Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:6522

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-08-2014
Datum publicatie
10-09-2014
Zaaknummer
200.145.310-01 + 200.150.306-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ouders ondercuratele gesteld wegens verkwisting. Tot 1 januari 2014 is dit een reden om het gezag te ontnemen. Wetgeving sinds 1 januari 2014 maakt dit wellicht anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0249
RFR 2014/136

Uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.145.310/01 en 200.150.306/01

(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland C/17/131866/ FA RK 14-32) en C/17/132687/FA RK 14-264

beschikking van de familiekamer van 19 augustus 2014

in de zaak met zaaknummer 200.145.310/01 inzake

de stichting Koskea,

verder te noemen: de curator,

ten deze handelend als wettelijk vertegenwoordiger van:

[verzoeker 1],

[verzoeker 2],

beiden wonende te [woonplaats],

verzoekers in hoger beroep,

verder gezamenlijk te noemen: de ouders,

advocaat: mr. A. Atema, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden,

gevestigd te Leeuwarden,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

Bureau Jeugdzorg Friesland,

gevestigd te Leeuwarden,

hierna te noemen: BJZ;


Stichting William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Leeuwarden,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de stichting;

en in de zaak met zaaknummer 200.150.306/01 inzake

de stichting Koskea,

verder te noemen: de curator,

ten deze handelend als wettelijk vertegenwoordiger van:

[verzoeker 1],

[verzoeker 2],

beiden wonende te [woonplaats],

verzoekers in hoger beroep,

verder gezamenlijk te noemen: de ouders,

advocaat: mr. A. Atema, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden,

gevestigd te Leeuwarden,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

Bureau Jeugdzorg Friesland,

gevestigd te Leeuwarden,

hierna te noemen: BJZ;


Stichting William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Leeuwarden,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de stichting;

1 Het geding in eerste aanleg

In de zaak met zaaknummer 200.145.310/01

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden (hierna: de rechtbank), van 9 januari 2014 en de beschikking van de rechtbank van 12 februari 2014, beide uitgesproken onder zaaknummer C/17/131866/ FA RK 14-32.

In de zaak met zaaknummer 200.150.306/01

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank van 28 mei 2014, uitgesproken onder zaaknummer C/17/132687/FA RK 14-264.

2 Het geding in hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.145.310/01

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 8 april 2014, zijn de ouders in hoger beroep gekomen van voormelde beschikkingen van 9 januari 2014 en 12 februari 2014. De ouders verzoeken het hof die beschikkingen te vernietigen.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 12 mei 2014, heeft de raad het verzoek in hoger beroep van de ouders bestreden en verzocht de bestreden beschikkingen te bekrachtigen.

2.3

Ter griffie van het hof is voorts ingekomen:

- op 12 mei 2014 het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank van 22 januari 2014;

- een brief met bijlagen d.d. 30 juni 2014 van mr. Atema, ingekomen ter griffie van het hof op 2 juli 2014;

- een journaalbericht met bijlage d.d. 2 juli 2014 van mr. Atema, ingekomen ter griffie van het hof op 2 juli 2014, waarbij op verzoek van het hof alsnog de ontbrekende pagina 8 van het raadsrapport van 17 februari 2014 is overgelegd.

In de zaak met zaaknummer 200.150.306/01

2.4

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 6 juni 2014, zijn de ouders in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 28 mei 2014. De ouders verzoeken het hof die beschikking te vernietigen.

2.5

De raad heeft binnen de daarvoor gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.

2.6

Ter griffie van het hof is voorts ingekomen:

- een brief met bijlagen d.d. 30 juni 2014 van mr. Atema, ingekomen ter griffie van het hof op 2 juli 2014;

- een journaalbericht met bijlage d.d. 2 juli 2014 van mr. Atema, ingekomen ter griffie van het hof op 2 juli 2014, waarbij op verzoek van het hof alsnog de ontbrekende pagina 8 van het raadsrapport van 17 februari 2014 is overgelegd.

In beide zaken

2.7

De mondelinge behandeling van de zaken met zaaknummers 200.145.310/01 en 200.150.306/01 heeft op 10 juli 2014 gelijktijdig plaatsgevonden. Verschenen zijn
de ouders, bijgestaan door mr. Atema en [A] namens de raad. Namens de curator zijn verschenen [X] en [Y]. BJZ en de stichting hebben zich niet zitting laten vertegenwoordigen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit het huwelijk van de ouders is [in 2013] geboren de minderjarige [minderjarige]. De ouders hebben nog vijf minderjarige kinderen, over wie BJZ als voogd is benoemd. De stichting voert namens BJZ de voogdij uit over deze vijf minderjarige kinderen. Deze kinderen wonen niet bij de ouders maar al geruime tijd in pleeggezinnen.

3.2

De ouders zijn bij beschikking(en) van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 12 oktober 2012 onder curatele gesteld wegens verkwisting, met benoeming van de stichting Koskea tot curator. Bij beschikking(en) van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 4 maart 2014 zijn de verzoeken van de ouders d.d. 8 oktober 2013 tot opheffing van de curatele afgewezen.

3.3

Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 9 januari 2014 heeft de rechtbank op een daartoe strekkend verzoek van de raad, BJZ belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige], ingaande 9 januari 2014 voor de duur van twaalf weken, dan wel tot het moment waarop een voorziening in het gezag van [minderjarige] is verkregen, indien voor het einde van de termijn van twaalf weken een verzoek tot voorziening in het gezag is ingediend. Aan BJZ heeft de rechtbank alle wettelijke bevoegdheden toegekend die een voogd heeft ten aanzien van de persoon en het vermogen van de minderjarige.

3.4

Bij de beschikking van 12 februari 2014 heeft de rechtbank de beschikking van 9 januari 2014 in stand gelaten.

3.5

Op 18 februari 2014 is door de raad een verzoek op grond van artikel 1:253q BW juncto artikel 1:246 BW ingediend, strekkende tot benoeming van BJZ tot voogd van [minderjarige].

3.6

Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 28 mei 2014 heeft de rechtbank BJZ tot voogd over [minderjarige] benoemd en BJZ geadviseerd de uitvoering van de voogdij over te dragen aan de stichting.

4 De beoordeling

Processueel

4.1

Vast staat dat het hoger beroep in de onderhavige zaak is ingesteld door de ouders, daarbij vertegenwoordigd door hun advocaat mr. Atema. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:381 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is de onder curatele gestelde onbekwaam rechtshandelingen te verrichten voor zover de wet niet anders bepaalt. De onderhavige zaak betreft geen zaak van curatele, zodat de uitzondering van artikel 1:381 lid 6 BW hier niet van toepassing is. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de ouders niet procesbekwaam zijn. Hoewel het hof de curator in beide zaken slechts als belanghebbende had aangemerkt, ziet het hof aanleiding om de curator als procespartij aan te merken. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat de curator zich ter zitting heeft laten vertegenwoordigen en aldaar het woord heeft gevoerd. Daaruit leidt het hof af dat de curator met het instellen van het hoger beroep door de ouders heeft ingestemd en de tot dusver door hen verrichte proceshandelingen bekrachtigt. Formeel is de curator op grond van het vorenstaande de procespartij.


Wettelijk kader

4.2

Ingevolge artikel 1:378 lid 1 sub b BW, zoals dat artikel gold tot 1 januari 2014, kan een meerderjarige door de kantonrechter onder curatele worden gesteld wegens verkwisting.

4.3

Op grond van artikel 1:246 BW zijn onbevoegd tot het gezag minderjarigen, zij die onder curatele zijn gesteld en zij wier geestvermogens zodanig zijn gestoord, dat zij in de onmogelijkheid verkeren het gezag uit te oefenen, tenzij deze stoornis van tijdelijke aard is.

4.4

Ingevolge artikel 1:241 lid 1 BW verzoekt de raad, indien hem blijkt dat een minderjarige niet onder het wettelijk vereiste gezag staat, of dat dit gezag niet over hem wordt uitgeoefend, de rechter in de gezagsuitoefening over deze minderjarige te voorzien. Lid 2 van artikel 1:241 BW bepaalt dat de kinderrechter een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg kan belasten met de voorlopige voogdij over de minderjarige, indien dit ter voorkoming van ernstig gevaar voor de zedelijke of geestelijke belangen of voor de gezondheid van zulk een minderjarige dringend en onverwijld noodzakelijk is. De maatregel vervalt op grond van artikel 1:241 lid 5 BW na verloop van zes weken na de dag van de beschikking, tenzij voor het einde van deze termijn om een voorziening in het gezag over de minderjarige is verzocht. De kinderrechter kan deze termijn op ten hoogste twaalf weken bepalen, dit evenwel uitsluitend op de grond dat het verzoek aan de vereisten van artikel 278 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal kunnen voldoen.

4.5

Ingevolge artikel 1:253q lid 2 BW benoemt de rechtbank een voogd, wanneer beide ouders die gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen, daartoe op een der in artikel 1:246 BW genoemde gronden onbevoegd zijn.

De voorlopige voogdij (hoger beroep van de beschikkingen van 9 januari 2014 en

12 februari 2014)

4.6

De ouders stellen zich op het standpunt dat ten tijde van het uitspreken van de voorlopige voogdij niet aan de voorwaarden van artikel 1:241 lid 2 BW was voldaan.

4.7

Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de ouders onder curatele zijn gesteld wegens verkwisting op grond van artikel 1:378 lid 1 sub b, zoals dat artikel gold tot 1 januari 2014, en dat dit er op grond van artikel 1:246 BW toe leidt dat zij onbevoegd zijn tot het gezag over [minderjarige]. In artikel 1:246 BW wordt immers geen onderscheid gemaakt naar de grond waarop de curatele is uitgesproken. Toen [minderjarige] [in 2013]

werd geboren, werd derhalve niet in het gezag over haar voorzien. Naar het oordeel van het hof was het ter voorkoming van ernstig gevaar voor de zedelijke of geestelijke belangen van [minderjarige] of voor haar gezondheid dringend en onverwijld noodzakelijk dat een tijdelijke voogd werd benoemd. Ten aanzien van een baby moeten immers belangrijke gezagsbeslissingen kunnen worden genomen, bijvoorbeeld ten aanzien van inentingen, het aangaan van een ziektekostenverzekering of bij het ontstaan van een crisissituatie waarbij bijvoorbeeld de noodzaak van een bloedtransfusie is. Er is naar het oordeel van het hof derhalve aan de voorwaarden voor het uitspreken van de voorlopige voogdij voldaan.

4.8

Door de ouders is voorts aangevoerd dat de wijze waarop toepassing wordt gegeven aan artikel 1:246 BW in strijd is met het bepaalde in de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Nu de ouders dit standpunt zowel in hun hoger beroep van de beschikkingen van 9 januari 2014 en 12 februari 2014 als in hun hoger beroep van de beschikking van 28 mei 2014 hebben ingenomen, leent het zich voor gezamenlijke bespreking. Het hof zal daartoe overgaan in het kader van de bespreking van het hoger beroep van de beschikking van 28 mei 2014.

De voogdij (hoger beroep van de beschikking van 28 mei 2014)

4.9

Artikel 8 EVRM strekt onder meer tot de bescherming van ouders om gezag over hun minderjarige kinderen uit te oefenen. Een fundamenteel element van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven van ouder en kind wordt gevormd door 'the exercise of parental rights'. Tussen partijen is niet in geschil dat de onderhavige voogdijmaatregel een inmenging van het openbaar gezag betreft in de uitoefening van 'the exercise of parental rights', oftewel hun gezagsrecht.

4.10

Artikel 8 lid 2 EVRM geeft de criteria waaraan een maatregel moet voldoen om een inbreuk op dit gezagsrecht te rechtvaardigen. In de eerste plaats dient de inmenging voorzien bij wet te zijn. Dat is het geval, zoals volgt uit de rechtsoverwegingen 4.2. tot en met 4.5.

4.11

In de tweede plaats dient de inmenging een in artikel 8 lid 2 EVRM genoemd legitiem doel na te streven. Naar het oordeel van het hof is de inmenging noodzakelijk in verband met de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Daarmee wordt een in artikel 8 lid 2 EVRM genoemd legitiem doel nagestreefd.

4.12

In de derde plaats dient de inmenging "noodzakelijk in een democratische samenleving" te zijn. Volgens de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dient de inmenging te voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit houdt in dat de maatregel passend is en in verhouding staat tot het nagestreefde doel. Daarnaast kan de inbreuk alleen gerechtvaardigd worden als het doel niet bereikt had kunnen worden op een wijze waarbij minder of geen inbreuk wordt gemaakt op het recht op eerbiediging voor het familie- en gezinsleven van ouder en kind. Tevens dient de maatregel effectief te zijn, in de zin dat de maatregel geschikt is om het beoogde doel te bereiken.

4.13

Artikel 6 EVRM garandeert het recht op toegang tot de rechter ter vaststelling van de door de ouders aan artikel 8 lid 1 EVRM ontleende aanspraak op bescherming van hun gezagsrecht.

* Het beroep op artikel 6 EVRM

4.14

Anders dan de ouders is het hof van oordeel dat het recht op toegang tot de rechter ter vaststelling van de door hen aan artikel 8 lid 1 EVRM ontleende aanspraak op bescherming van hun gezagsrecht in de Nederlandse wetgeving voldoende is gewaarborgd. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat de maatregel van curatele ingevolge het bepaalde in artikel 1:378 lid 1 BW (oud) slechts kan worden opgelegd na toetsing door de kantonrechter of aan één van de in dat artikellid genoemde wettelijke curatelegronden is voldaan. Als een zodanige grond aanwezig is, is de kantonrechter bevoegd - en derhalve niet verplicht - het verzoek tot ondercuratelestelling toe te wijzen. In het kader van de uitoefening van deze discretionaire bevoegdheid betrekt de kantonrechter tevens in de beoordeling de gevolgen van de ondercuratelestelling, zoals deze onder meer voortvloeien uit artikel 1:246 BW. Artikel 1:432 lid 3 opent de mogelijkheid voor de kantonrechter om, indien hij een verzochte ondercuratelestelling - bijvoorbeeld gelet op de uit artikel 1:246 BW voortvloeiende onbevoegdheid tot gezag - een te zware maatregel acht, in plaats van tot ondercuratelestelling tot het instellen van een bewind over te gaan. Artikel 1:432 lid 4 regelt de bevoegdheid een curatele in een bewind om te zetten, hetzij naar aanleiding van een verzoek tot onderbewindstelling, hetzij ambtshalve indien voor de rechter een verzoek tot opheffing van de curatele aanhangig is. Op grond van het vorenstaande moet er naar het oordeel van het hof vanuit worden gegaan dat de kantonrechter zowel bij het uitspreken van de curatele op 12 oktober 2012 als bij het afwijzen van het verzoek van de ouders om de curatele op te heffen op 4 maart 2014 de uit artikel 1:246 BW voortvloeiende onbevoegdheid tot het gezag in zijn beoordeling heeft betrokken. Van een inbreuk op het bepaalde in artikel 6 EVRM is derhalve naar het oordeel van het hof geen sprake.

* Het beroep op artikel 8 EVRM

4.15

De ouders zijn van mening dat sprake is van een ongerechtvaardigde inbreuk op hun aan artikel 8 lid 1 EVRM ontleende aanspraak op bescherming van hun gezagsrecht.

4.16

Daartoe voeren de ouders in de eerste plaats aan dat hun uit artikel 1:246 BW voortvloeiende onbevoegdheid om het gezag over [minderjarige] uit te oefenen er toe leidt dat [minderjarige] uithuisplaatsing in het pleeggezin heeft plaatsgevonden zonder dat daartoe een rechterlijke toetsing heeft plaatsgevonden.

4.17

Het hof overweegt als volgt. Zoals de ouders terecht stellen, brengt het Nederlandse wettelijke systeem, zoals omschreven in de rechtsoverwegingen 4.2 tot en met 4.5, met zich dat als op grond van de daar genoemde artikelen een (voorlopige of definitieve) voogdijmaatregel ten aanzien van een kind is getroffen, vervolgens geen rechterlijke controle op de uithuisplaatsing van dit kind meer plaats kan vinden. Waar anders, indien de ouders zelf met het gezag zijn belast, jaarlijks een toetsing van de verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing plaatsvindt, waarbij ook de voortgang van het traject wordt bewaakt, vindt deze toetsing niet meer plaats zodra een gezinsvoogdij-instelling met de voogdij over het kind is belast. Hoewel het hof begrijpt dat de ouders een dergelijke toetsing belangrijk vinden, is naar het oordeel van het hof geen sprake van een ongerechtvaardigde inbreuk op hun gezagsrecht. Het hof trekt daartoe de vergelijking met de ontheffing van ouders uit het ouderlijk gezag op grond van de artikelen 1:266 juncto 1:268 BW. Ook dan vindt op enig moment de toetsing plaats, gelijk de toetsing die plaatsvindt in het kader van het instellen van de curatele, of aan de wettelijke voorwaarden voor het ontnemen van het gezag is voldaan, te weten op grond dat de ouders ongeschikt of onmachtig zijn hun plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen. De tot voogd benoemde voogdij-instelling is vervolgens bevoegd om de verblijfplaats van het kind te bepalen en van een rechterlijke toetsing op dat punt is niet langer sprake. Nu bij het instellen van de curatele een inhoudelijke toetsing plaatsvindt, zoals hiervoor omschreven onder rechtsoverweging 4.14, vormt het feit dat na een voogdijbenoeming ex artikel 1:253q juncto artikel 1:246 BW geen inhoudelijke toetsing op de uithuisplaatsing meer plaatsvindt naar het oordeel van het hof geen inbreuk op het gezagsrecht van de ouders.

4.18

In de tweede plaats stellen de ouders zich op het standpunt dat nu zij op grond van verkwisting onder curatele zijn gesteld, hun handelingsonbekwaamheid zich slechts dient uit te strekken tot vermogensrechtelijke rechtshandelingen. Dat zij ook handelingsonbekwaam zijn ten aanzien van rechtshandelingen die betrekking hebben op de uitoefening van het gezag over [minderjarige], achten zij een ongerechtvaardigde inbreuk op hun gezagsrecht.

4.19

Het hof stelt voorop dat uit de onder rechtsoverweging 4.2 tot en met 4.5 omschreven wettelijke bepalingen volgt dat de onder curatele gestelde onbevoegd wordt tot de uitoefening van het gezag, ongeacht de grond waarop hij onder curatele is gesteld. Tussen partijen is niet in geschil dat de ouders onder curatele zijn gesteld wegens verkwisting (artikel 1:378 lid 1 sub b oud) en dat ook die curatelegrond er ingevolge het bepaalde in artikel 1:246 BW toe leidt dat zij onbevoegd zijn geworden tot de uitoefening van het gezag. Het hof heeft in de wetsgeschiedenis van de betreffende wetsartikelen en in de literatuur onderzoek gedaan naar de achtergrond van deze systematiek. De parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de betreffende artikelen biedt weinig tot geen houvast. In de literatuur wordt door mr. I. Jansen in de Groene Serie Personen- en familierecht, aantekening 2 bij artikel 1:246 BW, bepleit dat beperking tot de curatele wegens een geestelijke stoornis (artikel 1:378 lid 1 onder a), gelet op de omstandigheid dat stoornis der geestvermogens als zodanig ook grond voor onbevoegdheid is, voor de hand zou hebben gelegen. Jansen acht verdedigbaar zulks voor het geldende recht reeds aan te houden, gelet op artikel 8 EVRM (het ontbreken van een rechtvaardigingsgrond ex lid 2 van dat artikel). Het hof neemt voorts in aanmerking de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap. In het antwoord van de Minister op Kamervragen van de VVD-fractie (Kamerstukken II 2011/2012, 33054, nr. 6), staat het volgende vermeld:

" Onder de huidige wetgeving komt het voor dat een rechthebbende die schulden blijft maken, onder curatele wordt gesteld wegens verkwisting. Daarmee wordt de persoon in kwestie handelingsonbekwaam. Ondercuratelestelling wegens verkwisting acht ik een te verstrekkende maatregel, gelet op de handelingsonbekwaamheid ook buiten vermogensrechtelijke aangelegenheden. De onderbewindstelling wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden is derhalve een minder vergaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer dan de ondercuratelestelling van de rechthebbende."
Hoewel er op grond van het vorenstaande aanwijzingen zijn dat de onder rechtsoverweging 4.2 tot en met 4.5 omschreven wettelijke bepalingen een niet gerechtvaardigde inbreuk maken op het gezagsrecht van de ouders, ziet het hof anderzijds in het feit dat ook rechtshandelingen die betrekking hebben op de uitoefening van het gezag over een kind in de meeste gevallen financiële gevolgen met zich meebrengen, een belangrijke aanwijzing dat van een dergelijke inbreuk geen sprake is. Zo zal het afsluiten van een ziektekostenverzekering leiden tot een betalingsverplichting voor de verschuldigde premies en het inschrijven bij een school tot een betalingsverplichting voor het verschuldigde schoolgeld. Alles tegen elkaar afwegend, daarbij in aanmerking nemend dat noch in de parlementaire geschiedenis, noch in de literatuur - met uitzondering van mr. Jansen voornoemd - duidelijke standpunten over deze kwestie zijn ingenomen, is het hof van oordeel dat het feit dat de ouders op grond van hun ondercuratelestelling wegens verkwisting ook handelingsonbekwaam zijn ten aanzien van het nemen van gezagsbeslissingen geen ongerechtvaardigde inbreuk maakt op hun gezagsrecht.

4.20

Per 1 januari 2014 is de curatelegrond 'verkwisting' in artikel 1:378 lid 1 BW vervallen en als grond toegevoegd bij het beschermingsbewind. Het hof ziet zich in deze zaak evenwel geconfronteerd met een curatele die onder het oude recht op grond van verkwisting is uitgesproken. Uit de wetsgeschiedenis en artikel IV van de Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap (Stb. 2013, 414) volgt dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest dat als gevolg van het enkele vervallen van de grond “verkwisting” reeds uitgesproken ondercuratelestellingen wegens verkwisting hun werking zouden verliezen. Daarom heeft de wetgever voorzien in de overgangsbepaling artikel IV waarin is bepaald dat de curator van een persoon die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet onder curatele is gesteld binnen twee jaar na dat tijdstip verslag aan de kantonrechter dient te doen over de vraag of de maatregel dient voort te duren of door een andere voorziening kan worden vervangen. Er kan niet van worden uitgegaan dat de kantonrechter de beantwoording van deze vraag reeds in zijn beschikking van 4 maart 2014, betreffende de verzoeken tot opheffing van de curatele, heeft betrokken, nu deze verzoekschriften reeds in oktober 2013 waren ingediend en derhalve zijn beoordeeld op grond van het oude recht. De curator dient op grond van de bovengenoemde overgangsbepaling voor 1 januari 2016 de kantonrechter te berichten of de curatele gehandhaafd dient te blijven of door een andere minder verstrekkende maatregel (bewind) kan worden vervangen. Indien de curatele kan worden vervangen door een bewind, vervalt de grond voor onbevoegdheid van de ouders tot het gezamenlijk gezag. Hoewel de wet niet voorziet in de gevolgen van het vervallen van de grond voor onbevoegdheid van beide ouders die voorheen gezamenlijk het gezag uitoefenden, ligt overeenkomstige toepassing van artikel 1:253q lid 5 voor de hand. Dat houdt in dat de ouders de rechter alsdan kunnen verzoeken wederom met het gezag te worden belast.

4.21

Op grond van het vorenstaande, dienen de bestreden beschikkingen te worden bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

De beslissing:

Het gerechtshof:

In beide zaken:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van

9 januari 2014, 12 februari 2014 en 28 mei 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.J. Buijs, mr. A.H. Garos en mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 19 augustus 2014 in bijzijn van de griffier.