Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:6036

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-07-2014
Datum publicatie
25-09-2014
Zaaknummer
200.131.108
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ROC is niet gehouden uitspraak Commissie van Beroep te volgen; geslotenheid van het wettelijk stelsel. Ontslag op staande voet. Handtekening voor een ander geplaatst en handtekening nagebootst; dringende reden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/696

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.131.108

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 846280 UC EXPL 12-19992k)

arrest van de derde kamer van 29 juli 2014

in de zaak van

de stichting

Stichting Regionaal Opleidingen Centrum Midden-Nederland,

gevestigd te Utrecht,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna: ROC,

advocaat: mr. A. Klaassen,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A.Y.M. Jansse.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de vonnissen van 30 januari 2013 en

8 mei 2013 (zoals verbeterd bij vonnis van 12 juni 2013), die de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, afdeling civiel recht, sector kanton, locatie Utrecht) tussen ROC als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie en [geïntimeerde] als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 22 juli 2013,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord, tevens van incidenteel hoger beroep (met producties),

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep (met productie),

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald (op één dossier).

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten, vermeld in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.6 van het vonnis van 8 mei 2013.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

in het principaal en in het incidenteel hoger beroep

4.1

Het gaat in deze zaak beknopt weergegeven om het volgende. [geïntimeerde], geboren op [geboortedatum] en sedert 16 februari 1987 in dienst van ROC, laatstelijk als praktijkdocent handel tegen een salaris van bruto € 4.180,- bruto per maand exclusief vakantiebijslag, eindejaarsuitkering en overige emolumenten, is bij brief van 15 juni 2012 ontslag op staande voet aangezegd. De daarvoor gegeven redenen zijn dat zij in een onderdeel van het praktijkexamen van een studente, [X], de handtekening van de studente heeft nagebootst en een handtekening heeft geplaatst op een plek waar de externe BPV Assessor behoort te tekenen, alsmede dat zij expliciet een leugenachtige verklaring heeft afgelegd dat laatstbedoelde handtekening wel degelijk door de BPV Assessor [Y] was geplaatst.

4.2

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg onder andere de veroordeling van ROC gevorderd de arbeidsovereenkomst te herstellen met betaling van loon over de periode van de onderbreking, dan wel schadevergoeding op grond van artikel 7:681 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) dan wel op grond van artikel 7:677 BW (met nevenvorderingen). ROC heeft daartegen verweer gevoerd en in reconventie de veroordeling van [geïntimeerde] gevorderd tot betaling van € 5.127,15 aan gefixeerde schadevergoeding (met nevenvorderingen). Tegen die laatste vordering heeft [geïntimeerde] op haar beurt verweer gevoerd.

Bij het eindvonnis (zoals verbeterd) heeft de kantonrechter ROC veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een schadevergoeding ter hoogte van drie maal het maandsalaris van [geïntimeerde] (met nevenveroordelingen); de vordering in reconventie is afgewezen. Het hof merkt daarbij op dat ROC tevens is veroordeeld om € 3.718,69 bruto aan [geïntimeerde] te betalen ter zake van de eindafrekening en € 952,- ter zake van buitengerechtelijke incassokosten. Op deze laatste veroordelingen heeft het hoger beroep van ROC evenwel geen betrekking.

4.3

Tegen het eindvonnis komt ROC in het principaal hoger beroep op. Zij voert daartegen negen grieven aan, die als volgt kunnen worden gerubriceerd:

- de samenloop van de vordering van [geïntimeerde] tot ongedaanmaking van het ontslag en schadevergoeding op grond van onregelmatigheid/kennelijke onredelijkheid van de opzegging dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van [geïntimeerde] (grief 1);

- de waardering van de omstandigheden die leidt tot het oordeel dat het ontslag op staande voet “net een brug te ver is” is onterecht gedaan (grieven 2 tot en met 5);

- de toewijzing van drie maandsalarissen van € 3.718,69 bruto in het kader van de eindafrekening en de buitengerechtelijke kosten is onterecht gedaan (grieven 6 tot en met 8);

- de reconventionele vordering is ten onrechte afgewezen (grief 9).

ROC concludeert tot vernietiging van het eindvonnis (zoals verbeterd), tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] en het alsnog toewijzen van het door haar in reconventie gevorderde, met de veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

4.4

De grieven van [geïntimeerde] in het incidenteel hoger beroep tegen het eindvonnis stellen aan de orde, kort omschreven:

- de bevoegdheid van ROC tot het nemen van het ontslagbesluit (grief I);

- het oordeel van de kantonrechter dat de vraag of ROC het oordeel van de Commissie van Beroep moest volgen geen afzonderlijke beoordeling meer behoeft (grief II);

- het oordeel van de kantonrechter dat voor herstel van de arbeidsovereenkomst geen ruimte is, en dat geen ongeoorloofd onderscheid wordt gemaakt nu de arbeidsovereenkomst is opgezegd zonder toestemming van het UWV (grief III);

- de toekenning van een schadevergoeding van slechts drie maandsalarissen (grief IV);

- de afwijzing van de vordering tot betaling van immateriële schadevergoeding (grief V).

[geïntimeerde] concludeert (zakelijk weergegeven) tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van ROC en, in het incidenteel hoger beroep, tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en tot de veroordeling van ROC, in aanvulling op het bestreden vonnis, tot loondoorbetaling, tot het zo nodig intrekken van het ontslagbesluit, tot het zo nodig herstellen van het dienstverband (met nevenvorderingen), subsidiair tot betaling van een schadevergoeding van € 117.737,- ineens en € 1.467,13 per maand (met nevenvorderingen), en een immateriële schadevergoeding van € 5.500,- (eveneens met nevenvorderingen).

4.5

Het hof volgt [geïntimeerde] niet in haar standpunt verwoord in grief I, dat het ontslagbesluit niet bevoegd is genomen. [geïntimeerde] was ten tijde van het ontslag in dienst van de rechtspersoon Stichting Regionaal Opleidingen Centrum Midden Nederland. Namens deze rechtspersoon heeft mr. A. Klaassen, onweersproken optredende als gevolmachtigde, [geïntimeerde] op staande voet ontslagen. In weerwil van het feit dat ook [geïntimeerde] blijkens de door haar ingestelde vordering ROC als haar werkgever ziet, gaat haar standpunt ten aanzien van de onbevoegdheid uit van een arbeidsovereenkomst tussen haar en het College van Bestuur, hetgeen gelet op het bovenstaande onjuist is. Voor zover [geïntimeerde] wil betogen dat uitsluitend het College van Bestuur bevoegd is de Stichting ROC Midden Nederland te vertegenwoordigen, verwerpt het hof dit standpunt, nu niet valt in te zien waarom ROC niet een volmacht zou kunnen verstrekken aan een derde. Voor zover [geïntimeerde] beoogt aan te voeren dat de (interne) besluitvorming bij de Stichting ROC Midden Nederland niet correct is verlopen, heeft zij haar stelling op dit punt niet voldoende onderbouwd. De in de inleidende dagvaarding onder A vermelde vordering moet worden afgewezen.

4.6

Met grief 1 beoogt ROC dat [geïntimeerde] niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard omdat zij niet tegelijkertijd een beroep kan doen op de nietigheid/vernietigbaarheid van het ontslag enerzijds en het berusten in het ontslag anderzijds. Vastgesteld moet worden dat [geïntimeerde] zich niet beroept op de nietigheid/vernietigbaarheid van het ontslag, maar dat haar primaire en subsidiaire vorderingen zijn gebaseerd op de - vanwege het ontbreken van een dringende reden - onregelmatigheid en kennelijke onredelijkheid van het ontslag op grond van het BW. Er is dus geen sprake van een onverenigbaarheid van vorderingen.

4.7

Het hof overweegt dat het (gesloten) wettelijk stelsel in zake de beëindiging van een arbeidsovereenkomst met zich brengt dat een opzegging van de arbeidsovereenkomst alleen nietig of vernietigbaar is in de in de wet geregelde gevallen. Omtrent de vernietigbaarheid is niets gesteld of gebleken. Nu het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) niet voor onderwijzend personeel geldt is van nietigheid ingevolge de bepalingen van het BBA evenmin sprake. Met haar grief II betoogt [geïntimeerde] dat ROC gehouden is de uitspraak van de Commissie van Beroep te volgen. Het effect van die uitspraak kan vanwege de geslotenheid van het wettelijk stelsel echter niet zijn dat de opzegging nietig of vernietigbaar is. Ook kan niet staande blijven dat ROC op grond van de toepasselijke CAO gehouden is het oordeel van de Commissie van Beroep te volgen, omdat volgens vaste jurisprudentie daarvoor een overeenkomst van bindend advies is vereist. Het bestaan daarvan is in dit geschil gesteld noch gebleken. Grief II in het incidenteel hoger beroep faalt.

De in de inleidende dagvaarding onder B vermelde vordering moet worden afgewezen.

4.8

De grieven 2 tot en met 5 in het principaal hoger beroep spitsen zich toe op de vraag of sprake was van een dringende reden voor het ontslag op staande voet. Ten aanzien van grief 2 geldt het volgende. De overweging dat de kantonrechter zich kan voorstellen dat [geïntimeerde] vanwege het gesprek van 15 juni 2012 enige tijd van haar apropos is geweest mondt uit in de vaststelling, kort gezegd, dat de gemoedstoestand van [geïntimeerde] geen verontschuldiging kan zijn voor de wisselende verklaringen die zij heeft afgelegd. Deze vaststelling is in het voordeel van ROC en het is dan ook niet in te zien dat ROC enig belang heeft bij de grief.

4.9

Bij de beoordeling van de grieven 3 tot en met 5 in het principaal hoger beroep stelt het hof voorop dat de interne voorschriften van ROC met betrekking tot het examentraject correcte naleving eisen omdat het resultaat daarvan in de vorm van een diploma een externe kwaliteitsgarantie moet bieden. Bij gelegenheid van het pleidooi heeft ROC onweersproken aangevoerd, dat met het onderwijsgevend personeel is gecommuniceerd dat er aangescherpte regels zijn voor de praktijkbegeleiding. Het hof kan zich dan ook vinden in de overwegingen in het bestreden vonnis onder 4.4 en neemt die over.

Hetzelfde geldt voor rechtsoverweging 4.5. Het hof voegt daaraan toe, dat het briefrapport van 9 juli 2012 van de door ROC ingeschakelde schriftdeskundige drs. [naam deskundige] vermeldt dat zwaarwegende steun bestaat voor de opvatting dat de handtekening in het vakje waar [Y] diende te tekenen van [geïntimeerde] afkomstig is. [geïntimeerde] heeft dat laatste ter zitting van 24 juli 2012 erkend (vgl. kort geding vonnis van 27 juli 2012). Met betrekking tot de handtekening van [X] (verder: [X]) heeft [geïntimeerde] volhard bij haar verklaring dat zij niet weet wie die handtekening geplaatst heeft. De brief van [Z], Afdelingsvoorzitter Handel van ROC (overgelegd als onderdeel van productie 2C bij conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie) luidt echter dat [X] tegenover [Z] op diens vraag of zij ([X]) het betreffende onderdeel van haar stage examenboek heeft ondertekend, heeft geantwoord dat zij dit onderdeel niet heeft ondertekend. Dit spoort met de bevinding van [naam deskundige] “dat er geen grond bestaat voor de aanname, dat [X] de litigieuze handtekening heeft geproduceerd”. De verklaring van [geïntimeerde] wekt in zoverre bevreemding dat zij degene is aan wie op 5 juni 2012 het niet ondertekende Praktijkexamen is ter hand gesteld en zij het op 6 juni 2012 weer, dit keer mét handtekening, heeft ingeleverd. Zij is dus bij uitstek degene die over het plaatsen van de handtekening moet kunnen verklaren. Nu verscheidene indicatoren, in samenhang bezien, wijzen in de richting dat [geïntimeerde] de hand heeft gehad in het produceren van bedoelde handtekening en hetgeen [geïntimeerde] daarover heeft verklaard geen substantiële weerlegging daarvan inhoudt, houdt het hof het ervoor dat [geïntimeerde] de handtekening van [X] heeft nagebootst.

4.10

Tegen de achtergrond van de externe betekenis van een diploma en de aangescherpte regels van examinering kan niet worden volgehouden dat de handelwijze van [geïntimeerde] slechts een administratieve fout is. Zij is welbewust afgeweken van de voorgeschreven gang van zaken. Dat zij dacht in het vakje van de BPV-assessor op pagina 8 van het Praktijkexamen te kunnen ondertekenen is geheel ongeloofwaardig, nu zij eerder, op 25 april 2012 (pagina 5 van dat examen), [Y] heeft laten ondertekenen. Dit alles klemt temeer, nu [Y] aan ROC heeft laten weten dat het interview met [X] niet, zoals voorgeschreven, in zijn aanwezigheid is afgenomen.

4.11

De tegenwerping van [geïntimeerde], dat zij slechts in het belang van [X] heeft gehandeld, overtuigt niet. Zij heeft integendeel de positie van [X] in gevaar gebracht. De miskenning door [geïntimeerde] dat ROC van de docenten mag verwachten dat zij de voorschriften met betrekking tot de examinering naleven, leidt ertoe dat sprake is van een grove veronachtzaming van de plichten die de arbeidsovereenkomst haar opleggen. In die zin is sprake van gedragingen van [geïntimeerde] die ten gevolge hebben dat van ROC redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De lange staat van dienst van [geïntimeerde] kan niet verhinderen dat ROC aan het ontslag op staande voet een geldige dringende reden ten grondslag heeft gelegd. De grieven 3 tot en met 5 in het principaal hoger beroep slagen dus. Het gevolg daarvan is dat ook de grieven 6 tot en met 8 slagen.

4.12

De schadeplichtigheid van [geïntimeerde], waarop de reconventionele vordering van ROC ziet, vloeit voort uit artikel 7:677 lid 3 BW. Die vordering zal daarom worden toegewezen.

4.13

Grief III in het incidenteel hoger beroep behoeft geen bespreking: herstel van de arbeidsovereenkomst is niet aan de orde en het gestelde ongeoorloofd onderscheid staat los van de opzegging om een dringende reden. De grieven IV en V kunnen, zoals uit het voorgaande voortvloeit, evenmin slagen.

5 Slotsom

5.1

De conclusie is dat de grieven 3 tot en met 9 in het principaal hoger beroep slagen en dat de grieven 1 en 2 in het principaal hoger beroep, evenals de grieven in het incidenteel hoger beroep falen. Het bestreden vonnis kan niet in stand blijven.

5.2

In het principaal hoger beroep zal het hof [geïntimeerde] als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van ROC zullen worden vastgesteld op € 1.200,-- voor salaris advocaat (2 punten x tarief € 600,-).

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van ROC zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 92,82

- griffierecht € 683,-

- salaris advocaat € 2.682,- (3 punten x tarief € 894,-)

Totaal € 3.457,82

5.3

Ook in het incidenteel hoger beroep zal [geïntimeerde] in de kosten worden veroordeeld. Deze kosten zullen aan de zijde van ROC worden vastgesteld op:

- salaris advocaat € 1.344,-- (3 punten x tarief € 894,- x ½).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in het principaal hoger beroep

vernietigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, afdeling civiel recht, sector kanton, locatie Utrecht), voor zover aan hoger beroep onderworpen en doet opnieuw recht:

wijst de door [geïntimeerde] ingestelde vordering in conventie alsnog af;

veroordeelt [geïntimeerde] in reconventie tot betaling aan ROC van € 5.127,15 aan gefixeerde schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2012;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van ROC wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 1.200,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 775,82 voor verschotten en op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

wijst het meer of anders gevorderde af.

in het incidenteel hoger beroep

verwerpt het hoger beroep;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 1.344,- voor salaris van de advocaat;

verklaart dit arrest met betrekking tot deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.P.M. van den Dungen, I.A. Katz-Soeterboek en

E.B. Knottnerus en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

29 juli 2014.