Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:5931

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-07-2014
Datum publicatie
25-07-2014
Zaaknummer
P14-0217
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:1945, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verschil kliniek en externe deskundigen t.a.v. gebrekkige ontwikkeling/ziekelijke stoornis geestvermogens. Laag/matig recidiverisico. Niet voldaan aan het in artikel 38d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht genoemde vereiste voor verlenging. Verwijzing naar de beslissingen van het hof van 9 januari 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:67) en van 20 februari 2014 (ECLI:NL:GHARL: 2014:1669). Voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege onder minimale voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

TBS P14/0217

Beslissing d.d. 24 juli 2014

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van het openbaar ministerie en het beroep van

[naam terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in FPC [kliniek].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 4 maart 2014, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar onder gelijktijdige voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

  • -

    het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 januari 2006, waarbij de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege werd opgelegd;

  • -

    het rapport, opgemaakt door dr. [psychiater], psychiater, van 14 december 2013;

  • -

    het rapport, opgemaakt door drs. [psycholoog 1], GZ-psycholoog, van 14 december 2013;

  • -

    het verlengingsadvies van FPC [kliniek] van 24 december 2013, met als bijlage de wettelijke aantekeningen over de periode van 8 maart 2011 tot en met 11 oktober 2012;

  • -

    de vordering van de officier van justitie, ingekomen op 14 januari 2014;

  • -

    het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

  • -

    de beslissing waarvan beroep;

  • -

    de akte van beroep van het openbaar ministerie van 11 maart 2014;

  • -

    de appelschriftuur van het openbaar ministerie van 25 maart 2014;

  • -

    de akte van beroep van de terbeschikkinggestelde van 28 maart 2014;

  • -

    de aanvullende informatie van FPC [kliniek] van 23 juni 2014;

  • -

    een e-mail van mr.S. Marjanovic van 1 juli 2014;

  • -

    de ter zitting van het hof van 3 juli 2014 door mr S. Marjanovic overgelegde pleitaantekeningen.

Het hof heeft ter zitting van 3 juli 2014 gehoord de advocaat-generaal mr A.A. Schut en de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr S. Marjanovic, advocaat te ’s-Gravenhage. Voorts zijn ter zitting als deskundigen gehoord:

  • -

    de heer [psycholoog 2], GZ-psycholoog en behandelcoördinator bij FPC [kliniek];

  • -

    de heer dr. [psychiater], psychiater;

  • -

    mevrouw drs. [psycholoog 1], psycholoog.

Overwegingen

Het advies van de kliniek

Het verlengingsadvies van 24 december 2013

Uit het verlengingsadvies van FPC [kliniek] van 24 december 2013 blijkt dat de terbeschikkinggestelde een benedengemiddeld intelligente man is, bij wie sprake is van persoonlijkheidsproblematiek. Hij stelt zich veelal geremd op in relatie tot anderen en is erg gevoelig voor negatieve oordelen. Dit maakt dat hij de neiging heeft zich afhankelijk op te stellen en zich veelal kwetsbaar voelt in relatie tot anderen. Om zichzelf onder de ervaren druk en spanning te kunnen handhaven, kan hij zich op gezette momenten afstandelijk en ongevoelig opstellen in een sociale context. Er is sprake van een gebrekkig zicht op zijn eigen gevoels- en belevingswereld. In termen van structuurdiagnostiek lijkt er bij de terbeschikkinggestelde sprake te zijn van een borderline-organisatie van de “as if”-categorie, waarbij er aanduidingen zijn voor vroeg narcisme, wat neurotisch overdekt wordt. Op momenten dat er sprake is van verhoogde spanning, onduidelijkheid en/of conflicten met anderen, schiet de afweer tekort en komt de onderliggende agressie en impulsproblematiek naar boven. In extreme gevallen dissocieert de terbeschikkinggestelde op dergelijke momenten en is het mogelijk dat hij zich later weinig kan herinneren van wat er voorgevallen is.

De kliniek schat het recidiverisico in geval van beëindiging van de maatregel als matig in.

De terbeschikkinggestelde bevindt zich nog steeds in de delictgerelateerde fase van zijn behandeling en gaat de komende periode een start maken met zijn resocialisatieproces. Hij laat nog altijd vooruitgang zien. Zo (h)erkent hij emoties beter, kan hij beter omgaan met spanningen en stelt hij zich in conflictsituaties assertief op. De terbeschikkinggestelde laat bij tegenslagen zien dat hij zijn emoties bespreekbaar maakt en dat hij zijn grenzen kan aangeven. De komende periode zal het behandeltraject worden voortgezet en zullen de delictgerelateerde factoren worden getoetst in een minder gestructureerde organisatie. Ondanks dat er nog weinig zicht is op zijn beleving ten aanzien van het delict en in feite de kernproblematiek nog onvoldoende behandeld is, is recent besloten tot het aanvragen van onbegeleid verlof. Tegelijkertijd zal de terbeschikkinggestelde starten met schemafocustherapie, waarbij aandacht wordt besteed aan de erkenning en planning van het delict, maar ook aan spanningsvolle situaties die hij in het heden tegenkomt tijdens zijn verloven, de gevoelens die hij hierbij ervaart en de manier waarop hij hiermee omgaat (coping). Gezien het nog steeds aanwezige “matige” recidivegevaar is het van belang dat dit traject op een gestructureerde en geleidelijke wijze wordt uitgevoerd. Naar verwachting zal bovengenoemd traject nog minimaal twee jaar in beslag nemen. De kliniek heeft geadviseerd de maatregel met twee jaar te verlengen.

Het aanvullend advies van 23 juni 2014

Uit de aanvullende informatie van de kliniek van 23 juni 2014 komt naar voren dat de kliniek sinds 30 januari 2014 is gemachtigd tot onbegeleide verlofmogelijkheden voor de terbeschikkinggestelde en dat kort na die datum is gestart met de eerste fase van het stappenplan. De verloven verlopen naar wens, de terbeschikkinggestelde stelt zich open op en houdt zich aan de verlofvoorwaarden. Hij is op 13 maart 2014 overgeplaatst naar de resocialisatieafdeling en hij werkt sinds april 2014 bij een externe werkgever. In september 2014 zal de terbeschikkinggestelde naar verwachting starten met een opleiding. In mei 2014 is de terbeschikkinggestelde gestart met de terugvalpreventiegroep en onlangs is hij gestart met schemafocustherapie.

De visie van de kliniek ten aanzien van de delictrisico’s is onveranderd ten opzichte van het verlengingsadvies, waarin ook de meest recente uitkomst van de actuele risicotaxatie beschreven staat. Daar de kernproblematiek tot op heden maar in beperkte mate bewerkbaar is gebleken, acht de kliniek het van essentieel belang dat het vervolgtraject op een gestructureerde en geleidelijke wijze wordt uitgevoerd, waarbij er nog geruime tijd sprake is van (forensische) begeleiding en toezicht. De kliniek heeft het advies om de maatregel met twee jaar te verlengen gehandhaafd.

Ter zitting

Ter zitting van het hof heeft [psycholoog 2] voornoemd het standpunt van de kliniek gehandhaafd. Volgens de kliniek is de terbeschikkinggestelde bij aanvang van de behandeling gediagnosticeerd met een persoonlijkheidsstoornis NAO met ontwijkende en afhankelijke trekken. Sindsdien is er in de kliniek geen diagnostisch onderzoek meer verricht. In het begin van de behandeling was de stoornis duidelijk zichtbaar, maar de terbeschikkinggestelde heeft zich door de behandeling in de kliniek zodanig ontwikkeld, dat deze de laatste tijd minder zichtbaar is geworden. De kliniek heeft de terbeschikkinggestelde niet de volledige behandeling kunnen bieden, die beoogd was. Zo is de beleving van de terbeschikkinggestelde ten aanzien van het indexdelict onbespreekbaar gebleven, omdat de terbeschikkinggestelde zich het indexdelict niet meer (volledig) kan herinneren.

Bij oplopende spanningen bij de terbeschikkinggestelde kan het tot een uitbarsting komen. Dit uit zich in snel boos worden, in die mate dat er geen gesprek meer mogelijk is, of in ontwijkend/terugtrekgedrag, al is dat de afgelopen periode niet meer waargenomen binnen de kliniek. Hij heeft zich de laatste tijd juist heel constructief opgesteld. In de kliniek hebben zich geen fysiek agressieve incidenten voorgedaan. Ook voorafgaand aan het indexdelict is niet gebleken van fysieke agressie. Teneinde te kunnen toetsen of er daadwerkelijk vorderingen zijn gemaakt, is het volgens de kliniek van belang dat de terbeschikkinggestelde gaat resocialiseren.

Het advies van de externe deskundigen

Het advies van psychiater [psychiater]

[psychiater] voornoemd geeft in zijn rapport aan dat de terbeschikkinggestelde niet (meer) lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens die in een psychiatrisch classificatiesysteem is te omschrijven. Hij schat het risico op geweldsdelicten laag in. [psychiater] heeft geadviseerd de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met een jaar te verlengen. Daarbij heeft hij geadviseerd om proefverlof voor te bereiden.

Ter zitting is [psychiater] bij de inhoud van zijn rapport gebleven. Dat hij ondanks het ontbreken van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de terbeschikkinggestelde heeft geadviseerd tot verlenging van de maatregel is ingegeven door het bestwil-criterium. De terbeschikkinggestelde heeft geprofiteerd van de behandeling ener valt nog meer vooruitgang te boeken. Het zou niet efficiënt zijn die “winst” niet te incasseren.

Het advies van psycholoog [psycholoog 1]

In haar rapport geeft [psycholoog 1] aan dat er bij de terbeschikkinggestelde geen sprake meer is van een pathologie die omschreven kan worden als een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in termen van de diagnostische criteria van de DSM-IV-TR. Volgens [psycholoog 1] heeft de terbeschikkinggestelde nooit voldaan aan de algemene criteria voor een persoonlijkheidsstoornis en voldoet hij daar nu zeker niet aan. Zowel de klinische als de structurele risico-inschatting wijst bij het tot stand brengen van een goed vervolgtraject met stabiliteit qua werk, wonen en financiën, vrijetijdsbesteding, monitoren van spanning en eventueel relatie-/systeemtherapie op een laag recidiverisico.

[psycholoog 1] heeft geadviseerd de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met een jaar te verlengen en, bij goed verloop van het resocialisatietraject, een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege voor te bereiden.

[psycholoog 1] is ter zitting van het hof bij de inhoud van haar rapport gebleven, met dien verstande dat zij, gelet op het tijdsverloop en het verhandelde ter zitting, niet uitsluit dat zij in geval van een nieuw uit te brengen rapportage zou adviseren tot een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege. De terbeschikkinggestelde heeft baat gehad bij de behandeling en hij verdient een goede afronding daarvan.

Haar advies tot verlenging van de maatregel met een jaar is niet helemaal ingegeven door het bestwil-criterium maar ook door enige onzekerheid over haar inschatting dat het recidiverisico laag zou zijn.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft erop gewezen dat bij de terbeschikkinggestelde ten tijde van het plegen van het indexdelict sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Volgens de kliniek is deze thans nog aanwezig, zij het minder manifest binnen de muren van de kliniek en moet in de resocialisatiefase worden getoetst of de behandeling daadwerkelijk effect heeft gesorteerd. De externe deskundigen daarentegen zijn van mening dat er geen sprake (meer) is van een stoornis en dat het recidiverisico laag is, maar zij hebben wel geadviseerd tot verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Juridisch gezien is dat niet mogelijk!

De advocaat-generaal schaart zich achter de kliniek en heeft geconcludeerd tot verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Nu er op korte termijn een nieuwe risicotaxatie zal worden gemaakt, acht de advocaat-generaal het aangewezen een vinger aan de pols te houden en de verlengingstermijn te beperken tot één jaar.

De advocaat-generaal verzet zich met klem tegen een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege. Voorwaardelijk, voor het geval dat het hof overweegt de verpleging van overheidswege te beëindigen, heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat er door de reclassering een maatregelrapport moet worden opgemaakt.

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsvrouw

De terbeschikkinggestelde en zijn raadsvrouw hebben primair afwijzing van de vordering bepleit. Daartoe hebben zij onder verwijzing naar de rapportages van de externe deskundigen aangevoerd dat er bij de terbeschikkinggestelde geen sprake meer is van een stoornis en dat het recidivegevaar zo laag is dat dit niet de voortduring van de terbeschikkingstelling kan rechtvaardigen. Verlenging van de maatregel zou leiden tot schending van het in artikel 5 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde verbod op willekeurige detentie. Ook een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege met zeer minimale voorwaarden brengt een beperking van de lichamelijke vrijheid van de terbeschikkinggestelde met zich en daarmee een schending van genoemd artikel 5 EVRM.. Daarom dient het bepaalde in artikel 509t, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering buiten toepassing te worden gelaten.

Subsidiair is verzocht de beslissing van de rechtbank te bevestigen en de terbeschikkingstelling met een jaar te verlengen en gelijktijdig de verpleging van overheidswege voorwaardelijk te beëindigen onder de minimale voorwaarden van reclasseringstoezicht (huisbezoeken daaronder begrepen) en de identificatieplicht. De terbeschikkinggestelde is bereid met de reclassering samen te werken en zich te houden aan deze voorwaarden.

Meer subsidiair hebben de terbeschikkinggestelde en zijn raadsvrouw gevraagd de reclassering de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege te laten onderzoeken. De terbeschikkinggestelde is bereid zich te houden aan alle voorwaarden die door de reclassering in dat geval worden geadviseerd.

Het oordeel van het hof

Vernietiging

Het hof zal de beslissing van de rechtbank om doelmatigheidsredenen vernietigen.

Doelstelling maatregel

De primaire doelstelling van de maatregel van de terbeschikkingstelling is de beveiliging van de samenleving. De maatregel wordt opgelegd aan personen die een ernstig delict hebben gepleegd en bij wie ten tijde van het begaan van dat delict een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond die (mede) van invloed is geweest op het plegen van het delict. Behandeling van die stoornis is noodzakelijk om het recidivegevaar tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen.

Indexdelict

Bij arrest van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 25 januari 2006 is de terbeschikkinggestelde veroordeeld tot een gevangenisstraf en terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege vanwege de moord op zijn ex-vriendin, een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.

Ten tijde van het begaan van het indexdelict was bij de terbeschikkinggestelde sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, volgens kinder- en jeugdpsychiater Broekman in de zin van antisociaal gedrag bij een onrijpe persoonlijkheidsontwikkeling, met als belangrijkste kenmerken omgevingsafhankelijkheid, conflictvermijding en verstoorde impuls(agressie)regulatie bij inadequate coping met stres, en volgens psycholoog/neuropsycholoog [psycholoog 3] in de zin van een persoonlijkheidsstoornis met in elk geval afhankelijke kenmerken.

Duur maatregel

De terbeschikkingstelling is formeel ingegaan op 28 februari 2008 en loopt thans ruim zes jaar. De termijn van een terbeschikkingstelling kan worden verlengd indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen die verlenging eist.

Gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens

Over de vraag of er thans nog sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens lopen de meningen van de kliniek en de externe deskundigen, psychiater [psychiater] en psycholoog [psycholoog 1], uiteen. De kliniek stelt zich op het standpunt dat er bij de terbeschikkinggestelde sprake is van een persoonlijkheidsstoornis NAO met ontwijkende en afhankelijke trekken. Genoemde deskundigen zijn daarentegen stellig in hun conclusie dat er bij de terbeschikkinggestelde geen sprake (meer) is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens.

Recidiverisico

Volgens de kliniek is de kans op recidive matig. Genoemde deskundigen schatten het recidiverisico als laag in.

Het hof neemt de conclusies en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen van de externe deskundigen over, nu zij op basis van twee onafhankelijke onderzoeken unaniem tot de conclusie zijn gekomen dat er geen sprake (meer) is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en het recidivegevaar niet pathologisch bepaald is. Het hof heeft geen reden om te veronderstellen dat deze onderzoeken niet ‘state of the art’ zouden hebben plaatsgevonden. Daarbij komt dat naar het oordeel van het hof de kliniek het (nog steeds) bestaan van een stoornis en een daarmee samenhangend recidivegevaar onvoldoende heeft onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden. Van duurzame disfunctionele en agressieve gedragspatronen in het leven van de terbeschikkinggestelde is onvoldoende gebleken. Er is slechts sprake geweest van één geweldsdelict, het indexdelict, dat naar het hof aanneemt sterk contextueel was bepaald. Ook in de kliniek heeft de terbeschikkinggestelde geen gewelddadig gedrag laten zien.

Gelet op het voorgaande wordt niet voldaan aan het in artikel 38d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht genoemde vereiste voor verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling. Dit betekent dat de maatregel zou moeten worden beëindigd.

Per 1 juli 2013 is echter de Wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden, de Penitentiaire Beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen in verband met de verruiming van de mogelijkheid onvrijwillige geneeskundige behandeling te verrichten, in werking getreden (Stb. 2012, 410). Daardoor is onder meer artikel 509t, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gewijzigd. Die wijziging houdt onder meer in dat daaraan een volzin is toegevoegd, waarin wordt bepaald dat beëindiging van de terbeschikkingstelling niet eerder kan plaatsvinden dan nadat de verpleging van overheidswege gedurende minimaal een jaar voorwaardelijk beëindigd is geweest.

Met betrekking tot deze wijziging verwijst het hof naar zijn beslissingen van 9 januari 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:67) en van 20 februari 2014 (ECLI:NL:GHARL: 2014:1669) waarin het hof het volgende heeft overwogen.

“Het hof verstaat de laatste volzin van het tweede lid van artikel 509t van het Wetboek van Strafvordering aldus dat deze toepassing vindt als de officier van justitie de verlenging van de terbeschikkingstelling heeft gevorderd, met andere woorden beëindiging van de terbeschikkingstelling moet in het kader van deze bepaling worden opgevat als afwijzing van de vorderring tot verlenging van de terbeschikkingstelling.

De voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege kan slechts worden bevolen als de maatregel van terbeschikkingstelling wordt verlengd of, met toepassing van artikel 5095, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering, is verlengd. Ingevolge artikel 38d van het Wetboek van Strafrecht kan de maatregel alleen worden verlengd als de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging eist.

Naar het oordeel van het hof vormt een verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, waarbij niet aan de verlengingsgrond van genoemd artikel 38d is voldaan, een schending van het in artikel 5 EVRM besloten liggende verbod op willekeurige detentie. In die gevallen dat de verpleging van overheidswege voorwaardelijk is of wordt beëindigd, kán, afhankelijk van de aan die voorwaardelijke beëindiging verbonden vrijheidsbeperkende voorwaarden, verlenging van de maatregel waarbij niet aan de verlengingsgrond van artikel 38d is voldaan, schending opleveren van artikel 5 EVRM en/of van artikel 2, eerste lid, Vierde Protocol bij het EVRM (het recht zich vrij te verplaatsen en vrij woonplaats te kiezen). Dit laatste artikel dient ingevolge artikel 6 van het Protocol als een aanvullend artikel van het EVRM te worden aangemerkt.

Onverkort toepassing geven aan de laatste volzin van het tweede lid van artikel 509t van het Wetboek van Strafvordering kan dus strijdig zijn met artikel 5 EVRM dan wel met artikel 2 Vierde Protocol bij het EVRM. In die gevallen dient naar het oordeel van het hof de bepaling in die volzin dan ook buiten toepassing te worden gelaten, nu ingevolge artikel 94 van de Grondwet binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing vinden, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Het EVRM is zo’n verdrag.”

Gelet hierop is het hof van oordeel dat in deze zaak de verpleging van overheidswege voorwaardelijk dient te worden beëindigd. Voorwaarden die aan een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege zouden kunnen of moeten worden verbonden, zijn in deze zaak nog niet geformuleerd. Het hof zal het onderzoek echter niet heropenen teneinde de reclassering te laten rapporteren over de wenselijke voorwaarden en wijst derhalve het voorwaardelijk geformuleerde verzoek van de advocaat-generaal af. Het laten opmaken van een maatregelrapport zou immers impliceren dat de terbeschikkinggestelde nog drie tot vier maanden langer de verpleging van overheidswege zou moeten ondergaan, terwijl het hof heeft vastgesteld dat daartoe geen redenen meer zijn. Het hof zal daarom zelf de voorwaarden formuleren.

Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de hierna te noemen voorwaarden niet of nauwelijks vrijheidsbeperkend zijn en dat in dit geval dan ook - zonder dat strijd ontstaat met het EVRM – toepassing kan worden gegeven aan artikel 509t, tweede lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering indien de terbeschikkingstelling met een jaar wordt verlengd onder gelijktijdige voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege met de hierna vermelde voorwaarden, waarmee de terbeschikkinggestelde subsidiair heeft ingestemd.

Beslissing

Het hof:

Wijst af het verzoek tot het doen onderzoeken van de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

Vernietigt de beslissing van de rechtbank Limburg van 4 maart 2014 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [naam terbeschikkinggestelde].

Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar.

Beëindigt de verpleging van overheidswege en stelt daarbij de volgende voorwaarden:

  • -

    de terbeschikkinggestelde verleent medewerking aan het reclasseringstoezicht overeenkomstig artikel 14d, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

  • -

    de terbeschikkinggestelde verleent ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of biedt ter inzage een identiteitsbewijs aan als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

Draagt Reclassering Nederland op de terbeschikkinggestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Aldus gedaan door

mr Y.A.J.M. van Kuijck als voorzitter,

mr P.R. Wery en mr A.J. Smit als raadsheren,

en dr. I.M. van Woudenberg en dr. W.J. Canton als raden,

in tegenwoordigheid van mr I.H.A. Bijl als griffier,

en op 24 juli 2014 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.