Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:6357

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-08-2014
Datum publicatie
13-08-2014
Zaaknummer
200.150.499-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Samenwerking tussen partijen moet gelet op de kenmerken daarvan voorshands worden aangemerkt als een maatschap.

Het pand is bestemd om te worden aangewend voor het bereiken van het doel van de maatschap. De in het pand door partijen gehouden onverdeelde aandelen behoren tot de gebonden gemeenschap van de maatschap.

De gebonden gemeenschap bestaat niet alleen uit de goederen waarvan de eigendom is ingebracht. Ook goederen waarvan slechts het gebruik is ingebracht, kunnen tot de gebonden gemeenschap behoren. Over de goederen die behoren tot de gebonden gemeenschap kunnen partijen op grond van de wettelijke regeling in artikel 7A:1676 lid 1 BW alleen gezamenlijk beschikken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/391
JONDR 2014/1026

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.150.499/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/148012 / KG ZA 14-134)

arrest in spoed kort geding van de eerste kamer van 12 augustus 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats 1],

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. A. van der Wielen, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. S.L. Pipping, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 19 mei 2014 en herstelvonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 6 juni 2014 met daarin opgenomen de grieven (met producties),

- de memorie van antwoord, tevens van grieven in incidenteel hoger beroep (met producties),

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] luidt:

"(…)bij arrest, uitvoer bij voorraad, het vonnis in kort geding van 19 mei 2014 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, (zaaknummer/rolnummer: C/18/148012/KG ZA 14-134) te vernietigen, de vordering van geïntimeerde, eiser in eerste aanleg, af te wijzen met veroordeling van geïntimeerde tot betaling van de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, alsook tot (terug)betaling van hetgeen appellant in het kader van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg aan geïntimeerde heeft voldaan, een en ander te betalen binnen 14 dagen na het wijzen van het arrest, en te vermeerderen met de nakosten na betekening van dit arrest".

2.4

In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] gevorderd:

"(…) voor zover mogelijk uitvoer bij voorraad, het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 19 mei 2014, in kort geding gewezen in de zaak met zaak- en rolnummer C/18/148012/KG ZA 14-134 te vernietigen voor zover het betreft de voorwaarde 'voordat de maatschap van partijen is ontbonden' en de motivering van de dwangsom en de hoogte van de dwangsom, en het vonnis voor het overige te bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in beide instanties".

3 De beoordeling in hoger beroep

De vaststaande feiten

3.1

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 3 (3.1 tot en met 3.4) van genoemd vonnis van 19 mei 2014 is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, zijn als volgt.

3.1.1

[geïntimeerde] en [appellant] (beiden thans ouder dan 70 jaar) zijn sinds 1980 gezamenlijk,

ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de onroerende zaak aan de [adres] te

([postcode]) [woonplaats 2] (verder te noemen: het pand).

3.1.2

[geïntimeerde] en [appellant] exploiteren gezamenlijk het pand door middel van

verhuur aan (i) de heer [huurder 1] (in privé) (hierna: [huurder 1]) en (ii) [huurder 2] (hierna: [huurder 2]). De heer [onderhuurder] (hierna: [onderhuurder]) is op grond van een onderhuurovereenkomst onderhuurder van het pand.

3.1.3

Het beheer en de administratie van het pand wordt door [appellant] gevoerd. De huurpenningen worden op de en/of rekening van [appellant] en [geïntimeerde] overgemaakt.

De kosten van het pand worden van deze en/of rekening betaald.

3.1.4

[huurder 1] was tot 1 april 2014 (door middel van de vennootschap

[B.V. X]) enig aandeelhouder en bestuurder van [huurder 2] De aandelen in en het

bestuur van [huurder 2] heeft [huurder 1] per 1 april 2014 overgedragen aan de besloten

vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B.V. Y] [onderhuurder] is enig aandeelhouder en bestuurder van [B.V. Y]

3.1.5

Tijdens een gesprek op 2 mei 2014 tussen de twee dochters van [geïntimeerde] (die beschikken over een volmacht om [geïntimeerde] te vertegenwoordigen) en [appellant], heeft [appellant] medegedeeld dat hij zijn aandeel in de gemeenschappelijke eigendom van het pand

voor een bedrag van € 1.350.000,- aan [B.V. Y] heeft verkocht en dat hij van plan was om op woensdag 7 mei 2014 zijn aandeel bij akte aan [B.V. Y] te leveren.

De procedure en de beslissing in eerste aanleg

3.2

Stellende dat er sprake is van een vennootschap onder firma, heeft [geïntimeerde] de onderhavige kort-gedingprocedure aanhangig gemaakt bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen en daarbij jegens [appellant] gevorderd, kort gezegd, i) [appellant] te verbieden om zonder toestemming van [geïntimeerde] over zijn onverdeelde aandeel in het pand te beschikken, in het bijzonder om zonder toestemming van [geïntimeerde] het hier bedoelde onverdeelde aandeel aan [B.V. Y] of [onderhuurder] te leveren, en

ii) [appellant] te gebieden alleen met toestemming van [geïntimeerde] over zijn onverdeelde aandeel in het pand te beschikken. Dit alles op straffe van een dwangsom van € 1.350.000,-, althans op een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag.

3.3

[appellant] heeft betwist dat er sprake is van een vennootschap onder firma. Volgens [appellant] was hij op grond van de algemene regel in artikel 3:175 BW bevoegd zijn aandeel in de onverdeelde gemeenschap zonder toestemming van [geïntimeerde] te vervreemden. [appellant] heeft verder aangevoerd dat het gebod neerkomt op een verklaring voor recht waarvoor in kort geding geen plaats is. [appellant] heeft ten slotte ook nog bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de gevorderde dwangsom.

3.4

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen, zij het dat hij het gebod en verbod heeft toegewezen voor de periode tot aan de ontbinding van de maatschap. De voorzieningenrechter heeft de dwangsom gematigd tot een bedrag van
€ 100.000,-. Tegen de toewijzing van de vorderingen is [appellant] onder aanvoering van twee grieven in hoger beroep gekomen. Tegen de voorwaarde die de voorzieningenrechter aan het verbod en gebod heeft verbonden en de hoogte van de dwangsomveroordeling, heeft [geïntimeerde] incidenteel hoger beroep ingesteld.

De omvang van het geschil in het principaal en het incidenteel hoger beroep

3.5

De voorzieningenrechter heeft de samenwerking tussen partijen, gelet op de kenmerken daarvan (met name: het gezamenlijk besluit om het pand te gaan verhuren; de inbreng van ieders aandeel in het pand; de gezamenlijke inspanningen om er voordeel uit te behalen; het delen van het risico op voet van gelijkheid), gekwalificeerd als een maatschap. Tegen dit oordeel is niet (incidenteel) gegriefd. Dit betekent dat ook het hof ervan dient te gaan dat er sprake is van een maatschap. In dit verband merkt het hof nog op dat de bij memorie van antwoord in principaal appel overgelegde producties, waaronder facturen van derden aan Maatschap [appellant]-[geïntimeerde] en een factuur van de maatschap [appellant] & [geïntimeerde] aan [huurder 2], het (voorlopige) oordeel ondersteunen dat partijen met betrekking tot de exploitatie van de onroerende zaak zich jegens elkaar (stilzwijgend) hebben verbonden als vennoten in een maatschapsverband. Uit laatstgenoemde factuur, die door [appellant] is ondertekend, en het overgelegde e-mailbericht van [appellant] aan [Z] Assurantiën blijkt dat [appellant] ook zelf de samenwerking als een maatschap percipieert.

3.6

De voorzieningenrechter heeft vervolgens, samengevat weergegeven, overwogen (onder 5.5 en 5.6 van het bestreden vonnis) dat hetgeen in de jurisprudentie is bepaald aangaande de vennootschap onder firma ook geldt voor de maatschap en geoordeeld dat het gebonden karakter van de tussen partijen bestaande maatschap meebrengt dat het [appellant] niet vrijstaat om zijn aandeel te leveren aan genoemde derde danwel andere derden zonder toestemming van [geïntimeerde]. Tegen dit oordeel is [appellant] onder aanvoering van twee grieven in hoger beroep gekomen.

De grieven in het principaal hoger beroep

3.7

Grief I in het principaal hoger beroep klaagt, samengevat, dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het pand door partijen in de maatschap is ingebracht en het pand deel is gaan uitmaken van de gebonden (goederen)gemeenschap. [appellant] verwijt de voorzieningenrechter dat hij er ten onrechte vanuit is gegaan dat partijen de juridische eigendom van het pand hebben ingebracht. [appellant] stelt dat partijen slechts het gebruik van het pand hebben ingebracht. [appellant] betoogt verder dat de inbreng van het gebruik niet tot gevolg heeft dat de - onderliggende - juridische eigendom ook onderdeel is geworden van het gebonden vermogen. Volgens [appellant] mag hij op grond van de hoofdregel van artikel 6:175 BW zijn aandeel in het pand dan ook gewoon zonder toestemming van [geïntimeerde] vervreemden.

3.8

Het hof kan [appellant] hierin niet volgen. Daartoe is het volgende redengevend. Allereerst geldt dat de grief berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis. De voorzieningenrechter heeft niet geoordeeld dat partijen de juridische eigendom van (hun aandeel in) het pand in de maatschap hebben ingebracht. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld, en naar het oordeel van het hof met juistheid, dat het pand omdat het is bestemd te worden aangewend voor het bereiken van het doel van het samenwerkingsverband,

deel uitmaakt van het gebonden (goederen)gemeenschap van de maatschap. Het hof verenigt zich met dit oordeel en neemt die hierbij over. Het hof voegt daar, mede gelet op hetgeen in de grief is opgemerkt, nog het volgende toe.

3.9

De gebonden gemeenschap van een maatschap wordt gevormd door de door de vennoten ingebrachte goederen. De gebonden gemeenschap bestaat niet alleen, anders dan [appellant] betoogt, uit de goederen waarvan de eigendom is ingebracht. Ook goederen waarvan slechts het gebruik is ingebracht, kunnen tot de gebonden gemeenschap behoren. Tot de gemeenschap van een maatschap behoren immers alle goederen die aan de maatschap ter verwezenlijking van haar doel ter beschikking gesteld, ongeacht of van die goederen de juridische eigendom, de economische eigendom, of alleen het gebruik is ingebracht (vgl. HR 24 januari 1947, ECLI:NL:HR:1947:BG9451 en HR 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3876).

3.10

Partijen hebben het pand aan de maatschap ter beschikking gesteld met het doel dit te verhuren en de inkomsten daarvan, na aftrek van de kosten, gezamenlijk te delen. Het pand is nodig ter verwezenlijking van dit doel. Het pand behoort dan ook tot de gebonden gemeenschap van de maatschap. Over de goederen die behoren tot de gebonden gemeenschap kunnen partijen, tenzij anders is overeengekomen, op grond van de wettelijke regeling in artikel 7A:1676 lid 1 BW alleen gezamenlijk beschikken. Partijen zijn niet anders overeengekomen. Dit betekent derhalve dat [appellant] zolang de maatschap bestaat niet zonder toestemming van [geïntimeerde] over zijn aandeel in het pand kan beschikken.

3.11

De slotsom uit het voorgaande is dat grief I in het principaal appel faalt. Grief II in het principaal appel, volgens welke [appellant] ingevolge de hoofdregel van artikel 3:175 lid 1 BW geen toestemming nodig heeft om over zijn onverdeelde aandeel in het pand te beschikken, behoeft gelet op hetgeen hier in 3.10 is overwogen geen bespreking meer.

Het door [appellant] aangeboden bewijs is niet ter zake dienend, nog daargelaten dat in een spoed kort geding in het algemeen geen plaats is voor uitgebreide bewijslevering.

De grieven in het incidenteel hoger beroep

3.12

Met grief I in het incidenteel hoger beroep komt [geïntimeerde] op tegen de voorwaarde die de voorzieningenrechter aan het verbod en het gebod heeft verbonden. [geïntimeerde] stelt dat het verbod en gebod moeten worden toegewezen tot aan de verdeling van de ontbonden maatschap omdat, kort gezegd, de juridische eigendom van het pand door partijen in de maatschap is ingebracht.

3.13

Het hof kan [geïntimeerde] hierin niet volgen. Het ter beschikking stellen van het pand aan de maatschap heeft in beginsel geen goederenrechtelijke gevolgen. [geïntimeerde] en [appellant] zijn ieder voor de helft eigenaar van het pand (gebleven). Er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat [geïntimeerde] en [appellant] de eigendom van het pand in de maatschap hebben willen inbrengen. Het pand staat niet op de balans van de maatschap. In het kader van dit kort geding, moet het ervoor worden gehouden dat het pand niet juridisch in de maatschap is ingebracht, maar dat partijen slechts het gebruik daarvan aan de maatschap ter beschikking hebben willen stellen. Dit gebruiksrecht eindigt ingevolge het arrest van Hoge Raad van
9 april 2010 (ECLI: NL:HR:2010:BL1127) op het moment van ontbinding van de overeenkomst. Vanaf dat moment kunnen partijen op grond van artikel 6:189 lid 2 BW in samenhang met artikel 6:191 lid 1 BW in beginsel weer vrij beschikken over hun aandeel in het pand.

3.14

Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat het te prematuur is om te speculeren over wat tussen partijen heeft te gelden na ontbinding van de maatschap. Dit vereist ingevolge artikel 6:191 lid 2 BW een nader onderzoek naar de contractuele verhouding van partijen, die mede ingekleurd wordt door de eisen van redelijkheid en billijkheid. Voor een dergelijk onderzoek is in dit spoed kort geding geen plaats. Grief I in het incidenteel appel faalt derhalve.

3.15

Grief II in het incidenteel appel stelt de hoogte van de opgelegde dwangsom aan de orde. [geïntimeerde] meent dat de opgelegde dwangsom van € 100.000,-, gelet op de boete van
€ 4.050,- die [appellant] per dag stelt te verbeuren, voor hem een onvoldoende prikkel is om zich aan het verbod en gebod te houden.

3.16

Het hof overweegt hierover als volgt. Een dwangsomveroordeling is een zijdelings executiemiddel, dat de schuldenaar moet prikkelen om de hoofdveroordeling tijdig en volledig na te komen. Het dwangsombedrag moet hoog genoeg zijn om een preventieve werking te hebben, maar moet nu ook weer niet zo hoog kunnen oplopen dat ieder verband tussen het pressiemiddel en de norm verloren dreigt te gaan. Het hof volgt [geïntimeerde] in zijn betoog dat de dwangsom, gelet op de boete die [appellant] stelt te verbeuren indien hij zijn aandeel niet levert, mogelijk te laag is en zal deze verhogen naar een bedrag van € 500.000,-.

4 Slotsom

De grieven in het principaal hoger beroep falen. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten van [geïntimeerde] in principaal appel worden veroordeeld (1 punt in tarief II). De grieven in het incidenteel hoger beroep slagen gedeeltelijk. Daarin ziet het hof aanleiding om de proceskosten in het incidenteel hoger beroep te compenseren als hierna bepaalt. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd, met uitzondering van de onder 6.3 opgenomen dwangsomveroordeling. Die zal worden vernietigd en opnieuw worden vastgesteld op € 500.000,-.

5 De beslissing in het principaal en het incidenteel hoger beroep

Het hof, rechtdoende in spoed kort geding in hoger beroep:

- bekrachtigt het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats [woonplaats 2] van 19 mei 2014 en het herstelvonnis van die datum, uitgezonderd de daarin onder 6.3 van het dictum opgenomen dwangsom, en doet in zoverre opnieuw recht;

- veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] een dwangsom te betalen van € 500.000,- indien [appellant] niet aan de in het voornoemde vonnis onder 6.1 en 6.2 van het dictum uitgesproken hoofdveroordelingen voldoet;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep in principaal appel, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 984,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 308,- voor verschotten;

- verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de kosten in het incidenteel hoger beroep aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt; en

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. R.E. Weening en mr. I. Tubben, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 12 augustus 2014.