Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:5894

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
200.150.759
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Afwijzing wrakingsverzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummers: 21-000765-14

WRAKING: 200.150.759

Uitspraak d.d.: 22 juli 2014

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Locatie Arnhem

Wrakingskamer

Beslissing

gewezen op het verzoek als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, gedaan door

[verzoeker],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in [detentieadres].

De procedure

Ter terechtzitting van 6 juni 2014 is namens verzoeker om wraking verzocht van mrs H. Abbink, M.J. Stolwerk en M.E. van Wees. Door raadsheer Abbink is, mede namens de raadsheren Stolwerk en Van Wees, schriftelijk bericht (e-mail) dat zij niet in de wraking berusten en niet de behoefte hebben om hun standpunt ter zitting van de wrakingskamer toe te lichten. Voorts is in dit bericht een korte inhoudelijke reactie gegeven op het wrakingsverzoek, inhoudende:

“Het behoort tot het gewone rechterlijke werk om op vorderingen en verzoeken te beslissen en die beslissing te motiveren. Anders dan verzoeker uit de motivering meent te kunnen afleiden, heeft de al dan niet betrouwbaarheid van de verklaringen van verzoeker geen rol gespeeld. Verzoeker heeft zijn verschillende belangen afgewogen en op grond daarvan een keuze gemaakt. Aan die keuze is vervolgens door het hof een gevolg verbonden, namelijk de afwijzing van het verzoek van de verdediging.”

De wrakingskamer heeft ter zitting van 8 juli 2014 gehoord de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr B. Yeşilgöz, advocate te Amsterdam, en de advocaat-generaal.

Ontvankelijkheid

Het hof acht het verzoek tijdig gedaan en ook overigens ontvankelijk.

De gronden van het verzoek tot wraking

Door de verdediging is in de strafzaak (onder meer) verzocht om het horen van verbalisant Kerver.

Het hof heeft dit verzoek afgewezen en heeft daartoe overwogen dat de behartiging van het verdedigingsbelang in de eerste plaats ligt bij de verdachte. Verdachte wil de betreffende getuige laten horen teneinde aannemelijk te maken dat zich ten tijde van de aanrijding nog een inzittende in de auto bevond en wel de bestuurder van de auto. Verdachte heeft ervoor gekozen de naam van deze persoon niet te noemen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat door afwijzing van het verzoek de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad.

De raadsvrouw is van mening dat bovengenoemde raadsheren met (de motivering van) deze beslissing de vrees van vooringenomenheid hebben gewekt.

Ter zitting van 6 juni 2014 heeft de raadsvrouw het volgende aangevoerd ter onderbouwing van haar wrakingsverzoek:

“Cliënt heeft ten aanzien van de afwijzing van het verzoek tot het horen van verbalisant Kerver als getuige en de onderbouwing daarvan door het hof het gevoel dat het hof reeds een waardeoordeel heeft gegeven over de betrouwbaarheid van de verklaringen van cliënt. De verklaringen van de politieagenten die zich reeds in het dossier bevinden zijn tegenstrijdig met de verklaringen van cliënt. Vanwege de indruk die bij cliënt is ontstaan met betrekking tot het oordeel van het hof over de betrouwbaarheid van zijn verklaringen wraak ik u, alle drie de raadsheren.”

Bij brief van 4 juli 2014 en ter zitting van de wrakingskamer van 8 juli 2014 heeft de raadsvrouw nog een nadere toelichting gegeven op het wrakingsverzoek, kort gezegd inhoudende dat de vraag of er sprake is van een medeverdachte los staat van de vraag wie deze medeverdachte is en dat het gerechtshof mee had moeten wegen dat verzoeker de naam niet wilde noemen vanwege gevaar voor zijn eigen veiligheid en die van zijn familie. Er was dus geen sprake van een keuze de naam wel of niet te noemen. Het verdedigingsbelang bij het verzoek staat los van de verklaring van verzoeker. Het gerechtshof heeft er blijk van gegeven de verklaring van verzoeker niet te geloven, nu zijn verklaring tegen hem gebruikt wordt waardoor de indruk is ontstaan dat het gerechtshof reeds een standpunt heeft ingenomen over de aannemelijkheid van de verklaring van verzoeker.

Standpunt advocaat-generaal

Ter terechtzitting van 8 juli 2014 is gehoord de advocaat-generaal, die heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

De beoordeling van het verzoek tot wraking

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit lijdt slechts uitzondering indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Voorts kan het middel van wraking niet een verkapt rechtsmiddel zijn tegen, voor de verzoeker onwelgevallige beslissingen van de zittingsrechter. Het behoort tot de normale taak van de zittingsrechter om, gaande de procedure, (tussen)beslissingen te nemen over onder meer het al dan niet horen van getuigen. Dat kunnen voor de verdachte (of het openbaar ministerie) nadelige beslissingen zijn. Grond voor wraking bestaat alleen als de beslissing een feit oplevert waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

De wrakingskamer constateert dat het thans om het afwijzen van een verzoek tot het horen van een verbalisant als getuige gaat. Een beslissing op een dergelijk verzoek heeft een procedureel karakter. Uit deze beslissing valt geen enkele vooringenomenheid af te leiden omtrent de schuld of onschuld van verzoeker. De door verzoeker gestelde vrees daarvoor is ook niet objectief gerechtvaardigd. Ook met de motivering van de afwijzing van het verzoek tot het horen heeft het hof niet de objectieve indruk gewekt vooruitgelopen te zijn op het eindoordeel ten aanzien van het bewijs tegen verzoeker en de schuldvraag. Voor zover verzoeker stelt dat de gegeven motivering van de afwijzing niet concludent is, kan tegen de (motivering van de) beslissing desgewenst te zijner tijd in cassatie worden opgekomen.

Ook overigens valt uit de beslissing van het hof geen vooringenomenheid af te leiden omtrent schuld of onschuld van verdachte of enig ander op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting te beslissen punt.

Het wrakingsverzoek moet daarom worden afgewezen

BESLISSING

Het hof:

Wijst af het verzoek tot wraking van mrs H. Abbink, M.J. Stolwerk en M.E. van Wees.

Aldus gewezen door

mr Y.A.J.M. van Kuijck, voorzitter,

mrs H. van Loo en R.F.C. Spek, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr K.J.F. Roelofs-van Dinther, griffier,

en op 22 juli 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.