Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:5889

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
200.151.998
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Afwijzing wrakingsverzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Wrakingskamer

Parketnummer: 21-002504-13

Wrakingsnummer: 200.151.998

Uitspraakdatum: 7 juli 2014

Beslissing gewezen op het verzoek als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, gedaan door

[verzoeker]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende in [PPC].

De procedure

Bij brief van 4 juli 2014 is namens verzoeker om wraking verzocht van mr. M. Otte.

Mr. Otte heeft aangegeven dat hij niet in de wraking berust en dat hij er geen behoefte aan heeft om te worden gehoord bij de behandeling van het wrakingsverzoek.

De wrakingskamer heeft ter zitting van 7 juli 2014 gehoord verzoeker, zijn raadsvrouw en de advocaat-generaal, die heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

Ontvankelijkheid

De wrakingskamer acht het verzoek tijdig gedaan en ook overigens ontvankelijk.

De gronden van het verzoek tot wraking

Ter onderbouwing van het wrakingsverzoek is - kort gezegd - het volgende aangevoerd.

Bij e-mailbericht van 6 juni 2014 heeft de advocaat-generaal bericht dat zowel hij als de raadsvrouw het noodzakelijk acht dat drie deskundigen ter terechtzitting van 7 juli 2014 zullen worden opgeroepen. Het hof heeft op dit e-mailbericht gereageerd en daarbij aangegeven dat het hof vooralsnog geen aanleiding ziet om de deskundigen op te roepen. Bij brief van 26 juni 2014 heeft de raadsvrouw (nogmaals) verzocht om de drie deskundigen ter terechtzitting van 7 juli 2014 op te roepen. Bij e-mailbericht van 1 juli 2014 is namens de voorzitter het volgende aan de raadsvrouw bericht: “Zoals u al is bericht, koerst het hof in beginsel op een inhoudelijke behandeling van de zaak. Richt u zich daarop bij de voorbereiding van de zaak, hetgeen onverlet laat dat de behandeling kan uitmonden in een aanhouding indien het hof overtuigd raakt van de noodzaak de deskundigen alsnog ter zitting te horen. Voor de goede orde merk ik nog op dat anders dan u lijkt te veronderstellen de voorlopige beslissing uw verzoeken af te wijzen geheel los staat van het navragen of de deskundigen op 7 juli in de gelegenheid zouden zijn ter zitting te verschijnen.”

Het feit dat de voorzitter reeds op voorhand het verzoek tot het horen van de deskundigen afwijst, levert zwaarwegende aanwijzingen op dat de voorzitter zich reeds een oordeel heeft gevormd omtrent de waarde van het forensisch bewijs, de feiten en in het verlengde daarvan de te beantwoorden vragen van artikel 350 Sv, aldus de raadsvrouw. Daarbij acht de raadsvrouw van belang dat het hof – buiten medeweten van de verdediging – geïnformeerd heeft of de deskundigen beschikbaar waren om op de terechtzitting van 7 juli 2014 te worden gehoord, hetgeen niet het geval bleek. Ook acht de raadsvrouw hierbij van belang dat mr. Otte op voorhand een wrakingskamer heeft doen samenstellen voor de terechtzitting van 7 juli 2014.

De beoordeling van het verzoek tot wraking

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit lijdt slechts uitzondering indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

De wrakingskamer stelt voorts voorop, dat het middel van wraking niet een verkapt rechtsmiddel kan zijn tegen - de verzoeker onwelgevallige - (processuele) beslissingen van de zittingsrechter. Het behoort tot de normale taak van de zittingsrechter om, gaande de procedure, (tussen)beslissingen te nemen over (onder meer) het al dan niet horen van getuigen en deskundigen. Grond voor wraking bestaat alleen als uit de beslissing, waaronder begrepen de motivering, zwaarwegende aanwijzingen als hiervoor omschreven kunnen worden afgeleid.

De wrakingskamer is van oordeel dat uit de berichten van het hof niet zulke zwaarwegende aanwijzingen kunnen worden afgeleid. Uit de hiervoor weergegeven bewoordingen van

mr. Otte blijkt dat er sprake is van een voorlopige beslissing op het verzoek, die niet vooruitloopt op een door het hof als meervoudige kamer te nemen beslissing op de onderzoekswensen van verzoeker. De door de raadsvrouw genoemde bijkomende omstandigheden - het informeren naar de beschikbaarheid van de deskundigen en het doen samenstellen van een wrakingskamer - maken dat niet anders.

De wrakingskamer is daarom van oordeel dat uit de beslissing van de voorzitter, mr. Otte, geen vooringenomenheid valt af te leiden omtrent schuld of onschuld van verzoeker of enig ander op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting te beslissen punt.

BESLISSING

Het hof (wrakingskamer):

Wijst het verzoek tot wraking van mr. M. Otte af.

Aldus gewezen door

mr. R. van den Heuvel, voorzitter,

mrs. I.A. Katz-Soeterboek en R.F.C. Spek, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. W.B. Kok, griffier,

en op 7 juli 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.