Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:620

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-01-2014
Datum publicatie
30-01-2014
Zaaknummer
200.004.708
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALM:2007:BC6889, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen inzage in concept schadetaxatierapport van wederpartij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.004.708

(zaaknummer rechtbank Almelo 84435)

arrest van de derde kamer van 28 januari 2014

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
verzoeker in het incident,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. L.A.M. van der Geld,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Hengelo,

zetelende te Hengelo,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

verweerster in het incident,

hierna: de gemeente,

advocaat: mr. J.M.W. Werker.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 21 mei 2013 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Ingevolge het vermelde tussenarrest heeft op 28 augustus 2013 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.


1.2 Op 28 augustus 2013 heeft de gemeente een akte uitlating en indiening producties ten behoeve van comparitie genomen. Op gelijke datum heeft [appellant] een akte uitlating tevens indienen producties ten behoeve van de comparitie van partijen genomen. Beide akten zijn voorafgaand aan de comparitie aan de wederpartij en het hof toegezonden.

1.3

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op het griffiedossier.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

In het incident

2.1

Bij gelegenheid van de pleidooien die op 1 maart 2013 zijn gehouden heeft [appellant] een incidenteel verzoek ex artikel 843a Rv gedaan om de gemeente te bevelen het schaderapport van Gloudemans over de periode van januari 1993 tot 1 november 2010 over te leggen binnen 24 uur na betekening van het arrest, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per (gedeelte van een) dag dat de gemeente daarmee in gebreke is (pleitnota mr. Van der Geld sub 30). Dit verzoek ziet, zo begrijpt het hof, op een conceptversie van het uiteindelijk door Gloudemans uitgebrachte rapport. De gemeente heeft het bestaan van dit concept rapport bij die gelegenheid erkend.

2.2

Nu desgevraagd bleek dat dit verzoek van [appellant] niet vóór de pleidooizitting kenbaar is gemaakt aan de gemeente en de raadsman van de gemeente zich daardoor overvallen voelde, heeft het hof in het tussenarrest bepaald dat de gemeente in de gelegenheid wordt gesteld zich over dit verzoek nader uit te laten. Dit heeft de gemeente gedaan bij de onder 1.2 bedoelde akte (sub 37-47) en bij gelegenheid van de hiervoor bedoelde comparitie. Zij heeft zich verzet tegen toewijzing van dit verzoek.

2.3

Bij gelegenheid van de comparitie zijn regie afspraken gemaakt. Gelet op het verzoek van [appellant] aan het hof om vóórdat verder inhoudelijk zal worden geoordeeld, te beslissen op diens verzoek als bedoeld in artikel 843a Rv, heeft de raadsheer-commisaris bepaald dat eerst zal worden beslist in dit incident (pagina 7 van het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 28 augustus 2013).

2.4

Ten aanzien van de vraag of de vordering tot overlegging van, of inzage in, bescheiden voor toewijzing in aanmerking komt, stelt het hof voorop dat artikel 843a Rv niet voorziet in een onbeperkt recht op inzage van bescheiden jegens degene die deze te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, maar dat deze bepaling het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden afhankelijk stelt van een aantal cumulatieve vereisten. Op grond van het eerste lid van artikel 843a Rv moet de eiser een rechtmatig belang hebben bij de inzage, het afschrift of het uittreksel en moet hij inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn.

2.5

Het hof stelt voorts voorop dat het in beginsel een partij, in dit geval de gemeente, vrij staat om zich ten behoeve van de bepaling van haar eigen positie, zowel in als buiten rechte, te laten adviseren door (externe) deskundigen. De conceptrapportage van de gemeentelijk deskundige Gloudemans, in de persoon van de heer [X], als schade-expert is als een zodanig (extern) advies te beschouwen.

2.6

Voor een geslaagd beroep op art. 843a Rv is, zoals uit het voorgaande volgt, in de eerste plaats vereist dat [appellant] een rechtmatig belang heeft bij zijn vordering. Het hof overweegt in dat verband dat [appellant] exhibitie vraagt van stukken om vast te kunnen stellen wat de taxateur van de gemeente voorafgaand aan de civielrechtelijke procedure tussen partijen aan schade heeft begroot uit hoofde van een of meer beweerdelijk door de gemeente jegens [appellant] gepleegde onrechtmatige daden. Uitgaande van een in beginsel ruime exhibitieplicht is het rechtmatig belang van [appellant] daarmee in beginsel gegeven. Aangezien tussen partijen voorts niet in geschil is dat de gevraagde bescheiden voldoende bepaald zijn, concludeert het hof dat in beginsel een exhibitieplicht aanwezig is ten aanzien van het gevraagde stuk.

2.7

Een beperking van de exhibitieplicht is evenwel gelegen in het bepaalde in art. 843a, lid 4, Rv waarin is opgenomen dat indien daarvoor gewichtige redenen zijn, degene die de bescheiden tot zijn beschikking heeft toch niet gehouden is aan de exhibitieplicht te voldoen. Bij de beoordeling van de vraag of er gewichtige redenen aanwezig zijn, gaat het (onder meer) om de vraag of het zwaarwegende belang van waarheidsvinding moet wijken voor het belang van vertrouwelijkheid. Tegen die achtergrond overweegt het hof het volgende.

2.8

Het ten aanzien van onderhavige stukken door de Gemeente gedane beroep op vertrouwelijkheid berust op de algemeen aanvaarde opvatting dat een partij niet mag worden belemmerd in zijn mogelijkheden om in vrijheid en zonder mogelijke inmenging van anderen zijn gedachten te vormen met het oog op een standpuntbepaling. Die opvatting heeft ook zijn weerslag gevonden in de Wet Openbaarheid van Bestuur (Wob) waaruit volgt dat de overheid geen persoonlijke beleidsopvattingen behoeft kenbaar te maken uit stukken be-stemd voor intern beraad. Bovendien heeft iedere partij een eigen recht om haar verdediging in vrijheid en beslotenheid voor te bereiden. In de motieven van de gemeente voor haar beroep op de aanwezigheid van voormelde gewichtige reden, vindt de voor de gemeente in beginsel bestaande exhibitieplicht dan ook naar het oordeel van het hof zijn begrenzing.

2.9

Nu de gemeente heeft aangevoerd dat zij dit rapport heeft doen opmaken ten behoeve van pogingen tot schikking is dit bestemd voor intern beraad. Voorts heeft de gemeente, anders dan ten aanzien van de definitieve rapportage, op dit conceptrapport in rechte geen beroep gedaan. Tegen de achtergrond dat de gemeente, onvoldoende bestreden door [appellant], heeft aangevoerd dat het bepaalde in de Wob, in het bijzonder de artikelen 10 lid 2 sub g en 11, gelet op de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, in de weg staat aan de verplichting tot openbaarmaking van een conceptrapport als het onderhavige, ziet het hof geen aanleiding om openbaarmaking daarvan te gelasten.
In zoverre is sprake van gewichtige redenen die zich verzetten tegen openbaarmaking.

2.10

Daarbij komt dat het belang van [appellant] bij inzage in belangrijke mate is komen te ontvallen. Artikel 843a lid 4 Rv bepaalt dat de gedaagde niet gehouden is om aan de vordering te voldoen als zulks niet nodig is voor een behoorlijke rechtsbedeling. In dat kader kan de rechter de belangen van partijen afwegen. Indien het bewijs van de desbetreffende feiten ook redelijkerwijze langs een andere weg kan worden verkregen, is er geen goede grond voor een exhibitieplicht.

2.11

Het hof stelt daarbij voorop dat op last van het hof de gemeente het (definitieve) rapport van Gloudemans, dat zag op schade in de periode 2001-2003, inmiddels in het geding heeft gebracht. Het in dit incident gevraagde conceptrapport heeft betrekking op schade in de periode 1993-2010, terwijl het hof in het tussenarrest - gewezen ná het verzoek van [appellant] ex artikel 843a Rv - heeft geoordeeld dat de schade vergoedbaar is over de periode 1995-2003. Daargelaten dat de periode van het concept rapport van Gloudemans dus slechts deels op de te vergoeden periode ziet, is het belang bij kennisname daarvan inmiddels slechts zeer betrekkelijk nu het hof na het indienen van de incidentele vordering heeft geoordeeld dat beide in de procedure reeds overgelegde rapporten, ook het definitieve rapport van Gloudemans, niet goed bruikbaar zijn voor de schadevaststelling en het hof dan ook (zo nodig) een eigen deskundige opdracht zal geven om de schade te doen vaststellen. Hieromtrent zijn bij gelegenheid van de comparitie van partijen regie afspraken gemaakt.
Nu aldus op andere wijze tot een schadevaststelling zal kunnen worden gekomen, ontvalt ook om die reden in belangrijke mate het belang aan de verzochte inzage van het concept rapport van Gloudemans/[X]. Welk belang daarbij aan de zijde van [appellant] zou resteren, is door hem niet nader toegelicht.

2.12

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen.

2.13

[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

3 Slotsom

In het incident:


3.1 Het verzoek van [appellant] ex artikel 843a Rv zal worden afgewezen. [appellant] zal bij het eindarrest als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident, aan de zijde van de gemeente begroot op 1 punt van het liquidatietarief.

In de hoofdzaak:


3.2 De hoofdzaak zal, overeenkomstig de bij gelegenheid van de comparitie van partijen op 28 augustus 2013 gemaakte afspraken, verwezen worden naar de rol voor het nemen van een akte door [appellant] houdende uitlating inzake de (preliminaire) verweren van de gemeente met betrekking tot de causaliteit, inclusief het ammoniakreductieplan (pagina 6 van het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 28 augustus 2013). De gemeente zal daarop bij antwoordakte mogen reageren. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.


4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

In het incident:

wijst af het verzoek van [appellant] als bedoeld in artikel 843a Rv, gedaan bij gelegenheid van het pleidooi op 1 maart 2013;

In de hoofdzaak:


verwijst de zaak naar de roldatum van 25 februari 2014 voor akte aan de zijde van [appellant] als bedoeld onder 3.2;

verstaat dat de gemeente daarop bij antwoordakte zal mogen reageren;

In het incident en in de hoofdzaak:


houdt iedere verdere beslissing aan.


Dit arrest is gewezen door mrs. M.F.J.N. van Osch, A.A. van Rossum en L.F. Wiggers-Rust en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2014.