Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:6490

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-08-2014
Datum publicatie
21-08-2014
Zaaknummer
200.144.716
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding (spoedappel). Appellanten vorderen in dit (tweede) kort geding een tweede voorschot op uitkering onder een woonhuis- en inboedelverzekering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.144.716

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 258215)

arrest in kort geding (spoedappel) van de eerste kamer van 19 augustus 2014

in de zaak van

1 [appellant sub 1],

wonende te [plaatsnaam],

en

2. [appellante sub 2],

wonende te [plaatsnaam],

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

hierna: [appellant sub 1], respectievelijk [appellante sub 2],

advocaat: mr. E.C.M.J. van Kempen,

tegen:

de naamloze vennootschap

Delta Lloyd Schadeverzekering N.V.,

onder meer handelende onder de naam

OHRA Schadeverzekeringen,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

hierna: Delta Lloyd,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis in kort geding van 27 februari 2014 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, tussen [appellant sub 1] en [appellante sub 2] als eisers in conventie/verweerders in reconventie en Delta Lloyd als gedaagde in conventie/eiseres in reconventie heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van het geding in hoger beroep blijkt uit:

- de appeldagvaarding van 25 maart 2014 met grieven en een productie,

- de conclusie van eis,

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep met producties,

- de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep met een productie.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

[appellant sub 1] en [appellante sub 2] zijn gezamenlijk eigenaar van een woning in [plaatsnaam].

3.2

[appellante sub 2] heeft tijdens een telefoongesprek op 16 februari 2007 met een vertegenwoordiger van Delta Lloyd (OHRA) een aanvraag gedaan voor het afsluiten van een woonhuis- en een inboedelverzekering voor deze woning met [appellant sub 1] als verzekeringnemer en hen beiden als verzekerden.

3.3

Na dit telefoongesprek heeft Delta Lloyd (in elk geval) polisbladen aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] verzonden, welke polisbladen zij ook ontvangen hebben. Daarop wordt verwezen naar de polisvoorwaarden WOON0602, die Delta Lloyd in het jaar 2007 gebruikte. Het gaat om zogenaamde premievrije polissen, die ingingen op 1 november 2007, respectievelijk 1 november 2011.

3.4

In die voorwaarden is onder meer bepaald (art. 1.12 afsluiten verzekering):

(…) Bij wijziging van de eerder opgegeven antwoorden hebben u en de verzekerde eerst aanspraak op uitkering vanaf het moment dat u van de maatschappij de schriftelijke bevestiging heeft ontvangen, waaruit blijkt dat de maatschappij alsnog een verzekering wenst te sluiten op grond van de nieuw verkregen informatie.

Verder is in die voorwaarden onder meer bepaald (artikelen 23 en 41; gewijzigde omstandigheden) dat wijzigingen in bouwaard, dakdekking, bestemming (bij voorbeeld verhuur), inrichting of gebruik van de woning binnen dertig dagen na de oorspronkelijke wijzigingsdatum aan de maatschappij moet worden doorgegeven.

3.5

Tijdens het telefoongesprek is voor beide verzekeringen een aantal acceptatievragen aan [appellante sub 2] gesteld met betrekking tot het gebruik van de woning, eventuele verhuur daarvan en het strafrechtelijk verleden.

3.6

Delta Lloyd heeft de tijdens het telefoongesprek gegeven antwoorden in schriftelijke vorm ter controle aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] gestuurd. In die schriftelijke weergaven staat onder meer:

Als aanvrager/kandidaat-verzekeringnemer bent u verplicht de gestelde vragen in het telefoongesprek zo volledig mogelijk te hebben beantwoord. Dit geldt ook voor feiten en omstandigheden die betrekking hebben op een bij het sluiten van deze verzekering bekende derde, van wie belangen worden meeverzekerd. (…) Indien u niet of niet volledig aan uw mededelingsplicht heeft voldaan, kan dat er toe leiden dat het recht op uitkering wordt beperkt of zelfs vervalt. Indien u met opzet tot misleiden van OHRA heeft gehandeld of deze bij kennis van de ware stand van zaken de verzekering nooit zou hebben gesloten, heeft OHRA tevens het recht de verzekering op te zeggen. (…)

3.7

In de periode van 27 maart 2007 tot 19 juni 2007 is een hennepkwekerij aanwezig geweest in een door [appellant sub 1] en [appellante sub 2] verhuurd gedeelte van de woning.

3.8

[appellant sub 1] is in verband daarmee op 19 juni 2007 in verzekering gesteld op verdenking van overtreding van art. 3 van de Opiumwet. Hij is vervolgens door de officier van justitie gedagvaard om als verdachte te verschijnen voor de zitting van de politierechter van 6 februari 2008. Daarbij is hem tenlastegelegd, kort gezegd en voor zover hier van belang, overtreding van art. 3 Opiumwet en diefstal van elektriciteit, gepleegd in de periode van 27 maart 2007 tot en met 19 juni 2007. De politierechter heeft hem op 6 februari 2008 op tegenspraak voor die feiten veroordeeld tot straf.

3.9

Op 19 februari 2013 heeft een brand in de woning gewoed, waardoor de woning en de inboedel ernstig zijn beschadigd. Na onderzoek door de politie en Delta Lloyd is gebleken dat de brand is gesticht.

3.10

De politie heeft [appellant sub 1] gehoord in verband met zijn mogelijke betrokkenheid bij de brandstichting, maar het Openbaar Ministerie heeft de zaak tegen hem geseponeerd.

3.11

[appellant sub 1] en [appellante sub 2] maken aanspraak op uitkering onder de woonhuis- en inboedelpolis. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis in kort geding van 16 juli 2013 een voorschot op de uitkering van € 100.000,- aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] toegewezen en Delta Lloyd in de proceskosten veroordeeld. Delta Lloyd heeft aan dit vonnis voldaan.

3.12

Delta Lloyd heeft [appellant sub 1] bij brief van 22 oktober 2013 medegedeeld dat elk recht op uitkering is komen te vervallen, omdat, kort gezegd, haar inmiddels is gebleken dat in de periode van 27 maart 2007 tot 19 juni 2007 een hennepkwekerij in het verzekerde pand aanwezig is geweest, in verband waarmee [appellant sub 1] door de strafrechter is veroordeeld. Delta Lloyd voert daarbij aan dat [appellant sub 1] zijn tot de ingangsdatum van de polissen geldende mededelingsplicht niet nagekomen.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

[appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben in dit (tweede) kort geding onder meer een tweede voorschot op de uitkering gevorderd, dit maal ten bedrage van € 350.000,-, vermeerderd met rente en proceskosten. Delta Lloyd heeft in reconventie terugbetaling gevorderd van het op grond van het vonnis van 16 juli 2013 betaalde, te weten € 119.182,53 met rente en kosten.

De voorzieningenrechter heeft bij het bestreden vonnis van 27 februari 2014 in conventie alleen de vordering tot veroordeling van Delta Lloyd om de interne registratie in haar incidentenregister en de externe registraties bij de Stichting CIS ongedaan te (laten) maken toegewezen, de overige vorderingen in conventie evenals de vorderingen in reconventie afgewezen en de kosten in conventie en reconventie gecompenseerd.

Het principaal hoger beroep

4.2

Het hof ziet aanleiding eerst grief II te bespreken. Deze grief luidt dat de voorzieningenrechter ten onrechte ervan uit is gegaan dat de voorwaarden WOON0602 op de verzekeringsovereenkomsten van toepassing zijn. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] voeren, kort gezegd, aan dat de overeenkomsten op 16 februari 2007 telefonisch tot stand zijn gekomen en dat daarbij niet over algemene voorwaarden en toepasselijkheid daarvan is gesproken, laat staan dat Delta Lloyd erop heeft gewezen dat de voorwaarden zijn gedeponeerd en dat op verzoek een exemplaar daarvan wordt toegezonden. Nu de verzekeringsovereenkomsten tijdens het telefoongesprek van 16 februari 2007 tot stand zijn gekomen, kunnen de voorwaarden WOON0602 geen deel van de overeenkomsten uitmaken en kan Delta Lloyd daarop geen beroep doen. Bovendien zijn de polisvoorwaarden tijdens de looptijd gewijzigd en is daarbij art. 1.12 van de voorwaarden WOON 0602 afgeschaft, aldus [appellant sub 1] en [appellante sub 2]. Delta Lloyd betwist een en ander gemotiveerd.

4.3

Het hof is van oordeel dat de inhoud van een verzekeringsovereenkomst niet alleen door de polis, maar ook door de gebruikelijk daarbij behorende polisvoorwaarden wordt bepaald, welke voorwaarden overigens niet alleen algemene voorwaarden in de zin van art. 6:231 BW, maar evenzeer kernbedingen in de zin van die bepaling kunnen zijn. Het hof is dan ook voorshands van oordeel dat de onderhavige overeenkomsten tot stand zijn gekomen door aanvaarding door [appellant sub 1] en [appellante sub 2] van de door hen na het telefoongesprek ontvangen polisbladen, waarin naar de voorwaarden WOON0602 wordt verwezen. Dat de voorwaarden bij het telefoongesprek niet zouden zijn genoemd, of daarna niet (samen met de polisbladen) aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] zouden zijn meegezonden (wat Delta Lloyd in hoger beroep gemotiveerd betwist; het hof verwijst naar het onder 4.4 weergegeven betoog van Delta Lloyd over de gang van zaken sinds de invoering van de Wet op het financieel toezicht, verder: Wft), is gelet op art. 6:232 BW niet van belang. Het hof acht de voorwaarden WOON0602 vooralsnog van toepassing op de overeenkomsten. De overeenkomsten werden in het jaar 2007 door die voorwaarden bepaald, nu de voorwaarden WOO1102 en INB1203 kennelijk eerst later op de overeenkomsten van toepassing zijn verklaard. Delta Lloyd heeft er bovendien terecht op gewezen dat in de nieuwe voorwaarden een bepaling voorkomt, die vrijwel gelijkluidend is aan het in 3.4 geciteerde artikel 1.12. De grief faalt.

4.4

Met grief III betwisten [appellant sub 1] en [appellante sub 2] de juistheid van de overweging (rov. 5.4 van het vonnis) dat de voorzieningenrechter er gelet op de verklaringen van partijen ter zitting onvoldoende van overtuigd is dat het beroep van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] op artikel 6:233 onder a BW in een bodemprocedure stand houdt. Zij voeren daarbij onder meer aan dat de overeenkomsten telefonisch tot stand zijn gekomen en dat de voorzieningenrechter ten onrechte aanneemt dat de overeenkomsten eerst door ontvangst van de polisbladen tot stand zijn gekomen doordat Delta Lloyd toen heeft verklaard het telefonische aanbod van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] te aanvaarden. In dat geval hadden de polisvoorwaarden met de polisbladen aan hen moeten worden toegezonden, terwijl volgens [appellant sub 1] en [appellante sub 2] vast staat dat dit niet is geschied. Delta Lloyd heeft dit in eerste aanleg erkend en de voorzieningenrechter is er blijkens de vaststelling van de feiten in het vonnis onder 2.5 en rechtsoverweging 5.4 ook vanuit gegaan. Delta Lloyd betwist dit gemotiveerd en heeft het hoger beroep gebruikt om een in eerste aanleg ingenomen stelling te corrigeren. Delta Lloyd stelt nu dat haar vertegenwoordiger op de zitting van de voorzieningenrechter, overvallen door de voor hem nieuwe betwisting door [appellant sub 1] en [appellante sub 2] van de ontvangst van de polisvoorwaarden, ten onrechte heeft verklaard dat bij premievrije polissen de voorwaarden eerst een maand voor de ingangsdatum worden verstrekt. Delta Lloyd stelt dat navraag binnen de organisatie heeft geleerd dat met de invoering van de Wft op 1 januari 2006 de procedure is veranderd en dat sindsdien de polisvoorwaarden met de eerste polis (in dit geval dus de polissen van 16 februari 2007) worden meegezonden. Delta Lloyd verwijst daarbij naar een intern memo van 9 februari 2006.

4.5

Het hof stelt voorop dat partijen het erover eens zijn dat de woorden ”artikel 6:233 onder a BW” in het vonnis gelezen moeten worden als ”artikel 6:233 onder b BW”. Het hof verwijst voor het tijdstip van totstandkoming van de overeenkomsten naar wat is overwogen onder 4.3. Het hof is voorshands van oordeel dat niet kan worden aangenomen dat het standpunt van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] dat hen geen redelijke mogelijkheid is geboden om van de polisvoorwaarden kennis te nemen in een bodemprocedure stand houdt. Delta Lloyd heeft hun verweer dat de polisvoorwaarden niet met de polisbladen zijn meegezonden gemotiveerd betwist en (in hoger beroep, dat ook de functie heeft een partij de mogelijkheid te bieden om een in eerste aanleg begane fout te herstellen) uiteengezet dat en waarom zij sinds de invoering van de Wft - dus ook in het jaar 2007 - steevast de polisvoorwaarden met de eerste polis meezendt. Het hof kent voorts gewicht toe aan de constatering van de voorzieningenrechter dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] ter zitting desgevraagd hebben verklaard niet meer te weten of zij de polisvoorwaarden hebben ontvangen. Hoewel zij nu stellen zeker te weten dat dit niet het geval is, houdt het hof hen aan deze verklaring ten overstaan van de voorzieningenrechter, waarbij zij de ontvangst niet voldoende stellig hebben betwist. De grief faalt.

4.6

De grieven I en IV behelzen de klachten dat de voorzieningenrechter ten onrechte onder 5.9 heeft overwogen er onvoldoende van overtuigd te zijn dat het beroep van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] op art. 637 aanhef en onder b BW in een bodemprocedure stand houdt, dat niet met voldoende zekerheid kan worden geoordeeld dat het standpunt van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] in de bodemprocedure doeltreffend zal zijn en dat bij die stand van zaken voor een voorschot op de uitkering in kort geding geen plaats is. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] voeren aan dat art. 1.12 van de polisvoorwaarden een vervalbeding is, dat op grond van art. 6:237 aanhef en onder h BW vermoed wordt onredelijk bezwarend te zijn, behoudens voor zover het nalaten melding te doen het verval van rechten rechtvaardigt. Niet voor niets heeft de wetgever in art. 7:928 lid 5 BW de bevoegdheid van de verzekeraar om informatie in te winnen over strafrechtelijke documentatie van een verzekerde beperkt tot acht jaren voor de aanvang van de verzekering en kan op grond van art. 7:943 lid 3 BW van die bepaling niet worden afgeweken in geval van een ”consumentenverzekering”. Reeds om die reden kan van een verzekerde niet worden verlangd dat hij wijzigingen in zijn strafrechtelijke documentatie gedurende de looptijd van de verzekering aan de verzekeraar doorgeeft, omdat dit onredelijk bezwarend is. Bovendien is art. 1.12 onduidelijk geformuleerd, omdat de antwoorden die bij de aanvraag zijn gegeven, niet kunnen wijzigen. Subsidiair leidt toetsing van deze bepaling aan art. 6:233 onder a BW tot het inzicht dat de bepaling vernietigbaar is, aldus [appellant sub 1] en [appellante sub 2]. Delta Lloyd bestrijdt een en ander gemotiveerd.

4.7

Het hof stelt voorop dat art. 7:943 BW niet uitsluit dat een verzekeraar in geval van een verzekering in de zin van het derde lid van dat artikel een mededelingsplicht als vastgelegd in art. 1.12 van de polisvoorwaarden bedingt. Nu met dit beding sprake is van een algemene voorwaarde in de zin van art. 6:231 BW, gaat het erom of dit op de voet van art. 6:237 aanhef en onder h BW geacht kan worden onredelijk bezwarend te zijn en daarom vernietigbaar is. Delta Lloyd voert terecht aan dat gelet op de tekst van de bepaling - naar de letter - niet sprake is van een beding, dat als sanctie op het nalaten van het doen van mededeling aan de verzekeraar verval van het recht op uitkering stelt. Er lijkt eerder sprake te zijn van een opschortende voorwaarde waaronder uitkering zal plaats vinden. Maar feitelijk komt het beding wel op een sanctie in de zin van verval van uitkering neer, zoals het standpunt van Delta Lloyd in de zaak leert. Het hof is dan ook voorshands van oordeel dat art 1.12 van de polisvoorwaarden onder het bereik van art. 6:237 aanhef en onder h BW valt.

Daarnaast wordt het beding in de verzekeringsovereenkomst, waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, volgens artikel 3 lid 1 van de Richtlijn 93/13/EEG publicatieblad nr. L 095 van 21 april 1993 (verder: de richtlijn), als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Naar het ambtshalve oordeel van het hof is deze evenwichtsverstoring met het verval van de verzekeringsuitkering op zichzelf aanwezig. Dan blijft de vraag of daarvoor een rechtvaardigingsgrond in de zin van artikel 6: 237 onder h BW bestaat dan wel of er sprake is van strijd met de goede trouw in de zin van artikel 3 lid 1 van de richtlijn.

Artikel 1.12 van de polisvoorwaarden heeft blijkens zijn kopje betrekking op de fase van het afsluiten van de verzekering. Zij verlengt echter de in artikel 7:928 BW aan de verzekeringnemer opgelegde mededelingsplicht bij het aangaan van de verzekering in ieder geval tot het ingaan van de dekking. Over een verdere verlenging spreekt het hof zich hier niet uit. Als regel zal er tussen de verzekeringsaanvraag enerzijds en het sluiten van de overeenkomst en/of de ingang van de dekking anderzijds kortere of, zoals hier, langere tijd verlopen. De door de verzekeraar bedongen verlenging van de mededelingsplicht tot een van deze momenten vindt haar rechtvaardiging hierin dat - en komt niet in strijd met de goede trouw omdat - een schadeverzekeraar, zoals een verzekeringnemer redelijkerwijs behoort te begrijpen, een maatschappelijk en gerechtvaardigd belang erbij heeft dat de dekking wordt verleend op basis van de meest actuele kennis van alle, ook nieuwe, feiten die relevant zijn voor de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten. Op de op 16 februari 2007 telefonisch gestelde vraag aan [appellante sub 2] of zij en/of de andere belanghebbende bij deze verzekering, [appellant sub 1], in de laatste acht jaar als verdachte in aanraking zijn/is geweest met de politie in verband met overtreding van de Opiumwet, is ontkennend geantwoord. Toen [appellant sub 1] in verband met de hennepkwekerij wegens verdenking van overtreding van artikel 3 van de Opiumwet in verzekering was gesteld op 19 juni 2007, behoorde hij ingevolge artikel 1.12 van de polisvoorwaarden dit nieuwe gegeven in antwoord op de desbetreffende vraag te melden aan de verzekeraar, hetgeen echter is nagelaten. Daaraan doet niet af dat hij zich onschuldig acht(te). Bij het, kennelijk in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis van 6 februari 2008 heeft de strafrechter bewezen verklaard dat [appellant sub 1] met de hennepkwekerij het misdrijf had gepleegd van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder c van de Opiumwet gegeven verbod. Voor tegenbewijs leent het kort geding zich naar zijn aard niet. Het gaat bij deze inverzekeringstelling typisch om feiten die met het morele risico van de verzekeringnemer te maken hebben en die, hadden zij zich vóór het sluiten van de verzekeringen in februari 2007 voorgedaan en waren deze toen aan Delta Lloyd bekend geweest, voor Delta Lloyd waarschijnlijk reden waren geweest om de overeenkomsten niet, of op andere voorwaarden te sluiten. Het hof weegt mee dat aannemelijk is dat bij gebreke van het beding een beroep op dekking onder de polis onder de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou worden geacht. Het hof neemt bij dit alles ten slotte in overweging dat het hier gaat om een vordering in kort geding tot betaling van een (tweede) voorschot op de uitkering en dat gelet op het voorgaande onvoldoende aannemelijk is dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] rechtens aanspraak op uitkering hebben. De grieven falen.

Het incidenteel hoger beroep

4.8

Delta Lloyd heeft na het voorgaande geen belang bij bespreking van de grieven III en IV, die zich richten tegen de verwerping van de door Delta Lloyd aangevoerde, door de voorzieningenrechter niet gevolgde, weigering van dekking op grond van - kort gezegd - de betrokkenheid van [appellant sub 1] bij de brandstichting en de wijziging van de bestemming van de woning (de tijdelijke verhuur), nu de afwijzing van het gevorderde voorschot in hoger beroep in stand blijft.

4.9

Grief I heeft betrekking op de toewijzing van de vordering tot opheffing van de registraties. Delta Lloyd voert onder meer aan dat ter zitting over interne registratie in het geheel niet is gedebatteerd en maar kort over externe registratie en dat zij heeft toegelicht wanneer het opnemen van persoonsgegevens in het EVR (het Externe Verwijzingsregister, dat gekoppeld is aan het Incidentenregister, het interne register van een financiële organisatie) geoorloofd is. Delta Lloyd brengt nu het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (verder: het Protocol) in het geding (productie 4), waarin een en ander is geregeld. Delta Lloyd wijst erop dat opname in het Incidentenregister geen gevolgen heeft voor het afsluiten van verzekeringen bij andere maatschappijen en dat voor opname in dit register, anders dan bij het EVR, ook niet noodzakelijk is dat sprake is van bij voorbeeld een grondige verdenking van fraude. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] bestrijden de grief gemotiveerd.

4.10

Het hof stelt allereerst vast dat in dit spoedappel niet diepgaand is gedebatteerd over de toelaatbaarheid van de registraties in het licht van de bescherming van persoonsgegevens, maar ook dat beide partijen kennelijk de bepalingen van het Protocol voor de beoordeling wezenlijk achten.

Art. 4.1.1 van het Protocol, waarop Delta Lloyd zich in dit verband beroept, luidt als volgt:

Met het oog op het kunnen deelnemen aan het Waarschuwingssysteem is iedere Deelnemer gehouden de volgende doelstelling voor het vastleggen van gegevens in het Incidentenregister te hanteren:

”Het geheel aan verwerkingen ten aanzien van het Incidentenregister heeft tot doel het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector, daaronder mede begrepen (het geheel van) activiteiten die gericht zijn:

- op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van gedragingen die kunnen leiden tot benadeling van de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, van de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, van de financiële instelling zelf, alsmede van haar cliënten en medewerkers;

- op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van oneigenlijk gebruik van producten, diensten en voorzieningen en/of (pogingen) tot strafbare of laakbare gedragingen en/of overtreding van (wettelijke) voorschriften, gericht tegen de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, de financiële instelling zelf, alsmede haar cliënten en medewerkers;

- op het gebruik van en de deelname aan waarschuwingssystemen.”

Het hof gaat er gelet op het onherroepelijke strafvonnis van 6 februari 2008 vanuit dat [appellant sub 1] in 2007 betrokken is geweest bij de hennepkwekerij in het verhuurde gedeelte van de woning en dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet, een misdrijf, en gekwalificeerde diefstal. Gezien art. 4.1.1 van het Protocol en gelet op het hiervoor genoemde morele risico van de verzekeringnemer valt naar het voorlopig oordeel van het hof niet in te zien waarom Delta Lloyd [appellant sub 1] niet intern zou mogen registreren om te voorkomen dat hij opnieuw (bij voorbeeld weer via telefonische aanvraag) een verzekering bij haar zou kunnen afsluiten en haar aldus zou kunnen benadelen. Het hof acht de inbreuk op de belangen van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] niet onevenredig in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel (voorkomen benadeling van Delta Lloyd), en acht aannemelijk dat dit doel in redelijkheid niet op een andere, voor [appellant sub 1] en [appellante sub 2] minder nadelige, wijze kan worden verwerkelijkt. In zoverre slaagt de grief.

Het hof oordeelt anders over de externe registratie. Het EVR is blijkens de desbetreffende bepalingen van het Protocol te raadplegen door, kort gezegd, alle deelnemende banken en verzekeraars. Delta Lloyd rechtvaardigt de externe registratie met de stelling dat [appellant sub 1] zich heeft schuldig gemaakt aan fraude, waarmee Delta Lloyd in het licht van haar bestrijding van rechtsoverweging 4.10 van het vonnis kennelijk doelt op zijn betrokkenheid bij de brandstichting. Die betrokkenheid heeft Delta Lloyd, op wie de bewijslast rust, echter na het kort geding vonnis van 16 juli 2013 ook in dit hoger beroep van het vonnis van 27 februari 2014 niet aannemelijk gemaakt. In zoverre faalt de grief.

4.11

Grief II heeft betrekking op de vaststelling onder 2.5 van het bestreden vonnis dat Delta Lloyd in geval van een uitgestelde polis de definitieve polis inclusief de polisvoorwaarden één maand voor de ingangsdatum van de verzekering aan de verzekerde stuurt. Delta Lloyd voert in de toelichting onder meer aan dat zij, zoals zij in het principaal appel heeft toegelicht, wel degelijk de polisvoorwaarden tegelijk met de eerste polis heeft afgegeven. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] bestrijden de grief.

4.12

Het hof heeft onder 4.5 voorshands geoordeeld dat niet kan worden aangenomen dat het standpunt van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] dat hen geen behoorlijke gelegenheid is geboden om van de polisvoorwaarden kennis te nemen in een bodemprocedure stand houdt. Gelet daarop heeft Delta Lloyd geen belang bij bespreking van de grief.

4.13

Met grief V keert Delta Lloyd zich tegen de afwijzing van de terugvordering van het op grond van het kort geding vonnis van 16 juli 2013 aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] betaalde. Delta Lloyd verwijst daarbij naar haar stellingen in het principaal appel.

4.14

Het gaat (ook) bij deze vordering om een geldvordering in kort geding. Het hof is van oordeel dat Delta Lloyd haar spoedeisend belang bij een voorziening in kort geding onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De grief faalt dan ook.

5 Slotsom

5.1

De grieven in het principaal hoger beroep falen, van de grieven in het incidenteel hoger beroep slaagt alleen grief I ten dele. Dat brengt mee dat het hof het bestreden vonnis in conventie zal vernietigen ten aanzien van de veroordeling van Delta Lloyd tot ongedaanmaking van de interne registratie, en voor het overige (in conventie en in reconventie) zal bekrachtigen.

5.2

Het hof zal in het principaal hoger beroep [appellant sub 1] en [appellante sub 2] als in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Delta Lloyd vastgesteld op:

- griffierecht € 5.114,-

- salaris advocaat € 3.263,- (één punt tarief VI),

en in het incidenteel hoger beroep Delta Lloyd als overwegend in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten van dat hoger beroep, aan de zijde van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] vastgesteld op:

- salaris advocaat € 1.631,50 (een half punt tarief VI).

5.3

Als niet weersproken zal het hof in het principaal hoger beroep ook de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in kort geding in het principaal en incidenteel hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 27 februari 2014, voor zover daarbij Delta Lloyd in conventie is veroordeeld tot ongedaanmaking van de interne registratie in haar eigen incidentenregister en, in zoverre opnieuw recht doende:

wijst de desbetreffende vordering af;

bekrachtigt dit vonnis voor het overige;

veroordeelt [appellant sub 1] en [appellante sub 2] in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Delta Lloyd vastgesteld op € 5.114,- voor verschotten en op € 3.263,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellant sub 1] en [appellante sub 2] in de nakosten, begroot op € 131,- in geval [appellant sub 1] en [appellante sub 2] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

veroordeelt Delta Lloyd in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] bepaald op € 1.631,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordelingen betreft) uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, P.H. van Ginkel en Ch.E. Bethlem en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2014.