Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:6042

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-07-2014
Datum publicatie
12-08-2014
Zaaknummer
200.136.626
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot vernietiging arbitraal vonnis o.g.v. art. 1065 lid 1, aanhef en onder c, aanhef en onder d en aanhef en onder e Rv in beide instanties afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.136.626

(zaaknummer rechtbank Gelderland 134023)

arrest van de eerste kamer van 29 juli 2014

in de zaak van

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

Tamek Groep Accountants & Belastingadviseurs B.V.,

Tamek Groep Belastingadviseurs B.V.,

beide gevestigd te Zwartsluis, gemeente Zwartewaterland,

Tamek Groep Accountants B.V.,

gevestigd te Lelystad,

hierna tezamen, in enkelvoud: Tamek,

advocaat: mr. W.H.M. Cnossen,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

A+A Accountancy & Advies B.V.,

gevestigd te Dronten,

geïntimeerde,

hierna: A+A,

advocaat: mr. M.W.G. Versendaal.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 16 januari 2013 en 3 juli 2013 die de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen tussen Tamek als eiseres en A+A als gedaagde heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van het geding in hoger beroep blijkt uit:

- de appeldagvaarding van 2 oktober 2013,

- het anticipatie-exploot van 16 oktober 2013,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

3.1

Partijen hebben van 1 januari 2000 tot 1 januari 2007 een maatschap gevormd. Zij hebben de maatschapsovereenkomst bij notariële akte van 6 maart 2000 laten vastleggen.

3.2

A+A is eind 2006 uit de maatschap getreden. Partijen hebben onder meer op 6 december 2006 en 5 juli 2007 besprekingen met elkaar gevoerd in de hoop tot overeenstemming te komen over de gevolgen van deze uittreding met ingang van 1 januari 2007 en het in verband daarmee aan A+A toekomende. Ieder van partijen heeft van de laatstgenoemde bespreking een verslag gemaakt en aan de andere gezonden, maar geen van hen heeft het verslag van de andere partij aanvaard als basis voor de afwikkeling van de maatschap.

3.3

A+A heeft bij brief van 1 februari 2008 bezwaren geuit tegen de door Tamek gepresenteerde jaarrekening 2006. Deze bezwaren betroffen het niet-verwerken van de verkoop van een pand in de jaarrekening, de omzet en de winstverdeling.

3.4

De kantonrechter te Zwolle heeft op verzoek van A+A bij beschikking van 29 januari 2010 registeraccountant [persoon 1], verbonden aan De Jong en Laan accountants, (kennelijk op de voet van art. 8 lid 5 van de maatschapsovereenkomst; de stukken met betrekking tot de benoeming zijn niet in het geding gebracht) tot deskundige benoemd om bindend te adviseren over de jaarrekening 2006. [persoon 1] heeft op 30 november 2010 een rapport uitgebracht (dat zich evenmin bij de stukken bevindt).

3.5

A+A heeft vervolgens in 2011 een arbitrage aanhangig gemaakt, nadat overeenkomstig art. 17 lid 3 van de maatschapsovereenkomst de voorzitter van de Kamer van Koophandel Oost Nederland op 16 september 2011 drie arbiters had benoemd en deze arbiters hun benoeming hadden aanvaard.

3.6

Arbiters hebben op 19 december 2011 een regiezitting gehouden, waarbij het verloop van de procedure, de feitelijke en juridische geschilpunten met partijen zijn besproken en een minnelijke regeling is beproefd. Het verslag van deze zitting (”gespreksverslag”) bevindt zich bij de stukken. Vervolgens heeft A+A een memorie van eis en Tamek een memorie van antwoord genomen. Arbiters hebben de zaak daarna op 18 juni 2012 mondeling behandeld en op 19 juli 2012 vonnis gewezen. Zij hebben daarbij Tamek veroordeeld om aan A+A te betalen de gevorderde hoofdsom van € 115.919,- met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten, de kosten van de arbitrage ad € 56.019,35 en de kosten van rechtsbijstand van A+A.

3.7

Het arbitraal vonnis is op 6 augustus 2012 gedeponeerd ter griffie van de rechtbank Zutphen. De voorzieningenrechter in die rechtbank heeft op 6 september verlof tot tenuitvoerlegging verleend. Het vonnis is op 5 oktober 2012 aan Tamek betekend.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Tamek heeft bij dagvaarding van 18 oktober 2012 de vernietiging van het arbitraal vonnis gevorderd, op de gronden (primair) dat arbiters buiten de opdracht zijn getreden (art. 1065 lid 1, aanhef en onder c Rv), subsidiair dat het vonnis niet met redenen is omkleed (art. 1065 lid 1, aanhef en onder d Rv) en meer subsidiair dat het vonnis strijdt met de openbare orde (art. 1065 lid 1, aanhef en onder e Rv) met veroordeling van A+A in de proceskosten. A+A heeft de vorderingen gemotiveerd betwist. De rechtbank heeft de vorderingen bij het bestreden vonnis van 3 juli 2013 afgewezen en Tamek in de proceskosten veroordeeld.

4.2

Tamek komt met vijf grieven tegen dit vonnis op. Grief I is gericht tegen de verwerping van de primaire grondslag voor vernietiging (rechtsoverweging 5.2). Grief II is gericht tegen de - ten overvloede gegeven - overweging van de rechtbank dat, indien het scheidsgerecht buiten de grenzen van de rechtsstrijd zou zijn getreden, deze grond niet tot vernietiging kan leiden, omdat Tamek het aan art. 1065 lid 4 Rv ontleende verweer van A+A onbesproken heeft gelaten. Grief III is gericht tegen de verwerping van de subsidiaire grondslag tot vernietiging (rechtsoverweging 5.5). Grief IV is gericht tegen de verwerping van de meer subsidiaire grondslag tot vernietiging. Grief V is gericht tegen de rechtsoverwegingen 5.7 en 5.8, waarin de rechtbank tot de slotsom komt dat de vorderingen van Tamek moeten worden afgewezen en dat zij als in het ongelijk te stellen partij in de proceskoten zal worden veroordeeld. Deze grief heeft naast de eerdere grieven geen zelfstandige betekenis en behoeft dan ook geen bespreking.

4.3

Tamek stelt in de toelichting op grief I, zakelijk weergegeven, het volgende. Arbiters zijn er blijkens hun vonnis onder C, aanhef en punt 7 (bladzijde 3/4) vanuit gegaan dat partijen op 5 juli 2007 bindende afspraken hebben gemaakt, zoals beide partijen in de arbitrage ook hebben aangevoerd. Dat partijen van mening verschillen wat nu precies de inhoud is van de op 5 juli 2007 gemaakte afspraken is een andere discussie. Het was nog slechts aan arbiters om, al dan niet na het verlenen van bewijsopdrachten, vast te stellen wat de inhoud was van de op 5 juli 2007 gemaakte afspraken. Door in te gaan op en te beslissen over de vraag of er op 5 juli 2007 een overeenkomst is gesloten, is het scheidsgerecht buiten de rechtsstrijd getreden en dient het vonnis te worden vernietigd op grond van art. 1065 lid 1, aanhef en onder c Rv. A+A betwist dit gemotiveerd.

4.4

Het hof overweegt als volgt. De vraag wat de opdracht aan arbiters behelsde, wordt in materieel opzicht bepaald door de vorderingen van de eisende partij en het verweer van de verwerende partij. Arbiters mogen daarbij niet meer of anders toewijzen dan is gevorderd en mogen ook niet nalaten te beslissen over een of meer onderwerpen die aan hun oordeel waren onderworpen.

A+A heeft in de arbitrage gevorderd veroordeling van Tamek tot betaling van € 115.919,- (met wettelijke rente en kosten). De vordering is gebaseerd op de volgende stellingen. Partijen zijn met elkaar in onderhandeling geweest over de afwikkeling van de maatschap in verband met het uittreden van A+A. Partijen hebben in dit verband onder meer op 5 juli 2007 met elkaar gesproken, maar zij hebben elkaars verslagen van deze bespreking niet geaccepteerd als basis voor afwikkeling. Zij konden onder meer geen overeenstemming bereiken over de jaarrekening 2006. Uiteindelijk heeft A+A bij brief van 1 december 2009 op de voet van art. 8 lid 4 van de maatschapsovereenkomst de kantonrechter verzocht om een deskundige te benoemen aan wie de beslissing over het geschil met betrekking tot de jaarrekening 2006 zou worden opgedragen. Gelet op de bevindingen van de deskundige en de daaruit volgende correcties op de jaarrekening 2006 moet het kapitaalbelang van A+A op € 319.600,- worden bepaald en de goodwill op € 896.319,-. Rekening houdende met de reeds door Tamek betaalde voorschotten komt A+A toe een bedrag van € 115.919,-, te vermeerderen met de wettelijke rente op grond van art. 15 lid 2 van de maatschapsovereenkomst. Ook voor het overige dient te worden afgerekend volgens de maatschapsovereenkomst. Dat zou alleen anders zijn, indien partijen andere afspraken zouden hebben gemaakt, maar dat is niet het geval. Partijen hebben weliswaar op 5 juli 2007 getracht een package deal te sluiten, maar dat is niet gelukt. Zij hebben afwijkende verslagen van de bespreking gemaakt en geen van de verslagen is door de andere partij als juist erkend en ondertekend. Er is tijdens de bespreking enkel - voorlopig - overeenstemming bereikt over enkele deelonderwerpen, waaraan A+A niet gebonden is.

Tamek heeft zich bij memorie van antwoord op het standpunt gesteld dat A+A niets meer van haar te vorderen heeft, omdat partijen op 5 juli 2007 juist wel volledig overeenstemming over de afwikkeling hebben bereikt.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de vorderingen en het verweer in de memories van eis en antwoord, niet gezegd worden dat arbiters zich niet aan hun opdracht hebben gehouden. Uit deze memories blijkt immers dat volgens A+A op 5 juli 2007 geen overeenstemming is bereikt over de afwikkeling en dat zij betaling verlangde van de genoemde hoofdsom vermeerderd met wettelijke rente op grond van de desbetreffende bepalingen uit de maatschapsovereenkomst, terwijl Tamek zich verweerde met de stelling dat partijen op 5 juli 2007 wel volledige overeenstemming hadden bereikt over de afwikkeling en zich blijkens de pleitnota van haar advocaat bij de mondelinge behandeling op 18 juni 2012 op het standpunt stelde dat de primaire vraag die arbiters moesten beantwoorden, was of tussen partijen op die datum een overeenkomst tot stand is gekomen. De aldus feitelijk toegelichte vordering van A+A en het genoemde verweer van Tamek bepaalden kortom de grenzen van de aan arbiters voorgelegde rechtsstrijd. Arbiters hebben dat ook niet miskend, zoals volgt uit de rechtsoverwegingen 1, 2 en 3 onder F op de bladzijden 5 en 6 van het vonnis. In het kader van het verweer van Tamek hebben zij onderzocht of partijen op 5 juli 2007 volledige overeenstemming hebben bereikt (welke vraag zij negatief hebben beantwoord). De grief faalt.

4.5

Grief II is gericht tegen de gegrondbevinding van het aan art. 1065 lid 4 Rv ontleende verweer van A+A in rechtsoverweging 5.2, slot van het bestreden vonnis. Voor zover Tamek belang bij bespreking van deze grief heeft, overweegt het hof het volgende. Anders dan Tamek in de toelichting aanvoert, moet zij er, gelet op de onder 4.4 weergegeven vorderingen van A+A en haar eigen verweer, mee bekend worden geacht dat arbiters de vraag zouden beantwoorden of partijen op 5 juli 2007 (bindende) afspraken over de afwikkeling hadden gemaakt. Zij had dan ook tijdens de arbitrage het verweer moeten voeren dat arbiters zich niet aan hun opdracht zouden houden, wanneer zij zich in de beantwoording van deze vraag zouden begeven. Het aan deze bepaling ontleende verweer van A+A gaat dus op. De grief faalt.

4.6

Grief III faalt eveneens. Het hof deelt de rechtsoverwegingen 5.4 en 5.5 van het bestreden vonnis geheel. Wat Tamek in de toelichting op de grief aanvoert, leidt niet tot een ander oordeel.

4.7

Met grief IV keert Tamek zich tegen rechtsoverweging 5.6 van het bestreden vonnis, waarin de rechtbank het beroep van Tamek op de strijdigheid van het arbitraal vonnis met de openbare orde (art. 1065 lid 1, aanhef en onder e Rv) heeft verworpen. Tamek stelt in de toelichting op de grief dat beide partijen hebben gesteld dat op 5 juli 2007 een overeenkomst is gesloten en dat het scheidsgerecht dit als uitgangspunt had moeten nemen, waarna het scheidsgerecht had moeten beoordelen wat de inhoud van de door beide partijen gestelde overeenkomst was. Nu het scheidsgerecht dit niet heeft gedaan, heeft het gehandeld in strijd met de openbare orde, aldus Tamek.

4.8

Uit het onder 4.4 overwogene volgt dat het hof de stellingen van Tamek met betrekking tot de volgens haar door beide partijen aan arbiters gepresenteerde, op 5 juli 2007 bereikte volledige overeenstemming over de afwikkeling niet deelt. De feitelijke grondslag van de grief acht het hof dus niet aanwezig. Reeds daarom faalt de grief.

4.9

Tamek heeft bewijs van haar stellingen aangeboden. Het hof gaat aan dit aanbod voorbij, omdat Tamek geen feiten heeft gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.

5 Slotsom

5.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

Het hof zal Tamek als de in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van A+A vastgesteld op:

- griffierecht € 683,-

- salaris advocaat € 894,- (één punt tarief II).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 3 juli 2013;

veroordeelt Tamek in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van A+A vastgesteld op € 683,- voor verschotten en op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.H. van Ginkel, Ch.E. Bethlem en S.M. Evers en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2014.