Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:6764

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-09-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
200.100.229-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag bestuurder. Artikel 2:8 BW. Maatstaf toetsing ontslagbesluit NJ 1987, 959. Marginale toetsing door de rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0321
AR 2014/635

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.100.229/01

(zaaknummer rechtbank Leeuwarden 104792 / HA ZA 10-452)

arrest van de tweede kamer van 2 september 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. T.E.A. Detmar, kantoorhoudend te Drachten,

tegen

Leeuwarder Onderlinge Verzekeringen U.A.,

gevestigd te Leeuwarden,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna: Leeuwarder Onderlinge,

advocaat: mr. E.J. Rotshuizen, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 5 oktober 2011 van de rechtbank Leeuwarden.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 4 januari 2012,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord,

- een akte van [appellant],

- een akte van Leeuwarder Onderlinge.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering in hoger beroep van [appellant] in de memorie van grieven luidt:

"het vonnis van de Rechtbank te Leeuwarden van 5 oktober 2011 te vernietigen en alsnog de vorderingen toe te wijzen (voor zover ze op appellant betrekking hebben waarbij opgemerkt wordt dat aan appellant conform het vonnis décharge is verleend), met veroordeling van de LOV in de kosten van het geding in beide instanties."

2.4

De conclusie van de memorie van antwoord van Leeuwarder Onderlinge luidt:

bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    de grieven van [appellant] af te wijzen en derhalve het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 5 oktober 2011 te bekrachtigen; en

  • -

    [appellant] te veroordelen in de kosten van het hoger beroep en de nakosten.”

3 De feiten

3.1

De volgende feiten zijn tussen partijen niet in geschil.

3.2.

Leeuwarder Onderlinge is een in 1850 opgerichte onderlinge

waarborgmaatschappij, die zich ten doel stelt haar leden op onderlinge grondslag tegen

schade aan onroerende en roerende materiële zaken en tegen andere soorten

vermogensschade te verzekeren, zoals nader omschreven in de statuten.

3.3.

In de statuten van Leeuwarder Onderlinge is - voor zover van belang het

volgende bepaald:

(...)

Organen

Artikel 8

De Maatschappij kent de navolgende organen:

- de ledenvergadering

- de ledenraad

- de raad van bestuur

- de raad van commissarissen

(...)

Ledenraad

Artikel 12

1. De algemene vergadering van de Maatschappij wordt gevormd door de ledenraad, bestaande uit

minimaal zeven (7) doch maximaal vijftien (15) leden, hierna te noemen: ledenraadsleden”. Het

aantal ledenraadsleden waaruit de ledenraad bestaat wordt, met inachtneming van het in de

voorgaande zin genoemde minimum aantal, door de raad van commissarissen in overleg met de

ledenraad bepaald.

2. Aan de ledenraad komen alle bevoegdheden toe, die niet door de wet of deze statuten aan andere

organen zijn opgedragen.

(...)

Vergadering van de ledenraad

Artikel 16

1. De vergadering van de ledenraad wordt jaarlijks bijeengeroepen vóór één juli en voorts zo dikwijls

de raad van bestuur of de raad van commissarissen dit wenselijk oordeelt.

(...)

In de vergadering van de ledenraad wordt:

(...)

c. een besluit omtrent decharge van de raad van bestuur en de raad van commissarissen genomen;

(...)

Artikel 18

1. De vergaderingen van de ledenraad worden geleid door de voorzitter van de raad van

commissarissen of bij diens afwezigheid door een andere door de aanwezige commissarissen aan te

wijzen commissaris; indien geen commissaris aanwezig is, voorziet de vergadering van de ledenraad

zelf in haar leiding.

(...)

De raad van bestuur

Artikel 20

1. De Maatschappij wordt bestuurd door de raad van bestuur, bestaande uit minimaal twee leden. De

raad van commissarissen bepaalt in overleg met de ledenraad uit hoeveel leden de raad van bestuur

bestaat met inachtneming van het hiervoor bepaalde minimum aantal leden. De leden van de raad van

bestuur behoeven geen lid van de Maatschappij te zijn.

(...)

3. De leden van de raad van bestuur worden benoemd door de ledenraad, uit een bindende voordracht,

opgesteld door de raad van commissarissen. Alvorens tot een voordracht wordt overgegaan bepaalt de

raad van commissarissen bij afzonderlijk besluit de kwaliteiten en/of hoedanigheden waaraan het lid

van de raad van bestuur moet voldoen.

Het bindend karakter kan aan een voordracht worden ontnomen door een besluit van de ledenraad

genomen met ten minste twee/derde meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen in een

vergadering van de ledenraad waarin ten minste twee/derde van het aantal stemgerechtigde

ledenraadsleden aanwezig is.

4. Indien de ledenraad in een vergadering van de ledenraad aan de voordracht het bindend karakter

heeft ontnomen, zal een nieuwe vergadering van de ledenraad worden bijeengeroepen ter voorziening

in de vacature. Het in het vorige lid bepaalde is alsdan op de benoeming van de leden van de raad van

bestuur van overeenkomstige toepassing.

(...)

6. De leden van de raad van bestuur kunnen door de raad van commissarissen worden geschorst en

door de ledenraad worden ontslagen, een en ander met inachtneming van het hierna in dit artikel

bepaalde.

Taken en bevoegdheden raad van bestuur

Artikel 21

1. De raad van bestuur is belast met het bestuur van de Maatschappij en met de zaken welke haar bij

de statuten en de verzekeringsvoorwaarden worden opgedragen. De raad van bestuur is verplicht aan

de raad van commissarissen tijdig al die informatie te verschaffen, die nuttig en nodig is voor de

uitoefening van de taak van de raad van commissarissen. (...)

2. De raad van bestuur brengt jaarlijks verslag uit aan de raad van commissarissen omtrent de gang

van zaken bij de Maatschappij en het gevoerde beleid in het afgelopen boekjaar.

(...)

4. De raad van bestuur moet zich overigens gedragen naar de aanwijzingen van de raad van

commissarissen betreffende de algemene lijnen van het te voeren sociale, economische en

personeelsbeleid.

Raad van commissarissen

Artikel 23

1. De Maatschappij heeft een raad van commissarissen bestaande uit ten minste drie en maximaal vijf

leden. (...)

2. De leden van de raad van commissarissen worden benoemd door de ledenraad, uit een bindende

voordracht, opgesteld door de raad van commissarissen, met inachtneming van de profielschets als

hiervoor in lid 1 vermeld. Het bindend karakter kan aan een voordracht worden ontnomen door een

besluit van de ledenraad genomen met ten minste twee/derde meerderheid van de geldig uitgebrachte

stemmen in een vergadering van de ledenraad waarin ten minste twee/derde van het aantal

stemgerechtigde leden aanwezig is.

(...)

4. Een commissaris wordt benoemd voor een termijn van vijf (5) jaar. Een commissaris kan aansluitend ten hoogste éénmaal herbenoemd worden.

5. Ontbreken alle commissarissen, dan kan de rand van bestuur personen voor benoeming tot

commissaris aanbevelen aan de vergadering van de ledenraad.

(...)

Artikel 24

1. Een commissaris treedt uiterlijk af op de dag van de eerstvolgende vergadering van de ledenraad na afloop van vijf (5) jaren na zijn benoeming.

(...)

3. Het lidmaatschap van de raad van commissarissen eindigt voorts:

a door schriftelijke ontslagneming;

(...)

c. door een besluit tot ontslag door de ledenraad welk besluit door de ledenraad, tenzij op voordracht

van de raad van commissarissen, slechts genomen kan worden met een meerderheid van twee/derde

van de door de leden van de ledenraad uitgebrachte stemmen in een vergadering van de ledenraad

waarin ten minste twee/derde van alle stemgerechtigde leden van de ledenraad vertegenwoordigd zijn.

Taken en bevoegdheden raad van commissarissen

Artikel 25

1. De raad van commissarissen houdt toezicht op het beleid van de raad van bestuur en op de

algemene gang van zaken binnen de Maatschappij en de daarmee verbonden onderneming(en). Hij

staat de raad van bestuur met raad terzijde. Bij de vervulling van hun taak richten de commissarissen

zich naar het belang van de Maatschappij en de met haar verbonden onderneming(en). De raad van

bestuur verschaft de raad van commissarissen tijdig de voor diens taak noodzakelijke gegevens.

(...)

3.4.

De raad van commissarissen van Leeuwarder Onderlinge bestond in 2008 en

2009 aanvankelijk uit de volgende vier personen: president-commissaris [appellant] en de leden [lid 1], [lid 2] en [lid 3].

3.5.

De ledenraad van Leeuwarder Onderlinge bestond destijds uit de volgende

twaalf leden: [12 leden]

.

3.6.

Bestuursvoorzitter van Leeuwarder Onderlinge was destijds [bestuursvoorzitter]. Het andere bestuurslid was [bestuurslid].

3.7.

In het voorjaar van 2008 heeft een commissie uit het bedrijf van Leeuwarder

Onderlinge het beleidsplan 2008-2013 opgesteld en vervolgens op 4 juli 2008 gepresenteerd

aan de raad van commissarissen. In de conclusie van genoemd beleidsplan staat onder meer

vermeld:

“Zoals in de toekomstvraag is beschreven (blz. 3) gaan wij, nadat het beleidsplan in concept gereed is,

de continuatietoets opnieuw uitvoeren. De conclusie van deze toets is dat er voldoende mogelijkheden

zijn voor de Leeuwarder Onderlinge om als zelfstandige maatschappij voort te bestaan. Het huidige

beleid zal op onderdelen worden gewijzigd.

(...)

Het beleidsplan geeft aan dat er binnen de grenzen van de Leeuwarder Onderlinge voldoende

mogelijkheden zijn voor een zelfstandige maatschappij zoals de Leeuwarder Onderlinge. Het

draagvlak hiervoor binnen onze organisatie, bij relaties en bij onze leden/verzekerden is ruim aanwezig. Een fusie met een gelijkwaardige partij, waarbij de Leeuwarder Onderlinge haar eigen

identiteit behoudt, is niet voorhanden. Verkoop of een overname door een andere partij is niet

onderzocht. (...)”

3.8.

[appellant] heeft [bestuursvoorzitter] bij e-mail van 26 juni 2008 medegedeeld:

“(...) Aanvankelijk was er de vraag of we niet een deel van het vermogen moesten terugploegen naar de Leeuwarder gemeenschap. Rond de recente jaarwisseling kwam daarbij de meer fundamentele vraag: heeft de L.O. op termijn nog zelfstandig bestaansrecht, anders gezegd: is het niet verstandiger het verzekeringsbedrijf bij derden onder te brengen dan wel krachten te bundelen. Het effect hiervan zou kunnen zijn dat het vermogen in het geheel van het verzekeringsbedrijf wordt losgekoppeld.

(...)

De vraag naar de toekomst van de L.O. is niet alleen echter zeer belangrijk, maar ook het tijdstip is

door omstandigheden gunstig (al klinkt het wat cynisch): het vertrek van jou en Jelle de Jong. Er zijn bovendien nogal wat aanwijzingen die voedsel geven aan de gedachte dat het goede moment om de bakens te verzetten, spoedig aanbreekt.

Anderzijds hebben wij ons afgevraagd of wij de zaak terecht op jouw bureau hebben gelegd. Je

betrokkenheid bij het wel en wee van de LO. heeft kennelijk een blokkade tengevolge om vrijelijk na te (kunnen) denken over de vraag of de LO. niet haar zelfstandigheid moet opgeven. Mede daardoor zitten we nu in deze situatie: de gegevens die we nodig hebben komen niet, en zelfs het beleidsplan, dat daarop overigens geen antwoord zal geven, vergt een periode van (te) veel maanden. We hebben de volgende oplossing bedacht. We laten de zaak rusten tot het feitelijk einde van je werkzaamheden. Dat moment bepaal je in principe zelf. Wel gaan we er van uit dat, als aan je wens is voldaan de 25 jaren vol te maken, in ieder geval een eind komt aan je betrokkenheid bij de L.O. Zodra dat moment is aangebroken, maar vermoedelijk eerder, wordt een interim-manager voor een bepaalde periode aangesteld, dus niet direct een opvolger. (...)”

3.9.

De raad van commissarissen heeft de raad van bestuur bij brief van 11 september

2008 medegedeeld dat zij geen reden heeft om goedkeuring aan het plan te onthouden. Wel

meldt de raad in deze brief:

“In het gesprek met de Voorzitter van uw Raad op 20 augustus j.l. en in de e-mail d.d. 26 juni j.l. is

duidelijk gemaakt dat onze vraag anders ligt dan in het plan is beantwoord. U hebt vastgesteld dat er geen noodzaak is te fuseren of de portefeuille te verkopen en dus hebt U de mogelijkheden verder niet onderzocht. Overigens: ook met verkoop doelen wij er slechts op het verzekeringsbedrijf los te koppelen van het vermogen. Immers, bij verkoop blijft de portefeuille in stand, moet door mensen bewerkt worden en legio zijn de mogelijkheden om de positie van personeelsleden veilig(er dan nu) te stellen.

(...)

De Raad van Commissarissen heeft sterk het gevoel dat haar voornemen om te onderzoeken of en zo ja hoe, (een deel van) het vermogen kan worden afgezonderd van de functie om door het

beleggingsresultaat het resultaat van de L.O. te beïnvloeden niet op enthousiaste ondersteuning van de Raad van Bestuur kan rekenen. (...)”

3.10.

[appellant] heeft bestuurder [bestuurslid] bij e-mail van 25 maart 2009 onder meer

bericht:

“Zoals aangegeven willen de commissarissen overleg voeren met de Ledenraad, en wel voor de

formele vergadering van die raad van 18 mei a.s. Dat ik voorstelde zelf de oproep te doen en zonder de aanwezigheid van de Raad van Bestuur te vergaderen heeft als achtergrond dat we liever niet naar buiten brengen dat er enige verschil van mening is over de mogelijke toekomst van de LOV. Het is meer te zien als overleg over de mogelijkheden die in de taak van art. 20 sub 3 is bedoeld. (...)”

3.11.

De raad van bestuur heeft de raad van commissarissen bij brief van 31 maart 2009

als volgt bericht:

“Via een e-mail hebben wij vernomen dat de Raad van Commissarissen overleg wenst met de

ledenraad van de Leeuwarder Onderlinge zonder aanwezigheid van de Raad van Bestuur. Statutair is

dit geen enkel probleem. Zowel de Raad van Commissarissen alsook de Raad van Bestuur heeft dit

recht.

Helaas zijn wij het niet eens met uw motivatie zijnde dat de Raad van Commissarissen liever niet naar

buiten brengt dat er een verschil van mening is tussen de Raad van Commissarissen en de Raad van

Bestuur over de toekomst van de Leeuwarder Onderlinge en hiermee de opvolging van [bestuursvoorzitter].

In een tijd van openheid, transparantie en integer zijn (Code Tabaksblat en de kernwaarden van ons

beleidsplan) lijkt ons dit geen goede zaak.

Het lijkt ons juister om de ledenraad ook kennis te laten nemen van onze zienswijze en onze motivatie

aangaande de toekomst van de Leeuwarder Onderlinge en aangaande de invulling van de vacature bij

het vertrek van [bestuursvoorzitter]. Nadat beide meningen zijn gehoord kan de ledenraad een weloverwogen

beslissing nemen. (...)”

3.12.

Bij brief van 3 april 2009 heeft de raad van commissarissen de leden van de

ledenraad uitgenodigd voor een informele overlegvergadering met de commissarissen op 16 april 2009. In deze brief meldt de raad van commissarissen onder meer:

“(...) Wij willen het volgende aan u voorleggen.

Al vanaf 2006 hebben de Commissarissen nagedacht over de positie van de LOV, uiteraard in

toenemende mate in verband met het naderende vertrek van [bestuursvoorzitter] als (Voorzitter van de)

Directie, en het profiel van diens opvolger. De maatschappij verandert, verzekeringsland verandert, en

de LOV heeft (nog steeds) een relatief groot eigen vermogen dat betrekkelijk ongebruikt blijft. Alle

opties lagen voor ons open, van het handhaven van de huidige status quo, een kleine zelfstandige

Onderlinge met een groot kapitaal, tot het loskoppelen van het verzekeringsbedrijf van het vermogen

en alle mogelijkheden daartussen. Uiteraard zou de Ledenraad bij de keuze uit de verschillende

mogelijkheden zijn betrokken, en wij betreuren het dat om hierna te noemen reden niet eerder is

gebeurd.

Medio 2008 moesten wij constateren dat we aan het invullen van diverse strategische mogelijkheden

niet tot overleg met de Directie konden geraken. Deze meende belangrijke (strategische) besluiten

zonder onderzoek naar de juistheid op aannames te kunnen baseren, en voorzag ons niet van

gevraagde gegevens om de diverse scenario’s te onderzoeken.

Om verschillende redenen, waaronder de stijl van de LOV, maar vooral het feit dat de Voorzitter van

de Directie op relatief korte termijn na een lang dienstverband met pensioen zou gaan, hebben we

toen besloten de vraag naar strategische keuzes voor de LOV, uit te stellen, en pas te doen besluiten

na diens vertrek, zodat een interim manager ons daarbij kon adviseren.

(...)

Voor de rol van interim manager hebben wij gezocht naar iemand die een bedrijf als de LOV

gemakkelijk enige tijd onder zijn hoede kan nemen en die bovendien een zodanig netwerk heeft, met

name in verzekeringsland, dat hij geacht kan worden ons, en in feite ook de Ledenraad, goed en objectief te adviseren over de strategische keuze die de LOV moet maken. Daarna kunnen we U een

definitieve voordracht c.q. voorstellen doen. (...)”

3.13.

In reactie op deze uitnodiging heeft de ledenraad bij brief van 10 april 2009 aan de

raad van commissarissen onder meer medegedeeld:

“(...) Zoals u weet is de ledenraad op donderdag 9 april bijeen geweest om te praten over de situatie

bij de Leeuwarder Onderlinge en de door u in uw brief van 6 april geschetste verschillen van inzicht

tussen RvC en RvB. Wij hebben unaniem uitgesproken grote behoefte te hebben aan een uitvoerige

en chronologische toelichting van uw kant en verwachten dat u hierbij ook in gaat op de vraag op

welke manier u in de afgelopen twee jaar hebt gehandeld in het belang van en conform de

doelstellingen van de Leeuwarder Onderlinge.

Wat ons betreft is het karakter van deze avond niet goed te verenigen met een kennismaking en/of

presentatie van de door u beoogd interim manager. Wij gaan er daarom vanuit dat deze kennismaking

tot nader order wordt opgeschort en dat de avond het oorspronkelijke karakter behoudt. (...)”

3.14.

Vervolgens heeft de raad van commissarissen de ledenraad bij brief van 14 april

2009 onder meer medegedeeld:

“(...) Wij juichen de dialoog toe. Wij zijn echter geen voorwerp van onderzoek door de Ledenraad. U

hebt informatie van de RvB ontvangen en hebt met haar vergaderd, kennelijk leidend tot twijfel aan

de intenties van de RvC, echter zonder ons eerst te horen. Wij weten niet welke informatie u is

aangereikt die reden was voor Uw brief van 10 april j.l.

Wij denken dat ook de Ledenraad, anders dan de RvB, geïnteresseerd is in de kansen en bedreigingen

van de LOV voor de toekomst. Deze toekomst bepaalt mede het profiel van de nieuwe voorzitter.

T.a.v. diens benoeming hebben U en wij een taak, die o.i. niet langer moet blijven liggen, zoals de

strategie van de RvB tot heden is geweest. We kunnen donderdag a.s. dan ook dit primair doel dienen,

door [deskundige] als deskundige zijn voorlopige visie te laten geven en die te laten uitwerken. Er

wordt dan weer vaart gebracht in de opvolging van de Voorzitter van de RvB.

Uw vraag richt zich op het verleden en zou alleen al daarom een lagere prioriteit hebben. Niettemin is

de wijze waarop wij hebben gehandeld ook mede bepaald door kansen en bedreigingen, in het licht

van de omstandigheden van de LOV. Ook voor het beantwoorden van die vraag is dus de deskundige

visie van [deskundige] nuttig. (...)”

3.15.

De ledenraad heeft de raad van commissarissen in reactie bij e-mail van 15 april

2009 medegedeeld:

“(...) Wij betreuren het dat wij in onze brief van 10 april blijkbaar niet volledig duidelijk zijn

geweest: wij hebben geen enkele behoefte aan een presentatie van [deskundige] op 16 april en

stellen zijn aanwezigheid niet op prijs. Wij houden onverkort vast aan hetgeen in onze brief van 10 april geschreven staat en zijn bijzonder geïnteresseerd in de verklaring van uw handelwijze vgl. uw

brief van 3 april. (...)”

3.16.

Op 16 april 2009 heeft het geplande overleg tussen de raad van commissarissen en

de ledenraad plaatsgevonden. Naar aanleiding hiervan heeft er nog enige e-mailcorrespondentie plaatsgevonden tussen de raad van commissarissen en de ledenraad

over de verstoorde verhouding tussen de raad van bestuur en de raad van commissarissen.

3.17.

De ledenraad heeft de raad van bestuur en de raad van commissarissen bij

(aangetekende) brief van 29 april 2009 het volgende medegedeeld:

“De ledenraad van de Leeuwarder Onderlinge Verzekeringen heeft kennis genomen van de huidige

situatie bij de organisatie. Daartoe zijn verschillende gesprekken gevoerd met zowel de Raad van

Bestuur als de Raad van Commissarissen. Bovendien heeft de Ledenraad een besloten informele

vergadering gehouden en via mails en telefoon veelvuldig onderling afgestemd.

De conclusie kan helaas geen andere zijn dan dat de verhoudingen tussen de RvB en de RvC van de

Leeuwarder Onderlinge ernstig verstoord zijn. Dit baart de Ledenraad grote zorgen. Wij spreken het

vertrouwen uit dat de Raad van Bestuur en de Raad van Commissarissen zich in het belang van de

Leeuwarder Onderlinge over dit conflict heen zullen zetten.

Daarnaast speelt dat de RvC nadrukkelijk de mogelijkheid van het splitsen van het vermogen

gelanceerd heeft (vgl. brief van 6 april aan de RvB, die de Ledenraad als bijlage ontving bij de

uitnodiging voor de bijeenkomst van 16 april). De Ledenraad is van mening dat deze zienswijze

uitermate ongewenst is en niet strookt met de doelstelling van de LOV. Dit doet het vertrouwen van

de Ledenraad in de Rand van Commissarissen ernstig wankelen. Het is gewenst dat de RvC zich

nadrukkelijk van deze zienswijze distantieert.

In de bijzondere en ongewenste situatie van dit moment heeft de Ledenraad er behoefte aan om haar

mening te geven over een en ander. Wij doen dit in de vorm van een advies aan zowel de RvB als de

RvC.

1. De Ledenraad acht het niet in het belang van de vereiste continuïteit voor de LOV dat er een

interim-bestuurder wordt aangesteld.

2. De Ledenraad wil daarom een beroep doen op de heer [bestuursvoorzitter] om enige maanden langer dan

oorspronkelijk het plan was aan te blijven als bestuurder van de LOV.

3. De Ledenraad wil graag een SWOT-analyse laten opstellen door [deskundige]. Gezien zijn aanwezige kennis van de verzekeringsbranche en alle externe factoren die op dit moment een rol spelen, hoeft hij zich alleen in te lezen in de specifieke positie van de LOV (...)

4. Invalshoek voor de analyse moet zijn: Welke kansen liggen er voor de LOV? Wat is het profiel van de LOV? Welke directeur past hierbij? De opdracht is dus nadrukkelijk om een profiel op te stellen, waarmee zo snel mogelijk de werving van een nieuwe directeur voor de LOV in gang gezet kan worden door een extern bureau. (...)”

3.18.

De raad van bestuur heeft de ledenraad in reactie op haar advies medegedeeld dit

advies te onderschrijven. Ook wordt in deze brief bericht dat [bestuursvoorzitter] bereid is om nog enige

maanden aan te blijven als bestuurder van Leeuwarder Onderlinge.

3.19.

Bij brief van 2 mei 2009 heeft de raad van commissarissen onder meer aan de

ledenraad medegedeeld:

“(...) Inmiddels kunnen we vaststellen dat er een ongewenste verwijdering is ontstaan in de relatie

RvB - RvC - Ledenraad. Zaken worden uit het verband gerukt en anders geïnterpreteerd dan bedoeld,

hetgeen leidt tot de gedachte aan verborgen agenda’s.

Het past o.i. niet in de cultuur van de LOV dat Ledenraad en RvB met elkaar communiceren zonder

de RvC daarop aan te stuiten en te informeren over wat er besproken is. Dat is sinds een aantal weken

het geval.

Hoewel de actie van de RvB naar de Ledenraad reeds ruim vier weken oud is, is er geen enkel

concreet verwijt m.b.t. de handelwijze van de RvC geformuleerd.

De rol van de diverse organen dient duidelijk te zijn.

De RvB bepaalt het beleid maar wordt daarin gecontroleerd door de RvC. Zij dient zich te gedragen

naar de algemene aanwijzingen van de RvC op (o.a) economisch terrein. De RvC staat haar

bovendien met raad terzijde.

De Ledenraad heeft de taak te beoordelen of de RvC doet wat van een behoorlijk (niet: perfect)

optredende RvC mag worden verwacht. Dit is dus een marginale toetsing. (...)”

3.20.

De raad van commissarissen heeft een interimmanagement opdracht gegeven aan

[deskundige]. Deze is bevestigd bij opdrachtbevestiging van 4 mei 2009, welke door de

commissarissen [appellant] en [lid 3] is geaccordeerd. In deze opdrachtbevestiging staat

onder meer vermeld:

“(...)

2. Waar gewenst gedurende een periode van zes weken de positie van voorzitter van de Raad van

Bestuur waarnemen na het vertrek (vervroegde pensionering) van de huidige voorzitter. De eventuele

benoeming tot voorzitter a.i. geschiedt onder voorbehoud van instemming van de Ledenraad alsmede

DNB.

3. De belangrijkste taak tijdens de periode van de opdracht is het realiseren van een review met als

uitkomst een aantal scenario’s die als input dienen voor de strategische keuze van de Raad van

Commissarissen voor de toekomstige strategie van de Organisatie.

(...)

e. Bij de review zal worden uitgegaan van het stakeholders model, waarbij in de eerste plaats gekeken

wordt naar de belangen van de verzekerden (tevens leden), klanten (niet leden) en de werknemers.

Scenario’s die in meer of mindere mate in beeld worden gebracht zijn (niet limitatief):

- zelfstandig doorgaan als onderlinge verzekeraar

- samengaan met andere verzekeraars

- de portefeuille overdragen en doorgaan als gevolmachtigde

- de portefeuille overdragen en als intermediair uitbreiden al dan niet in combinatie met het

uitoefenen van een volmachtbedrijf

- de laatste genoemde optie in combinatie met het overnemen van andere assurantieportefeuilles voor

het bereiken van voldoende schaalgrootte

- aangaan van voor de hand liggende allianties

- stoppen met verzekeringsactiviteiten in welke vorm dan ook

(...)”

3.21.

In de agenda voor de ledenraadsvergadering van 18 mei 2009 staan onder meer de

volgende agendapunten genoemd:

“(...) 7. Voorstel decharge te verlenen aan de Raad van

Bestuur voor het in 2008 gevoerde beleid. 8. Voorstel decharge te verlenen aan de leden

van de Raad van Commissarissen voor het toezicht over het boekjaar 2008, 9. Voorstel

herbenoeming commissaris [lid 3], 10. Bespreking actuele problematiek bij de Leeuwarder Onderlinge, 11. Ontheffing bestuursverantwoordelijkheid [bestuursvoorzitter] per 29 mei

2009, 12. Benoeming [deskundige] tot (tijdelijk) voorzitter van de Raad van Bestuur.”

3.22.

In de ledenraadsvergadering op 18 mei 2009 heeft de ledenraad het voorstel tot

herbenoeming van [lid 3] als commissaris unaniem afgewezen. Aan de raad van bestuur

is - conform het daartoe gedane voorstel - door de ledenraad decharge verleend voor het in

2008 gevoerde beleid. Het voorstel om de leden van de raad van commissarissen decharge

te verlenen voor het in 2008 uitgevoerde toezicht is door de ledenraad unaniem afgewezen.

Over de voorgestelde benoeming van [lid 3] als voorzitter van de raad van bestuur is geen

besluitvorming geweest.

3.23.

[lid 1] en [lid 2] hebben ieder voor zich omstreeks begin juli 2009 laten weten

dat zij zich terugtrekken als commissaris bij Leeuwarder Onderlinge.

3.24.

In de agenda voor de ledenraadsvergadering van 6 juli 2009 staan (samengevat)

onder meer de volgende agendapunten vermeld:

'(…)3. Voorstel tot decharge van de commissarissen [lid 1] en [lid 2] voor het door hen gevoerde toezicht op de raad van bestuur over het boekjaar 2008 en de periode vanaf 1 januari 2009 tot en met 6 juli 2009, 4. Voorstel om - op hun verzoek - eervol ontslag te verlenen aan [lid 1] en [lid 2] als commissarissen 5. Voorstel tot decharge van de commissaris [lid 3] voor het door hem gevoerde toezicht op de raad van bestuur over het boekjaar 2008 en de periode vanaf 1 januari 2009 tot en met 18 mei 2009 6. Voorstel tot ontslag van [appellant] als commissaris.'

3.25.

Tijdens de ledenraadsvergadering van 6 juli 2009 is aan de commissarissen [lid 1], [lid 2] en [lid 3] unaniem decharge verleend zoals hiervoor vermeld, is eervol

ontslag verleend aan de commissarissen [lid 1] en [lid 2] en is [appellant] unaniem

ontslagen als commissaris. In het notarieel opgemaakte proces-verbaal van vergadering staat

onder meer vermeld:

“ (...) Door mij is vervolgens geconstateerd dat de leden van de raad van commissarissen [lid 2]

, [lid 1] en [appellant] zich schriftelijk (per e-mail)

hebben afgemeld voor de vergadering.

Door mij, notaris is ten slotte geconstateerd dat de in de statuten bedoelde oproepingstermijn voor de

vergadering van de ledenraad is nageleefd en derhalve in deze vergadering rechtsgeldige besluiten

kunnen worden genomen, aangezien alle ledenraadsleden tegenwoordig dan wel vertegenwoordigd

zijn.

6. Voorstel tot ontslag van de heer [appellant] als commissaris van de Leeuwarder

Onderlinge Verzekeringen U.A.

(...) Volgt opname integrale tekst toelichting.

De Ledenraad heeft het ontslag van [appellant] als commissaris en als voorzitter van de Raad

van Commissarissen op de agenda geplaatst, omdat er sprake is van ernstig verstoorde verhoudingen

tussen enerzijds de Raad van Commissarissen en anderzijds de Ledenraad en de Raad van Bestuur.

Bij de Ledenraad ontbreekt elk vertrouwen in de Raad van Commissarissen en haar voorzitter om

door te gaan. Er dreigt een onwerkbare situatie te ontstaan binnen de Leeuwarder Onderlinge

Verzekeringen. De Ledenraad noemt met name de volgende gronden die tot de bovenstaande

conclusie hebben geleid en die ieder op zich en zeker tezamen meebrengen dat naar het oordeel van

de Ledenraad de voorzitter van de Raad van Commissarissen als voorzitter en als commissaris moet

worden ontslagen:

1. Bij aangetekende brief van 29 april 2009 heeft de Ledenraad in duidelijke bewoordingen aan onder meer de Raad van Commissarissen kenbaar gemaakt dat de mogelijkheid van splitsing van het vermogen van de Leeuwarder Onderlinge Verzekeringen krachtig wordt afgewezen en dat [deskundige] uitsluitend een SWOT-analyse mag opstellen. Niettemin heeft [appellant] op 4 mei 2009 [deskundige] (in feite diens B.V.) en [bedrijf] van [X] opdracht gegeven om juist wel het door de Raad van Commissarissen beoogd onderzoek te doen. [appellant] heeft aangevoerd dat hij de brief van 29 april pas gelezen had na de verstrekking van de

opdrachten. Ofschoon de Ledenraad dit betwijfelt, heeft in ieder geval [appellant] niet onmiddellijk

na lezing van onze brief de opdrachten ingetrokken of het onderzoek bevroren. Integendeel, [appellant] heeft de Ledenraad onkundig gelaten van de verstrekte opdrachten, totdat wij in onze

vergadering van 18 mei 2009 hiernaar uitdrukkelijk gevraagd hebben. [appellant] was bekend dat

bij eventuele structurele wijzigingen van de Leeuwarder Onderlinge Verzekeringen niet de Raad van

Commissarissen of de Raad van Bestuur maar de Ledenraad het laatste woord heeft. De Raad van

Commissarissen onder leiding van [appellant] had dan ook niet opdracht mogen geven tot

onderzoek naar dergelijk ingrijpende wijzigingen zonder daarover eerst overleg gepleegd te hebben

met de Ledenraad.

2. Op onze brief van 29 april 2009 heeft [appellant] niet gereageerd, zoals hij op diverse indringende

e-mails van individuele leden van de Ledenraad niet geantwoord heeft. Ook blijkt eens temeer uit het

concept-proces-verbaal van onze vergadering op 18 mei 2009, dat [appellant] niet communiceert

met de voorzitter van de Raad van Bestuur. Sterker nog, naar aanleiding van de vergadering van 19

mei schrijft de Raad van Commissarissen op 26 mei 2009 ons een brief met kwalijke suggesties en

dreigementen. Kortom, als voorzitter van een belangrijk orgaan binnen de Leeuwarder Onderlinge

Verzekeringen schiet [appellant] volstrekt tekort in een behoorlijke communicatie met andere

gremia binnen de Leeuwarder Onderlinge Verzekeringen, in het bijzonder met de Ledenraad.

3. De vergadering van de Ledenraad van 18 mei werd door [appellant] als voorzitter geleid. [appellant] vervult daarbij een statutaire rol, omdat hij immers niet lid is van de Ledenraad (artikel 18 lid 1 van de statuten). In plaats van de vergadering te leiden zocht [appellant] de confrontatie, trad hij

escalerend op en dreigde hij met de gang naar de rechter. De Ledenraad wenst niet verder te werken

met een voorzitter die op die manier de Ledenraad en individuele leden niet serieus neemt en onheus

bejegent.”

3.26. (

De ledenraad van) Leeuwarder Onderlinge heeft in het najaar van 2009 voorzien

in de aldus ontstane vacatures van drie commissarissen en de voorzitter van de raad van

bestuur. Op 9 september 2009 is de nieuwe voorzitter van de raad van bestuur, [voorzitter raad van bestuur] benoemd met ingang van 1 november 2009. Met ingang van 13 oktober 2009 is de nieuwe voorzitter van de raad van commissarissen, [voorzitter raad van commissarissen], benoemd. Ten

slotte zijn met ingang van 15 oktober 2009 de nieuwe commissarissen [commissaris 1]
en met ingang van 9 november 2009 [commissaris 2] benoemd. Sinds

genoemde data zijn deze personen in functie.

4 De vorderingen en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] en [lid 3] hebben in (oorspronkelijke) conventie de vernietiging gevorderd van de besluiten van (de ledenraad van) Leeuwarder Onderlinge van 18 mei 2009 respectievelijk 6 juli 2009, tot:

a. het ontslag van [appellant] als commissaris;

b. het niet herbenoemen van [lid 3] tot commissaris;

c. het onthouden van decharge aan [appellant] en [lid 3].

Voorts is gevorderd voor recht te verklaren dat het besluit tot benoeming van nieuwe commissarissen en een nieuwe directeur door Leeuwarder Onderlinge nietig is, althans ook dat besluit te vernietigen, een en ander met veroordeling van Leeuwarder Onderlinge in de kosten van de procedure.

4.2

Leeuwarder Onderlinge heeft in voorwaardelijke reconventie (namelijk voor zover in conventie de besluiten tot niet-herbenoeming van [lid 3], tot ontslag van [appellant] en/of tot benoeming van nieuwe commissarissen en een nieuwe directeur worden vernietigd) gevorderd aan deze vernietiging terugwerkende kracht te onthouden.

4.3

De rechtbank heeft in (oorspronkelijke conventie), samengevat weergegeven:

a. het besluit vernietigd om geen decharge te verlenen aan [appellant];

b. [appellant] veroordeeld in de kosten van het geding;

c. [lid 3] niet-ontvankelijk verklaard in de namens hem ingestelde vorderingen;

d. het meer of anders gevorderde afgewezen.

5 De beoordeling van het hoger beroep

5.1.

In rov. 4.16/4.17 van het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vordering van [appellant] die strekt tot vernietiging van de besluiten van de ledenraad tot benoeming van een nieuwe bestuursvoorzitter en drie nieuwe commissarissen, afgewezen. Daartegen is door [appellant] niet met een grief opgekomen, zodat dit oordeel van de rechtbank aan beoordeling door het hof is onttrokken. Het hof stelt verder vast dat Leeuwarder Onderlinge niet incidenteel heeft gegriefd tegen de vernietiging door de rechtbank van het besluit (van de ledenraad van) Leeuwarder Onderlinge om geen decharge te verlenen aan [appellant].

5.2

[appellant] heeft vier grieven geformuleerd. De grieven richten zich in essentie tegen de afwijzing door de rechtbank van zijn vordering tot vernietiging van het besluit van (de ledenraad van) Leeuwarder Onderlinge hem als commissaris te ontslaan (rov. 4.8, 4.9 en 4.10 van het bestreden vonnis). Het hof zal de grieven hierna bespreken waarbij het volgende wordt vooropgesteld.

5.3

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de vorderingen in rov. 4.5 van het vonnis de volgende, in appel terecht niet bestreden, toetsingsmaatstaven gehanteerd:

In artikel 2:15 BW is bepaald dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, zoals in casu de ledenraad van de Leeuwarder Onderlinge, onder meer vernietigbaar is indien het in strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die de totstandkoming van besluiten regelen of wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist of wegens strijd met een reglement. In artikel 2:8 BW is bepaald dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkaar moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Toetsingsmaatstaf daarbij is, volgens vaste jurisprudentie (zie HR 9 januari 1987, NJ 1987, 959), de vraag of het orgaan dat het besluit heeft genomen bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van de in artikel 2:8 BW bedoelde personen in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Dit veronderstelt een marginale toetsing van het bestreden besluit. Het is niet aan de rechter om de aan het besluit ten grondslag liggende belangenafweging volledig te toetsen.’

Ook het hof zal daarvan uitgaan.

5.4

Grief I klaagt er over dat de rechtbank de bevoegdheden van de raad van commissarissen en van de raad van bestuur door elkaar heeft gehaald. Blijkens de toelichting op de grief wijst de rechtbank er ten onrechte op dat de raad van bestuur de onderneming bestuurt.

5.5

De grief kan niet slagen. De rechtbank is er op grond van artikel 21 lid 1 van de statuten terecht van uitgegaan dat de raad van bestuur is belast met het bestuur van de onderneming, en dat de raad van commissarissen, gelet op het bepaalde in artikel 25 lid 1 van de statuten, is belast met het houden van toezicht op het beleid van de raad van bestuur en op de algemene gang van zaken in de onderneming. Daarmee is niet in tegenspraak – zoals de grief lijkt te veronderstellen – dat de raad van commissarissen te kennen heeft gegeven een onderzoek te willen beginnen naar de toekomstige strategie van Leeuwarder Onderlinge, temeer niet omdat in artikel 25 van de statuten tevens is bepaald dat de raad van commissarissen de raad van bestuur met raad ter zijde staat. Voor het overige maakt [appellant] niet duidelijk wat met deze grief wordt beoogd.

5.6

Met grief II wordt erover geklaagd dat de ‘dragende overweging van de Rechtbank (r.o. 4.9)’ niet op de feiten is gebaseerd omdat, zo begrijpt het hof, de benoeming van [deskundige] als interim manager voor de raad van commissarissen niet bepalend was en zowel de ledenraad als de raad van commissarissen het eens waren over een door [deskundige] uit te voeren SWOT onderzoek. Grief III klaagt erover dat de rechtbank heeft geoordeeld dat uit niets is gebleken dat de ledenraad van haar bevoegdheid misbruik heeft gemaakt. Beide grieven keren zich tegen rov. 4.9 van het bestreden vonnis en lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

5.7

Het hof stelt voorop dat de benoeming van [deskundige] tot interim manager geen deel uitmaakt van het onder 3.25 genoemde gronden tot ontslag van [appellant] als commissaris, zodat deze kwestie verder onbesproken kan blijven.

5.8

Ledenraad en raad van commissarissen waren het er blijkens de brief van de ledenraad van 29 april 2009 (‘De Ledenraad wil graag een SWOT-analyse laten opstellen’) en het verslag van de ledenraadsvergadering van 18 mei 2009 (‘een SWOT-analyse, dat willen wij ook’) over eens dat er een SWOT-analyse zou moeten komen, door de raad van commissarissen uitgelegd als een onderzoek naar de kansen, de bedreigingen, de sterktes en de zwaktes van Leeuwarder Onderlinge en (ook) door de ledenraad gezien als een onderzoek naar de kansen van Leeuwarder Onderlinge. Wat de ledenraad blijkens haar brief van
29 april 2009 echter evident niet wilde (‘uitermate ongewenst’) was de door de raad van commissarissen in haar brief van 3 april 2009 genoemde optie van een mogelijke splitsing van het vermogen van Leeuwarder Onderlinge, om reden dat zij dat niet vond stroken met de doelstelling van Leeuwarder Onderlinge. Vervolgens heeft de raad van commissarissen [deskundige] de onder 3.20 vermelde opdracht gegeven voor het verrichten van een ‘review’ waarbij een aantal scenario’s in beeld zou worden gebracht, waaronder – zoals tussen partijen niet in geschil is – de mogelijkheid van een splitsing van het vermogen van Leeuwarder Onderlinge, hoewel de raad van commissarissen van het in de brief van de ledenraad genoemde bezwaar daartegen op de hoogte was. Blijkens het gestelde in de memorie van grieven sub 17 hebben de opdrachtbevestiging van 4 mei 2009 en de brief van de ledenraad van 29 april 2009 elkaar immers niet gekruist. Nu de raad van commissarissen in weerwil van het bij de ledenraad levende sterke bezwaar niettemin aan [lid 3] heeft opgedragen een aantal scenario’s in beeld te brengen waaronder de mogelijkheid van splitsing van het vermogen van Leeuwarder Onderlinge kan, gelet op de onder 5.3 genoemde maatstaven, niet worden gezegd dat de ledenraad vervolgens in redelijkheid niet tot het gewraakte ontslagbesluit van 6 juli 2009 (onder 1.) heeft kunnen komen.

5.9

Uit de toelichting op de grieven maakt het hof op dat [appellant] zich op het standpunt stelt dat de raad van commissarissen in feite niet anders heeft gedaan dan aan [lid 3] het ook door de ledenraad gewenste SWOT-onderzoek opdragen, waaronder dan kennelijk ook is begrepen een onderzoek naar een mogelijke splitsing van het vermogen van Leeuwarder Onderlinge, en dat dit erop duidt dat de ledenraad ‘eigenlijk niet weet’ wat een SWOT-analyse is. Naar het oordeel van het hof maakt dit het onder 5.8 gegeven oordeel over het gegeven ontslag niet anders. Als onder het aan [lid 3] opgedragen SWOT-onderzoek ook is begrepen het door de ledenraad niet gewenste onderzoek naar een mogelijke splitsing van het vermogen van Leeuwarder Onderlinge, had van de raad van commissarissen verwacht mogen worden dat zij de ledenraad over dat kennelijk bij haar levende ‘misverstand’ zou informeren, nu de raad van commissarissen er immers mee op de hoogte was dat juist dit punt bij de ledenraad op grote weerstand stuitte.

5.10

De grieven II en III stuiten daarop af.

5.11

Grief IV keert zich tegen de proceskostenveroordeling ten laste van [appellanten] Volgens [appellant] waren er redenen om, als het ontslagbesluit in stand zou blijven, Leeuwarder Onderlinge niettemin in de kosten te veroordelen. Welke die redenen zijn, vermeldt de grief niet, en de enkele verwijzing naar ‘hetgeen in eerste instantie daarover is gezegd’ volstaat uiteraard niet. De grief faalt.

5.12

In zijn akte van 29 oktober 2013 vermeldt [appellant] dat in december 2008 een vergadering van de ledenraad door de directie wordt uitgeschreven waarvan de raad van commissarissen geen weet had. Volgens [appellant] is dat ‘in strijd met art. 18, met name lid 5 van de statuten’ en is ‘overigens (is) ook de vergadering van de ledenraad d.d. 9 april 2009 in strijd met art. 18.’ Voor zover deze stellingen zijn aan te merken als een nieuwe grief, zijn zij tardief aangevoerd, immers in strijd met de in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde ‘twee-conclusie-regel’. Dat daarop in dit geval de eveneens in de rechtspraak ontwikkelde uitzonderingen van toepassing zijn, is gesteld noch gebleken.

5.13

Nu de grieven falen, zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. [appellant] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep (1,5 punt tarief II). De vordering om [appellant] ook in de nakosten te veroordelen is niet toewijsbaar, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. recent HR 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:335). Het hof overweegt in dit verband dat Leeuwarder Onderlinge niet de veroordeling van [appellant] tot betaling van nasalaris heeft gevorderd.

De beslissing

Het gerechtshof, recht doende in hoger beroep,

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 5 oktober 2011, voor zover gewezen tussen [appellant] en Leeuwarder Onderlinge,

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Leeuwarder Onderlinge begroot op € 666,- voor verschotten en op € 1.341,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief,

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. R.A. van der Pol, mr. M.W. Zandbergen en mr. I. Tubben en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 2 september 2014.