Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:6235

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-08-2014
Datum publicatie
07-08-2014
Zaaknummer
200.139.091-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dwaling c.q. bedrog bij aangaan van de huurkoopovereenkomst ten aanzien van de inventaris en goodwill van een snackbar ? Volgens de rechtbank is de huurkoper bedrogen doordat zijn wederpartij (de verkoper) ten onrechte de suggestie heeft gewekt dat de huurkoopovereenkomst werd gesloten met de werkgever van verkoper, welke laatste met de huurkoper separaat een (onder)huurovereenkomst had gesloten met betrekking tot het pand waarin de snackbar wordt geëxploiteerd.

Het hof wijst het beroep op dwaling en bedrog af, enerzijds omdat de desbetreffende overwegingen van de rechtbank juridisch niet houdbaar zijn en anderzijds omdat er voor het overige te weinig is gesteld of gebleken omtrent dwaling en/of bedrog.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.139.091/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 654656 MC EXPL 13-2787)

arrest van de eerste kamer van 5 augustus 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats 1],

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.W. Both, kantoorhoudend te Dronten, die ook heeft gepleit,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats 2],

hierna: [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats 2],

hierna: [geïntimeerde 2],

3. [geïntimeerde 3],

gevestigd te [plaats],

hierna: [geïntimeerde 3],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. J. Meyer, kantoorhoudend te [plaats], die ook heeft gepleit.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 13 november 2013 van de rechtbank Midden-Nederland, sector kanton, locatie Almere.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 12 december 2013 (met grieven en producties);

- de memorie van eis;

- de memorie van antwoord (met een productie);

- een akte aan de zijde van [appellant], met een productie;

- een akte aan de zijde van [geïntimeerden] met een productie;

- een antwoordakte aan de zijde van [appellant];

- het gehouden pleidooi waarbij door partijen pleitnotities zijn overgelegd;

- een akte houdende overlegging van de complete huurovereenkomst tussen HGB en [geïntimeerden], waarvan eerder (als productie 20 bij conclusie van dupliek in conventie/ repliek in reconventie) alleen de even pagina's waren overgelegd (zie proces-verbaal van het pleidooi).

2.2

Partijen hebben vervolgens arrest gevraagd en het hof heeft een datum voor het wijzen van arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] luidt:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad

in het incident

op grond van art. 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te schorsen de ten uitvoerlegging van het vonnis d.d. 13 november 2013 tussen partijen gewezen door Rechtbank Midden-Nederland afdeling civiel recht kantonrechter te [woonplaats 2] onder nummer 654656 MC EXPL 13-2787,

met een verbod op [geïntimeerden] om de verdere executie te staken en gestaakt te houden na betekening van het in deze te wijzen incidenteel arrest, op straffe van verbeurte van een door [geïntimeerden], na betekening, doorgaan met executie,

ten principale

te vernietigen het genoemde vonnis, zowel in conventie als in reconventie, alsmede, alsnog rechtdoende, [geïntimeerden] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te voldoen des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd een bedrag van € 8.733,10 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover berekend vanaf de dag der dagvaarding alsmede voor zolang als de ten processe bekende huurovereenkomst van kracht is, de huurkooptermijn ad € 1.746,62 per maand, zulks met ingang van maart 2013, te vermeerderen met de wettelijke rente over de huurkooptermijn(en), steeds te berekenen met ingang van de eerste van de maand volgend op die waarop de termijn betrekking heeft, alsmede een bedrag van € 847 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, te berekenen van de datum der dagvaarding in eerste aanleg,

althans [geïntimeerden] te veroordelen om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 90.000 althans een bedrag als door het gerechtshof in goede justitie te beoordelen,

met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten, uit de eerste aanleg en in hoger beroep incl. het incident".

3 De feiten

3.1

[appellant] is per 14 april 1975 in dienst getreden van een rechtsvoorganger van [HGB] (hierna HGB). De arbeidsovereenkomst is bij beschikking van de kantonrechter te [plaats] van 24 januari 2013 ontbonden op grond van een dringende reden (schending van goed werknemerschap bestaande uit gebrek aan integriteit en zelfverrijking).

3.2

HBG leverde en levert horecabenodigdheden aan snackbar "[geïntimeerde 3]" gevestigd te [plaats]. De vorige exploitant van de snackbar, [X], raakte in 2010 in financiële problemen. [appellant] heeft op of omstreeks 21 oktober 2010 contact gehad met [geïntimeerden] en hen aangeboden de snackbar over te nemen tegen een bedrag van € 210.000,--. Daarbij is aangegeven dat de koopprijs was gebaseerd op een schuldenoverzicht d.d. 21 oktober 2010, dat ook aan [geïntimeerden] is getoond.

3.3

De specificatie van het schuldenoverzicht 21 oktober 2010 luidt als volgt:

Huurachterstand betaald aan deurwaarder € 3.250,--

Borgstelling huur aan AMEV (3 maanden) € 7.500,--

Belastingdienst kan nog veranderen € 25.000,--

Lening [B] 1 € 32.040,--

Lening [B] 2 € 39.302,--

Lening [H] Groep € 58.970,--

Betalingsachterstand [B] € 12.358,--

Betalingsachterstand [H] Groep € 26.233,--

Totaalbedrag € 204.653,--

Kosten begeleiding € 5.347,--

Koopprijs € 210.000,--

Inbreng eigen geld € 30.000,--

Te financieren (koop uitsluitend op basis huurkoop!) € 180.000,--

3.4

Op 19 oktober 2010 heeft [X] het gehuurde ontruimd. Na verzoek van [appellant] biedt op 19 oktober 2010 Achmea (middels haar deurwaarder), verhuurder van de [adres] te [plaats], waarin de snackbar “[geïntimeerde 3]” is gevestigd, aan [appellant] de mogelijkheid om het huurgenot van het pand te verkrijgen tegen betaling van een bedrag van € 3.250,--. Dit bedrag is gelijk aan de helft van de vordering van Achmea op de voormalige huurder [X].

Op 22 oktober 2010 verzoekt WPM Winkelcentrummanagement (beheerder namens Achmea) aan HBG t.a.v. de heer [Y] om nadere informatie over de voortzetting van de bedrijfsvoering in verband met overzetting van de huurrechten. Op 25 oktober 2010 bevestigt WPM Winkelcentrummanagement aan [Y] dat de vigerende huurovereenkomst inzake de [adres] te [plaats] per 1 november 2010 door HBG wordt overgenomen met inachtneming van de eerdere afspraak van 19 oktober 2010 met de deurwaarder. De huurovereenkomst met Achmea wordt getekend op 21 februari 2011 en HBG wordt daarbij vertegenwoordigd door haar directeur [Z].

3.5

Op 26 oktober 2010 is [X], handelend onder de naam “[geïntimeerde 3]” exploitant van de snackbar “[geïntimeerde 3]” aan de [adres] te [plaats] in staat van faillissement verklaard. Het faillissement is op 2 november 2010 gepubliceerd.

3.6

Op 27 oktober 2010 zend [Y], directeur van de vestiging Kampen van HBG een mail aan [A] en [B] met als onderwerp “Patatje [plaats]”:

..........[geïntimeerde 3] in [plaats] is naar de Fillistijnen…De administratieve begeleiding van de [H] Groep heeft in onze beleving ernstig gefaald. We zijn vanuit Kampen met man en macht bezig om onze schade te beperken. Het huurcontract hebben we inmiddels definitief op onze naam. Morgen is de veiling van de inventaris, ook daar hebben we een bod op liggen. Dat bod is door [appellant] in privé gedaan, op advies van mr. Cammingha. Het bod is door [appellant] gedaan in overleg met [C] van de Belastingdienst te [plaats], maar kan op de veiling nog verder oplopen. De verwachting is dat dat niet gebeurt, maar je weet het nooit. De fiscus werkt met ons mee tijdens de veiling. Als we als [B] Horeca de inventaris kopen zal de curator ons betichten van paulianeus handelen. Dan moet alles worden terug gedraaid en zijn we aan de ratten overgeleverd. Onze vordering bedraagt aan openstaande posten ongeveer 5000,--. Aan geldlening zit er nominaal nu nog 26.666,-- in. Voor de overname van het contract betaalden we 3.250,--. Er zal een huurborg van drie maanden ad 6.555,-- moeten worden betaald. Die beide bedragen moet de nieuwe huurder ´[D]” straks betalen. Daarnaast laten we hem tekenen voor een lening van € 30.000,-- waarmee de huidige lening en openstaande posten van de failliete vorige eigenaar worden afbetaald. [D] heeft zelf eigen geld waarmee hij de inventaris kan betalen. Hij zit zelf ook op de openbare veiling, dus weet wat het spulletje kost. Als het allemaal goed gaat springen we er hopelijk helemaal uit en houden we het verkooppunt in [plaats]. Er zit een omzet in van bijna € 100.000,--!! Een probleem blijft de [H] Groep. Die grijpt waarschijnlijk overal naast…………”

3.7

[A] [B] antwoord op 27 oktober 2010 als volgt:

“Ik las in de Stentor dat het inderdaad een drukke zaak was, altijd bezoekers, dus ook omzet en dat men (o.a. de buren) het onbegrijpelijk vond dat die zaak zo plotseling dicht ging. Ik meen te weten dat [D] een goede exploitant is en dit klant van ons. Als het lukt prima gedaan.”

3.8

[appellant] heeft begin november 2010 op eigen naam voor een bedrag van € 22.500,-- van de curator in het faillissement van [X] "alle in het bedrijfspand van snackbar [geïntimeerde 3], gelegen aan de [adres] te [plaats] aanwezige roerende zaken alsmede de immateriële activa verband houdende met de door gefailleerde gedreven onderneming (waaronder goodwill)"gekocht

3.9

Op 29 oktober 2010 heeft [geïntimeerden] een voorlopige overeenkomst van huurkoop gesloten voor de exploitatie en inventaris van Snackbar “[geïntimeerde 3]” gevestigd te [plaats]. De overeenkomst is afgedrukt op papier van HBG en getekend door [Y] (directeur) namens HBG. De koopsom is vastgesteld op € 210.000,-- overeenkomstig een verstrekte specificatie van 21 oktober 2010. De aanbetaling van € 30.000,-- dient te worden gestort op rekening van [appellant]. De laatste bepaling van deze “voorlopige huurkoopovereenkomst” luidt: “Binnenkort zullen wij u de officiële stukken van huurkoop en geldlening ter tekening aanbieden. Eerst na ondertekening van deze stukken zal de transactie officieel bekrachtigd zijn.”

3.10

Op of omstreeks 2 november 2010 is tussen de curator in het faillissement van [X] en [appellant] een koopovereenkomst gesloten ter zake de aanwezige roerende zaken voor € 20.000,-- alsmede de immateriële activa verband houdend met de door de gefailleerde gedreven onderneming (waaronder goodwill) voor € 2.500,--. De overeenkomst is een bevestiging van de met de curator reeds eerder op hoofdlijnen bereikte overeenstemming op 29 oktober 2010.

3.11

Op 15 november 2010 is tussen HBG (vertegenwoordigd door [Y]) en [geïntimeerden] met betrekking tot de bedrijfsruimte gelegen te [plaats] aan de [adres] een huurovereenkomst gesloten met ingang van 1 november 2010. De overeenkomst is aangegaan voor 5 jaren met (behoudens tijdige opzegging) een voortzetting van 5 jaren en (behoudens tijdige opzegging) aansluitende voortzetting van telkens 5 jaren. Onder artikel 6 van de huurovereenkomst wordt aangegeven dat het gehuurde daadwerkelijk en door huurders zelf uitsluitend dient te worden gebruikt als bedrijfsruimte in de zin van de Huurwet.

3.12

Tussen [appellant] en de v.o.f. [geïntimeerde 3], vertegenwoordigd door haar vennoten [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2], is in aansluiting op de voorlopige huurkoopovereenkomst op het kantoor van HBG een definitieve huurkoopovereenkomst gesloten op 1 december 2010 betreffende de goodwill en inventaris van cafetaria [geïntimeerde 3], gevestigd te [plaats] tegen een bedrag van € 210.000,--. Op de koopprijs is in mindering gebracht de reeds door [geïntimeerden] gedane aanbetaling van € 30.000,--. Onder het kopje "in aanmerking nemende" staat in de aanhef van de overeenkomst onder meer het volgende;

  • -

    dat verkoper beschikt over de eigendomsrechten van de inventaris en goodwill van het horecabedrijf snackbar cafetaria gevestigd en gelegen op het adres [adres] te 8031 HK [plaats],

  • -

    dat de huur van het betreffende pand in handen is van [HGB] b.v. te Kampen, hierna verder te noemen [B],

  • -

    dat verkoper het bedrijf aan huurkoper wil verkopen en leveren op basis van huurkoop,

  • -

    (…)

In de overeenkomst wordt er melding van gemaakt dat aan [geïntimeerden] een geldlening van

€ 30.000,-- is verstrekt door HBG, welke geldlening in mindering strekt op de koopprijs. [geïntimeerden] verplicht zich uitsluitend producten te verkopen die rechtstreeks worden betrokken van HBG. De restant koopsom van € 150.000,-- zal in 120 maandelijkse termijnen worden voldaan van € 1.746,62 aan "verkoper". Nadat de laatste huurkooptermijn is voldaan verplicht [appellant] zich de eigendom van de zaak over te dragen aan [geïntimeerden] tegen betaling van € 100,-- en zal "verkoper meewerken aan de overdracht van het huurcontract op naam van huurkoper."

3.13

[geïntimeerden] hebben tot en met 1 september 2011 een bedrag aan termijnen voldaan aan [appellant] van € 34.832,54. Daarnaast hebben [geïntimeerden] maandelijks huurpenningen (aanvankelijk € 2.314,97 per maand) en aflossing op de lening van € 30.000,-- (ongeveer € 350,-- per maand) betaald aan HBG.

3.14

Bij brief van 30 november 2012 stelt [appellant] [geïntimeerden] in gebreke wegens het niet nakomen van de verplichtingen voorvloeiende uit de huurkoopovereenkomst.

3.15

Bij brief van 20 december 2012 delen [geïntimeerden] mede dat gebleken zou zijn dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld en zonder medeweten van HBG de huurkoopovereenkomst is aangegaan:

“Omdat de heer [appellant] deze overeenkomst is aangegaan in zijn hoedanigheid als vertegenwoordiger en werknemer van [B] horecagroothandel, heeft de heer [B] de eigenaar en directeur van het bedrijf waar de heer [appellant] heeft gewerkt, ons opgedragen om geen aflossingen meer te betalen totdat deze zaak volledig is uitgezocht.”

3.16

Bij brief van 14 januari 2013 van de raadsman van [geïntimeerden] wordt een beroep op dwaling en partiële vernietiging van de huurkoopovereenkomst gedaan.

3.17

In een voorlopig getuigenverhoor, gehouden op verzoek van de [H] Groep Accountants & Belastingadviseurs tegen HGB zijn door [geïntimeerden] onder ede verklaringen afgelegd, welke door [geïntimeerden] zelf, bij conclusie van antwoord in eerste aanleg, zijn overgelegd. In dat kader heeft C. [geïntimeerde 2] (echtgenote van [geïntimeerde 1] en mede-geïntimeerde in dit appel) onder meer het volgende verklaard:

"In november 2010 zijn wij eigenaar geworden van [geïntimeerde 3]. Op dat moment werkten mijn man en ik bij een tankstation van Shell maar voordien hebben wij ook eigen ondernemingen (horeca) gehad. Wij waren als enige tijd op zoek naar een bedrijf om over te nemen. We hadden gekeken bij een zaak in Harderwijk. Wij hadden goed contact met [appellant] en hij liet ons weten dat hij misschien iets in [plaats] had. [appellant] had met mijn man gesproken over die zaak maar op dat moment zat de oude eigenaar er nog in. [appellant] suggereerde dat de zaak failliet zou gaan dan wel vrij zou komen. Toen de zaak in [plaats] failliet was gegaan ben ik samen met mijn man en [appellant] wezen kijken. Op de ramen van het pand waren papieren geplakt. Ik weet niet meer zeker wat er op die papieren stond maar volgens mij dat er een veiling zou komen. [appellant] gaf ook aan dat het niet zeker was dat wij de zaak konden kopen, dat zou van de veiling afhangen."

4 Het geschil in eerste aanleg

4.1

[appellant] vordert in conventie samengevat - veroordeling van [gedaagden_naam][geïntimeerden] tot betaling van € 8.733,10, alsmede veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling van de huurkooptermijnen van € 1.746,62 per maand zolang de huurkoopovereenkomst van kracht is vanaf maart 2013 en veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 847,--vermeerderd met rente en kosten.

4.2

[appellant] stelt daartoe dat tussen partijen op 1 december 2010 een huurkoopovereenkomst is gesloten waarbij snackbar “[geïntimeerde 3]” te [plaats] is verkocht aan [geïntimeerden]. [geïntimeerden] hebben ook uitvoering gegeven aan de verplichtingen voortvloeiend uit die huurkoopovereenkomst door de termijnen tot en met september 2012 te voldoen. [geïntimeerden] zijn in verzuim.

4.3

[geïntimeerden] voeren verweer.

4.4

[geïntimeerden] vorderen in reconventie samengevat - veroordeling van [appellant] tot betaling van € 34.832,54, vermeerderd met rente en kosten en te verklaren voor recht dat de huurkoopovereenkomst is ontbonden, althans dat deze is vernietigd, althans gedeeltelijk vernietigd, althans de huurkoopovereenkomst te ontbinden, te vernietigen of gedeeltelijk te vernietigen.

4.5

[geïntimeerden] stellen daartoe dat zij hebben gedwaald over:

a. a) het feit dat zij “[geïntimeerde 3]” niet overnamen als going concern, maar dat “[geïntimeerde 3]” failliet was

b) over de validiteit van de koopprijs en de onderbouwing daarvan

c) en over de identiteit van de verkopende partij.

Subsidiair zou sprake zijn van bedrog. Daarnaast zou [appellant] niet in het bezit zijn van de huurrechten op het moment van het aangaan van de huurkoopovereenkomst, zodat hij niet in staat is de huurkoopovereenkomst na te komen.

4.6

[appellant] voert verweer.

4.7

De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep de vorderingen van [appellant] afgewezen en de vorderingen in reconventie grotendeels toegewezen. [appellant] is zowel in conventie als in reconventie veroordeeld in de kosten van de procedure.

5 De vordering in hoger beroep en de grieven

5.1

[appellant] heeft zijn vordering in hoger beroep in die zin vermeerderd dat hij primair vordert hetgeen hij in eerste aanleg in conventie heeft gevorderd en daarnaast (althans) veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 90.000,-- althans een in goede justitie door het hof vast te stellen bedrag.

5.2

[geïntimeerden] hebben tegen die vermeerdering van eis geen bezwaar gemaakt en het hof heeft daartegen ook ambtshalve geen bezwaren, zodat op de gewijzigde eis recht zal worden gedaan.

5.3

[appellant] heeft 11 grieven ontwikkeld tegen het vonnis waarvan beroep. De grieven leggen het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het hof tekent daarbij nog aan dat het zelfstandig de feiten heeft vastgesteld, zodat in zoverre verder aan grief 1 voorbij kan worden gegaan.

5.4

[appellant] heeft in zijn appeldagvaarding/memorie van grieven een incidentele vordering gedaan tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het beroepen vonnis ex artikel 351 Rv. [appellant] heeft geen arrest in het incident gevraagd, zodat het hof er vanuit gaat dat hij geen belang meer heeft bij een aparte uitspraak in het incident, klaarblijkelijk omdat zijn incidentele vordering door de feiten (executoriaal beslag op de woning van [appellant]) is ingehaald.

6 De beoordeling in hoger beroep

6.1

De kantonrechter heeft het verweer van [geïntimeerden] dat zij door [appellant] zijn bedrogen, gehonoreerd. [appellant] heeft in zijn visie opzettelijk de suggestie bij [geïntimeerden] gewekt dat hij bij het sluiten van de huurkoopovereenkomst op 1 december 2010 HBG vertegenwoordigde en HBG verbond.

6.2

De kantonrechter heeft daarnaast overwogen dat de overeengekomen (huurkoop)prijs is gebaseerd op de schuldenlast van de vorige exploitant van de snackbar ([X]), maar dat, nu [X] inmiddels failliet was, een volledig andere situatie was ontstaan, ter zake waarvan [appellant] ten opzichte van [geïntimeerden] een mededelingsplicht had. Dat [geïntimeerden] uit andere bron van het faillissement en de daaruit vloeiende consequenties wisten, doet daaraan volgens de kantonrechter niet af.

6.3

De kantonrechter heeft tenslotte overwogen dat de bepaling in de overeenkomst van 1 december 2010 waarbij [appellant] zich verbindt bij het einde van de huurkoopovereenkomst mee te werken aan de overdracht van het huurcontract op naam van [geïntimeerden], niet anders kan worden uitgelegd dan dat [appellant] de verplichting op zich heeft genomen de huurrechten over te dragen. [appellant] kon die verplichting volgens de kantonrechter niet nakomen omdat niet hij, maar HGB de huurrechten had verworven.

6.4

Op grond van de hiervoor weergegeven overwegingen, in onderling verband en samenhang bezien, heeft de kantonrechter geoordeeld dat [geïntimeerden] zich terecht op bedrog hebben beroepen, nu [appellant] opzettelijk een onjuiste voorstelling van essentiële eigenschappen of omstandigheden heeft gegeven en opzettelijk heeft gezwegen waar hij had moeten spreken

6.5

Het hof stelt voorop dat de stelling van [appellant], dat [geïntimeerden] gelet op de jaaromzetten (van gemiddeld ongeveer 450.000,-- euro) die in de snackbar worden gehaald en gegeven het feit dat de overeenkomst tien jaren (vijf + vijf) is aangegaan, voor de huurkoop van de snackbar een marktconforme prijs hebben betaald, niet is betwist zodat deze vaststaat. Weliswaar is bij dwaling/bedrog niet vereist dat de dwalende/bedrogene door het aangaan van de overeenkomst is benadeeld (HR 19 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9559), maar benadeling kan wel van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een overeenkomst die tot stand gekomen is onder invloed van dwaling c.q. bedrog omdat de dwalende/bedrogene deze overeenkomst niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden zou zijn aangegaan als hij een juiste voorstelling van zaken zouden hebben gehad

6.6

Het hof stelt verder vast dat HBG weliswaar de huurrechten van de snackbar had verworven, maar dat zulks bepaald niet impliceerde dat zij, zonder instemming van de eigenaar, na ommekomst van de huurtermijn van tien jaren de haar toekomende huurrechten zou hebben kunnen overdragen aan [geïntimeerden] In de huurovereenkomst is overigens ook niets bepaald omtrent een verplichting tot medewerking van verhuurder aan de overdracht van het huurcontract op naam van huurder na ommekomst van een bepaalde termijn.

Hetgeen de kantonrechter ter zake heeft overwogen (zie hiervoor onder 5.3) gaat voorbij aan het bepaalde in de artikelen 7: 293 e.v. BW (de opzeggingsmogelijkheden van de eigenaar) en het bepaalde in artikel 7: 307 BW (indeplaatsstelling). De betreffende verplichting was derhalve niet meer dan een inspanningsverplichting, zodat niet valt in te zien waarom [appellant], die immers met instemming althans medeweten van HBG (zijn werkgever) de overeenkomst van 1 december 2010 heeft gesloten, die verplichting niet op zich heeft kunnen nemen en door dat wel te doen [geïntimeerden] op het verkeerde been heeft gezet. Het hof verwijst in dat verband naar de vaststaande feiten onder 3.6 en 3.7.

6.7

[geïntimeerde 1] betwist weliswaar dat hij op 29 oktober 2010 op de hoogte was van het (inmiddels uitgesproken) faillissement van [X], doch die betwisting moet, gelet op de gedetailleerde getuigenverklaring die C. [geïntimeerde 2] op dat punt heeft afgelegd ter gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor in de zaak tussen [B] en [H] Accountants (zie hiervoor onder 3.17), welke verklaring de lezing van [appellant] ter zake volledig ondersteund, als ongeloofwaardig worden gepasseerd. Daar komt overigens nog bij dat in de overeenkomst van 29 oktober 2010 uitdrukkelijk het volgende is bepaald:

“Binnenkort zullen wij u de officiële stukken van huurkoop en geldlening ter tekening aanbieden. Eerst na ondertekening van deze stukken zal de transactie officieel bekrachtigd zijn.” (zie de vaststaande feiten onder 2.8). Tekening van die stukken heeft eerst op 1 december 2010 plaatsgevonden. Ook op dat moment hebben [geïntimeerden], die tijdens het onderhandelingstraject met [appellant] aanvankelijk werden bijgestaan door administratiekantoor [I] (productie 7 bij de conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie) en later door hun accountant [accountant], geen protest laten horen ten aanzien van de (huurkoop)prijs. In laatstgemelde overeenkomst komt de verwijzing naar de schuldenspecificatie van [X] overigens ook niet meer voor.

6.8

Ervan uitgaande dat [geïntimeerden] tijdig op de hoogte waren van het faillissement van [X], nota bene de vorige exploitant van de snackbar waarover [geïntimeerden] met [appellant] in onderhandeling waren, valt niet in te zien dat [appellant] ter zake het verwijt kan worden gemaakt dat hij een mededelingsplicht heeft geschonden.

6.9

Het hof stelt tenslotte vast dat er, op grond van het bepaalde in de overeenkomst van 1 december 2010, in redelijkheid geen onduidelijkheid heeft kunnen ontstaan omtrent de vraag met wie [geïntimeerden] het contract aanging. Dat die onduidelijkheid ook feitelijk niet heeft bestaan, blijkt overduidelijk uit het feit dat [geïntimeerden] tot 11 september 2011 aan hun verplichtingen uit die overeenkomst, zowel ten opzichte van [appellant], als ten opzichte van HGB hebben voldaan en daarnaast separaat maandelijks de huur aan [B]/HGB hebben voldaan, zulks op basis van de afzonderlijk aangegane (onder)huurovereenkomst. Dat in de overeenkomst van 1 december 2010 ook verplichtingen ten opzichte van HGB zijn opgenomen, levert op zich geen enkele aanwijzing op dat er sprake was van vertegenwoordiging van HGB door [appellant], gegeven het feit dat [appellant] voor HGB werkte en HGB de verhuurder was.

Met name de in de considerans van de overeenkomst opgenomen bepaling dat [appellant] beschikt over de eigendomsrechten van de inventaris en de goodwill (hetwelk overigens feitelijk ook het geval was) en het gegeven dat er naast de huurkoopovereenkomst van 1 december 2010 een aparte huurovereenkomst tussen HGB en [geïntimeerden] is gesloten ten aanzien van het pand waarin de snackbar werd geëxploiteerd, maakt glashelder duidelijk hoe de verhoudingen lagen.

6.10

De overwegingen die ten grondslag liggen aan het oordeel van de kantonrechter dat er sprake is geweest van bedrog, kunnen dat oordeel derhalve niet dragen. In zoverre slagen de daartegen gerichte grieven.

6.11

Mede gelet op de devolutieve werking van het appel moet vervolgens worden bezien of er overigens sprake is van verweren aan de zijde van [geïntimeerde 1] waarop de vordering in conventie van [appellant] af moet stuiten.

6.12

Het verweer van [geïntimeerden] houdt – kort gezegd – in dat de huurovereenkomst waarop [appellant] zijn vordering in conventie baseert, is tot stand gekomen onder invloed van dwaling c.q. bedrog en dat zij deze overeenkomst niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden zouden zijn aangegaan als zij een juiste voorstelling van zaken zouden hebben gehad. De bewijslast van deze, door [appellant] gemotiveerd betwiste stelling, rust, krachtens de hoofdregel van bewijsrecht (artikel 150 Rv), op [geïntimeerden] Het hof stelt vast dat [geïntimeerden] buiten de hiervoor besproken argumenten onvoldoende hebben gesteld om die stelling te onderbouwen, laat staan dat zij ter zake in hoger beroep een voldoende onderbouwd bewijsaanbod hebben gedaan. Een en ander brengt mede dat de grieven van [appellant] doel treffen en dat de vordering van [appellant] alsnog voor toewijzing gereed ligt.

6.13

Keerzijde van hetgeen hiervoor is overwogen en beslist, is dat de vorderingen van [geïntimeerde 1] in reconventie ongegrond zijn en alsnog dienen te worden afgewezen.

7 Slotsom

7.1

De grieven treffen doel. Het vonnis van 13 november 2013, waarvan beroep, zal worden vernietigd en het hof zal, opnieuw rechtdoende de vordering van [appellant] in conventie alsnog toewijzen en de vorderingen van [geïntimeerden] in reconventie alsnog afwijzen. Daarbij tekent het hof aan dat ten aanzien van de gevorderde incassokosten geen apart verweer is gevoerd. [geïntimeerden] zullen worden veroordeeld in de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep (salaris advocaat in hoger beroep: 3 punten, tarief II).

De beslissing

Het gerechtshof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis d.d. 13 november 2013, waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende

in conventie:

veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk, des dat de één betalend, de anderen zullen zijn bevrijd, aan [appellant] te voldoen een bedrag groot € 8.733,10, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2013;

veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk, des dat de één betalend, de anderen zullen zijn bevrijd, voor zolang de hiervoor bedoelde huurkoopovereenkomst van kracht is, de maandelijkse huurkooptermijn ad € 1.746,62 per maand aan [appellant] te voldoen, zulks met ingang van maart 2013, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente over die huurkooptermijnen, steeds te berekenen met ingang van de eerste van de maand volgend op die waarop de termijn betrekking heeft;

veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk, des dat de één betalend, de anderen zullen zijn bevrijd, tot betaling aan [appellant] van een bedrag groot € 847,-- aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2013;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van deze procedure in conventie in eerste aanleg en begroot deze op € 391,82 aan verschotten en op € 500,-- voor salaris gemachtigde;

in reconventie:

wijst de vorderingen van [geïntimeerden] af;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van deze procedure in reconventie in eerste aanleg en begroot deze op nihil aan verschotten en op € 250,-- voor salaris gemachtigde;

en voorts met betrekking tot de kosten in hoger beroep:

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van deze procedure in hoger beroep, tot op heden begroot op € 391,82 aan verschotten en op € 2.682,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. K.E. Mollema, mr. R.E. Weening en mr. W.Th. Braams en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 5 augustus 2014.