Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:6515

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-08-2014
Datum publicatie
10-09-2014
Zaaknummer
200.151.728-02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Schorsingsverzoek. Geen grond vooroordeel dat van een feitelijk of juridische misslag sprake is. Standpunten reeds in hoogste instantie en herhaaldelijk verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.151.728/02

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/145453/JE RK 13-893)

beschikking van 14 augustus 2014 in het incident ter zake de uitvoerbaarheid bij voorraad en een spoedvoorziening in de procedure van

[verzoekers],

stellende te wonen te [woonplaats],

verzoekers in hoger beroep en in het incident,

verder te noemen: de ouders,

advocaat: mr. H.F.M. Struycken, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

Bureau Jeugdzorg Groningen,

gevestigd te Groningen,

verweerder in hoger beroep en in het incident,

verder te noemen: BJZ

en

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

gezeteld te Den Haag,

verweerder in het incident,

verder te noemen: de Staat,

advocaat: mr. M.M.C. van Graafeiland, kantoorhoudend te Den Haag.

1 Het geding in hoger beroep

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 27 juni 2014;

- het verweerschrift van BJZ, ingekomen op 24 juli 2014;

- het verweerschrift van de Staat, ingekomen op 24 juli 2014;

- een brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 8 juli 2014, waarin deze meedeelt geen relevante rapporten en adviezen te kunnen toevoegen;

- een journaalbericht van mr. Struycken van 9 juli 2014 met als bijlage een nadere akte, ingekomen op 10 juli 2014;

- een brief van BJZ van 10 juli 2014, ingekomen op 11 juli 2014,waarin BJZ - kort gezegd - meedeelt akkoord te gaan met afdoening van het schorsingsverzoek op de stukken;

- een brief van mr. Struycken van 11 juli 2014 met bijlagen, ingekomen op 14 juli 2014;

- een brief van BJZ van 24 juli 2014, ingekomen op 25 juli 2014.

1.2

Een mondelinge behandeling van het incidentele verzoek heeft op aangeven van partijen niet plaatsgevonden. Verzocht is de zaak voor wat betreft het incident op de stukken af te doen.

2 De vaststaande feiten

2.1

Voor een weergave van de vaststaande feiten verwijst het hof allereerst naar zijn beschikking van 27 juni 2013, zaaknummer 200.125.064, gegeven tussen BJZ en de ouders, welke beschikking zich bij de processtukken bevindt. Daarnaast staat het volgende vast.

2.2

Bij beschikking van 12 februari 2014 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, de termijn van ondertoezichtstelling ten aanzien van de kinderen van de ouders - [kind 1], [kind 2] en [kind 3] - ingaande 25 februari 2014 voor de duur van vier maanden, dus tot 25 juni 2014, verlengd. De beslissingen over de verzoeken wat betreft de langer verzochte duur van de ondertoezichtstelling en de verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing zijn toen aangehouden in afwachting van de uitkomsten van een in te stellen onderzoek door de deskundige [deskundige]. De deskundige heeft op 2 april 2014 bericht dat het onderzoek in de intakefase door de ouders is beëindigd en dat geen inhoudelijk onderzoek heeft kunnen plaatsvinden.

2.3

Bij beschikking van 24 juni 2014 heeft de rechtbank de termijn van ondertoezichtstelling ten aanzien van de drie genoemde kinderen verlengd tot 25 februari 2015 en een machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde kinderen verleend tot diezelfde datum, een en ander uitvoerbaar bij voorraad. Tegen deze beschikking is het hoger beroep van de ouders gericht en van deze beschikking wordt verzocht te bevelen de tenuitvoerlegging op te schorten (hetgeen het hof opvat als een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van deze beschikking). Daarnaast verzoeken de ouders de Staat te bevelen de Europese arrestatiebevelen tegen de ouders in te trekken en niet meer opnieuw uit te vaardigen, met bijkomende verzoeken waaronder veroordeling van BJZ en de Staat in de proceskosten.

3 De motivering van de beslissing

3.1

Aan de orde is alleen het verzoek om schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van de rechtbank te bevelen en om te bevelen de Europese arrestatiebevelen in te trekken en niet meer opnieuw uit te vaardigen, met de bijkomende verzoeken. Het hoger beroep tegen de beschikking van 24 juni 2014 zal op een later tijdstip door het hof worden behandeld.

3.2

De ouders voeren aan dat de beschikking van de rechtbank niet op de feiten berust en dat deze niet gegrond is op de juiste toepassing van wetten en verdragen of op het recht. Daarnaast is de rechtbank Noord-Nederland noch absoluut noch relatief bevoegd om van de verzoeken tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de in Duitsland wonende kinderen kennis te nemen.

3.3

BJZ acht de grieven van de ouders te onduidelijk om zich ertegen te kunnen verweren, en wijst erop dat de ouders niet onderbouwen of uitwerken waarom de door hen verzochte spoedvoorziening zou moeten worden getroffen. Zij hebben niet aangevoerd dat van een juridische of feitelijke misslag sprake is en evenmin dat er een noodtoestand ontstaat op grond van na de bestreden beschikking voorgevallen of gebleken feiten of omstandigheden, aldus BJZ.

3.4

De Staat stelt dat ouders zeer wel weten dat een vordering tot intrekking van de arrestatiebevelen gegrond is op onrechtmatige daad en dus bij dagvaarding aanhangig moet worden gemaakt, hetgeen de ouders ook reeds herhaaldelijk hebben gedaan. Er lopen op dit moment ook nog twee procedures terzake, zodat voor toepassing van artikel 69 Rv. geen aanleiding bestaat. De Staat verzoekt het hof de ouders te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.5

Voor wat betreft het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad stelt het hof voorop dat ingevolge artikel 360 lid 2, tweede volzin, Rv, niettegenstaande de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in eerste aanleg, de hogere rechter schorsing van de werking kan bevelen.

3.6

Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat een nieuwe belangenafweging op reeds bestaande gronden thans niet aan de orde is. De rechter in eerste aanleg heeft immers reeds - al dan niet expliciet - de belangen van partijen afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval, en heeft daarnaast de eigen bevoegdheid beoordeeld. Het hof zal daarom thans slechts de schorsing van de werking van een beschikking kunnen bevelen, indien het van oordeel is dat BJZ mede gelet op de belangen aan de zijde van de ouders die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij de gebruikmaking van zijn bevoegdheid om - in afwachting van de uitslag van het hoger beroep - tot tenuitvoerlegging van voormelde beschikking over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien de te executeren beschikking klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na de beschikking voorgevallen of aan het licht gekomen feiten aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Daarbij behoort de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing te blijven.

3.7

In dit licht de verzoeken beoordelend kan het hof slechts vaststellen dat de ouders in hun beroepschrift standpunten blijven herhalen die reeds in hoogste instantie en soms herhaaldelijk zijn verworpen. Daarin kan dan ook geen grond gevonden worden om te oordelen dat van een feitelijke of juridische misslag sprake zou zijn. Zulks wordt overigens ook niet uitdrukkelijk, noch impliciet doch herkenbaar, door de ouders aangevoerd; dat geldt ook voor de aanwezigheid van een noodsituatie of anderszins aspecten van belangenafweging zoals hierboven omschreven. Het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad dient dan ook te worden afgewezen.

3.8

Het verzoek jegens de Staat dient te worden afgewezen op de gronden als door de Staat aangevoerd. Het hof is niet bevoegd om een dergelijk verzoek in deze vorm in behandeling te nemen.

3.9

Voor een proceskostenveroordeling als door de ouders en de Staat verzocht ziet het hof (thans nog) geen aanleiding.

4 De beslissing

Het gerechtshof:

wijst de incidentele verzoeken van de ouders af;

compenseert de proceskosten in het incident aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. A.H. Garos en mr. G. Jonkman, bijgestaan door de griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 14 augustus 2014.