Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:6755

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-08-2014
Datum publicatie
12-09-2014
Zaaknummer
13/01305
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:4570, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Aftrek omzetbelasting. Aanleg kunstgrasveld door voetbalvereniging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2036 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2014/1812
V-N 2014/61.2.4
V-N 2015/33.25.25
drs. J. van der Laan, mr. J.P.W.H.T. Becks annotatie in NTFR 2014/2523

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 13/01305

uitspraakdatum: 26 augustus 2014

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Almelo (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 november 2013, nummer AWB 13/4182, in het geding tussen de Inspecteur en

Stichting [X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De Inspecteur heeft bij beschikking van 28 maart 2013 het door belanghebbende in haar aangifte over het tijdvak 6 juni 2012 tot en met 31 december 2012 gedane verzoek tot teruggaaf van een bedrag van € 65.841 geweigerd en geen teruggaaf verleend.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de beschikking gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 19 november 2013 gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, het bedrag van de teruggaaf van omzetbelasting voor de periode 6 juni 2012 tot en met 31 december 2012 vastgesteld op € 65.391, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.179 en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het griffierecht van € 318 vergoedt.

1.4

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2014 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende [A], [B] en [C], bijgestaan door de gemachtigde mr. [D] FB. Namens de Inspecteur zijn verschenen [E], mr. [F] en [G].

1.7

Partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Sportpark [H] is een sportaccommodatie te [L]. Het sportpark bestond tot 2012 uit drie natuurgrasvelden in eigendom van de gemeente [O]. Het sportpark wordt onder meer gebruikt door voetbalvereniging [I] (hierna: [I]), die de velden huurt. Daarnaast heeft [I] zelf opstallen in eigendom zoals kleedkamers, kantine en een tribune.

2.2

In 2011 heeft [I] besloten tot samenwerking met de partijen [J] (hierna: [J]), Stichting [K], [M] en de gemeente [O]. Bij brief van 4 januari 2012 heeft belanghebbendes gemachtigde de Belastingdienst, voor zover relevant, als volgt geïnformeerd over een in dat kader opgerichte [N] (Hierna: [N]):

“(…) Het samenvoegen van diverse verenigingsactiviteiten in één multifunctioneel gemeenschapshuis heeft als voordeel dat er meer ontmoetingen plaatsvinden, het is efficiënter in gebruik en het bespaart kosten.

De realisatie, exploitatie, beheer en instandhouding van het gemeenschapshuis komt in handen van de stichting. (…)

De stichting richt zich op de exploitatie van de bestaande sportaccommodatie, de aanwezige horecafaciliteiten/ontmoetingsruimte en de nieuw gerealiseerde multifunctionele ruimte. (…)”

2.3

[I] heeft de in 2.1 bedoelde opstallen, met uitzondering van de tribune bij het hoofdveld, verkocht aan [N] voor de som van € 177.397. Van dit bedrag is door [N] € 88.698,50 betaald aan [I] en € 88.698,50 is door [I] bijgedragen aan de investering in het onder 2.2 genoemde gemeenschapshuis.

2.4

Bij brief van 12 maart 2012 is namens Stichting [X] i.o. bij het college van burgemeester en wethouders van [O] (hierna: het college van B&W) een aanvraag om subsidie ingediend. Hierin staat onder meer:

" (…) Na verschillende gesprekken met de Gemeente en een gedegen financiële onderbouwing zijn wij voornemens als voetbal vereniging [I], na instemming van de leden, over te gaan tot het aanleggen van een kunstgrasveld.

Voor de realisatie en exploitatie van het kunstgrasveld wordt de stichting '[X]' opgericht. Hierbij dient de stichting '[X]' i.o. het verzoek in om gebruik te mogen maken van de geldende 'subsidie regeling kunstgras' (…). "

2.5

In de notulen van de algemene ledenvergadering van [I] van 29 maart 2012 staat het volgende vermeld:

" (…)

 De ledenvergadering heeft unaniem ingestemd (81 voor, 0 tegen) met de aanleg van een kunstgrasveld door de nieuwe stichting i.o. '[X]' hiermee zijn de volgende zaken goedgekeurd:

 Er zal op het hoofdveld een kunstgrasveld worden aangelegd en het 3e veld zal ingeleverd worden (conform subsidieregeling van de gemeente [O]).

 [I] zal 70k mee financieren in de vorm van een lening aan de stichting i.o.

 De stichting i.o. '[X]' krijgt het kunstgrasveld, verlichting, hekwerk en tribune in eigendom en zal dit gaan exploiteren/beheren. E.e.a. zal iom de gemeente [O] worden geregeld zij is nu nl eigenaar van de velden.

(…) "

2.6

Door [A] is in mei 2012 namens het bestuur van belanghebbende een plan geschreven, getiteld "Een dorp waarin jong en oud samen in beweging zijn en blijven". Op het voorblad staan onder meer de logo’s vermeld van Basisschool [P], [I] en [J]. In het plan staat onder meer het volgende:

" (…)

1. Inleiding

In 2003 is (…) [J] gestart met een enquête om de wenselijkheid van een gezamenlijke ontmoetingsplek te inventariseren.

De reacties op dit onderzoek naar draagvlak waren zo groot dat besloten is om een bijeenkomst te houden met alle verenigingen. Tijdens deze bijeenkomst hebben de verenigingen unaniem besloten om gezamenlijk te streven naar het realiseren van een ontmoetingsplek om de gemeenschapszin en het rijke verenigingsleven te behouden.

(…)

Om de multifunctionaliteit van de gecreëerde ontmoetingsplek compleet te maken heeft Stichting "[X]" zich ten doel gesteld om ook buiten een multifunctionele ontmoetingsplek te creëren, waarop jong en oud volop activiteiten kunnen ontplooien.

2 Doelstelling Stichting "[X]"

De stichting heeft ten doel:

a. het bevorderen van het maatschappelijk welzijn van de inwoners van [L] en omgeving door het actief stimuleren van spel en beweging voor jong en oud.

b. Zij geeft daarmee gelegenheid tot sport en cultuur beoefening in het algemeen en tot de uitoefening van de voetbalsport in het bijzonder, in de meest ruime zin.

De stichting tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door het verkrijgen, beheren, onderhouden en exploiteren van een multifunctioneel kunstgrasveld.

2.1

Duurzaamheid

Door realisatie van dit multifunctionele kunstgrasveld willen we de cirkel rond maken, die gestart is met de realisatie van "[Q]. Met de realisatie van [Q] met gemeenschappelijke ruimten hebben we de mogelijkheid gecreëerd voor een duurzame toekomst van het rijke verenigingsleven van ons dorp. Deze verenigingen zijn erg belangrijk voor de sociale samenhang binnen ons dorp. [Q] heeft echter alleen binnenruimte. Door de buitenruimte ook multifunctioneel te maken wil Stichting "[X]" de ontbrekende schakel zijn voor het dorp wat betreft multifunctionaliteit.

Stichting "[X] is een zelfstandige juridische entiteit, die waar mogelijk de samenwerking zal zoeken met bv. [N], de basisschool [P] en [J]. (…)

3 Betrokken organisaties

[L] heeft ongeveer 750 inwoners en heeft ruim 20 actieve verenigingen. Bij het opstellen van activiteiten worden de meningen van zoveel mogelijk organisaties meegenomen. Voor het multifunctionele kunstgrasveld geldt als uitgangspunt, dat alle plaatselijke verenigingen er gebruik van kunnen maken.

Het wordt daarmee een brede voorziening, dat wil zeggen dat deze verder gaat dan alleen een kunstgrasveld voor voetbal.

Verenigingen zijn in de opstartfase naar de meerwaarde van een multifunctioneel kunstgrasveld gevraagd. Deze zijn hieronder weergegeven:

 Gezamenlijk gebruik van voorzieningen (waaronder ook technische installaties etc.)

 Gebruik maken van elkaars faciliteiten

 Samen onder 1 dak/terrein

 Kostenbesparing door samenwerking

 Uitlenen materialen

 Elkaar ontmoeten, gezelligheid

 Sociaal contact

 Dag arrangementen

 Saamhorigheid

 Bewegen wordt gestimuleerd jong en oud / bevorderen gezonde levensstijl

 Maximaal anticiperen op bevolkingskrimp

 Extra faciliteiten voor het dorp

4 Werkzaamheden

De werkzaamheden van de Stichting [X] zijn gericht op:

a. Het in stand houden, beheren en exploiteren van een multifunctioneel kunstgrasveld inclusief hekwerk, verlichting, dug-outs en tribune en voorts al wat met één en ander zijdelings of rechtstreeks verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.

b. Het samenwerken met andere partijen, welke een gelijksoortig of aanverwant doel nastreven;

c. Alle andere wettige middelen welke voor het doel bevorderlijk kunnen zijn.

Binnen de financiële mogelijkheden is er vooral gekeken naar het creëren van multifunctionaliteit. Daardoor zal een maximale kruisbestuiving tussen gebruikers gaan plaatsvinden. Zonder dat er sprake is van gedwongen opgave van eigen identiteit van elke afzonderlijke vereniging. Sport, cultuur, welzijn, onderwijsactiviteiten e.a. op het dorp gerichte activiteiten kunnen volop plaatsvinden. Het ontmoeten staat centraal.

Laagdrempeligheid en het "van ons en door ons" wordt vanaf het begin gepromoot. Zelfwerkzaamheid waar mogelijk tijdens de realisatie maakt hier een onderdeel van uit.

Qua beheer is er voor gekozen om met vrijwilligers te werken. Enerzijds vanuit kostenoogpunt maar zeer zeker ook om betrokkenheid bij inwoners te creëren.

(…)

6 Jong en Oud samen in beweging op "[X]"

(…)

Er is een brede doelgroep te bereiken, denk hierbij aan:

schooljeugd (sporten, T.S.O./B.S.O.) (…)

Basisschool [P] kent een tussen schoolse opvang waar veel gebruik van gemaakt wordt. In de middagpauze kan deze groep zich actief uitleven. 4x per week gemiddeld 15 kinderen. (…)

"Meer bewegen voor Ouderen", 40 ouderen. (…)

Oefenen schutterij, wekelijks kunnen 25 vendeliers buiten oefenen (…).

Slagwerkgroep maakt samen met fanfare gebruik van veld om marcheren te oefenen.

Koninginnedag, jaarlijks zal het Oranje comité het veld gebruiken voor het organiseren van activiteiten.

Fanfare organisatie 1x per 5 jaar "Music Together"

Opstarten 45+ voetbal. Om ouderen langer in beweging te houden is dit een activiteit, waarin wij veel groeipotentie zien. Ook in relatie met de aanwezige multifunctionele sportzaal.

Volksdansen ouderen, deze groep kan nu alleen binnen terecht, door het aanbieden van deze buitenruimte worden hun mogelijkheden vergroot.

Stageplekken voor de opleiding "Sport en beweging" zullen we waar mogelijk inzetten voor opstarten nieuwe activiteiten om bv. ouderen in beweging te laten blijven en jongeren in beweging te laten komen. Ook zullen we ook mogelijkheden creëren om maatschappelijke stages te vervullen. (…)

Zodra het multifunctionele veld gerealiseerd is (oktober 2012) zullen bovenstaande activiteiten ontplooid gaan worden. Er zal hierin samengewerkt worden met [N]", [P], Vereniging Dorpsbelangen e.a. partijen.
Zowel jong en oud kunnen hier te allen tijde gebruik van maken.

Dit bevordert de gezondheid maar ook de sociale samenhang.

Voor onderhoud kan gebruik gemaakt worden maken van fitte senioren, die op deze wijze een nuttige dagbesteding voor handen hebben, met als voordeel sociale contacten.

(…) "

2.7

Op 22 mei 2012 heeft het college van B&W onder meer besloten een subsidie te verlenen aan Stichting [X] (i.o.) ten bedrage van maximaal € 290.175, een recht van opstal te verlenen voor het kunstgrasveld, één natuurgrasveld te onttrekken aan de sportbestemming en het tweede veld te bestemmen in het kader van het speelruimtebeleidsplan.

2.8

Belanghebbende is opgericht bij akte van 6 juni 2012. In de statuten is onder meer het volgende opgenomen:

" (…)

Artikel 2

1. De stichting heeft ten doel:

a. het bevorderen van het maatschappelijk welzijn van de inwoners van [L] en omgeving door het actief stimuleren van spel en beweging voor jong en oud, waarmee zij gelegenheid geeft tot sport- en cultuurbeoefening in het algemeen en tot de uitoefening van de voetbalsport in het bijzonder;

b. het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.

2. De stichting tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door het verkrijgen, beheren, onderhouden en exploiteren van een multifunctioneel kunstgrasveld inclusief hekwerk, verlichting, dug-outs en tribune.

BESTUUR

SAMENSTELLING EN WIJZE VAN BENOEMEN

Artikel 3

1. Het bestuur van de stichting bestaat uit een door het bestuur vast te stellen aantal van ten minste drie en ten hoogste zeven bestuurders. Tot bestuurder kunnen uitsluitend natuurlijke personen worden benoemd.

2. De bestuurders worden benoemd en geschorst door het bestuur. (…)

ONTBINDING EN VEREFFENING

Artikel 12

1. Het bestuur is bevoegd de stichting te ontbinden.

2. (…)

3. Het liquidatiesaldo van de ontbonden stichting komt ten goede aan Voetbalvereniging [I].

(…) "

2.9

Het bestuur van belanghebbende bestaat uit de volgende zes personen: [A], [B], [R], [S], [T], [U]. Tot de stukken van het geding behoren verklaringen van deze bestuursleden, waarin zij hun motivatie voor het bestuur van belanghebbende uiteenzetten. Eén van deze bestuursleden ([U]) is tevens lid van het bestuur van [I], en twee van deze bestuursleden ([B] en [T]) zijn voormalig bestuurslid van [I], en één bestuurslid ([A]) was voorzitter van de kunstgrascommissie van [I].

2.10

Op 15 juni 2012 hebben [I] en belanghebbende een overeenkomst van geldlening gesloten, waarbij per 1 juni 2012 een bedrag door [I] van € 70.000 is uitgeleend aan belanghebbende. Op de hoofdsom zal jaarlijks € 2.500 worden afgelost, voor het eerst op 31 december 2013. Voorts is blijkens de overeenkomst een rente verschuldigd door belanghebbende van 3,5 percent op jaarbasis. Het rentepercentage wordt jaarlijks herzien op basis van de rentevoet voor bankdeposito met een looptijd van 1 jaar verhoogd met 0,75 percent, met dien verstande dat het percentage niet lager dan 3,5 percent zal zijn. De lening is aangegaan voor 28 jaar en de hoofdsom is niet tussentijds opeisbaar tenzij belanghebbende de vrije beschikking over haar vermogen of vermogensbestanddelen verliest.

2.11

Op 21 juni 2012 heeft de raad van [O] goedkeuring verleend aan de subsidieaanvraag van belanghebbende.

2.12

Bij overeenkomst, getekend op 31 juli en 7 augustus 2012, is door de gemeente [O] een recht van opstal verleend aan belanghebbende voor de duur van 30 jaar tegen een jaarlijks te indexeren opstalrecht van € 259,07. Het opstalrecht houdt in dat belanghebbende als opstalhouder het recht heeft tot het hebben, houden en onderhouden van een multifunctioneel kunstgrasvoetbalveld.

2.13

Op 1 september 2012 zijn belanghebbende en [I] een gebruiksvergoeding voor het seizoen 2012/2013 overeengekomen van € 2.500. Deze vergoeding is eind september 2012 verhoogd tot € 7.500, exclusief BTW. Bij de stukken van het geding is een overeenkomst gevoegd, gedateerd 1 augustus 2012, waarin dit is vastgelegd voor het seizoen 2012/2013.

2.14

Belanghebbende heeft op 17 januari 2013 aangifte omzetbelasting gedaan voor het tijdvak 6 juni 2012 tot en met 31 december 2012 met een bedrag van € 520 aan verschuldigde belasting en een bedrag van € 66.361 als voorbelasting. De aangifte leidde per saldo tot een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting van € 65.841. Bij faxbericht van 23 januari 2013 heeft de gemachtigde van belanghebbende de Inspecteur medegedeeld dat een bedrag van € 450 aan verschuldigde omzetbelasting (inzake de factuur aan [I] ten bedrage van € 7.500 van 13 december 2012) ten onrechte niet in de aangifte is verantwoord.

2.15

Bij brief van 7 maart 2013 heeft de Inspecteur zijn voorgenomen weigering van de teruggaaf gemotiveerd. Daarin staat onder meer het volgende:

" (…)

Ik kom tot de conclusie, dat Stichting [X] niet is aan te merken als ondernemer voor de omzetbelasting. Zij is teveel te vereenzelvigen met de voetbalvereniging. De Stichting is enkel opgericht met het doel belasting te kunnen besparen bij de aanleg van het kunstgrasveld. De Stichting is volledig afhankelijk van de voetbalvereniging, zowel in financieel oogpunt als op het punt van bijdragen van vrijwilligers. De contractvoorwaarden van de terbeschikkingstelling van het kunstgrasveld is voor de voetbalvereniging ook wezenlijk anders dan die voor derden. (…) "

2.16

Op 13 maart 2013 zijn de onder 2.8 genoemde statuten van belanghebbende als volgt aangepast:

" (…)

Artikel 2 lid 2 luidt in het vervolg:

2. De stichting tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door de exploitatie van sportaccommodaties, waaronder kunstgrasvelden met toebehoren, alsmede door het organiseren van evenementen en het werven van sponsorgelden, subsidies, donaties, bijdragen en giften.

Artikel 12 lid 3 luidt in het vervolg:

3. Het liquidatiesaldo van de ontbonden stichting komt ten goede aan [N].

(…) "

2.17

Tot de stukken van het geding behoort een overzicht van uitgaande facturen van belanghebbende in het jaar 2013. Uit dit overzicht volgt dat belanghebbende in het jaar 2013 heeft gefactureerd aan de volgende entiteiten: [AA] VV, BV [BB], VV [CC], VV [DD], VV [EE], [FF], VV [GG], Spcl. [HH], [II], VV [JJ], VV [KK], VV [LL], SC [MM], VV [NN 2], [OO], [I] en St. [PP] VV. Belanghebbende heeft alle facturen met omzetbelasting gefactureerd hetgeen in totaal, inclusief omzetbelasting, € 17.218,68 bedraagt.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of belanghebbende recht heeft op aftrek van (alle) omzetbelasting die aan haar in rekening is gebracht in verband met de aanleg van het kunstgrasveld.

3.2

De Inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend en stelt daartoe primair dat belanghebbende niet te onderscheiden is van [I] en dat haar zodoende geen recht op aftrek van omzetbelasting toekomt, maar dat dit recht (enkel voor 13 percent op basis van het feitelijke gebruik) toekomt aan [I]. Subsidiair stelt de Inspecteur dat indien belanghebbende wel als ondernemer voor de omzetbelasting kan worden aangemerkt, haar een recht op aftrek van voorbelasting op basis van het feitelijk gebruik van niet meer dan 46 percent toekomt.

3.3

Belanghebbende weerspreekt de stellingen van de Inspecteur en stelt dat haar en niet [I] het recht op aftrek van voorbelasting toekomt. Belanghebbende bestrijdt dat het feitelijk gebruik zou leiden tot een vermindering van het recht op aftrek van voorbelasting. Belanghebbende doet subsidiair, zo het Hof de Inspecteur zou volgen in zijn primaire standpunt, een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en, primair, tot ongegrond verklaring van het beroep en subsidiair tot gegrond verklaring van het beroep, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot teruggaaf van omzetbelasting over de periode 6 juni 2012 tot en met 31 december 2012 van een bedrag van € 30.080.

3.6

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Zelfstandig ondernemerschap van belanghebbende

4.1

Ingevolge artikel 9 van Btw-richtlijn 2006 wordt als ‘belastingplichtige’ beschouwd eenieder die zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie heeft dit begrip ‘economische activiteit’ een ruime werkingssfeer, alsook een objectief karakter, in die zin dat de activiteit op zichzelf moet worden beschouwd, zonder acht te slaan op het oogmerk of het resultaat van de activiteit. Een activiteit wordt aldus in de regel als economisch beschouwd wanneer zij permanent wordt verricht en de verrichter daarvoor een vergoeding ontvangt.

4.2

Tussen partijen is niet in geschil dat de gemeente [O] aan belanghebbende een subsidie heeft verstrekt in verband met de aanleg van het kunstgrasveld en, in verband daarmee, aan belanghebbende, een zelfstandig rechtspersoon, een recht van opstal heeft verleend. Belanghebbende stelt het kunstgrasveld ter beschikking aan [I] en aan anderen. Eveneens staat vast dat belanghebbende als tegenprestatie daarvoor van [I] en anderen een vergoeding ontvangt. Dit laat in beginsel, naar het oordeel van het Hof, geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende diensten verleent die moeten worden aangemerkt als een economische activiteit in de zin van artikel 9 van de Btw-richtlijn 2006.

4.3

De Inspecteur stelt echter – samengevat - dat het ondernemerschap van belanghebbende realiteit ontbeert. De Inspecteur stelt hiertoe primair, met een beroep op het arrest van het Hof van Justitie van 20 juni 2013, C-653/11 (Paul Newey), dat de contractuele bepalingen tussen belanghebbende en [I] niet doorslaggevend zijn, omdat zij niet de economische en commerciële realiteit weergeven maar een zuiver kunstmatige constructie vormen die geen verband houdt met de economische realiteit en alleen bedoeld zijn om een belastingvoordeel te verkrijgen. De Inspecteur draagt hiertoe diverse stellingen en in het bijzonder aan dat:

- aanvankelijk [I] en niet belanghebbende zich bij de gemeente als subsidievrager voor een kunstgrasveld had gemeld;

- de vier oprichters van belanghebbende nauw verbonden zijn met [I];

- dit nauwe verband onder meer blijkt uit hun bestuursactiviteiten voor [I];

- [I] de huurrechten en de tribune heeft afgestaan aan belanghebbende zonder tegenprestatie;

- het aangelegde kunstgrasveld met name geschikt is als door de KNVB goedgekeurd voetbalveld;

- de naast de subsidie benodigde financiering afkomstig is van [I] door middel van een langlopende lening zonder zekerheid;

- de leden van [I] geholpen hebben met de aanleg van het veld.

- aanvankelijk was afgesproken dat het liquidatiesaldo van de ontbonden stichting aan [I] zou toekomen.

De Inspecteur concludeert, samengevat, dat belanghebbende de exploitatie- en beheersdiensten niet als zelfstandig ondernemer uitoefent maar dat zij deze tezamen met, of als verlengstuk van, [I] uitoefent en derhalve met [I] vereenzelvigd moet worden. De Inspecteur doet daarbij een beroep op hetgeen het Hof van Justitie in de arresten van 20 februari 1997, nr. C-260/95 (DFDS) en van 23 maart 2006, nr. C-210/04 (FCE Bank) betreffende de (on)afhankelijkheid van een entiteit heeft geoordeeld en stelt dat belanghebbende in gelijke zin onvoldoende zelfstandig is van [I].

4.4

Belanghebbende heeft de stelling van de Inspecteur gemotiveerd weersproken. Daarbij heeft belanghebbende erop gewezen dat zij geen verlengstuk of commissie is van [I]. [I] behartigt de belangen van (slechts) de leden van de voetbalvereniging terwijl belanghebbende op haar beurt haar eigen, meer omvattende, belangen behartigt waaronder het, tegen vergoeding faciliteren van meer verenigingen zoals [I]. Belanghebbende exploiteert en beheert op die wijze een multifunctioneel kunstgrasveld.

4.5

Het Hof stelt voorop dat, aangezien de contractuele bepalingen normaliter de economische en commerciële realiteit van de handelingen weergeven, zij omwille van de rechtszekerheid een in aanmerking te nemen factor vormen teneinde te bepalen wie de verrichter en de ontvanger zijn van een dienst. Toch kan blijken dat bepaalde contractuele bepalingen de economische en commerciële realiteit van de handeling niet geheel weergeven. Dat is met name het geval wanneer blijkt dat deze contractuele bepalingen een zuiver kunstmatige constructie vormen die niet beantwoordt aan de economische en commerciële realiteit van de handelingen. Het is aan de nationale rechter om op basis van een globale beoordeling van de omstandigheden na te gaan of de contractuele bepalingen de economische realiteit waarheidsgetrouw weergeven, (vgl. arrest Hof van Justitie van 20 juni 2013, C-653/11 (Paul Newey), r.o. 43, 44 en 49).

4.6

Het Hof oordeelt dat, hoewel belanghebbende en [I] nauwe banden hebben, uit de feiten niet de conclusie kan worden getrokken dat belanghebbende – een zelfstandige rechtspersoon – in werkelijkheid een onzelfstandige assistent dan wel commissie is van [I]. Belanghebbende is een niet aan [I] gelieerde rechtspersoon met een eigen doelstelling en een eigen bestuur, die op eigen naam overeenkomsten sluit, facturen uitreikt, correspondeert, een eigen bankrekening heeft en een eigen jaarrekening opmaakt (vgl. HR 4 december 2009, nr. 43.742, ECLI:NL:HR:2009:BB8345). Het Hof acht daarbij doorslaggevend dat belanghebbende het door haar beheerde kunstgrasveld ook aan anderen dan [I] tegen vergoeding ter beschikking stelt. Naar het oordeel van het Hof verricht belanghebbende zodoende zelfstandig de exploitatie- en beheersdiensten en moet zij zelf als belastingplichtige worden aangemerkt. Daaraan doet niet af dat één van de bestuursleden van belanghebbende tevens deel uitmaakt van het bestuur van [I], dat het initiatief tot oprichting van belanghebbende bij leden van [I] lag, of dat de leden van [I] baat hebben bij de door belanghebbende verrichte activiteiten omdat het kunstgrasveld in het bijzonder door [I] gewenst was. De primaire stelling van de Inspecteur faalt derhalve.

Herkwalificatie van de feiten en misbruik van recht

4.7

De Inspecteur heeft zich subsidiair, met een beroep op het arrest van het Hof van Justitie van 21 februari 2006, C-255/02 (Halifax plc e.a.), op het standpunt gesteld dat sprake is van misbruik van recht en dat belanghebbendes transacties zo moeten worden geherdefinieerd dat de situatie wordt hersteld zoals zij zou zijn geweest zonder de transacties die dit misbruik vormen. De Inspecteur concludeert zodoende tot een belastingteruggaaf van 13 percent van het op aangifte gevraagde bedrag hetgeen – door belanghebbende niet weersproken - het bedrag zou zijn geweest dat aan [I] zou zijn toegekomen.

4.8

Van misbruik van recht is sprake wanneer i) de betrokken transacties, in weerwil van de formele toepassing van de voorwaarden die worden opgelegd door de desbetreffende bepalingen van de Btw-richtlijn en de nationale wettelijke regeling tot omzetting van deze richtlijn, ertoe leiden dat in strijd met het door deze bepalingen beoogde doel een belastingvoordeel wordt toegekend, en ii) uit een geheel van objectieve factoren blijkt dat het wezenlijke doel van de betrokken handelingen erin bestaat een belastingvoordeel te verkrijgen (vgl. Hof van Justitie van 21 februari 2006, C-255/02 Halifax plc e.a.).

4.9

Wat betreft het eerste vereiste overweegt het Hof dat activiteiten van een vereniging als [I] jegens haar verenigingsleden, bezien vanuit het doel van de Wet, geen recht op aftrek van omzetbelasting geven. Echter, nu een multifunctioneel kunstgrasveld ook aan anderen dan de leden van [I] tegen vergoeding ter beschikking wordt gesteld, hetgeen de Inspecteur niet betwist, brengt dat eveneens belaste omzet en recht op aftrek van voorbelasting met zich. Naar het oordeel van het Hof kan derhalve in het onderwerpelijke geval reeds daarom niet worden gesproken van een belastingvoordeel in weerwil van de formele toepassing van de wet en richtlijn. Evenmin is naar het oordeel van het Hof voldaan aan het tweede criterium. In het licht van hetgeen belanghebbende heeft gesteld omtrent de bezuinigingsdoelstellingen van de gemeente [O] en de wenselijkheid van een multifunctioneel kunstgrasveld waar ook andere afnemers gebruik van kunnen maken, heeft de Inspecteur met al hij heeft gesteld niet aannemelijk gemaakt dat het wezenlijke doel van belanghebbende is geweest het verkrijgen van een (substantieel) belastingvoordeel. Dat [I] de “hoofdafnemer” van het kunstgrasveld is, de aanleg heeft geïnitieerd en begeleid, en bij de exploitatie en het beheer ervan nauw betrokken is, maakt dit oordeel niet anders. Gezien de relatief kleine gemeenschap waarbinnen belanghebbende opereert ten opzichte van het relatief grote aantal verenigingen dat van het multifunctionele kunstgrasveld gebruik wenst te maken, in meer of mindere mate, acht het Hof enige verwevenheid tussen de (belangen van de) entiteiten niet ongebruikelijk. De subsidiaire stelling van de Inspecteur faalt eveneens.

Recht op teruggaaf van voorbelasting

4.10

De Inspecteur heeft tot slot eerst in hoger beroep - meer subsidiair - gesteld dat, ingeval het Hof de primaire en subsidiaire stelling van de Inspecteur zou afwijzen, belanghebbendes recht op aftrek verminderd dient te worden tot 46 percent van de gevraagde voorbelasting. De Inspecteur heeft in dat kader gesteld dat uit het gebruiksschema zou blijken dat belanghebbende het veld 32,5 uur van de in totaal 61 uur om niet ter beschikking stelt aan de school, [QQ] en [RR] hetgeen tot gevolg heeft dat 54 percent van de voorbelasting niet voor aftrek in aanmerking komt.

4.11

Het Hof volgt de stelling van de Inspecteur niet. Uit het bij het verweerschrift in hoger beroep gevoegde overzicht van uitgaande facturen van belanghebbende volgt dat factuur [000000], anders dan de Inspecteur stelt, is hersteld en dat 6 percent omzetbelasting in rekening is gebracht en dat dit eveneens volgt uit de facturen [000001] en [000002] waarin het veldgebruik door school, fanfare en andere verenigingen door belanghebbende is gefactureerd. Belanghebbende heeft ook overigens het door de Inspecteur gestelde veldgebruik gemotiveerd betwist. Het Hof oordeelt dat de Inspecteur, op wie ter zake bij gemotiveerde betwisting daarvan door de belanghebbende de bewijslast rust dat niet alle voorbelasting voor aftrek in aanmerking komt, met hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende recht op aftrek van slechts 46 percent van de voorbelasting toekomt.

Slotsom



4.12 Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling. Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep van de Inspecteur heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.461 (1 punt voor verweerschrift en 1 punt voor de mondelinge behandeling, waarde per punt € 487, factor 1,5 voor het gewicht van de zaak).

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in verband met het hoger beroep van de Inspecteur tot het bedrag van € 1.461;

  • -

    bepaalt dat van de Inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 478 zodra deze uitspraak onherroepelijk is vast komen te staan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Polak, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. A. Klein als griffier.

De beslissing is op 26 augustus 2014 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De voorzitter,

(E. Polak)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 2 september 2014

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.