Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:6753

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-09-2014
Datum publicatie
05-09-2014
Zaaknummer
13/00850
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2013:3778, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:369
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslag landinrichtingsrente terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2061
V-N Vandaag 2014/1781

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

nummer 13/00850

uitspraakdatum: 2 september 2014

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 juni 2013, nummer AWB LEE 13/142, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag landinrichtingsrente opgelegd voor een bedrag van € 887,52.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 27 juni 2013 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2014 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door haar echtgenoot, [A], alsmede [B], namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. ing. [C] (werkzaam bij de Dienst Landelijk Gebied).

1.7

Namens belanghebbende is een pleitnota overgelegd.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

In het kader van het ruilverkavelingsproject "[D]" is een Plan van Toedeling opgemaakt op basis van de eigendomssituatie op de peildatum 1 december 1998. Vervolgens is een Lijst der Geldelijke Regelingen (LGR) opgesteld. De LGR is ter inzage gelegd.

2.2

Belanghebbende heeft, tezamen met haar echtgenoot een aantal bezwaren ingediend bij de Landinrichtingscommissie van de ruilverkaveling [D] (hierna: Lic) tegen de LGR alsmede tegen het Plan van toedeling (hierna: Pvt). De Lic heeft deze bezwaren weersproken. De civiele sector van de rechtbank Groningen heeft op 30 november 2005 en op 23 augustus 2006 vonnis gewezen ten aanzien van deze bezwaren. Belanghebbende heeft tegen de vonnissen geen beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft zich vervolgens wederom tot de civiele sector van de Rechtbank Groningen gewend met een aantal klachten waaronder betreffende de landinrichtingsrente. De civiele sector van de rechtbank Groningen heeft belanghebbende deels in haar bezwaren niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft hiertegen geen beroep in cassatie ingesteld.

2.3

Bij beschikking van 9 mei 2011 heeft de rechtbank Groningen de LGR gesloten.

2.4

Volgens de LGR, zoals deze door de rechtbank Groningen is gesloten, zijn over onderstaande kavels de volgende kosten omgeslagen:

Kavelnr. Oppervlakte Perceel Kosten

[00001] 6.01.95 [00005] € 3.153

[00002] 9.46.15 [00006] € 4.956

[00003] 12.59.75 [00007] € 6.599

[00004] 0.16.00 [00008] € 84

2.5

De Inspecteur heeft aan belanghebbende op basis van de op de LGR vermelde kosten, zoals vermeld onder 2.4, een aanslag landinrichtingsrente opgelegd. De aanslag is als volgt berekend:

Perceelnr(s):

[00005] € 189,18

[00006] € 297,36

[00007] € 395,94

[00008] € 5,04

Totaal € 887,52

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslag landinrichtingsrente terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

3.2

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de bestreden aanslag.

3.3

De Inspecteur beantwoordt de onder 3.1 vermelde vraag bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Bij de beoordeling van het onderhavige geschil stelt het Hof het volgende voorop. Blijkens het Besluit van 26 september 1985, Stb. 520, is de Ruilverkavelingswet 1954, Stb. 510, ingetrokken en vervangen door de Landinrichtingswet 1985, Stb. 299 (hierna: Liw). Blijkens de hiervoor – onder 2.1 – vermelde feiten, staat vast dat de onderhavige aanslag verband houdt met de (kostenomslag naar aanleiding van de) ruilverkaveling “[D]”, welke ruilverkaveling niet is vermeld in artikel 1 van het Besluit van 30 september 1985, Stb. 523, houdende uitvoering van artikel 240, eerste lid, van de Liw, zodat mitsdien de ruilverkaveling “[D]” niet is voltooid volgens de bepalingen van de Ruilverkavelingswet 1954, maar volgens die van de Liw. De Liw is weliswaar met ingang van 1 januari 2007 ingetrokken en vervangen door de Wet inrichting landelijk gebied, maar op grond van artikel 95, tweede lid van de Wet inrichting landelijk gebied, zijn op de onderhavige ruilverkaveling de bepalingen uit de Liw van toepassing gebleven, aangezien de ruilverkaveling “[D]” reeds vóór 1 januari 2007 in voorbereiding of in uitvoering was.

4.2

Artikel 223 van de Liw luidde:

“1. De kosten die ten laste van de gezamenlijke eigenaren komen worden omgeslagen over de kavels naar de mate van het nut, zoals bepaald op grond van de schatting bedoeld in artikel 210, eerste lid, onder a, dat de landinrichting voor de eigenaar heeft gehad, (…)

2. Ter zake van het op grond van de lijst der geldelijke regelingen, zoals zij door de arrondissementsrechtbank is gesloten, door de eigenaar verschuldigde bedrag rust op de hem toegedeelde kavels onder de naam van "landinrichtingsrenten", verder te noemen rente, een schuldplichtigheid ten behoeve van het Rijk”.

4.3

Artikel 229 Liw luidde voor zover hier van belang:

“1. De rente wordt geheven en ingevorderd door of vanwege Onze Minister van Financiën.

2. De heffing en de invordering van de rente geschieden met toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Stb. 1959, 301) en de Invorderingswet 1990 (Stb. 221) als ware die rente een rijksbelasting.

3. De rente wordt geheven bij wege van aanslag. (…)

4. Bezwaar en beroep bedoeld in Hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kunnen niet zijn gegrond op de stelling dat het op grond van artikel 223 verschuldigde bedrag ten onrechte of te hoog is vastgesteld.”

4.4

In zijn arrest van 10 maart 2006, nr. 38 330, ECLI:NL:HR:2006:AU0846, BNB 2006/219, besliste de Hoge Raad dat, ondanks het bepaalde in het vierde lid van artikel 229 Liw, de beoordeling van de lijst LGR in een procedure over de heffing van de rente aan de orde kan komen, aangezien de definitieve LGR kan afwijken van de LGR die ter inzage heeft gelegen en dat het stelsel van rechtsbescherming van de Landinrichtingswet meebrengt dat verhoging van afzonderlijke posten van de voorlopige kostenberekening of het toevoegen van nieuwe posten slechts is toegestaan voor zover dat voortvloeit uit de uitkomst van de behandeling van bezwaren.

4.5

In de onderhavige zaak is, naar het oordeel van het Hof, geen sprake van een situatie als bedoeld in het hiervoor – onder 4.4 – aangehaalde arrest van de Hoge Raad. Vaststaat dat de aanslag landinrichtingsrente is gebaseerd op de op de LGR vermelde kosten, zoals vermeld onder 2.4. Naar het oordeel van het Hof is ook niet gebleken van andere omstandigheden op grond waarvan het bepaalde in artikel 229, vierde lid, Liw buiten toepassing moet worden gelaten. In het kader van de onderhavige procedure heeft belanghebbende in hoger beroep, naar het Hof begrijpt, uitsluitend de volgende grieven aangevoerd:

- de toedelingsvonnissen van de rechtbank Groningen van 30 november 2005 en 23 augustus 2006 sluiten niet aan op het Plan van Toedeling,

- de toedelingsvonnissen zouden niet (correct) zijn uitgevoerd,

- voorafgaand aan de toedelingsvonnissen, noch aan de sluitingsbeschikking van de rechtbank Groningen van 9 mei 2011, zo verstaat het Hof belanghebbende, is belanghebbende niet in de gelegenheid gesteld een beroepschrift bij de Rechtbank Groningen in te dienen,

- de Dienst Landelijk Gebied heeft in de ruilverkaveling geen onafhankelijke rol gespeeld en

- belanghebbende is niet door middel van een rechtsmiddelverwijzing gewezen op de mogelijkheid van cassatie tegen de bedoelde vonnissen, respectievelijk, de bedoelde beschikking.

De vier eerstbedoelde grieven hadden, naar het oordeel van het Hof, in volle omvang naar voren gebracht kunnen worden binnen het stelsel van rechtsbescherming van de Liw, waar in artikel 181, tweede lid, van de Liw de mogelijkheid van cassatie bij de Hoge Raad als rechtsmiddel tegen de uitspraak van de Rechtbank is gegeven. Er is in de onderhavige zaak dan ook geen sprake van een rechtstekort, zodat het (hoger) beroep niet kan zijn gegrond op de stelling dat het op grond van artikel 223 Liw verschuldigde bedrag ten onrechte of te hoog is vastgesteld.

4.6

Belanghebbendes stelling dat de rechtbank Groningen haar ten onrechte niet heeft gewezen op de mogelijkheid van cassatie is, daargelaten dat de plicht daartoe als vermeld in artikel 8:77, eerste lid, sub f, van de Algemene wet bestuursrecht is beperkt tot de bestuursrechter, naar het oordeel van het Hof geen grond om in afwijking van het bepaalde in artikel 229, vierde lid, van de Liw de berekening van de aanslag te beoordelen.

4.7

Gelet op het vorenstaande falen de grieven van belanghebbende.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 2 september 2014 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong)

(P. van der Wal)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 3 september 2014

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.