Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:6225

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-08-2014
Datum publicatie
07-08-2014
Zaaknummer
200.088.422-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

“Overeenkomst van juridische dienstverlening. Vraag wie opdrachtgever is.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.088.422/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 101334/ HA ZA 09-1167)

arrest van de eerste kamer van 5 augustus 2014

in de zaak van

[B.V. X],

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [B.V. X],

advocaat: mr. H.L. Thiescheffer, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr.ing M.R.P. Ossentjuk, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 16 maart 2011 van de rechtbank Leeuwarden.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 30 mei 2011,

- de memorie van grieven (met een productie),

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens heeft [B.V. X] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [B.V. X] luidt:

"bij arrest uitvoerbaar bij voorraad om het vonnis van 16 maart 2011 als gewezen door de rechtbank Leeuwarden sector Civiel tussen appellante als eiseres en geïntimeerde als gedaagde te vernietigen, een en ander zo nodig onder verbeteringen en aanvulling van de gronden en geïntimeerde te veroordelen om aan appellante te betalen een bedrag van
€ 9.937,53 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 9.937,53 vanaf 25 november 2009 tot de dag der voldoening alsmede geïntimeerde te veroordelen in de proceskosten in beide instanties".

3 De beoordeling van het geschil


Vaststaande feiten

3.1

Tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in rechtsoverweging 2
(2.1 tot en met 2.4) zijn geen grieven gericht en ook anderszins is niet van bezwaren gebleken. Het hof zal dan ook uitgaan van de door de rechtbank vastgestelde feiten, die
- aangevuld met enkele andere feiten - op het volgende neerkomen.

3.1.1

De vennootschap onder firma [de vof] exploiteert onder meer een incassobureau onder de naam Bureau [Q] (hierna: [Q]).

3.1.2

[geïntimeerde] is (middellijk) bestuurder en aandeelhouder van de besloten vennootschappen [B.V. Y] en [B.V. Z]

3.1.3

[Q] heeft (incasso)werkzaamheden verricht voor de vennootschappen van [geïntimeerde].

3.1.4

[B.V. Z] is in januari 2006 gefailleerd.

3.1.5

Vanaf 2005 heeft [geïntimeerde] diverse procedures gevoerd tegen de heren [A] en [B], die stellen dat zij bij [geïntimeerde] en de heer [C] (hierna: [C]) in dienst zijn geweest. In enkele van die procedures zijn [geïntimeerde] en [C] bijgestaan door de advocaat mr. [advocaat] te Groningen (hierna: [advocaat]).

3.1.6

[advocaat] is in de loop der tijd diverse malen als advocaat van [geïntimeerde] en diens vennootschappen opgetreden. Hij heeft daartoe opdracht gekregen van [de vof], maar had ook rechtstreeks contact met [geïntimeerde].

3.1.7

[de vof] heeft [geïntimeerde] bij factuur van 28 februari 2008 een bedrag van € 10.710,00 inclusief BTW in rekening gebracht. De factuur vermeldt als omschrijving:

“Salaris gemachtigde 209011 [A]/[B]”. De factuur vermeldt het klantnummer 2090. Dit klantnummer werd door [de vof] / [Q] ook vermeld op facturen voor [B.V. Y] en [B.V. Z]

3.1.8

In een e-mailbericht van 6 juni 2008 aan [Q] heeft [geïntimeerde] onder meer het volgende meegedeeld:

“Factuur 1
Zoals al aangegeven zijn er een groot aantal betalingen inzake [A]/wit rechtsstreeks aan [advocaat] (hof: bedoeld is [advocaat]) voldaan (reeds € 9.500,-) ik stel voor dat wanneer het geld arriveert is, wij dit gezamenlijk uitzoeken.

Factuur 2
De opdrachtgever van deze vordering was [B.V. Z] en niet [geïntimeerde] Holding evenals uw overzicht openstaande facturen, nimmer was [geïntimeerde] privé of [geïntimeerde] holding uw opdrachtgever. Sterker nog [B.V. Z] was de enige die bij u ingeschreven stond.”

3.1.9

Bij akte van cessie d.d. 9 november 2009 heeft [de vof] haar vordering op [geïntimeerde] overgedragen aan [B.V. X]. Van deze cessie is bij brief van 12 november 2009 mededeling gedaan aan [geïntimeerde].



Procedure in eerste aanleg

3.2

[B.V. X] heeft [geïntimeerde] gedagvaard. Zij heeft, na vermindering van eis, betaling gevorderd van een bedrag van € 9.937,53 met rente en kosten. Deze vordering is gebaseerd op de in rechtsoverweging 3.1.7 omschreven factuur van 28 februari 2008. Op het factuurbedrag heeft [B.V. X] een bedrag van € 772,47 in mindering gebracht, welk bedrag [geïntimeerde] al zou hebben betaald aan [advocaat]. Aanvankelijk vorderde [B.V. X] ook betaling van enkele facturen op naam van [B.V. Y] en van [B.V. Z]

3.3

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd tegen de vordering. Hij heeft onder meer aangevoerd dat tussen hem en [de vof] geen overeenkomst tot stand is gekomen betreffende de kwesties [A] en [B]. Volgens [geïntimeerde] heeft hij voor de door [advocaat] in die kwestie verrichte werkzaamheden al een bedrag van € 9.500,- aan [advocaat] betaald.

3.4

De rechtbank heeft het verweer van [geïntimeerde] gehonoreerd en de vordering van [B.V. X] afgewezen. Volgens de rechtbank heeft [B.V. X] haar vordering onvoldoende onderbouwd.


Bespreking van de grieven

3.5

Het hof stelt voorop dat de rechtbank niet uitdrukkelijk is ingegaan op het verweer van [geïntimeerde] dat tussen hem en [de vof] (ten aanzien van de kwestie [B] en [A]) geen overeenkomst tot stand is gekomen. In zoverre berusten de grieven 1 en 2 op een onjuiste lezing van het vonnis van de rechtbank. De rechtbank heeft het verweer van
[geïntimeerde] dat het in de factuur in rekening gebrachte bedrag onvoldoende is onderbouwd, omdat onduidelijk is hoeveel tijd aan de zaak is besteed en door wie en omdat [geïntimeerde] al betalingen heeft verricht aan [advocaat], wel besproken en gehonoreerd. De grieven 3 tot en met 5 richten zich tegen (verschillende aspecten) van dit oordeel.

3.6

Wat er ook zij van de onjuiste lezing van het vonnis, de grieven leggen het geschil tussen partijen in volle omvang aan het hof voor. Het hof zal het geschil dan ook volledig bespreken en daarbij, gelet op de devolutieve werking van het appel, ook ingaan op de door [geïntimeerde] in eerste aanleg gevoerde, maar niet door de rechtbank besproken, verweren van [geïntimeerde], voor zover deze verweren in appel niet uitdrukkelijk zijn prijsgegeven. Het zal het meest vergaande verweer van [geïntimeerde] - dat er geen sprake is geweest van een overeenkomst tussen hem en [de vof] – eerst behandelen. Indien dat verweer slaagt, komt het hof niet meer toe aan het andere verweer, dat de factuur van [de vof] onvoldoende is onderbouwd.

3.7

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd betwist dat hij [de vof] / [Q] opdracht heeft gegeven om voor hem werkzaamheden te verrichten in de kwestie [B] en [A]. Volgens [geïntimeerde] heeft hij toen het geschil met [B] en [A] ontstond wel eerst contact gezocht met de heer [D] van [Q], met wie hij over allerlei juridische geschillen betreffende zijn vennootschappen contact had, maar heeft [D] hem geadviseerd rechtstreeks contact op te nemen met [advocaat], hetgeen hij ook heeft gedaan. [de vof] / [Q] is dus niet zijn opdrachtnemer, aldus [geïntimeerde].

3.8

Stelplicht en bewijslast ten aanzien van het bestaan van een overeenkomst tussen [de vof] / [Q] en [geïntimeerde] rusten op [B.V. X]. [B.V. X] dient dus te stellen dat zij, en niet
[advocaat], een overeenkomst met [geïntimeerde] is aangegaan betreffende de kwestie
[B] en [A] en dat zij dus de opdrachtnemer is. [B.V. X] lijkt zich er, gelet op de toelichting op de grieven 1 en 2, niet van bewust dat daar een groot probleem ligt. Zij concentreert zich op de vraag of zij betreffende de kwestie [B] en [A] een overeenkomst is aangegaan met [geïntimeerde] of met [B.V. Z], dus op de vraag wie de opdrachtgever is in deze kwestie. Die vraag is echter niet opgeworpen door [geïntimeerde].

3.9

Naar het oordeel van het hof heeft [B.V. X] onvoldoende onderbouwd dat [de vof] / [Q] een overeenkomst is aangegaan met [geïntimeerde] betreffende de kwestie
[B] en [A]. Daartoe is het volgende redengevend:
- Allereerst ontbreekt een schriftelijke opdrachtbevestiging. [B.V. X] heeft ook geen correspondentie in het geding gebracht waaruit kan worden afgeleid dat [de vof] / [Q] schriftelijk contact hebben gehad over het geschil tussen [geïntimeerde] en [B] en [A].
- Vervolgens heeft [B.V. X] niet duidelijk gemaakt wat de inhoud van de beweerdelijk aan haar verstrekte opdracht zou zijn. Tussen partijen staat niet ter discussie dat niet [de vof] / [Q], maar [advocaat] in de procedures tussen [geïntimeerde] en [B] en [A] als gemachtigde is opgetreden. Evenmin staat ter discussie dat [advocaat] rechtstreeks contact had met [geïntimeerde]. Het “eigenlijke werk” is dan ook door [advocaat] gedaan. In appel heeft [B.V. X] een urenspecificatie overgelegd, maar deze specificatie betreft de werkzaamheden van [advocaat], niet de werkzaamheden van medewerkers van [de vof] / [Q]. Wat [de vof] / [Q] zelf zou moeten doen op basis van de overeenkomst met [geïntimeerde] is met de urenspecificatie niet verduidelijkt;
- Voorts heeft [B.V. X] tegenstrijdige informatie verstrekt over de positie van [advocaat] in relatie tot de overeenkomst tussen [de vof] / [Q] en [geïntimeerde]. Bij gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg heeft haar bestuurder, de heer
[E] (hierna: [E]), verklaard dat [de vof] / [Q] [advocaat] heeft ingeschakeld. De declaratie van [advocaat] bedroeg volgens [E] ongeveer de helft van het bij
[geïntimeerde] in rekening gebrachte bedrag en is door [de vof] / [Q] betaald. [de vof] / [Q] heeft [geïntimeerde] in de betwiste declaratie voor 50 uren à € 180,- belast. Indien [advocaat], zoals [E] heeft verklaard, de helft van deze uren heeft gewerkt, zouden medewerkers van [de vof] / [Q] 25 uren aan de zaak hebben besteed. In hoger beroep heeft [B.V. X] echter betoogd dat [advocaat] “feitelijk het grootste deel van de werkzaamheden heeft uitgevoerd”. De urenspecificatie van [advocaat] sluit op ruim 64 uren, derhalve mee dan de in rekening gebrachte 50 uren. Dat medewerkers van [de vof] / [Q] daarnaast zelf nog werkzaamheden hebben verricht (zelfs evenveel als
[advocaat]), is in het licht van deze declaratie en de urenspecificatie van [advocaat] onwaarschijnlijk.
[E] heeft ook verklaard dat [advocaat] aan [de vof] / [Q] declareerde voor zijn werkzaamheden ten behoeve van [geïntimeerde] en dat de declaratie van [advocaat] door [de vof] / [Q] is betaald. In appel stelt [B.V. X] echter dat met [advocaat] de afspraak is gemaakt dat hij pas kan factureren aan [B.V. X] (bedoeld zal zijn: aan [de vof] / [Q]) wanneer [de vof] / [Q] betaling van haar opdrachtgever heeft ontvangen. Een declaratie van [advocaat] aan [de vof] / [Q] is er dan ook niet.
Nu de positie van [advocaat], door de tegenstrijdige informatie van [B.V. X] op dit punt, onduidelijk is, kan er ook niet van worden uitgegaan dat [advocaat] door [de vof] / [Q] als hulppersoon is ingeschakeld bij de uitvoering van de overeenkomst tussen [de vof] / [Q] en [geïntimeerde]. Het hof laat nog daar of een dergelijke constructie wel te verenigen is met de positie van [advocaat] als advocaat;
- Hiermee samenhangend: tussen partijen staat niet ter discussie dat [geïntimeerde] ten aanzien van de kwestie [B] en [A] bedragen heeft betaald aan [advocaat]. [B.V. X] heeft niet toegelicht hoe dit gegeven zich verhoudt tot haar stelling dat niet [advocaat], maar [de vof] / [Q] opdrachtnemer van [geïntimeerde] was;
- Ten slotte heeft [B.V. X] er geen verklaring voor gegeven dat zij eerst in 2008, enkele jaren nadat het geschil tussen [geïntimeerde] en [B] en [A] was ontstaan, een declaratie heeft verstuurd betreffende dit geschil.

3.10

De slotsom is dat [B.V. X] haar stelling dat betreffende de kwestie [B] en [A] een overeenkomst van opdracht is tot stand gekomen tussen [geïntimeerde] als opdrachtgever en [de vof] / [Q] als opdrachtnemer onvoldoende heeft onderbouwd. Nu [B.V. X] in haar stelplicht is tekortgeschoten, is bewijslevering op dit punt niet aan de orde. Het hof laat dan nog daar dat het bewijsaanbod van [B.V. X] betrekking lijkt te hebben op de, niet relevante, vraag wie opdrachtgever is ([geïntimeerde] of zijn vennootschappen). Het verweer van [geïntimeerde] dat hij geen overeenkomst is aangegaan met [de vof] / [Q] (maar met [advocaat]) slaagt dan ook. Het andere verweer van [geïntimeerde], dat de factuur onvoldoende is onderbouwd, kan bij deze uitkomst onbesproken blijven.

3.11

De grieven falen aldus, of vanwege een onjuiste lezing van het vonnis of bij gebrek aan belang.

3.12

Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen. [B.V. X] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden verwezen in de kosten van het appel (geliquideerd salaris van de advocaat: 1 punt, tarief II).

4 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [B.V. X] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, op € 284,- aan verschotten en op
€ 894,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. H. de Hek en mr. R.E. Weening en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag
5 augustus 2014.