Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:6518

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-08-2014
Datum publicatie
10-09-2014
Zaaknummer
200.134.032-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.134.032/01

(zaaknummers rechtbank Overijssel C08/137212/FA RK 13-600 en

C08/137211/FA RK 13-599)

beschikking van de derde kamer van 14 augustus 2014

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. S.S. Zijderveld, kantoorhoudend te Wageningen,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming Almelo,

kantoorhoudend te Almelo,

geïntimeerde,

hierna: de raad.

Belanghebbenden:

1 Bureau Jeugdzorg Overijssel,

kantoorhoudend te Zwolle,

hierna: BJZ,

2 [belanghebbenden],

wonende te [woonplaats],

hierna: de pleegouders van [minderjarige 1].

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikkingen van 20 juni 2013 en 25 juni 2013 heeft de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, de moeder ontheven van het gezag over [minderjarige 2], geboren [in 2001], en [minderjarige 1], geboren [in 2007]. De rechtbank heeft BJZ benoemd tot voogd over [minderjarige 2] en [minderjarige 1].

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 20 september 2013, heeft de moeder verzocht de beschikkingen waarvan beroep te vernietigen en opnieuw beslissende het verzoek tot ontheffing af te wijzen.

2.2

Bij verweerschrift binnengekomen op de griffie op 12 december 2013, heeft de raad het verzoek bestreden en verzocht om de beschikkingen waarvan beroep te bekrachtigen en de door het hof te geven beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

2.3

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder de processen-verbaal van de zittingen in eerste aanleg en de bereidverklaringen van BJZ om de voogdij te aanvaarden over de minderjarigen.

2.4

De minderjarige [minderjarige 2] heeft aangegeven geen gebruik te willen maken van de door het hof geboden gelegenheid om haar mening in deze zaak kenbaar te maken.

2.5

Ter zitting van 29 juli 2014 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de moeder, bijgestaan door haar advocaat, namens de raad [A] en namens BJZ [B]. De pleegouders hebben het hof op 28 juli 2014 telefonisch laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

3 De beoordeling


De feiten

3.1

Uit verschillende relaties van de moeder zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] geboren. De moeder oefende tot de bestreden beschikkingen het eenhoofdig gezag over hen uit. De vader van [minderjarige 1] heeft haar erkend.

3.2

In september 2006 is [minderjarige 2] voor het eerst onder toezicht van BJZ gesteld. Van januari 2007 tot maart 2007 is zij uit huis geplaatst geweest. De - op dat moment - nog ongeboren [minderjarige 1] is op 7 maart 2007 onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is in maart 2008 niet verlengd. Ook de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] is in juli 2008 niet opnieuw verlengd.

3.3

Bij beschikking van 21 april 2009 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] opnieuw onder toezicht van BJZ gesteld. Op 4 januari 2011 zijn beide kinderen uit huis geplaatst. Beide maatregelen zijn sindsdien telkenmale verlengd.

3.4

[minderjarige 2] is in februari 2011 vanuit een crisispleeggezin overgeplaatst naar een leefgroep. Sinds 6 augustus 2012 verblijft zij in de leefgroep [te plaats].

3.5

[minderjarige 1] verblijft sinds april 2011 in het huidige pleeggezin.

3.6

Bij inleidende verzoekschriften van 12 april 2013 heeft de raad de rechtbank verzocht om de moeder te ontheffen van het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1].

3.7

Bij de beschikkingen waarvan beroep heeft de rechtbank beslist als hiervoor vermeld onder "Het geding in eerste aanleg". Tegen deze beslissingen is het hoger beroep van de moeder gericht.



De overwegingen

3.8

Op grond van artikel 1:266 BW kan een ouder van het gezag over zijn kind worden ontheven indien hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging of opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Artikel 1:268 BW bepaalt vervolgens in het eerste lid dat ontheffing niet kan worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet, welke regel vervolgens (onder meer) uitzondering lijdt indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt of na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel door de in artikel 1:266 BW genoemde onmacht of ongeschiktheid onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden (lid 2 onder a).

3.9

De moeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij inmiddels is bevallen van [minderjarige 3] en dat het met hem heel goed gaat. Moeder stelt hulp te ontvangen van [zorggroep]. Daarnaast verloopt volgens haar het contact met de gezinsvoogd van de William Schrikker Groep in het kader van de vrijwillige ondertoezichtstelling van [minderjarige 3], in tegenstelling tot het contact met de gezinsvoogd van BJZ, geheel naar tevredenheid. De moeder verwacht binnen een maand naar begeleide woonruimte [te plaats] te verhuizen en ook [te plaats] te kunnen werken in de thuiszorg. De moeder is van mening dat zij net als bij [minderjarige 3] ook [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voldoende te bieden heeft en dat hun opvoedingsperspectief bij haar ligt.

3.10

Ter zitting heeft de raad naar voren gebracht dat er sprake is van een lange aanloop naar de huidige situatie. Vanaf begin 2003 is er veel hulpverlening geweest en van de zijde van de moeder is al vaker betoogd dat het beter zou gaan, echter de ervaringen van de hulpverlening zijn dat dit steeds niet beklijft. In het belang van de kinderen dient er duidelijkheid te komen over hun toekomst. De moeder zal altijd de moeder van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] blijven, maar zal niet hun opvoeder zijn.

3.11

BJZ heeft zich aangesloten bij de visie van de raad.

3.12

Het hof is, met de raad en BJZ, van oordeel dat het perspectief van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij respectievelijk de leefgroep en de pleegouders ligt. De maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn in beginsel van tijdelijke aard en dienen gericht te zijn op (het werken aan) de terugkeer van het kind naar de ouder. Uit de duur van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in deze, alsmede uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat er geen perspectief is op plaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de moeder.

3.13

De stelling van de moeder ter zitting dat het goed gaat met [minderjarige 3] en dat zij dus ook weer voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] kan zorgen, volgt het hof niet. [minderjarige 3] is nog erg jong, terwijl [minderjarige 2] en [minderjarige 1] kwetsbare kinderen zijn door hun problematiek en belaste verleden. Bij [minderjarige 2] is sprake van een beperkt IQ en van problemen op sociaal-emotioneel vlak. [minderjarige 1] was aan het begin van de uithuisplaatsing een grenzeloos, druk en overenthousiast meisje. Zij kan erg bepalend en egoïstisch zijn en is vlak in haar emoties. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] komen uit een zorgelijke thuissituatie, waarin sprake was van jarenlange ernstige opvoedingsproblemen. Het gezinsleven bij de moeder werd gekenmerkt door een gebrek aan stabiliteit en structuur waarbij de veiligheid en verzorging van de kinderen in het geding kwamen. Ondanks de jarenlange inzet van (vrijwillige) hulpverlening, die wisselend wel en niet geaccepteerd werd door de moeder, bleek er (uiteindelijk) geen structurele verbetering op te treden in de opvoedingssituatie. Zo is het de moeder niet gelukt om met de geboden ondersteuning en begeleiding - waaronder Family's First, opvoedondersteuning van Livio en een gezinsopname [te plaats] - de verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] weer op zich te nemen. Voorts is gebleken dat de moeder geen inzicht heeft in haar eigen opvoedkundige beperkingen en in wat de kinderen nodig hebben in hun ontwikkeling. Steeds legt zij de oorzaak van problemen buiten haarzelf. De moeder doet voorts regelmatig beloftes aan de kinderen die ze niet na kan komen. Ook belast ze de kinderen met volwassenenproblematiek en laat ze zich tegenover hen negatief uit over de leefgroep en het pleeggezin. Ook heeft zij in het bijzijn van de kinderen meermalen de strijd opgezocht met BJZ. Nu er wat betreft de pedagogische vaardigheden van de moeder, in aanmerking genomen dat zij hierin niet leerbaar is (gebleken), geen verbetering te verwachten valt, acht het hof de moeder - ondanks haar goede wil en liefde voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] - onmachtig om de kinderen te bieden wat zij nodig hebben bij hun verzorging en opvoeding.

3.14

Daarbij acht het hof van belang dat er duidelijkheid komt over het toekomstperspectief van [minderjarige 2] en [minderjarige 1], in die zin dat zij weten dat dit bij de leefgroep en het pleeggezin ligt. Beide meisjes hebben te kampen met hechtingsproblematiek en met het loyaliteitsconflict waarin zij verkeren. Hoewel ze het door deze problematiek bij momenten erg zwaar hebben, ontwikkelen zij zich door de structuur en duidelijkheid die hen geboden wordt positief. De spanning en onrust die de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met zich brengt, zijn niet in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1]. De moeder geeft immers bij herhaling aan dat zij wil dat de kinderen thuis komen wonen. Het hof is, in aanmerking genomen dat de getroffen kinderbeschermingsmaatregelen onvoldoende bescherming hebben geboden om de dreiging van het zodanig opgroeien van [minderjarige 2] en [minderjarige 1], dat hun zedelijke of geestelijke belangen of gezondheid ernstig worden bedreigd, af te wenden, van oordeel dat het belang van de moeder om het gezag over de minderjarigen te behouden niet opweegt tegen het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij duidelijkheid omtrent hun toekomstperspectief. In hoeverre de moeder thans - anders dan in het verleden - wel in staat zou zijn om de kinderen een adequate opvoedingssituatie te bieden is in dat kader van ondergeschikt belang.

3.15

Het hof is - evenals de rechtbank - van oordeel dat de voogdij dient te worden overgedragen aan BJZ, die als neutrale partij de belangen van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in het vizier kan houden en kan behartigen. Het hof hecht er voorts nog aan op te merken dat de moeder altijd de (biologische) moeder van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zal blijven en dat deze beschikking dat niet anders maakt. De belangen van de kinderen verlangen echter dat thans de gezagssituatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke verblijfssituatie van de kinderen.

3.16

Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

4 De beslissing



Het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikkingen van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 20 juni 2013 en 25 juni 2013 waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.M. van der Meer, mr. W. Foppen en mr. H. van Lokven-van der Meer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 14 augustus 2014 in bijzijn van de griffier.