Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:6080

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
200.136.112-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil over vorderingen uit overeenkomst tot verkoop van aandelen en uit geldlening. Uitleg overeenkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.136.112/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/139107/HA ZA 13-45)

arrest van de eerste kamer van 29 juli 2014

in de zaak van

[appellante],

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. M.D. Kalmijn, kantoorhoudend te Leeuwarden,

voor wie gepleit heeft mr. F. Gietema-van der Heide, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. H. de Boer, kantoorhoudend te Leeuwarden, die ook heeft gepleit.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 24 april en 11 september 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 7 oktober 2013,
- het exploot tot aanbrenging bij vervroeging d.d. 15 oktober 2013,

- de memorie van grieven (met één productie),

- het gehouden pleidooi waarbij pleitnotities zijn overgelegd.

2.2

Na afloop van het pleidooi heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellante] luidt:

"te vernietigen het vonnis zoals op 11 september 2013 door de Rechtbank Noord-Nederland, afdeling Privaatrecht, Locatie Groningen gewezen en opnieuw rechtdoende zo nodig onder aanvulling of (het hof leest:) verbetering van de gronden de vorderingen van [geïntimeerde] in conventie alsnog af te wijzen en de vorderingen van [appellante] in reconventie alsnog toe te wijzen dan wel appellante in staat te stellen waar nog nodig bewijs te leveren van haar stellingen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van de procedure in eerste aanleg (zowel in conventie als in reconventie) en in appel.”

3 De beoordeling


Vaststaande feiten

3.1

Het hof ziet reden de feiten zelfstandig vast te stellen. Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben gesteld, staan de volgende feiten vast.

3.1.1

Op 26 februari 2004 is een “overeenkomst van verkoop en koop van aandelen” gesloten tussen [X] (hierna: [X]), vertegenwoordigd door haar bestuurder de heer [bestuurder X] (hierna: [bestuurder X]), [geïntimeerde], vertegenwoordigd door haar bestuurder de heer [bestuurder van geïntimeerde] (hierna: [bestuurder van geïntimeerde]) en [appellante] (toen nog in oprichting), vertegenwoordigd door haar bestuurder de heer [bestuurder van appellante] (Hierna: [bestuurder van appellante]).

3.1.2

In de, schriftelijk vastgelegde, overeenkomst is bepaald dat [X] en [geïntimeerde], die elk 50% van de aandelen in [appellante] Beheer B.V. (hierna: Beheer) houden, hun aandelen zullen verkopen aan [appellante] tegen een verkoopprijs van in totaal € 6.000.000,- (€ 3.000.000,- voor elk van de verkopers). Beide kopers verplichten zich om bij de levering van de aandelen elk 12,5% van de aandelen van [appellante] te verwerven tegen een bedrag van € 750.000,- en om elk een achtergestelde lening van € 500.000,- aan [appellante] te verstrekken.

In de overeenkomst is, in artikel 2 lid 4, het volgende bepaald:

“Jaarlijks op het moment dat de geconsolideerde jaarcijfers [appellante] beschikbaar zijn, heeft [bestuurder van appellante] het recht om de aandelen van [appellante] welke in bezit zijn van VERKOPER 1 (hof: [X]) en VERKOPER 2 (hof: [geïntimeerde]) te verwerven voor een bedrag van EUR 1.500.000,- (…), te vermeerderen met de niet uitgekeerde winstrechten. Indien de verhouding tussen het eigenvermogen en het balanstotaal (solvabiliteit) [appellante] groter is dan 30% heeft
[bestuurder van appellante] de plicht de aandelen van [appellante]te verwerven voor bovengenoemd bedrag, danwel hebben VERKOPER 1 en VERKOPER 2 het recht de aandelen aan derden aan te bieden.”
In de overeenkomst is voorts bepaald dat [bestuurder X] en [bestuurder van geïntimeerde] zullen terugtreden als bestuurder van Beheer, dat de arbeidsovereenkomst tussen [bestuurder X] en dochtervennootschap [appellante] B.V. zonder vergoeding zal worden ontbonden en dat [bestuurder van geïntimeerde] voor een periode van vijf jaar (als technisch directeur) verbonden zal blijven aan [appellante] B.V.

3.1.3

Op 26 februari 2004 hebben [X], [geïntimeerde] en [appellante] tevens een “sideletter” ondertekend, waarin het volgende is bepaald:

“1. VERKOPER 1 en VERKOPER 2 hebben recht op het geconsolideerde netto resultaat over het boekjaar 2003 van [appellante] Beheer B.V. op basis van het jaarverslag 2003 van PriceWaterhouse Coopers (…).
2.Het netto resultaat is maximaal EUR 600.000,- (…).
3. Uitbetaling van dit bedrag door KOPER zal geschieden in overleg en zal niet in strijd zijn met hetgeen in het koopcontract is overeengekomen.”

3.1.4

Het aan [geïntimeerde] op grond van de sideletter toekomende winstaandeel is vastgesteld op
€ 227.355,-.

3.1.5

Begin 2009 is het dienstverband tussen [bestuurder van geïntimeerde] en [appellante] B.V. beëindigd. In een e-mail van 3 februari 2009 van [bestuurder van geïntimeerde] aan [bestuurder van appellante] heeft [bestuurder van geïntimeerde] [bestuurder van appellante] bedankt voor het hem aangeboden afscheidsfeest d.d. 30 januari 2009 en heeft hij aangegeven, zoals besproken, bereid te zijn tegen een uurtarief werkzaamheden te verrichten voor [appellante]. Verder heeft hij geschreven:

“Naast boven genoemde verdere samenwerking, hebben wij gesproken over een maandelijkse betaling van [appellante] naar [geïntimeerde], omdat ik reeds leningen afgesloten heb, en op dit moment nog geen betalingsregeling met mijn pensioenregeling heb afgesproken, die normaliter pas op 62-jarige leeftijd begint uit te betalen. Deze maandelijkse betalingen kunnen dan in mindering worden gebracht op de betalingen, die hopelijk dit jaar plaats vinden, zodra de gescoorde projecten bij [appellante] afbetalingen naar [bestuurder X] en mij mogelijk maken. Onderling hebben wij gesproken over een bedrag van Euro 7.000,= per maand, omdat dit overeen komt met het steeds, voorheen uitbetaalde salaris. Deze maandelijkse betaling naar [geïntimeerde], kan onder vermelding van “aflossing schuld [appellante]-[geïntimeerde]” worden uitgevoerd, waarna ik dit bedrag naar privé overboek, om mijn maandelijkse uitgaven te kunnen doen, zonder dat ik wederom naar de bank hoef, om verdere leningen af te sluiten.”

3.1.6

Op 11 maart 2009 is een overeenkomst van geldlening gesloten tussen [geïntimeerde] en [appellante] waarbij [geïntimeerde] aan [appellante] “voor de tijd, tot dat wanneer de betaling van
€ 1.500.000,= is ontvangen van de Russische opdrachtgever (…) voor de reeds gereed staande GRP productielijn, of bij de eerste betaling van deze productielijn aan een andere opdrachtgever of er zal worden afgelost wanneer er voldoende geldmiddelen ontvangen zijn, van de debiteuren van [appellante](…)” een bedrag van € 180.000,- heeft uitgeleend. In de overeenkomst van geldlening is vastgelegd dat [appellante] een rentevergoeding van 6,5% per jaar verschuldigd is en bevoegd is te allen tijde aflossingen (in ronde bedragen) te doen.

3.1.7

Op 8 december 2009 is, onder nagenoeg dezelfde voorwaarden, een overeenkomst tot geldlening betreffende een bedrag van € 500.000,- gesloten tussen [geïntimeerde] en [appellante].

3.1.8

Op 30 augustus 2010 heeft [geïntimeerde] een door de Rabobank, de bankier van [appellante] en haar dochtervennootschappen, opgestelde achterstellingsverklaring ondertekend. In de verklaring is onder meer bepaald:

“dat de crediteur (hof: [geïntimeerde]) op verzoek van de bank bereid is zijn vordering(en) en de hierover verschuldigde rente uit hoofde van:
een verstrekte geldlening groot EUR 580.000,00 (…) waarvan blijkt uit een akte de dato…. op de debiteur achter te stellen bij de vorderingen, die de bank op de debiteur heeft en/of zal krijgen.”

3.1.9

[X] heeft [appellante] in 2009 € 170.000,- geleend. Ook de vordering uit deze geldlening is achtergesteld.

3.1.10

In februari / maart 2012 hebben [bestuurder van geïntimeerde], [bestuurder X] en [bestuurder van appellante] overlegd over een ontvlechting van de financiële relatie tussen partijen.

3.1.11

[appellante] heeft in de maanden maart 2009 tot en met augustus 2011 (een periode van 30 maanden) maandelijks € 7.000,- aan [geïntimeerde] betaald.

3.1.12

In een (aangetekend verzonden) brief van 7 oktober 2012 heeft [geïntimeerde] [appellante] meegedeeld dat de Russische opdrachtgever van [appellante] in februari 2010 de slotbetaling voor de productielijn heeft verricht, zodat de vorderingen uit hoofde van de geldleningen van 11 maart 2009 en 8 december 2009 opeisbaar zijn en heeft zij [geïntimeerde] gesommeerd uiterlijk op 1 november 2012 een bedrag van € 680.000,- te betalen.

3.1.13

[appellante] heeft geen gehoor gegeven aan deze sommatie.

3.1.14

In een e-mailbericht van 25 maart 2013 aan [bestuurder van appellante] heeft de Rabobank onder meer het volgende geschreven:

“De door de aandeelhouders (…) getekende achterstellingsakten met de bank laat geen ruimte voor aflossingen zonder schriftelijke toestemming van de bank.
Gelet op de verwachte vermogensontwikkeling in 2012 is in ieder geval in het lopende boekjaar 2013 geen toestemming van de bank te verwachten voor dividentuitkeringen, aflossingen op achtergestelde leningen en/of onttrekkingen (bijvoorbeeld RC-verhoudingen o/g met directie en/of aandeelhouders (activazijde) in welke vorm dan ook. Eventueel al opgenomen bedragen dienen te worden terug gestort. Vooralsnog bestaat er geen bezwaar tegen rentebetalingen op de achtergestelde leningen.”


Procedure in eerste aanleg

3.2

[geïntimeerde] heeft [appellante] gedagvaard en (na vermindering van eis) betaling gevorderd van bedragen van € 100.000,- (het niet achtergestelde deel van de geldleningen), € 155.300,- (de achterstallige termijnbetalingen, inclusief rente over het restantbedrag van de lening van € 227.355,-), € 14.852,- (de achterstallige rentevergoeding betreffende de leningovereenkomsten tot 1 februari 2013) en € 9.550,- (buitengerechtelijke kosten). Verder heeft zij de veroordeling van [appellante] gevorderd tot betaling van de contractuele rente over de leningovereenkomsten vanaf 1 februari 2013 en van de maandelijkse aflossing van
€ 7.000,- op de oorspronkelijke lening van € 227.355,-.

3.3

[appellante] heeft verweer gevoerd en heeft in reconventie veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van € 134.795,44 met rente gevorderd, alsmede de veroordeling van [geïntimeerde] om mee te werken aan levering van 12,5% van de aandelen waarbij door Holding het pand aan [geïntimeerde] en [X] zal worden geleverd.

3.3.1

De rechtbank heeft, nadat een comparitie van partijen had plaatsgevonden, de vorderingen in conventie (grotendeels) toegewezen en de vorderingen in reconventie afgewezen.


Bespreking van de grieven

3.4

Met de grieven I en II komt [appellante] op tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank. Nu het hof de feiten zelf heeft vastgesteld, falen deze grieven.

3.5

Bij de bespreking van de volgende grieven geldt het volgende. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [geïntimeerde] de volgende vorderingen op [appellante] had:
a. een vordering uit de verkoop van de aandelen. Deze vordering staat in dit geschil niet ter discussie;
b. een vordering van € 227.355,- uit hoofde van de side letter;
c. een vordering uit de leningovereenkomst van maart 2009 ad € 180.000,-;
d. een vordering uit de leningovereenkomst van december 2009 ad € 500.000,-.
Partijen zijn het er ook over eens dat met betrekking tot de onder c. en d. vermelde vorderingen sprake is van een achterstelling jegens de Rabobank tot een bedrag van
€ 580.000,-. Ook zijn zij het er over eens dat [appellante] een bedrag van € 210.000,- aan [geïntimeerde] heeft betaald in 30 maandelijkse termijnen van € 7.000,-. Zij verschillen echter van mening over het antwoord op de vraag of deze betalingen in mindering strekten op de vordering onder b., zoals [geïntimeerde] meent, of op de vorderingen onder c. en d., zoals [appellante] betoogt. Het hof zal eerst ingaan op deze vraag, die in (de toelichting op) verschillende grieven terugkomt.

3.6

Het geschil tussen partijen betreft onder meer de uitleg van de tussen hen gesloten overeenkomsten. Daarover stelt het hof het volgende voorop. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, kan niet kan worden beantwoord op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij de uitleg van een dergelijk geschrift zijn telkens van beslissende betekenis alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het geschrift, gelezen in de context ervan als geheel, die deze in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, vaak van groot belang. Verder komt bij de uitleg betekenis toe aan de aard van de transactie, de omvang en gedetailleerdheid van de contractsbevestiging, de wijze van totstandkoming en de overige bepalingen ervan.

3.7

Volgens [appellante] is de vordering onder a. niet opeisbaar. De vordering betreft een winstuitkering en een dergelijke vordering is, gelet op artikel 2 lid 4 van de overeenkomst van verkoop van de aandelen, pas opeisbaar bij een solvabiliteit van 30%. Een dergelijk percentage is nooit bereikt, aldus [appellante]. [geïntimeerde] bestrijdt dit betoog van [appellante].

3.8

Artikel 2 lid 4 van de overeenkomst van verkoop van de aandelen betreft de door [geïntimeerde] en [X] gehouden aandelen in [appellante]. De bepaling legt enerzijds vast dat [bestuurder van appellante] het recht heeft om deze aandelen tegen een van tevoren vastgestelde prijs te kopen en verplicht [bestuurder van appellante] anderzijds tot koop tegen die prijs bij een solvabiliteitspercentage van [appellante] van 30. De prijs van de aandelen zal bij de verkoop € 1.500.000,- bedragen, vermeerderd met de niet uitgekeerde winstrechten. Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft [bestuurder van appellante], desgevraagd, verklaard dat het daarbij gaat om de winstrechten in [appellante]. Dat ligt ook wel voor de hand, nu het in artikel 2 lid 4 gaat om de koopsom van de aandelen in [appellante]. Toen de overeenkomst werd gesloten, in februari 2013, moest [appellante] nog worden opgericht. Van bestaande winstrechten in [appellante] was toen nog geen sprake. Het betreft dan ook de winstrechten vanaf het (boek)jaar 2013.
De sideletter betreft de niet uitgekeerde winst in Beheer, niet die in [appellante]. Het gaat in de sideletter bovendien over de winst in het boekjaar 2012, niet over de winst in de boekjaren vanaf 2013.
Bovendien bevat artikel 2 lid 4 geen verbod om de winst uit te keren. De bepaling regelt slechts dat indien sprake is van niet uitgekeerde winstrechten deze winstrechten in geval van verkoop bij de koopprijs van de aandelen in [appellante] moeten worden opgeteld.
Gelet op deze omstandigheden heeft [appellante] haar betoog dat uit artikel 2 lid 4 van de koopovereenkomst betreffende de aandelen volgt dat de vordering op grond van de sideletter niet opeisbaar is onvoldoende onderbouwd. Het hof gaat dan ook aan dit betoog voorbij.

3.9

Ook het betoog van [appellante] dat op de vordering uit hoofde van de sideletter dividendbelasting moet worden ingehouden, zodat de vordering met 25% dient te worden verminderd, faalt. [appellante] ziet er aan voorbij dat de verplichting tot uitkering van de winst in Beheer niet een verplichting van Beheer is jegens haar aandeelhouders, maar een verplichting van Automotive als koper van de aandelen in Beheer jegens de gewezen aandeelhouders in Beheer. De verplichting om dividend in te houden rust op een vennootschap die winst uitkeert aan haar (eigen) aandeelhouders, niet op de koper van aandelen in die vennootschap die bovenop de overeengekomen koopsom de niet uitgekeerde winst over het boekjaar voorafgaand aan de overdracht dient te voldoen.

3.10

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, faalt grief III.

3.11

Dat artikel 2 lid 4 van de overeenkomst niet in de weg staat aan de opeisbaarheid van de vordering uit de sideletter en dat op het op grond van de sideletter te betalen bedrag geen dividendbelasting is verschuldigd, betekent nog niet dat de 30 betalingen van € 7.000,- ook daadwerkelijk in mindering strekken op de vordering op grond van de sideletter. Het betekent wel dat ze er in mindering op kunnen strekken. Het oordeel van de rechtbank dat dit ook daadwerkelijk het geval is geweest, wordt bestreden met de grieven IV, V en VI. Het hof zal deze grieven, die met elkaar samenhangen, tezamen bespreken.

3.12

Naar het oordeel van het hof falen de grieven. Daartoe is het volgende redengevend.

3.12.1

Allereerst wordt in het in rechtsoverweging 3.1.5 aangehaalde e-mailbericht van [bestuurder van geïntimeerde] aan [bestuurder van appellante] al melding gemaakt van betalingen van € 7.000,- per maand. [bestuurder van geïntimeerde] heeft bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep verklaard dat in oktober/november 2008 is gesproken over deze betalingen. Bij gelegenheid van de comparitie in eerste aanleg heeft [bestuurder van appellante] verklaard dat daar rond de jaarwisseling over is gesproken. Er kan dan ook van worden uitgegaan dat partijen in elk geval ultimo 2008 hebben gesproken over een maandelijkse betaling van € 7.000,- aan [geïntimeerde]. Op dat moment bestond de vordering van [geïntimeerde] op [appellante] uit hoofde van de sideletter reeds. De overeenkomst van geldlening is echter pas op 11 maart 2009 tot stand gekomen. [appellante] heeft, in het licht van de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] die er op neerkomt dat de overeenkomst hals over kop - tijdens de vakantie van [bestuurder van geïntimeerde] - tot stand is gekomen vanwege acute liquiditeitsproblemen van [appellante], onvoldoende onderbouwd dat ultimo 2008 al gesproken werd over het verstrekken van een geldlening door [geïntimeerde]. Zo heeft [appellante] geen informatie verstrekt over haar financiële situatie eind 2008/begin 2009, waaruit volgt dat ook toen al sprake was van liquiditeitsproblemen en heeft zij ook geen concept-overeenkomsten of correspondentie over de geldleningen in het geding gebracht, waaruit kan worden afgeleid dat ultimo 2008 al sprake was van het eventueel sluiten van een overeenkomst van geldlening met [geïntimeerde]. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat de in meergenoemd e-mailbericht vermelde schuld, waarop de aflossingen van € 7.000,- in mindering strekken, de in maart 2009 gesloten overeenkomst van geldlening is.

3.12.2

Vervolgens is in de beide overeenkomsten van geldlening bepaald dat [appellante] het geleende bedrag pas hoeft terug te betalen indien zij het geld voor de productielijn heeft ontvangen. Daarvan was in maart 2009, toen [appellante] begon met de maandelijkse betalingen van € 7.000,-, nog geen sprake. Dat [appellante] wel bevoegd was om het geleende bedrag eerder terug te betalen, moge zo zijn, maar zij was daartoe niet gehouden, en al helemaal niet om maandelijks een vast bedrag terug te betalen.

3.12.3

Verder is opmerkelijk dat de achterstelling van 30 augustus 2010 beperkt is tot een bedrag van € 580.000,-. Op 30 augustus 2010 had [appellante] reeds een bedrag van
€ 126.000,- aan [geïntimeerde] betaald. Partijen zijn het er over eens, en het volgt ook uit de tekst van de achterstelling, dat de achterstelling ziet op de overeenkomsten van geldlening, niet op de verplichtingen uit de sideletter. Indien de betalingen in mindering zouden hebben gestrekt op de geleende bedragen, bedroeg de hoofdsom van de geleende bedragen in augustus 2010 geen € 580.000,- meer, maar € 554.000,-. [appellante] heeft geen bevredigende verklaring gegeven voor dit verschil. Ook het bedrag van de achterstelling vormt een aanwijzing voor de juistheid van het betoog van [geïntimeerde], dat [appellante] heeft afgelost op de vordering uit hoofde van de sideletter, niet op de vordering uit de geldleningen.

3.12.4

Tussen partijen staat niet ter discussie dat [bestuurder X] en [bestuurder van geïntimeerde] (na het overlijden van [bestuurder X]), (in elk geval) enkele malen een overzicht hebben gestuurd naar [appellante]/[bestuurder van appellante], van de diverse vorderingen op [appellante]. In deze overzichten worden de betalingen van € 7.000,- afgeboekt op de vordering uit hoofde van de sideletter. [bestuurder van appellante] heeft bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep weliswaar aangegeven dat hij geweigerd heeft de overzichten te tekenen en dat hij heeft aangegeven het niet met de overzichten eens te zijn, maar hij heeft niet gesteld dat hij heeft aangegeven niet in te stemmen met de afboekingen op de vordering uit hoofde van de sideletter. Uit de overzichten volgt in elk geval dat [geïntimeerde] van mening was dat de betalingen in mindering strekten op deze vordering.

3.12.5

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, heeft [appellante] de stelling van [geïntimeerde] dat de betalingen in mindering strekten op de vordering uit hoofde van de sideletter onvoldoende weersproken. Het hof gaat er dan ook, met de rechtbank, vanuit dat de betalingen in mindering strekten op de vordering uit hoofde van de sideletter.

[appellante] heeft nog betoogd dat de met [bestuurder van geïntimeerde] gemaakte afspraak om € 7.000,- per maand te betalen nietig is vanwege bedrog. Volgens haar heeft [bestuurder van geïntimeerde] ten onrechte doen voorkomen dat hij na zijn vertrek bij [appellante] geen inkomen meer zou hebben. [bestuurder van geïntimeerde] zou al vanaf ruimschoots voorafgaand aan zijn vertrek bezig zijn geweest met het opzetten van een concurrerende onderneming, aldus [appellante]. Het hof volgt [appellante] niet in dit betoog. [appellante] heeft weliswaar een groot aantal producties overgelegd, maar zij heeft niet toegelicht waarom deze producties (en welke producties) precies haar stellingen over de concurrerende activiteiten van [bestuurder van geïntimeerde] schragen. De stellingen van [appellante] over de concurrerende activiteiten van [bestuurder van geïntimeerde] zijn gemotiveerd weersproken door [geïntimeerde]. In het licht daarvan heeft [appellante] haar stellingen onvoldoende onderbouwd. Het hof zal er dan ook aan voorbijgaan.

3.13

Met grief VII stelt [appellante] het door haar gedane beroep op verjaring van de vordering uit hoofde van de side-letter aan de orde. [appellante] wijst er terecht op dat zij zich in eerste aanleg (overigens niet in randnummer 9, maar in randnummer 30 onder b. van haar conclusie van antwoord) al op verjaring heeft beroepen. De rechtbank heeft ten onrechte niet op dit verweer gerespondeerd. Dat leidt echter niet tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank, nu het beroep op verjaring niet slaagt. [appellante] gaat er bij dit beroep
- overigens in tegenstelling tot haar eerder besproken verweer en zonder dat het verjaringsverweer een (kenbaar) subsidiair karakter heeft - vanuit dat deze vordering op
26 februari 2004, toen de side-letter werd ondertekend, opeisbaar is geworden. Zij heeft dat uitgangspunt echter niet onderbouwd. Het strookt niet met haar eigen stellingen - die er op neerkomen dat de vordering nog steeds niet opeisbaar is - en evenmin met de stellingen van [geïntimeerde], die inhouden dat partijen rond de jaarwisseling van 2008/2009 zijn overeengekomen dat [appellante] op haar verplichtingen uit de side-letter zou gaan aflossen. De stellingen van [geïntimeerde] komen er op neer dat partijen toen invulling hebben gegeven aan het bepaalde onder 3 van de side-letter, inhoudende dat de uitbetaling zal geschieden in overleg tussen partijen. Dat de vordering van [geïntimeerde] al op 26 februari 2004 opeisbaar was, volgt dan ook niet uit de side-letter en evenmin uit de stellingen van partijen. Aldus is het beroep op verjaring onvoldoende onderbouwd. De grief faalt.

3.14

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de vordering van [geïntimeerde] betreffende de side-letter toewijsbaar is. Er volgt ook uit dat de door [appellante] verrichte betalingen reeds om die reden niet onverschuldigd zijn betaald. De achterstelling heeft immers geen betrekking op de verplichtingen van [appellante] uit de side-letter, maar op de verplichtingen van [appellante] uit de overeenkomsten van geldlening. Het hof laat dan nog daar dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien op grond waarvan een in strijd met de achterstelling door [appellante] gedane betaling door [appellante] als onverschuldigd betaald zou kunnen worden teruggevorderd. Dat betekent dat grief XIII, die zich keert tegen de afwijzing door de rechtbank van de reconventionele vordering tot terugbetaling van een deel van de door [appellante] gedane betalingen, niet kan slagen.

3.15

Dat de door [appellante] gedane betalingen in mindering strekken op de vordering uit hoofde van de side-letter betekent ook dat ze niet in mindering strekken op de vorderingen uit hoofde van de overeenkomsten van geldlening. Anders dan [appellante] heeft betoogd, is het niet achtergestelde deel van de hoofdsom van die vorderingen niet met de betalingen van € 7.000,- per maand betaald. De vordering tot betaling van dit deel, een bedrag van
€ 100.000,-, is dan ook terecht door de rechtbank toegewezen. Grief VIII, die zich keert tegen dit oordeel van de rechtbank, faalt dan ook. Dat geldt ook voor grief IX, betreffende het oordeel van de rechtbank om de vordering tot betaling van de contractuele rente over de overeenkomsten van geldleningen toe te wijzen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de door [appellante] gedane betalingen van € 7.000,- per maand niet in mindering strekken op de hoofdsom van de beide geldleningen en evenmin op de rente uit hoofde van de geldleningen.

3.16

Grief X heeft, zoals uit de toelichting op de grief al volgt, geen zelfstandige betekenis naast de andere grieven. De grief deelt het lot van deze grieven. Dat geldt ook voor grief XI betreffende de beslissing over de proceskosten in conventie. Ook deze grief heeft, gelet op de toelichting, geen zelfstandige betekenis.

3.17

[appellante] heeft in reconventie ook de veroordeling van [geïntimeerde] gevorderd tot levering van haar aandelen in [appellante], waarbij gelijktijdig door [appellante] het bedrijfspand door [appellante] aan [geïntimeerde] en [X] zal worden geleverd. [appellante] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat partijen en [X] in maart 2012 een daartoe strekkende afspraak hebben gemaakt. De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Volgens de rechtbank heeft [appellante], in het licht van het door [geïntimeerde] gevoerde verweer, niet bewezen dat een dergelijke afspraak is gemaakt. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de vordering voorziet in de levering van het pand aan een niet in de procedure betrokken partij,
[X], zodat het rechtsgevolg van de vordering in zoverre niet ter vrije bepaling van partijen staat. Met dit laatstvermelde oordeel heeft de rechtbank, naar het hof begrijpt, tot uitdrukking willen brengen dat de levering van het pand pas geëffectueerd kan worden indien en voor zover [X] daar haar medewerking aan zal verlenen. In dit verband overweegt het hof dat [X] dan ook bereid zal moeten zijn om haar aandelen in [appellante] te leveren. Indien [X] haar medewerking niet verleent, kan het met de vordering beoogde resultaat - levering van de aandelen tegenover de levering van het pand - niet worden bereikt.

3.18

Met grief XII stelt [appellante] de beslissing van de rechtbank op deze reconventionele vordering aan de orde. Het hof stelt vast dat de grief alleen betrekking heeft op het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] de door haar aan vordering ten grondslag gelegde stellingen niet heeft bewezen. het oordeel van de rechtbank over de positie van [X], welk oordeel de beslissing zelfstandig kan dragen, wordt niet door de grief aangevochten. In appel moet er dan ook van worden uitgegaan dat [appellante] geen belang heeft bij haar vordering. De grief faalt reeds om deze reden.

3.19

Het hof voegt daar nog het volgende aan toe. Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie, waarop [appellante] zich beroept, volgt dat partijen in het voorjaar van 2012 hebben gesproken over een transactie waarbij [geïntimeerde] en [X] hun aandelen in [appellante] zullen overdragen en eigenaar zullen worden van het bedrijfspand en dat alle partijen daar "in principe" mee konden instemmen. Uit de e-mailcorrespondentie volgt ook dat een dergelijke transactie nog moest worden uitgewerkt. Er waren fiscale haken en ogen (de accountants moesten "een slimme fiscale oplossing" vinden) en [appellante] diende het pand vrij van hypotheek te leveren en diende om die reden op zoek te gaan naar "additioneel risicodragend vermogen". Uit de e-mailcorrespondentie volgt dan ook niet meer dan dat partijen het eens waren over een oplossingsrichting, niet dat partijen overeenstemming hadden over de essentialia van de overeenkomst (waaronder in dit geval de fiscale afwikkeling en de wijze van financiering). [appellante] heeft niet gesteld dat een oplossing is gevonden voor de fiscale problemen en evenmin dat het haar is gelukt financiering te vinden. Het hof is gezien het vorenstaande, met de rechtbank, van oordeel dat [appellante] haar stellingen, in het licht van het gemotiveerde verweer van [geïntimeerde] onvoldoende heeft onderbouwd.

3.20

Grief XIV, die zich keert tegen de afwijzing door de rechtbank van de reconventionele vorderingen, heeft naast de grieven XII en XIII geen zelfstandige betekenis en deelt het lot van deze grieven.

3.21

De slotsom is dat nu alle grieven falen, het bestreden vonnis kan worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten in hoger beroep (geliquideerd salaris van de advocaat: 3 punten, tarief VI).

4 De beslissing



Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het geding in hoger beroep en begroot deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, op € 4.961,- aan verschotten en op € 9.789,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. R.E. Weening en mr. D.J. Buijs, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juli 2014.