Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:6431

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-07-2014
Datum publicatie
29-08-2014
Zaaknummer
200.142.945-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.142.945/01

(zaaknummer rechtbank C/17/129475 / FA RK 13-1590)

beschikking van de familiekamer van 31 juli 2014

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. G.J. van Kammen, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming, regio Overijssel, locatie Zwolle,

kantoorhoudend te Zwolle,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [belanghebbenden],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de pleegouders,

2. Bureau Jeugdzorg Overijssel,

kantoorhoudend te Zwolle,

hierna te noemen: BJZ.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 27 november 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 27 februari 2014, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 2 mei 2014, heeft de raad het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden.

2.3

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 7 mei 2014, heeft BJZ het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden.

2.4

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 7 maart 2014 het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 31 oktober 2013;

- op 21 maart 2014 per fax een journaalbericht van 20 maart 2014 van mr. Van Kammen met bijlagen;

- op 6 mei 2014 een brief van 6 mei 2014 van BJZ;

- op 19 juni 2014 een brief van 15 juni 2014 van de pleegouders, waarin zij aangeven niet bij de behandeling ter zitting aanwezig te zullen zijn.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op vrijdag 27 juni 2014 plaatsgevonden. Namens de moeder is verschenen mr. Van Kammen. De heer [de vader] (hierna: de vader) is verschenen. Namens de raad is [A] verschenen. Namens BJZ zijn verschenen [gezinsvoogd] (gezinsvoogd) en [B]. De pleegouders zijn, met bericht, niet verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

De minderjarige [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige]) is [in 2010] geboren uit de relatie van de moeder met de vader. De moeder is met het gezag over [minderjarige] belast. De raad heeft in het inleidend verzoek verzocht de moeder te ontheffen van haar ouderlijk gezag over [minderjarige] en BJZ tot voogd te benoemen. De rechtbank heeft dat verzoek toegewezen. Daarvan komt de moeder thans in hoger beroep.

3.2

Op 18 juni 2010 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld. Tijdens de zitting van de rechtbank van 7 juli 2010 werd [minderjarige] voor een jaar onder toezicht gesteld. Sinds 22 september 2010 is [minderjarige] uit huis geplaatst met machtiging van de kinderrechter. Deze maatregelen duren voort. Vanaf 3 februari 2011 woont [minderjarige] bij de pleegouders, waar ook haar oudere broer [broer 1] woont.

4 De motivering van de beslissing

4.1

De moeder bestrijdt dat zij ontheven dient te worden uit het ouderlijk gezag over [minderjarige]. BJZ en de raad zijn evenwel net als de rechtbank van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ontheffing is voldaan en dat de belangen van [minderjarige] meebrengen dat de ontheffing dient te worden uitgesproken.

4.2

Op grond van artikel 1:266 BW kan de rechter, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet, een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

4.3

Ingevolge artikel 1:268 lid 1 BW kan ontheffing niet worden uitgesproken, indien de ouder zich daartegen verzet, zoals de moeder thans doet. Deze regel lijdt evenwel ingevolge artikel 1:268 lid 2 onder a BW onder meer uitzondering indien na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden - zoals in de onderhavige zaak - gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel -door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen- onvoldoende is om de dreiging dat de minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, af te wenden.

4.4

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting verenigt het hof zich met de beoordeling van de rechtbank zoals weergegeven in overwegingen 3.6 tot en met 3.11 van de beschikking van de rechtbank, maakt die tot de zijne en voegt daar het volgende aan toe.

4.5

De moeder is het niet eens met de overweging van de rechtbank dat niet gebleken is van duurzame instemming met de uithuisplaatsing. Het blijk geven van duurzame bereidheid van de ouder(s) om het kind in het pleeggezin waar het verblijft te laten opgroeien dient in de beoordeling te worden betrokken, maar staat aan een gedwongen ontheffing niet in de weg, gelet op het belang van het kind bij stabiliteit en continuïteit. Die duurzame bereidheid van de moeder staat evenwel niet vast. De moeder bestrijdt namelijk de ontheffing van het ouderlijk gezag over [minderjarige] opdat het mogelijke perspectief dat ze met elkaar herenigd worden en [minderjarige] weer thuis komt wonen, niet weggenomen wordt.

4.6

De leef- en woonsituatie van de ouders was voor en na de geboorte van [minderjarige] niet stabiel. Zij hadden financiële en psychische problemen en geen vaste woon- of verblijfplaats. [minderjarige] heeft 4 broers: [broer 2], [broer 3], [broer 1] en [broer 4]. De politie heeft deze broers na een melding van geweld en overlast in december 2008 verwaarloosd en in een vervuild huis aangetroffen. Ze zijn vervolgens met ingang van 30 december 2008 onder toezicht gesteld en uithuisgeplaatst. Toen gewerkt werd aan de terugplaatsing van de zoons en de druk te hoog werd, zijn de ouders van augustus 2009 tot april 2010 spoorloos verdwenen zonder afscheid te nemen van de kinderen of bericht te geven aan de hulpverlening en waren zij niet bereikbaar voor de kinderen.

4.7

[in 2010] is [minderjarige] geboren. In juni 2010 hebben de ouders het gezinshuis waar zij toen een paar maanden hadden gewoond, verlaten en vrienden gevraagd op [minderjarige] te passen. Met ingang van 22 september 2010 heeft de vrijwillige plaatsing van [minderjarige] plaats gemaakt voor een machtiging tot uithuisplaatsing door de kinderrechter. Omdat de vrienden van de ouders niet door de pleegzorgscreening kwamen, is [minderjarige] met ingang van 3 februari 2011 bij de pleegouders geplaatst. In september 2011 is de moeder ontheven uit het gezag over de broers.

4.8

De ouders hebben nooit langdurig voor [minderjarige] gezorgd. Zij heeft haar vader zes maal gezien sinds zij het gezinshuis hebben verlaten en haar moeder vijf maal. Het hof maakt uit de stukken op dat ouders zich realiseren dat het voor hun kinderen beter is dat zij in de pleeggezinnen blijven wonen en dat zij willen dat [minderjarige] in het huidige pleeggezin blijft omdat dit voor haar ontwikkeling en hechting beter is.

4.9

De ouders wijzen er echter op dat zij aan hun toekomst werken. Ze zijn sinds maart 2012 bezig hun leven vorm te geven onder begeleiding van hulpverlening. De basis van wonen en financiën zijn met die hulp redelijk op orde. Niet weersproken is dat het hen nog niet zelfstandig lukt om die zaken te regelen. De vader krijgt een behandeling voor traumaverwerking en de moeder wil ook graag in therapie. Hoewel de ouders wat betreft hun leven positieve stappen hebben gemaakt, betekent dat niet dat zij in de toekomst de rol van opvoeders op zich kunnen gaan nemen en zij voldoende opvoedingscapaciteiten hebben om de structuur, duidelijkheid en consequente aanpak te bieden die [minderjarige], gelet op haar (dwingend) gedrag, nodig heeft.

4.10

De ouders hebben tot doel een grotere rol te kunnen spelen in het leven van [minderjarige]. Het hof twijfelt niet aan hun goede bedoelingen, maar deze wens van de ouders wordt niet gestaafd door hun gedrag.

De begeleide omgangsregeling tussen de ouders en [minderjarige] houdt namelijk in dat de ouders viermaal per jaar aansluiten bij een brusjesmiddag op een leuke plek zoals een speeltuin of kinderboerderij en ondanks dat geprobeerd is de druk zo laag mogelijk te houden en aan te sluiten bij de mogelijkheden en wensen van de ouders, is het succes van de regeling wisselend. Bij het bezoek van 16 april 2014 zijn de ouders zonder bericht niet gekomen, nadat de moeder uitdrukkelijk gevraagd is aan te geven of ze komt, haar uitgelegd is dat de kinderen op haar rekenen en zij aan de gezinsvoogd heeft beloofd te zullen komen. Ook is de moeder bij enkele bezoeken vorig jaar en bij het meest recente bezoek niet komen opdagen. Namens de moeder is ter zitting van het hof aangevoerd dat de bezoeken haar enorme stress geven en een negatieve weerslag hebben op haar gezondheid en zij daarom niet is gegaan. De moeder laat aldus weer 'vluchtgedrag' zien bij hoge druk.

Afgesproken was voorts dat de ouders een kaartje voor onder meer de verjaardag zouden sturen, maar dat is [datum] jongstleden niet gelukt.

4.11

Zonder dat de moeder het effect van haar handelen op de kinderen lijkt te beseffen, heeft zij daarmee [minderjarige] teleurgesteld en haar vertrouwen geschaad. Haar (gebrek aan) handelen wijst erop, dat zij niet in staat is om het belang van [minderjarige] voor haar eigen belangen te stellen en haar ouderrol voor te laten gaan. De ouders geven weliswaar aan - anders dan voorheen - mee te willen werken aan onderzoek van de moeder en het gemaakte Plan van Aanpak na te willen komen, maar het lukt hen al niet om de afspraken rondom contacten met hun kinderen na te komen. [minderjarige] heeft betrouwbaarheid en emotionele beschikbaarheid van haar ouder(s) nodig, maar zij hebben niet laten blijken dat zij haar dat kunnen geven.

4.12

Het hof acht op grond van het voorgaande voldoende aannemelijk dat de moeder onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding van [minderjarige] te vervullen. Er is geen zicht op terugplaatsing van [minderjarige] bij haar ouders. Het hof verwacht niet dat de moeder (met hulp van de vader) [minderjarige] thans of binnen afzienbare tijd wel de opvoedingssituatie kan bieden die zij nodig heeft. Het is de ouders in het verleden, zelfs met alle ingezette hulp, niet gelukt dat aan hun kind(eren) te geven, terwijl [minderjarige] niet (of nauwelijks) een affectieve band met hen heeft kunnen opbouwen. Een nader onderzoek acht het hof anders dan de moeder heeft bepleit, gelet op de reeds beschikbare informatie, niet noodzakelijk.

4.13

De moeder heeft nog aangevoerd dat [minderjarige] geen hinder of last ondervindt van de procedures over de verlenging van de maatregelen.

[minderjarige] - die al vragen stelt over haar ouders - heeft evenwel recht op duidelijkheid over haar opvoedingsperspectief en op een ongestoorde hechting in het pleeggezin. Niet bestreden is dat het goed gaat met [minderjarige] in het pleeggezin. Zij heeft recht op zekerheid, continuïteit en stabiliteit. Zij is gebaat bij de rust, structuur en duidelijkheid die haar geboden worden en gebaat bij behoud van de veilige opvoedsituatie die zij nu geniet.

Aan de(ze) belangen van het kind moet gelet op het bepaalde in artikel 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, zwaarwegende betekenis worden gehecht. Als thuisplaatsing niet meer tot de mogelijkheden behoort en niet langer het doel is van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, zoals hier het geval is, blijft bij een jaarlijkse verlenging van de maatregelen de discussie en onzekerheid over de verblijfplaats van [minderjarige] voortduren. Dat is niet in het belang van [minderjarige], ongeacht of zij - zo jong als zij is - er nu al daadwerkelijk last of hinder van ondervindt. Het is in het belang van [minderjarige], dat voor haar en alle betrokkenen, onder wie de pleegouders, duidelijk is dat zij opgevoed en verzorgd blijft worden door haar pleegouders en dat er duidelijkheid is over de rol op afstand die haar moeder (en vader) in haar leven kunnen innemen. Doordat de strijd rondom de maatregel(en) niet meer zal spelen, komt er meer rust en ruimte voor opbouw van het contact tussen [minderjarige] en haar ouders.

4.14

Op grond van het vorenstaande is het naar het oordeel van het hof in het belang van [minderjarige] de stabiliteit en continuïteit in haar opvoedingssituatie te waarborgen met een gedwongen ontheffing van het gezag. Nu de gegronde vrees bestaat dat de maatregel van uithuisplaatsing door de onmacht van de moeder om haar plicht tot verzorging en opvoeding van [minderjarige] te vervullen, onvoldoende is om de ontwikkelingsdreiging voor haar af te wenden, is het hof van oordeel dat de moeder, conform de beschikking van de rechtbank, ontheven moet worden van het gezag over [minderjarige].

5 De slotsom

5.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 27 november 2013;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. J.D.S.L. Bosch en mr. D.J. Buijs, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 31 juli 2014.