Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:611

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-01-2014
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
200.126.728-01 28-1-2014
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pleegvader belast met voogdij. In hoger beroep gelast hof een onderzoek naar de opvoedingssituatie van de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 28 januari 2014

Zaaknummer 200.126.728

HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

Stichting Bureau Jeugdzorg Groningen,

kantoorhoudende te Groningen,

appellant,

hierna ook te noemen: BJZ,

advocaat mr. P.J. Montanus, kantoorhoudende te 's Gravenhage,

tegen

1.

[geïntimeerde 1] ,

hierna te noemen: [geïntimeerde 1],

2.

[geïntimeerde 2] ,

hierna te noemen: [geïntimeerde 2],

beide wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat mr. C.M. Lattmann-van der Heijde, kantoorhoudende te Amsterdam.

Belanghebbende:

[belanghebbende],

verblijvende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A. El Aqde, kantoorhoudende te Amsterdam.

Het geding in eerste aanleg

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 5 februari 2013 (zaaknummer C/18/137321/FA RK 12-2398) heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, - voor zover hier van belang - BJZ ontslagen van de voogdij over de minderjarige [minderjarige], geboren [in 2004], en [geïntimeerde 1] met de voogdij over [minderjarige] belast.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie op 6 mei 2013, heeft BJZ verzocht om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van 5 februari 2013 te vernietigen en opnieuw beslissende een onderzoek te gelasten naar [geïntimeerden] door orthopedagogische praktijk [orthopedagogische praktijk].

Bij verweerschrift, binnengekomen bij de griffie op 24 juni 2013, hebben [geïntimeerden] het verzoek bestreden en verzocht om het verzoek van BJZ af te wijzen met veroordeling van BJZ in de kosten van het geding.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van:

- een brief van 6 augustus 2013, binnengekomen op 8 augustus 2013, van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad);

- een journaalbericht, met bijlagen, binnengekomen op 17 oktober 2013, een journaalbericht, met bijlagen, binnengekomen op 14 oktober 2013, een journaalbericht, met bijlagen, binnengekomen op 4 oktober 2013, en een journaalbericht, met bijlagen, binnengekomen op 2 augustus 2013, alle vier van

mr. Montanus;

- een journaalbericht van mr. Lattmann-van der Heijde, met bijlagen, binnengekomen op 14 oktober 2013.

Het hof heeft tevens - met instemming van partijen - kennisgenomen van een journaalbericht van mr. El Aqde, met bijlagen, binnengekomen op

24 oktober 2013 te 11:12 uur.

Ter zitting van 24 oktober 2013 is de zaak behandeld. Verschenen zijn

G. van Luijtelaar en J.A. Nieman, beide namens BJZ, met hun advocaat, [geïntimeerden] met hun advocaat, en de vader.

Mr. El Aqde is - met kennisgeving - niet verschenen.

Mr. Montanus heeft pleitaantekeningen overgelegd.

De beoordeling

1.

[minderjarige] is geboren uit de relatie tussen [de moeder] (hierna ook wel: de moeder) en de vader. [minderjarige] is door de vader erkend. De vader is gedetineerd.

De moeder van [minderjarige] is [in 2009]overleden. De moeder oefende het eenhoofdig gezag uit over [minderjarige] (en ook over [minderjarige]'s broertje [X], geboren [in 2005]).

2.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 mei 2009 is Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland (hierna: BJZ Zuid-Holland) belast met de voogdij over [minderjarige] en [X].

3.

[minderjarige] en [X] zijn op 13 augustus 2009 in het gezin van [geïntimeerden] geplaatst. [minderjarige] verblijft daar tot op heden. Op 14 maart 2012 is [X] overgeplaatst naar een ander perspectiefbiedend pleeggezin.

4.

Bij beschikking van de rechtbank Groningen van 6 juli 2010 is BJZ Zuid-Holland ontslagen van de voogdij en is BJZ (Groningen) in zijn plaats met de voogdij belast.

5.

Bij verzoekschrift van 7 november 2012 hebben [geïntimeerden] verzocht om BJZ te ontslaan van de voogdij over [minderjarige] en [geïntimeerde 1] tot voogd te benoemen.

6.

Bij de bestreden beschikking is voormeld verzoek toegewezen. BJZ is hiertegen in hoger beroep gekomen.

De voogdij over [minderjarige]

7.

Bij de beoordeling van het onderhavige geschil dient het belang van [minderjarige] voorop te staan. Voorafgaand aan het verzoek van [geïntimeerden] berustte de voogdij over [minderjarige] bij BJZ. Aldus was BJZ de eerstverantwoordelijke om het belang van [minderjarige] te waarborgen. Aldus behoort het ook tot de verantwoordelijkheid van BJZ om te beoordelen of de wens van [geïntimeerden] om de voogdij over te dragen aan [geïntimeerde 1] in het belang is van [minderjarige].

8.

Van belang voor het hof is daarbij het volgende. Na plaatsing van [minderjarige] en [X] in het pleeggezin [geïntimeerden] bleek al snel dat de verhoudingen tussen het pleeggezin en BJZ en de pleegzorgorganisatie Elker moeizaam waren. Het pleeggezin heeft BJZ en pleegzorgorganisatie onvoldoende toegelaten als begeleiders van de pleegzorgplaatsing, terwijl dit gelet op de achtergrond van de kinderen wel van groot belang was. Immers, de kinderen zagen zich geconfronteerd met een ingewikkelde familiegeschiedenis waarbij hun vader hun moeder van het leven heeft beroofd en daarvoor gedetineerd is geraakt. Dat een dergelijke situatie, met name ook gelet op de relatie met de vader, een buitengewone is, hoeft geen betoog. Het onvoldoende accepteren van hulp van het pleeggezin door de daarvoor aangewezen organisaties, zoals blijkt uit het dossier, acht het hof gelet op het voorgaande een destijds zorgelijke ontwikkeling.

9.

Voor het hof is eveneens van belang de positie van [X] in het pleeggezin [geïntimeerden]. [X] werd, in tegenstelling tot [minderjarige], als moeizaam ervaren; [geïntimeerde 2] was de overtuiging toegedaan dat [X] autistisch en zwakbegaafd was en aan PDD-NOS leed, terwijl daarvoor onvoldoende objectiveerbaar onderzoeksmateriaal voor aanwezig was. Gelet op de grote zorgen rondom [X] in het pleeggezin [geïntimeerden], is [X] in februari 2012 ter observatie in een ander pleeggezin geplaatst, het latere perspectiefbiedende pleeggezin. Gedurende deze observatieplaatsing heeft [X] zeer zorgelijke signalen afgegeven over het pleeggezin [geïntimeerden]. Anders dan de rechtbank in de bestreden beschikking heeft geoordeeld, is het hof van oordeel dat het de verantwoordelijkheid en de taak is van een jeugdbeschermingsinstelling als BJZ om hierin deze signalen serieus te nemen en actie te ondernemen. Dat het pleegezin als erg gesloten werd ervaren heeft een rol gespeeld in de daarop volgende stappen van BJZ.

10.

Het hof is van oordeel dat BJZ genoegzaam heeft onderbouwd dat het belang van [minderjarige] vergt dat - voordat tot overdracht van de voogdij aan [geïntimeerde 1] kan worden overgegaan - eerst het door BJZ verlangde onderzoek naar de opvoedingssituatie van [minderjarige] bij [geïntimeerden] dient plaats te vinden. Er bestaan zorgen over de draagkracht van [geïntimeerden] en er zijn ernstige problemen in de samenwerking tussen [geïntimeerden] enerzijds en BJZ en pleegzorg anderzijds. [geïntimeerden] hebben naar het oordeel van het hof tot op heden (te) weinig openheid geboden in hun persoonlijke situatie en de opvoedingssituatie van [minderjarige]. Zij hebben weliswaar verklaard bereid te zijn tot medewerking aan het door BJZ noodzakelijk geachte onderzoek, maar verbinden daar tegelijkertijd hun eigen voorwaarden aan voor wat betreft uitvoering en conclusies. [geïntimeerden] miskennen daarmee dat BJZ destijds als voogd de eindverantwoordelijkheid heeft gedragen voor het welzijn van [minderjarige] en dat het belang van [minderjarige] voorop staat.

11.

Het hof acht zich in het onderhavig geval onvoldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen over de voogdij. Het hof is van oordeel dat een onderzoek dient plaats te vinden naar de opvoedingssituatie van [minderjarige] bij [geïntimeerden].

Het hof zal het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna: het NIFP) thans verzoeken te bemiddelen bij de benoeming van een deskundige, verbonden aan die organisatie, en verzoeken om onderzoek te laten verrichten en in dat kader advies uit te brengen over de volgende vragen:

I. Hoe is de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] verlopen?

II. Hoe is de gehechtheidsontwikkeling verlopen?

III. Hoe beleeft [minderjarige] de huidige pleeggezinplaatsing, de scheiding van haar broer, de bezoekregeling?

IV. Waaraan moet de opvoedingssituatie van [minderjarige] voldoen gelet op haar individuele behoefte?

V. Wat zijn de pedagogische en affectieve vaardigheden en beperkingen van [geïntimeerden]?

VI. Zijn [geïntimeerden] gelet op hun pedagogische vaardigheden in staat om in de thuissituatie te beantwoorden aan de opvoedingssituatie die [minderjarige] nodig heeft? Zo ja, welke hulp is daarbij noodzakelijk voor [minderjarige] en/of [geïntimeerden] en is deze in de thuissituatie te realiseren?

IV. Zijn er (contra-)indicaties voor verzorging en opvoeding van [minderjarige] bij [geïntimeerden]? Zo ja, welke?

V. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van [minderjarige] en/of bij eventueel te nemen beslissingen?

12.

Het hof zal het NIFP vragen om binnen een termijn van veertien dagen na de beschikking een deskundige voor te stellen en eventuele nadere of andere vragen te formuleren, indien dit in de ogen van het NIFP dan wel de voorgestelde deskundige (meer) aangewezen is voor het onderzoek dat het hof voor ogen staat. Indien voor toewijzen van het onderzoek meer of andere informatie nodig is dan uit deze beschikking blijkt, kan het NIFP het hof schriftelijk om nadere gegevens (uit het dossier) vragen alvorens een deskundige voor te stellen en nadere of andere vragen te formuleren.

13.

Het bericht van het NIFP zal door het hof worden doorgezonden aan partijen en belanghebbenden. Partijen en belanghebbenden kunnen daarop binnen veertien dagen laten weten of de door het hof voorgestelde vragen in hun visie nog aanvulling behoeven, wat hun zienswijze is ten aanzien van de eventuele aanvulling van het NIFP op dat punt en of bezwaar bestaat tegen de benoeming van de deskundige die door het NIFP wordt voorgedragen. Indien het NIFP eerst nadere informatie nodig heeft, kunnen partijen kenbaar maken of en welke bezwaren bestaan tegen de verstrekking van aanvullende gegevens die het NIFP nodig heeft.

14.

Het hof laat aan de deskundige de inrichting van het onderzoek over met dien verstande dat hij/zij de 'leidraad deskundige in civiele zaken' in acht dient te nemen, zoals gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

15.

Het hof benoemt mr. Idsardi tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich door tussenkomst van de griffie dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken, indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft.

16.

Het aan de deskundige toekomende bedrag wordt bij de te geven eindbeschikking overeenkomstig de daarvoor en krachtens de wet gestelde regelingen ten laste van 's Rijks kas door de griffier aan de deskundige betaald. Het hof tekent hierbij aan dat het NIFP de kosten van het onderzoek vooraf dient te begroten en het hof daarvan een bevestiging dient te sturen, alvorens het onderzoek te starten.

17.

Het hof wijst partijen en belanghebbenden er op dat zij wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door een deskundige. Wanneer de medewerking wordt geweigerd, kan het hof daaruit de gevolgtrekking maken die het hof geraden acht en zal het hof op basis van de huidige stukken een beslissing over het verzoek nemen.

18.

Het hof zal in afwachting van het deskundigenonderzoek iedere verdere beslissing aanhouden.

De beslissing

Het gerechtshof:

verzoekt het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, Locatie Noord, in de persoon van [A], kinder- en jeugdpsychiater en portefeuillehouder jeugd,

Postbus 110, 9700 AC Groningen,

bezoekadres: Hereweg 74

Telefoon: 088 0710 420

Fax: 088 0710 449

om te bemiddelen bij de benoeming van een deskundige voor het verrichten van een onderzoek ter beantwoording van de hiervoor onder 11 vermelde vragen;

verzoekt het NIFP het hof te berichten als bedoeld in rechtsoverweging 12 en, indien een deskundige wordt voorgesteld, een begroting van de kosten te verstrekken als bedoeld in rechtsoverweging 16, en wel uiterlijk op 11 februari 2014;

stelt partijen en belanghebbenden in de gelegenheid om te reageren op hiervoor bedoelde informatie van het NIFP zoals als bedoeld in rechtsoverweging 13, en wel uiterlijk op 25 februari 2014;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H. Garos, mr. J.G. Idsardi en

mr. G.K. Schipmölder, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 28 januari 2014 in bijzijn van de griffier.