen. [appellante] heeft in hoger beroep gevorderd een andere makelaar ten behoeve van de verkoop te benoemen, omdat de door [geïntimeerde] genoemde makelaar drie jaar lang geen resultaat heeft geboekt.

6.83

Partijen zijn het erover eens dat het hof een makelaar zal benoemen die de verkoop van de boerderij te [woonplaats] ter hand dient te nemen. Gezien de bezwaren die [appellante] tegen [makelaardij] heeft opgeworpen acht het hof het aangewezen een andere makelaar te benoemen. Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich bij akte over de te benoemen makelaar uit te laten.

6.84

[appellante] heeft ter toelichting op grief VI in het principaal appel tegen de veroordeling onder 3.6 en 3.7 van het dictum van het vonnis van 21 maart 2012 tot betaling aan [geïntimeerde] van de helft van de hypotheekrente ten aanzien van de boerderij te [woonplaats] vanaf februari 2010 aangevoerd dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met het belastingvoordeel dat [geïntimeerde] in die periode heeft ontvangen in verband met de aftrek van de hypotheekrente en dat zij dit niet heeft gehad. Bovendien heeft de rechtbank haar ten onrechte veroordeeld tot betaling van de hypotheekrente aan [geïntimeerde], terwijl die aan de bank moet worden betaald.

6.85

Volgens [geïntimeerde] kan hij het deel van de hypotheekrente dat hij aan de bank betaalt voor [appellante] niet van de inkomstenbelasting aftrekken, omdat er voor hem geen sprake is van een eigen woning in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting. Dus gaat het volgens hem om het nettobedrag van € 482,83 per maand. Indien [appellante] dit aan de bank betaalt, komt dit in mindering op het aan hem te betalen bedrag, maar tot heden betaalt hij nog steeds alles alleen, aldus [geïntimeerde].

6.86

Het hof overweegt dat [appellante] niet heeft betwist dat [geïntimeerde] tot op heden de gehele hypotheekrente van de boerderij te [woonplaats] aan de bank heeft voldaan. Verder is niet voldoende gesteld of gebleken dat [geïntimeerde] fiscaal voordeel heeft doordat hij aftrek geniet van het aandeel van [appellante] in de hypotheekrente, zodat het hof uitgaat van het voor het overige niet bestreden bedrag aan hypotheekrente van € 482,83 per maand.

6.87

Partijen zijn gehouden de hypotheekrente te voldoen aan de bank. [appellante] heeft niet ertegen gegriefd dat de helft van die hypotheekrente in de onderlinge verhouding tussen partijen voor haar rekening komt. Indien en voor zover [geïntimeerde] meer dan zijn helft in de maandelijkse hypotheekrente aan de bank heeft betaald en/of zal betalen heeft/krijgt hij op grond van artikel 6:10 lid 2 BW een regresrecht voor het meerdere op [appellante].

6.88

Nu [geïntimeerde] vanaf februari 2010 tot en met december 2010 een regresrecht jegens [appellante] heeft voor de helft van de door hem aan de bank betaalde rente, zijnde € 4.828,30, faalt de grief in zoverre.

6.89

[geïntimeerde] heeft met betrekking tot de door hem vanaf januari 2011 voor [appellante] aan de bank betaalde hypotheekrente eveneens een regresvordering jegens [appellante]. Partijen zullen zich bij akte tevens mogen uitlaten over de hoogte van die vordering op dit moment. De bespreking van de grief wordt in zoverre aangehouden.

6.90

Wat betreft de op dit moment nog niet verschuldigde hypotheekrente staat nog niet vast dat [geïntimeerde] een regresvordering jegens [appellante] heeft. In zoverre slaagt de tegen het dictum onder 3.7 van het vonnis van 21 maart 2012 gerichte grief.

Voorts in het incidenteel appel

6.91

Grief II is een voorwaardelijke grief. [geïntimeerde] heeft verrekening gevorderd van de helft van de verkoopopbrengst van het pand aan [adres 5] indien het hof mocht oordelen dat [appellante] gerechtigd is tot de verkoopwinst van de woning te [adres 4].

6.92

Uit het voorgaande volgt dat het op 12 september 2005 aanwezige vermogen in het kader van de verrekening - in beginsel - wordt gedeeld. Daarnaast is geen plaats voor een (afzonderlijke) deling van de verkoopwinst van de woning te [adres 4]. Het hof oordeelt dat hetzelfde heeft te gelden voor de verkoopopbrengst van het pand aan [adres 5].

6.93

De grief faalt.

6.94

Grief III klaagt erover dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de betalingen die [geïntimeerde] vanaf 1 november 2007 tot en met mei 2008 voor [appellante] heeft gedaan terzake de Postbankhypotheek van de woning te [woonplaats], zijnde een bedrag van

8 maanden x € 189,- ofwel € 1.512,-. Volgens de alimentatiebeschikking van 11 maart 2008 dient [appellante] vanaf 1 november 2007 de hypotheeklasten van deze woning te voldoen.

6.95

Volgens [appellante] moet deze vordering worden afgewezen, omdat [geïntimeerde] het belastingvoordeel wegens hypotheekrenteaftrek heeft genoten.

6.96

Het hof constateert dat [appellante] niet heeft betwist dat [geïntimeerde] in de door hem gestelde periode in totaal € 1.512,- aan hypotheekrente heeft betaald voor de woning te [woonplaats] en dat dit bedrag voor haar rekening diende te komen. Dat [geïntimeerde] over deze periode het door haar gestelde belastingvoordeel heeft genoten heeft [appellante] niet voldoende onderbouwd, aangezien [geïntimeerde] de woning in november 2007 reeds meer dan twee jaar had verlaten. Bovendien vormt dit een onvoldoende betwisting van de (gehele) vordering van [geïntimeerde]. De vordering zal daarom worden toegewezen.

6.97

De grief slaagt.

6.98

Grief IV richt zich tegen de rechtsoverwegingen 2.11.2 en 2.11.3 van het tussenvonnis van 21 december 2011 en klaagt over de afwijzing van de vordering om [appellante] te veroordelen de helft van de door [geïntimeerde] betaalde hypotheekrente (in totaal € 38.431,-) aan [geïntimeerde] te betalen met betrekking tot de lening die ziet op het bouwdepot. Subsidiair onder 5 heeft [geïntimeerde] in hoger beroep gevorderd dat de rentevergoeding over het bouwdepot van

€ 30.332,79, die aldus geheel door hem is gefinancierd, aan hem wordt toegedeeld. Volgens [geïntimeerde] is bij de berekening van de alimentatie geen rekening gehouden met de door hem voor het bouwdepot betaalde hypotheekrente. Over het bouwdepot had [geïntimeerde] geen beschikkingsmacht. De aangroei van € 30.332,79 is gebruikt voor de aflossing van hypotheekschuld bij MoneYou, zodat deze voor de helft aan [appellante] ten goede is gekomen, zonder dat zij daarvoor, in tegenstelling tot [geïntimeerde] (in de vorm van de door hem inzake het bouwdepot betaalde hypotheekrente) iets heeft opgeofferd.

6.99

[appellante] heeft aangevoerd dat de door [geïntimeerde] genoemde bedragen waarschijnlijk € 14.442,- respectievelijk € 11.694,88 hebben bedragen. Daarbij acht zij het terecht dat [geïntimeerde] meer dan zij betaalde omdat zijn nieuwe partner zonder enige vergoeding aan haar te betalen vanaf september 2008 tot juli 2010 in de woning te [woonplaats] heeft gewoond. Volgens [appellante] houden de vorderingen van [geïntimeerde] in dat hij twee keer een voordeel wenst te behalen. Daarbij heeft zij nog aangevoerd dat door de "rente aftrek hypotheek" er geen/minder partneralimentatie aan haar kon worden voldaan en hij een groot fiscaal voordeel had.

6.100 Het hof overweegt dat vast staat dat het bouwdepot niet althans voor het grootste deel niet ten behoeve van de verbouwing van de uitsluitend door [geïntimeerde] bewoonde boerderij te [woonplaats] is opgenomen. In beginsel dient [appellante] daarom de hypotheekrente, voor zover deze betrekking heeft op het voor het bouwdepot geleende geld, voor de helft te voldoen. [appellante] heeft niet voldoende betwist dat [geïntimeerde] steeds de (volledige) hypotheekrente voor het ten behoeve van het bouwdepot geleende geld heeft betaald, met een totaalbedrag van € 38.431,-, zodat het hof hiervan uitgaat.

6.101 Uit het bij de inleidende dagvaarding als productie 4 overgelegde overzicht van MoneYou per 31 december 2007 blijkt dat over de totale hypotheekschuld van € 460.000,- in 2007 € 21.720,03, ofwel € 1.810,- per maand, aan hypotheekrente verschuldigd is geweest en dat jaar een rentevergoeding van € 7.651,46, ofwel € 637,62 per maand, over het bouwdepot is ontvangen. Volgens [geïntimeerde] bedroeg de lening voor het bouwdepot bij de opheffing in juli 2009 nog circa € 191.000,- (van de totaal geleende € 460.000,-). Het hof neemt daarom aan dat naar rato voor het bouwdepot een hypotheekrente van (€ 191.000,-: € 460.000,-) x € 21.720,03, ofwel € 9.018,52, zijnde € 751,53 per maand verschuldigd is geweest en daarmee voor de rest van de hypotheekschuld bij MoneYou een hypotheekrente van € 1.058,45 per maand.

6.102 Het hof overweegt dat uit de beschikking van de rechtbank van 12 september 2005 volgt dat vanaf 12 september 2005 tot 12 april 2006 een woonlast van € 1.031,- per maand in de berekening van de draagkracht van [geïntimeerde] in aanmerking is genomen, zodat in die periode de hypotheekrente voor het bouwdepot alleen voor rekening van [geïntimeerde] is gekomen. Het gaat daarbij om 7 maanden x € 751,53, waarvan de helft, ofwel € 2.630,-, in beginsel voor rekening van [appellante] dient te komen. Tussen partijen is nog in geschil in hoeverre deze hypotheekrente fiscaal aftrekbaar was.

6.103 Uit de beschikking van 11 maart 2008 en de daaraan gehechte draagkrachtberekening blijkt dat vanaf 12 april 2006 voor de boerderij te [woonplaats] een bedrag van € 1.630,- per maand aan hypotheekrente in de berekening van de draagkracht van [geïntimeerde] is meegenomen. Het is daarom aannemelijk dat vanaf 12 april 2006 de hypotheekrente ten aanzien van het voor het bouwdepot geleende bedrag voor een groot deel in de draagkrachtberekening van [geïntimeerde] is meegenomen. Dit heeft ertoe geleid dat [geïntimeerde] onvoldoende draagkracht had om naast kinderalimentatie nog partneralimentatie te betalen, waarmee de hypotheekrente mede op [appellante] heeft gedrukt. Het hof kan uit de overgelegde draagkrachtberekeningen echter niet voldoende afleiden of dit tot resultaat heeft gehad dat [appellante] per saldo de helft van de hypotheekrente voor het bouwdepot heeft gedragen.

6.104 Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen bij akte, aan de hand van draagkrachtberekeningen, toe te lichten in hoeverre de hypotheekrente voor het bouwdepot vanaf 12 april 2006 op ieder van partijen heeft gedrukt. Daarnaast mogen partijen in deze akte toelichten in hoeverre de over het bouwdepot verschuldigde hypotheekrente vanaf 12 september 2005 aftrekbaar was voor de inkomstenbelasting en de consequenties hiervan voor de vordering van [geïntimeerde].

6.105 In afwachting hiervan houdt het hof de verdere bespreking van deze grief aan.

De hypotheekrente met betrekking tot het overbruggingsdeel van de lening bij MoneYou

6.106 [geïntimeerde] heeft in hoger beroep subsidiair onder 7 en 8 gevorderd dat [appellante] vanaf september 2005 tot 26 juli 2012 de door hem ter zake de overbruggingslening bij MoneYou groot 160.000,- betaalde hypotheekrente volledig aan hem zal voldoen. Volgens hem heeft die schuld betrekking op de woning te [woonplaats] omdat in de hypotheekvoorwaarden staat dat aflossing daarvan plaatsvindt bij verkoop van deze woning en komt de hypotheekrente hierover daarom vanaf september 2005 voor haar rekening. Dit ligt anders voor de hypotheekrente voor de schuld bij de Postbank, omdat hij heeft toegezegd deze hypotheekrente tot 1 november 2007 te zullen betalen.

6.107 Het hof overweegt dat partijen € 460.000,- hebben geleend bij MoneYou, waarvan € 160.000,- bestaat uit het overbruggingskrediet. Het geleende bedrag van € 460.000,- is aangewend voor de aankoop van de boerderij te [woonplaats] en voor het voor de verbouwing van deze boerderij bestemde bouwdepot.

6.108 Door de overbruggingslening hebben partijen een bedrag ter grootte van de overwaarde van de woning te [woonplaats] geleend ten behoeve van de aankoop en voorgenomen verbouw van de woning te [woonplaats]. Het hof deelt dan ook niet het standpunt van [geïntimeerde] dat de overbruggingslening verband houdt met de (financiering van de) door [appellante] bewoonde woning te [woonplaats].

6.109 De door [geïntimeerde] gevorderde betaling door [appellante] van de hypotheekrente over dit leningdeel wordt daarom afgewezen.

Overige eigenaarslasten

6.110 Daarnaast heeft [geïntimeerde] betaling aan hem van de helft van de vanaf 2005 door hem betaalde verzekering, onroerende zaakbelasting en waterschapsbelasting voor de woningen te [woonplaats] en [woonplaats], zijnde in totaal € 3.879,-, gevorderd (productie 34 bij memorie van antwoord, tevens incidenteel appel).

6.111 [appellante] heeft hiertegen aangevoerd dat [geïntimeerde] de forfaitaire woonlasten van de woning te [woonplaats] heeft afgetrokken in het kader van de alimentatie en dat hij niet heeft bijgedragen in de forfaitaire woonlasten van de woning te [woonplaats].

6.112 Het hof constateert dat in de draagkrachtberekeningen behorende bij voormelde beschikking van 11 maart 2008 rekening is gehouden met een maandelijks bedrag van € 190,- (dus voor beide woningen € 95,-) voor forfaitaire eigenaarslasten (premie opstalverzekering, eigenaarsdeel OZB, polderlasten, waterschapslasten, onderhoud). Hetzelfde geldt voor de beschikking van 12 september 2005. Uitgangpunt is daarmee dat de kosten tot het bedrag van de forfaitaire eigenaarslasten voor rekening van [geïntimeerde] komen. [geïntimeerde] heeft niet onderbouwd dat de door hem gemaakte kosten dit forfait te boven gaan. Uit de door hem overgelegde stukken is veeleer het tegendeel gebleken.

6.113 Het hof zal deze vordering daarom afwijzen.

Waardevermindering van de woning te [woonplaats] door verwaarlozing

6.114 Tot slot heeft [geïntimeerde] gevorderd dat hij wordt gecompenseerd met een bedrag van € 10.000,- wegens de vermindering van de waarde van de woning te [woonplaats] omdat [appellante] deze woning naar zijn mening heeft verwaarloosd en voor deze woning onvoldoende zorg heeft gedragen. Hij stelt schade geleden te hebben door het (niet) handelen van [appellante] en wenst dat deze schade wordt vergoed.

6.115 Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] sinds de aankoop van de woning in 1992, behoudens een verfbeurt aan de voorkant, geen onderhoud aan de woning verricht. De woning was nog steeds mede-eigendom van [geïntimeerde] zodat ook hij verantwoordelijk was voor het onderhoud. Bovendien betaalde [geïntimeerde] haar de afgesproken alimentatie niet zodat zij niet in staat was enig onderhoud zelf te financieren.

6.116 Het hof constateert dat [geïntimeerde] zijn vordering kennelijk heeft gebaseerd op een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Het hof overweegt dat partijen ieder voor de helft gerechtigd zijn geweest tot de woning te [woonplaats] en dat zij aldus beiden verantwoordelijk waren voor het onderhoud van de woning. [geïntimeerde] heeft in het licht hiervan onvoldoende gesteld dat [appellante] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld.

6.117 Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

Slotsom

6.118 Partijen dienen bij akte zich uit te laten als bedoeld onder 6.23, 6.39, 6.47, 6.83, 6.89 en 6.104. Daarbij dienen partijen bij akte een overzicht in het geding te brengen van het op 12 september 2005 aanwezige vermogen en een berekening van het volgens ieder van hen daarvan te verrekenen vermogen.

6.119 afwachting van de door partijen te nemen akten houdt het hof iedere beslissing aan.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

alvorens nader te beslissen:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 30 september 2014 teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een akte te nemen als hiervoor onder 6.23, 6.39, 6.47, 6.83, 6.89, 6.104 en 6.118;

verstaat dat partijen daarna in de gelegenheid zullen worden gesteld een antwoordakte te nemen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. W. Breemhaar, mr. M.M.A. Wind en mr. B.J.H. Hofstee en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 2 september 2014.