Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:6000

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-07-2014
Datum publicatie
12-08-2014
Zaaknummer
14/00194
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2014:522, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet WOZ. Waardevaststelling woning. Gemeente slaagt in bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/1677
V-N 2014/53.26.30

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 14/00194

uitspraakdatum: 29 juli 2014

Uitspraak van de twaalfde enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 5 februari 2014, nummer Awb 13/915, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Hardenberg (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat] 71 te [Z], per waardepeildatum 1 januari 2012, voor het jaar 2013 vastgesteld op € 180.000. Tegelijk met deze beschikking is voorts de aanslag onroerendezaakbelasting 2013 (OZB) voor zover het betreft het eigenaarsgedeelte vastgesteld op € 162,18.

1.2

De heffingsambtenaar heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 5 februari 2014 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2014 te Arnhem. Daarbij zijn partijen met kennisgeving aan het Hof niet verschenen.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak. Het betreft een twee-onder-één-kapwoning met garage en carport. Het bouwjaar van de woning is 1978. De inhoud van de woning bedraagt 347 m³. De oppervlakte van het perceel bedraagt 272 m².

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is de waarde van de onroerende zaak op waardepeildatum.

3.2

Belanghebbende bepleit een waarde van € 150.000 en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de bestreden beschikking alsmede de bestreden belastingaanslag.

3.3

De heffingsambtenaar persisteert in de beschikte waarde en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Krachtens artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, oftewel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.

4.2

De bewijslast met betrekking tot de partijen verdeeld houdende vraag of de vastgestelde waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2012 niet te hoog is vastgesteld, rust op de heffingsambtenaar.

4.3

Ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde verwijst de heffingsambtenaar naar een taxatierapport van [A], gediplomeerd WOZ-taxateur in dienst van de bestuursdienst Ommen-Hardenberg, waarin de waarde per waardepeildatum is getaxeerd op € 180.000. Op basis van de vergelijkingsmethode heeft hij drie panden als vergelijkingsobject gebruikt, welke alle drie twee-onder-één-kapwoningen betreffen, gelegen te [Z].

4.4

Het Hof is van oordeel dat de in het taxatierapport opgenomen vergelijkingsobjecten, gelet onder meer op het type woning, de ligging, bouwstijl, perceeloppervlakte en inhoud in zodanige mate vergelijkbaar zijn met de onroerende zaak, dat de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten als uitgangspunt hebben kunnen dienen bij het bepalen van de waarde van de onroerende zaak. De aan de onroerende zaak toegekende waarde staat naar het oordeel van het Hof in verhouding tot die verkoopprijzen.

4.5

Belanghebbende heeft gesteld dat de waarde te hoog is vastgesteld ten opzichte van de waardeontwikkeling in de markt en ten opzichte van eerdere WOZ-waarden. Het Hof oordeelt als volgt. Doel en strekking van de Wet WOZ brengen mee dat de waarde van een onroerende zaak voor elk tijdvak opnieuw wordt bepaald aan de hand van feiten en omstandigheden die zich op of rond de waardepeildatum hebben voorgedaan, met voorbijgaan aan de waarden die per andere waardepeildata aan de onroerende zaak zijn toegekend. Ieder jaar dient de heffingsambtenaar derhalve opnieuw de waarde vast te stellen, bijvoorbeeld met behulp van door hem aangedragen vergelijkingsobjecten. De waardestijging ten opzichte van andere waardepeildata doet dan ook niet ter zake. Evenmin is een algemene waardestijging of - daling in de markt relevant, omdat dit onvoldoende zegt over de waarde van de individuele onroerende zaak op de onderhavige waardepeildatum.

4.6

Het feit dat de taxatie is uitgevoerd door een taxateur die in loondienst is van de gemeente Hardenberg, is - anders dan belanghebbende bepleit - naar het oordeel van het Hof geen beletsel om van de juistheid van die taxatie uit te gaan. Het Hof ziet geen reden te twijfelen aan de in acht genomen objectiviteit van de geconsulteerde gediplomeerde WOZ-taxateur.

4.7

Belanghebbende heeft het Hof verzocht uitspraak te doen over de WOZ-waarden van de onroerende zaak van ‘de voorliggende jaren’. Aangezien belanghebbende niet kenbaar heeft gemaakt tegen welke aanslagen of beschikkingen hij opkomt en daarvan evenmin stukken heeft bijgevoegd, verklaart het Hof het hoger beroep van belanghebbende in zoverre niet-ontvankelijk.

4.8

Gelet op het vorenoverwogene moet worden geconcludeerd dat de heffingsambtenaar erin is geslaagd de vastgestelde waarde van € 180.000 aannemelijk te maken. De door belanghebbende in hoger beroep aangevoerde grieven doen aan deze conclusie niet af.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. J.A. Monsma, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2014.

De griffier, Het lid van de enkelvoudige belastingkamer,

(J.H. Riethorst) (J.A. Monsma)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 29 juli 2014

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.