Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:6511

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-08-2014
Datum publicatie
02-09-2014
Zaaknummer
200.141.315-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Spoedmachtiging uithuisplaatsing. Niet tijdig horen van de belanghebbende. Relatieve bevoegdheid rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.141.315/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland FJ RK 13-1021)

beschikking van de familiekamer van 12 augustus 2014

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.J.G. Schroeder, kantoorhoudend te Voorburg,

tegen

Bureau Jeugdzorg Friesland,

gevestigd te Leeuwarden,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: BJZ of de stichting.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. G.A.S. Maduro, kantoorhoudend te Rotterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 23 september 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het gerechtshof Den Haag op 11 oktober 2013, is de vader in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vader verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en, naar het hof begrijpt, het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot (spoed)uithuisplaatsing van de minderjarige [minderjarige] alsnog te af wijzen, met veroordeling van BJZ in de proceskosten en tot het betalen van een schadevergoeding. Verder heeft de vader verzocht, bij wege van voorlopige voorziening, te bepalen dat BJZ in overleg dient te treden met de vader over de verblijfplaats van [minderjarige] tot in hoger beroep is beslist.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het gerechtshof Den Haag op 18 november 2013, heeft BJZ het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden.

2.3

Ter griffie van het gerechtshof Den Haag zijn binnengekomen:

- op 15 oktober 2013 een journaalbericht van 14 oktober 2013 van mr. Schroeder met bijlage;

- op 18 november 2013 een brief van 13 november 2013 van mr. Maduro met bijlagen;

- op 3 december 2013 een journaalbericht van diezelfde datum van mr. Schroeder met bijlagen;

- op 4 december 2013 een tweetal faxberichten van diezelfde datum van BJZ met bijlage.

2.4

De zaak is op 4 december 2013 door het gerechtshof Den Haag ter zitting behandeld waar uitsluitend aan de orde is geweest de vraag of het hof bevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep dat de vader heeft ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden. Het hof heeft ter zitting mondeling uitspraak gedaan en heeft zich onbevoegd verklaard om van de zaak kennis te nemen met verwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze uitspraak is op 18 december 2013 op schrift gesteld.

2.5

De zaak is 23 januari 2014 bij dit hof ingekomen en verder in behandeling genomen. Omdat de termijn van de machtiging tot (spoed)uithuisplaatsing reeds enige tijd is verstreken, heeft het hof (de advocaat van) de vader bij brief van 11 februari 2014 in de gelegenheid gesteld om het hoger beroep nader te concretiseren. Deze reactie is op 11 maart 2014, als bijlage bij een journaalbericht van diezelfde datum ingekomen en het hof heeft daaruit afgeleid dat de vader een inhoudelijke beoordeling wenst van het hoger beroep. Vervolgens is de datum van mondelinge behandeling vastgesteld op 15 mei 2014.

2.6

Ter griffie van het hof is vervolgens binnengekomen

- op 15 april 2014 een brief van 11 april 2014 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna de raad) waarin de raad aangeeft dat ter zitting geen vertegenwoordiger van de raad aanwezig zal zijn;

- op 9 mei 2014 een journaalbericht van 7 mei 2015 van mr. Schroeder met bijlage waarin hij in antwoord op een brief van het hof van 22 april 2014 nogmaals bevestigd dat hij verdere behandeling van het hoger beroep wenst;

- op 12 mei 2014 een brief van 9 mei 2014 van BJZ met bijlagen.

2.7

De mondelinge behandeling heeft op donderdag 15 mei 2014 plaatsgevonden. De vader werd vertegenwoordigd door zijn advocaat, mr. Schroeder. De vader is niet in persoon verschenen. Namens BJZ zijn verschenen [A], de gezinsvoogd, en [B]. Ter zitting was, zoals reeds aangekondigd, geen vertegenwoordiger van de raad aanwezig. De advocaat van de vader heeft ter zitting, met instemming van het hof en zonder bezwaren van BJZ, aan het hof een lijst met de door hem in zijn pleidooi genoemde jurisprudentie overhandigd.

2.8

Ter zitting heeft mr. Schroeder, bij de inventarisatie door het hof van de stukken die behoren tot het procesdossier, verklaard dat hij niet beschikt over de brief met bijlagen van 9 mei 2014 van BJZ. Hij heeft desgevraagd aangegeven geen bezwaar te hebben tegen kennisname van deze stukken door het hof, maar wel gevraagd om een exemplaar daarvan ter completering van zijn procesdossier. De voorzitter heeft vervolgens een exemplaar van deze bijlagen (zonder het begeleidende schrijven) aan mr. Schroeder overhandigd waarbij BJZ heeft toegezegd een exemplaar van het begeleidend schrijven aan hem te zullen mailen.

2.9

De moeder is niet in persoon ter zitting verschenen. De advocaat van de vader heeft aangegeven dat mr. Maduro hem heeft gevraagd in de onderhavige procedure voor hem waar te nemen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de affectieve relatie tussen de vader en de moeder zijn [minderjarige] en zijn broertje [broertje] (2006) geboren. De ouders hebben, toen zij nog in [woonplaats] woonden, hun relatie in 2010 verbroken. In 2011 zijn de vader en de moeder afzonderlijk van elkaar naar Nederland gekomen.

3.2

De vader is in [woonplaats] gaan wonen en heeft daar een nieuwe relatie gekregen.
De moeder en [minderjarige] wonen sinds 7 april 2011 in [plaats]. In oktober 2012 is ook [broertje] naar Nederland gekomen en bij de moeder, die het ouderlijk gezag over de kinderen alleen uitoefent, gaan wonen.

3.3

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 14 maart 2013 is op verzoek van de raad de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] uitgesproken voor de duur van drie maanden. Bij beschikking van de kinderrechter van 16 maart 2013 is -zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden- een machtiging verleend tot plaatsing van [minderjarige] in een crisisopvang voor de duur van vier weken. [broertje] verbleef op dat moment niet meer in Nederland.

3.4

De raad heeft op 5 april 2013 een verzoek tot (definitieve) ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing ingediend bij de kinderrechter.

3.5

Bij beschikking van 8 april 2013 heeft de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam, voor zover hier van belang, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd met ingang van 13 april 2013 tot 14 juni 2013 en de zaak voor het overige aangehouden. Die beschikking is in hoger beroep bekrachtigd.

3.6

Bij beschikking van 6 juni 2013 heeft de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van een jaar. Bij afzonderlijke beschikking van 6 juni 2013 is ook een machtiging verleend om [minderjarige] voor de duur van drie maanden uit huis te plaatsen bij zijn niet met het gezag belaste vader (en zijn vriendin) in [woonplaats], waar hij sinds mei 2013 feitelijk al verbleef. De duur van deze machtiging is verlengd bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank [plaats] van 19 augustus 2013, en wel voor de periode vanaf 6 september 2013 tot 6 juni 2014.

3.7

De moeder is in augustus 2013 onverwacht naar [woonplaats] vertrokken.

3.8

Bij de bestreden beschikking van 23 september 2013 heeft de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, -zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden- op verzoek van BJZ een machtiging verleend tot plaatsing van [minderjarige] in een 24-uursvoorziening, voor de duur van vier weken. Daarbij is bepaald dat de belanghebbende(n) binnen twee weken na 23 september 2013 in de gelegenheid worden gesteld hun mening aan de kinderrechter kenbaar te maken. Deze zitting is gepland op vrijdag 4 oktober 2013.

3.9

In vervolg hierop heeft de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, zich bij beschikking van 11 oktober 2013 onbevoegd verklaard om van het verzoek kennis te nemen en is de zaak verwezen naar de rechtbank [plaats].

3.10

Bij beschikking van 18 oktober 2013 heeft de kinderrechter in de rechtbank [plaats] een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de periode vanaf 18 oktober 2013 tot 6 juni 2014, de resterende duur van de ondertoezichtstelling.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Mr. Schroeder heeft ter zitting namens mr. Maduro, de advocaat van de moeder, medegedeeld dat de moeder in de onderhavige procedure blijft bij haar standpunt dat zij heeft ingenomen in het hoger beroep dat zij zelf tegen de beschikking van 23 september 2013 heeft ingesteld en heeft daarbij verwezen naar de stukken van die procedure. Met betrekking tot de verwijzing merkt het hof op dat het uitsluitend kan kennisnemen van de stukken die in de onderhavige procedure door partijen en/of belanghebbenden zijn overgelegd en aldus behoren tot het procesdossier. Daartoe behoren niet de stukken die door een van partijen of belanghebbenden uitsluitend in een eerdere -en reeds geëindigde procedure in hoger beroep- zijn overgelegd. Het hof heeft dan ook geen acht geslagen op het namens mr. Maduro gedane verzoek om van die stukken kennis te nemen.

4.2

Aan de orde is het hoger beroep van de vader tegen de beschikking van 23 september 2013 waarbij de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden -zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden- op verzoek van BJZ een machtiging heeft verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een 24-uursvoorziening, voor de duur van vier weken (zijnde de periode van 23 september 2013 tot 21 oktober 2013).

4.3

Het hof stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat de termijn van uithuisplaatsing vier weken te rekenen vanaf 23 september 2013- inmiddels is verstreken, niet betekent dat een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep niet langer aan de orde is. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad houdt de vader in een dergelijk geval, gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van het gezinsleven, een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing te laten toetsen, en behoort hem mitsdien niet het procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken.

4.4

De vader heeft ten aanzien van de beschikking van 23 september 2013 twee primaire grieven aangevoerd waarvan de eerste betrekking heeft op de (relatieve) bevoegdheid van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, en de tweede op het feit dat hij en de moeder niet zijn gehoord op het verzoek tot (spoed)machtiging. Hij heeft voorts, ingeval geen van de primaire grieven slaagt, één subsidiaire grief aangevoerd waarin hij het bestaan van de gronden van het verlenen van de (spoed)machtiging aan de orde stelt.

het horen van belanghebbenden

4.5

Ingevolge het bepaalde in artikel 800 lid 3 Rv kan een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige aanstonds -dat wil zeggen zonder de belanghebbenden, onder wie de ouders van de minderjarige, te horen in afwijking van voorgeschreven in lid 2- worden gegeven, indien de behandeling van het verzoek en daarmee het horen niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor deze minderjarige. Een dergelijke beschikking verliest -ingevolge de laatste volzin van lid 3- haar kracht na verloop van twee weken, tenzij de belanghebbenden binnen deze termijn alsnog in de gelegenheid zijn gesteld hun mening kenbaar te maken.

4.6

Het hof zal om redenen van doelmatigheid eerst de tweede primaire grief van de vader behandelen en beoordelen of de vader binnen de gestelde termijn van twee weken alsnog in de gelegenheid is gesteld om zijn mening kenbaar te maken.

4.7

In het dictum van de beschikking van 23 september 2013 is, zoals hiervoor weergegeven, opgenomen dat belanghebbende(n) binnen twee weken na heden in de gelegenheid worden gesteld om hun mening aan de kinderrechter kenbaar te maken; deze zitting is bepaald op vrijdag 4 oktober 2013 te 14.30 uur. De ouders, onder wie de vader, zijn aldus door de rechtbank Leeuwarden opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 4 oktober 2013 om alsnog te worden gehoord op het verzoek tot (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing. De vader is ook ter zitting verschenen, weliswaar niet in persoon -de vader is eerst na het sluiten van de behandeling op de rechtbank gearriveerd- maar vertegenwoordigd door zijn advocaat. Na het uitroepen van de zaak heeft de kinderrechter evenwel geconstateerd dat niet de rechtbank Leeuwarden maar de rechtbank [plaats] relatief bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek van BJZ om een machtiging tot (spoed) uithuisplaatsing te verlenen. Daarop heeft de kinderrechter medegedeeld dat de zaak zal worden verwezen naar de rechtbank [plaats] ter verdere afdoening. Deze verwijzing heeft plaatsgevonden bij beschikking van 18 oktober 2013.

4.8

De kinderrechter in de rechtbank [plaats] heeft de behandeling van het verzoek van BJZ voortgezet door partijen en belanghebbenden op te roepen voor de mondelinge behandeling van 17 oktober 2013 waar uitsluitend is behandeld het (aangehouden) verzoek om een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een 24-uursvoorziening voor de (resterende) duur van de ondertoezichtstelling. Bij beschikking van 18 oktober 2014 is deze machtiging verleend.

4.9

Het hof constateert dan ook er binnen twee weken na 23 september 2013 geen inhoudelijke behandeling bij de rechtbank Leeuwarden en evenmin bij de rechtbank [plaats] heeft plaatsgevonden ten aanzien van het verzoek van BJZ tot (spoed)machtiging voor de duur van vier weken. Aldus is noch door de oproeping van de rechtbank Leeuwarden, noch door de oproeping van de rechtbank [plaats] nadien, aan de vader een redelijke gelegenheid geboden toegang te krijgen tot de informatie waarop de kinderrechter bij zijn onderhavige beslissing van 23 september 2013 is afgegaan. De vader heeft niet effectief kunnen deelnemen aan het besluitvormingsproces en hij heeft niet op een redelijke en toereikende manier de argumenten naar voren kunnen brengen ten gunste van zijn nadien ingenomen standpunt dat de noodzaak voor (spoed)uithuisplaatsing heeft ontbroken omdat hij in staat was om [minderjarige] een stabiele woonplek, behoorlijke zorg en bescherming te bieden met de hulp van zijn zuster dan wel zijn schoonzuster.

4.10

Bij gebreke van een tijdige oproeping heeft de door de kinderrechter in de rechtbank Leeuwarden gegeven beschikking van 23 september 2013 met overeenkomstige toepassing van artikel 800 lid 3 Rv haar kracht verloren. Dit wil zeggen dat deze beschikking na verloop van twee weken is komen vervallen, en wel op omdat de vader niet binnen deze termijn in de gelegenheid is gesteld zijn mening kenbaar te maken.

4.11

Dit betekent dat de tweede grief van de vader slaagt. Het slagen van de grief leidt echter niet tot vernietiging van de beschikking van 23 september 2013 en afwijzing van het inleidend verzoek van BJZ, zoals de vader voorstaat, maar tot vaststelling door het hof dat de bij beschikking van 23 september 2013 verleende machtiging op 7 oktober 2013 is vervallen.

de relatieve bevoegdheid

4.12

Het vervallen van de machtiging per 7 oktober 2013 betekent niet dat daardoor de beschikking van 23 september 2013 gedurende de eerste twee weken geen rechtskracht heeft gehad. Het hof zal daarom alsnog een nader oordeel dienen te geven over de vraag die de vader door middel van zijn primaire eerste grief heeft opgeworpen: was de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, (relatief) bevoegd kennis te nemen van het inleidend verzoek van BJZ.

4.13

Ingevolge artikel 265 Rv is in zaken betreffende minderjarigen bevoegd de rechter van de woonplaats, of bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige.

4.14

Op grond van artikel 1:12 BW heeft een minderjarige in beginsel een afhankelijke woonplaats. Dit betekent dat een minderjarige de woonplaats volgt van hem die het gezag over hem uitoefent en indien beide ouders tezamen het gezag uitoefenen, de woonplaats van de ouder bij wie hij feitelijk verblijft.

4.15

In het onderhavige geval is het hof gebleken dat de moeder, die het (door de ondertoezichtstelling beperkte) ouderlijk gezag over [minderjarige] uitoefent, sinds augustus 2013 niet meer in Nederland verblijft. Zij is zonder overleg met BJZ naar [woonplaats] vertrokken onder achterlating van [minderjarige] bij de vader. Haar huidige woon- of verblijfplaats is onbekend maar kennelijk verblijft zij nog immer op [woonplaats] terwijl nog niet duidelijk is of en wanneer zij naar Nederland terug zal keren.

4.16

Onder die omstandigheden en mede gelet op het feit dat [minderjarige] ten tijde van de bestreden beschikking en het daaraan ten grondslag gelegen verzoek van de raad, reeds enige tijd eerst vrijwillig en daarna op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing bij de niet met het gezag belaste vader (wonende in [woonplaats]) verbleef, is het hof van oordeel dat de kinderrechter in ieder geval ten aanzien van de onderhavige machtiging tot spoeduithuisplaatsing -een voorlopige en bewarende maatregel die hij heeft moeten treffen in de hem voorgelegde spoedeisende situatie- terecht aansluiting heeft gezocht bij de werkelijke verblijfplaats van de minderjarige bedoeld in het hiervoor aangehaalde artikel 265 Rv, en zich bevoegd heeft geacht kennis te nemen van het verzoek van BJZ.

4.17

De eerste primaire grief van de vader tegen de bestreden beschikking faalt dus. Hieraan doet niet af dat de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, op 4 oktober 2013 kennelijk tot het (nadere) oordeel is gekomen dat de rechtbank [plaats] bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek en niet de rechtbank Noord-Nederland. Het hof laat de (on)juistheid van dit oordeel in het midden aangezien daar geen oordeel over is gevraagd en dit voor de onderhavige beoordeling niet van belang is. Het hof acht in deze evenmin relevant dat de rechtbank [plaats] de zaak verder in behandeling heeft genomen, waar het na verwijzing op grond van artikel 270 lid 3 tweede volzin Rv ook toe gehouden is geweest.

de gronden voor een uithuisplaatsing

4.18

De vraag is of er ruimte is voor een inhoudelijke beoordeling van de vraag of bij beschikking van 23 september 2013 al dan niet op terechte gronden een machtiging tot (spoed)uithuisplaatsing van [minderjarige] is gegeven voor de duur van vier weken. Deze subsidiaire -en de inhoud betreffende- grief is immers opgeworpen onder de voorwaarde dat geen van de primaire -de formaliteiten betreffende- grieven slaag en een van de primaire grieven van de vader, die betreffende het horen, slaagt. Anderzijds leidt het slagen van deze grief slechts tot het vervallen van de machtiging na twee weken na de datum waarop de machtiging is gegeven. Het slagen van de grief betreft dan ook materieel enkel de laatste twee weken vanaf 7 oktober 2013 en niet ook de eerste twee weken vanaf 23 september2013.

4.19

Het hof zal dan ook een inhoudelijke beoordeling geven van de verleende machtiging tot (spoed)uithuisplaatsing voor wat betreft de duur van 23 september 2013 tot 7 oktober 2013.

4.20

Een machtiging tot uithuisplaatsing kan op grond van artikel 1:251 lid 1 BW worden verleend indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of indien dit noodzakelijk is tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

4.21

Artikel 800 lid 3 Rv bepaalt, voor zover van belang, dat een beschikking om een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige te verlenen alleen dan aanstonds kan worden gegeven indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige.

4.22

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat aan voormelde criteria is voldaan. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voldoende gebleken dat [minderjarige] na de relatiebreuk tussen de vader en zijn nieuwe partner aan zijn lot werd overgelaten en ernstig werd verwaarloosd en dat ingegrepen diende te worden om op dat moment alsnog een stabiele en veilige situatie voor [minderjarige] te waarborgen. Anders dan de vader betoogt, zijn aan de kinderrechter geen relevante feiten en omstandigheden achtergehouden. Het hof merkt daarbij op dat BJZ wel degelijk melding heeft gemaakt van de machtiging tot uithuisplaatsing (19 augustus 2013) op grond waarvan [minderjarige] bij de vader mocht blijven wonen. Het voorgaande betekent dan ook dat de subsidiaire grief van de vader faalt.

verzoek voorlopige voorziening

4.23

De vader heeft in zijn beroepschrift verder verzocht om te bepalen dat BJZ onverwijld in overleg dient te treden over de verblijfplaats van [minderjarige], totdat in hoger beroep is beslist. De wettelijke basis voor het treffen van een dergelijke voorziening ontbreekt in deze (verzoekschrift)procedure. Bovendien is bij de onderhavige beschikking in het hoger beroep beslist en is ook de situatie van [minderjarige] inmiddels feitelijk en juridisch gewijzigd, zodat de vader in zoverre ook geen belang meer heeft bij zijn verzoek.

proceskosten en schadevergoeding

4.24

De vader heeft tot slot in zijn beroepschrift verzocht BJZ te veroordelen tot betaling van de proceskosten van de vader en een bedrag aan schadevergoeding ter hoogte van € 2.000,- althans een nader door het hof te bepalen bedrag. Het hof zal beide verzoeken afwijzen. Het hof ziet in de aard van de zaak, waar het primair gaat om de bescherming van de belangen van [minderjarige], aanleiding de kosten van het geding in hoger beroep te compenseren in die zin dat iedere partij en belanghebbende de eigen kosten draagt. Het hof ziet verder in de onderhavige (verzoekschrift)procedure geen ruimte maar ook geen reden om een schadevergoeding vast te stellen.

slotsom

4.25

Uit het voorgaande volgt dat het hof zal vaststellen dat de bij beschikking van 23 september 2013 verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van vier weken, op 7 oktober is vervallen. De verdere verzoeken van de vader zullen worden afgewezen waarbij het hof ten aanzien van de proceskosten zal bepalen dat ieder van partijen en belanghebbenden de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

bepaalt dat de door de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, bij beschikking van 23 september 2013 gegeven machtiging om de minderjarige [minderjarige], geboren [in] 2005 te [woonplaats], met ingang van 23 september 2013 voor de duur van vier weken te plaatsing in een 24-uursvoorziening, op 7 oktober 2013 is vervallen;

bekrachtigt beschikking waarvan beroep voor wat betreft de periode met ingang van 23 september 2013 tot 7 oktober 2013;

wijst af het verzoek van de vader om BJZ te veroordelen tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding;

wijst af het verzoek van de vader om voor de duur van het hoger beroep een voorlopige voorziening vast te stellen;

bepaalt dat ieder van partijen en de belanghebbende de eigen kosten draagt van het geding in hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.E.F. Hillen, voorzitter, mr. A.H. Garos en mr. H. Lenters, en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 12 augustus 2014.