Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:5890

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-07-2014
Datum publicatie
01-08-2014
Zaaknummer
13/01246
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:4086, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Motorrijtuigenbelasting. Toepassing kwarttarief voor kampeerauto’s. Ingangsdatum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1829
V-N Vandaag 2014/1581
V-N 2014/53.26.3
Rolleman annotatie in NTFR 2014/2148

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 13/01246

uitspraakdatum: 15 juli 2014

Uitspraak van de achtste enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X], wonende te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 oktober 2013, nummer AWB 13/2515, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratie (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Belanghebbende heeft de Inspecteur verzocht om toepassing van het kwarttarief als bedoeld in artikel 23a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet Mrb). De Inspecteur heeft dit verzoek bij beschikking van 25 februari 2013 met ingang van 30 januari 2013 toegewezen.

1.2

De beschikking is na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur, gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft het beroep bij uitspraak van 29 oktober 2013 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2014 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [A] en [B] namens de Inspecteur.

1.7

Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is sinds 30 januari 2012 houder van een motorrijtuig met het kenteken [00-YYY-0] (hierna: het motorrijtuig). De datum van de eerste tenaamstelling van het kentekenbewijs van het motorrijtuig is 30 januari 2012.

2.2

Ingevolge het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de Wet Mrb is het eerste tijdvak waarover belanghebbende de belasting ter zake van het houden van het motorrijtuig heeft betaald, aangevangen op 30 januari 2012 en de daaropvolgende tijdvakken telkenmale drie maanden later.

2.3

Het motorrijtuig is een personenauto in de zin van artikel 3 van de Wet Mrb. Het motorrijtuig is ingericht als een kampeerauto als bedoeld in artikel 23a van de Wet Mrb (hierna: kampeerauto). Het motorrijtuig wordt niet bedrijfsmatig verhuurd.

2.4

Belanghebbende heeft met ingang van 30 januari 2012 de motorrijtuigenbelasting voor het motorrijtuig voldaan naar het tarief voor een personenauto als bedoeld in artikel 23 van de Wet Mrb.

2.5

Belanghebbende heeft op 4 februari 2013 telefonisch een verzoek ingediend om toepassing van het tarief als bedoeld in artikel 23a van de Wet Mrb (hierna: het kwarttarief) met ingang van 30 januari 2012.

2.6

De Inspecteur heeft het verzoek om toepassing van het kwarttarief bij beschikking van 25 februari 2013 toegewezen, doch - in afwijking van het verzoek van belanghebbende - met ingang van 30 januari 2013.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is met ingang van welke datum de Inspecteur het kwarttarief dient toe te passen.

3.2

Belanghebbende meent dat het kwarttarief met ingang van 30 januari 2012 dient te worden toegepast. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het kwarttarief eerst met ingang van 30 januari 2013 toepassing kan vinden.

3.3

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.4

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot wijziging van de beschikking in die zin, dat het kwarttarief met ingang van 30 januari 2012 van toepassing is. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1

Het Hof heeft geconstateerd dat de uitspraak van de Rechtbank is gedaan door mw. mr. J.M.W. van de Sande, terwijl volgens het proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank, de zitting bij de Rechtbank is voorgezeten door mr. A.M.F. Geerling. Ter zitting bij het Hof is vast komen te staan dat de zitting bij de Rechtbank is voorgezeten door een vrouwelijke rechter. Het Hof gaat er daarom vanuit dat de vermelding van mr. A.M.F. Geerling als voorzitter in het proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank berust op een vergissing en dat de zitting bij de Rechtbank is voorgezeten door mw. mr. J.M.W. van de Sande die ook de uitspraak heeft gedaan. Nu gesteld noch gebleken is dat deze vergissing overigens heeft geleid tot een onjuiste vaststelling van het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting verbindt het Hof daaraan geen gevolgen.

Schending hoorplicht

4.2

Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarprocedure. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur op grond van hetgeen door belanghebbende in zijn bezwaarschrift is aangevoerd terecht tot het oordeel kon komen dat sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar als bedoeld in artikel 7:3, onder b, van de Awb, nu over de feiten of de toepasselijke regels redelijkerwijze geen onduidelijkheid meer kon bestaan. Gelet hierop heeft de Inspecteur terecht afgezien van het horen van belanghebbende.

Ingangsdatum kwarttarief als bedoeld in artikel 23a Wet Mrb

4.3

Op grond van artikel 23a van de Wet Mrb bedraagt de belasting voor een personenauto waarvan de binnenruimte is ingericht voor het vervoer en verblijf van personen en is voorzien van een vaste kook- en slaapgelegenheid en die voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden en beperkingen met betrekking tot uiterlijk en inrichting, in afwijking van artikel 23 van de Wet Mrb en onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, een kwart van de ingevolge dat artikel verschuldigde belasting.

4.4

In artikel 5aa, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: het Uitvoeringsbesluit; tekst 1 juli 2006 tot en met 31 december 2012) is bepaald dat toepassing van het kwarttarief plaatsvindt op verzoek. Het achtste lid bepaalt dat de Inspecteur op het verzoek beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking en dat deze beschikking, tenzij anders is bepaald, terugwerkt tot op het tijdstip waarop het verzoek is ingediend. In punt 11 van het Kaderbesluit Motorrijtuigenbelasting 2010 (Stc. 2010, nr. 8949, hierna: het Kaderbesluit) is met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hardheidsclausule) goedgekeurd dat het bijzondere tarief met terugwerkende kracht wordt verleend tot het begin van het tijdvak waarin het verzoek is binnengekomen.

4.5

Vast staat dat belanghebbende eerst op 4 februari 2013 het verzoek heeft gedaan om toepassing van het kwarttarief. Voorts staat vast dat de Inspecteur dit verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking heeft toegewezen, met terugwerkende kracht tot het begin van het tijdvak waarin het verzoek is binnengekomen, zijnde 30 januari 2013. Gelet hierop heeft de Inspecteur in overeenstemming met artikel 23a van de Wet Mrb en het Kaderbesluit het kwarttarief met ingang van 30 januari 2013 laten ingaan. Artikel 23a van de Wet Mrb en het Kaderbesluit bieden geen ruimte voor een verdere terugwerkende kracht.

4.6

De omstandigheid dat het belanghebbende – naar hij stelt – niet kenbaar was dat hij een verzoek om toepassing van het kwarttarief moest indienen, dient naar het oordeel van het Hof voor rekening en risico van belanghebbende te komen. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat toepassing van het kwarttarief een begunstigende uitzondering is op de hoofregel dat een personenauto die is ingericht als kampeerauto wordt belast naar het volle tarief van artikel 23 van de Wet Mrb en dat het derhalve op de weg van belanghebbende ligt om inlichtingen in te winnen over de wijze waarop hij in aanmerking kan komen voor toepassing van het kwarttarief.

4.7

Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat het motorrijtuig in het kentekensysteem als kampeerauto was geregistreerd en dat de Inspecteur deze registratie had dienen te volgen. Het Hof overweegt dienaangaande dat – los van het feit dat uit het door belanghebbende overgelegde afschrift van het kentekenbewijs volgt dat het motorrijtuig in het kentekensysteem is geregistreerd als een personenauto – de wet Mrb zelfstandige regels kent om te bepalen of een motorrijtuig kwalificeert als een personenauto die is ingericht als een kampeerauto. Aan de registratie van het motorrijtuig in het kentekensysteem komt bij de beoordeling van de vraag of een motorrijtuig kwalificeert als personenauto die is ingericht als een kampeerauto derhalve geen betekenis toe. Bovendien rust ingevolge het bepaalde in artikel 23a van de Wet Mrb en artikel 5aa van het Uitvoeringsbesluit op de Inspecteur niet de plicht te onderzoeken of het motorrijtuig in de periode voorafgaande aan het verzoek om toepassing van het kwarttarief in aanmerking kwam voor toepassing van het kwarttarief (vgl. HR 1 maart 1978, nr. 18 739, ECLI:NL:HR1978:AX3019, BNB 1978/83).

4.8

Belanghebbende heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de wet in het onderhavige geval onrechtvaardig uitwerkt en het Hof op die grond verzocht om het kwarttarief met ingang van 30 januari 2012 van toepassing te verklaren. Dienaangaande overweegt het Hof dat het Hof volgens de wet recht dient te spreken en in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen.

4.9

Tot slot heeft belanghebbende nog erop gewezen dat per 1 januari 2013 het Uitvoeringsbesluit is gewijzigd, als gevolg waarvan de aanvraag om wijziging van de tenaamstelling van het kentekenbewijs wordt aangemerkt als een verzoek om toepassing van het kwarttarief. Dienaangaande overweegt het Hof dat voor zover belanghebbende heeft beoogd een beroep te doen op het gewijzigde Uitvoeringsbesluit, dit beroep faalt omdat het gewijzigde Uitvoeringsbesluit slechts geldt voor wijzigingen van tenaamstellingen die op of na 1 januari 2013 hebben plaatsgevonden en ook bij de totstandkoming van die bepaling niet is voorzien in terugwerkende kracht.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, lid van de achtste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. N.G.U. Bezemer als griffier.

De beslissing is op 15 juli 2014 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(N.G.U. Bezemer) (J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 17 juli 2014

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij:

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.