Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:5830

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
200.142.322-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil over verbeurde dwangsommen wegens niet naleving zorgregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.142.322/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/358977 / KL ZA 13-450)

arrest in kort geding van de eerste kamer van 29 juli 2014

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. A. Stoel, kantoorhoudend te Dronten, die ook heeft gepleit,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. I.H.M. Leyten-Smits, kantoorhoudend te Dronten, die ook heeft gepleit.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 20 januari 2014 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 14 februari 2014 met grieven,

- het gehouden pleidooi waarbij mr. Stoel een pleitnotitie heeft overgelegd.

2.2

Na afloop van het pleidooi heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellante] luidt:

"Te vernietigen het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, sector Civiel, locatie Lelystad, van 20 januari 2014, in de zaak met zaak/rolnummer C16/358977/KL ZA 13-450, daaronder begrepen de veroordeling van eiseres in de proceskosten en opnieuw rechtdoende de vorderingen van appellante alsnog toe te wijzen, onder veroordeling van geïntimeerde in de proceskosten in appel en in eerste instantie".

3 De vaststaande feiten

3.1

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.8 van genoemd vonnis van 20 januari 2014 is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, luiden:

3.2

Partijen zijn gehuwd geweest. Uit dat huwelijk zijn twee kinderen geboren, te

weten[minderjarige 1], geboren [in 1999] en [minderjarige 2], geboren [in 2001].

3.3

Het huwelijk is [in 2004] ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Zwolle van 26 mei 2004 in de registers van de burgerlijke stand.

3.4

De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij [appellante].

3.5

In voormelde beschikking van 26 mei 2004 heeft de rechtbank Zwolle een zorgregeling tussen [geïntimeerde] en de kinderen vastgesteld.

3.6

[geïntimeerde] heeft bij verzoekschrift van 16 april 2009 de rechtbank Zwolle-Lelystad verzocht deze zorgregeling te wijzigen.

3.7

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft bij (tussen)beschikking van 13 augustus 2009 een voorlopige zorgregeling tussen [geïntimeerde] en de kinderen vastgesteld en partijen verzocht de rechtbank over het verloop hiervan te informeren.

3.8

[appellante] heeft vervolgens bij de voorzieningenrechter in kort geding gevorderd onder meer de tenuitvoerlegging van voormelde beschikking van 13 augustus 2009 te schorsen, hetgeen bij vonnis in kort geding van 1 oktober 2009 is afgewezen.

3.9

Vervolgens heeft de rechtbank bij 6 november 2009 wederom een voorlopige zorgregeling vastgesteld.

3.10

Bij beschikking van 1 februari 2010 zijn de kinderen mede in verband met de problemen rond de zorgregeling onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling heeft geduurd tot begin 2013.

3.11

Bij (eind)beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 februari 2010 is een zorgregeling tussen [geïntimeerde] en de kinderen vastgesteld, inhoudende dat de kinderen eenmaal per veertien dagen vanaf zaterdag 9.00 uur tot zondag 19.00 uur en gedurende de helft van de vakanties en van de feestdagen bij [geïntimeerde] verblijven, waarbij [geïntimeerde] de kinderen bij [appellante] haalt en [appellante] hen weer bij [geïntimeerde] haalt.

3.12

Bij beschikking van het hof Leeuwarden van 1 maart 2011 is de beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 februari 2010 vernietigd en opnieuw rechtdoende

een zorgregeling tussen [geïntimeerde] en de kinderen vastgesteld in de zin dat [geïntimeerde] gerechtigd is de kinderen bij zich te ontvangen:

- eenmaal in de veertien dagen op zaterdag van 09.00 uur tot 20.00 uur en op zondag van 09.00 uur tot 19.00 uur;

- in iedere vakantie per saldo twee dagen extra per week van 09.00 uur tot 20.00 uur, de dagen in onderling overleg te bepalen;

- de helft van de feestdagen; waarbij [geïntimeerde] de kinderen bij [appellante] zal ophalen en [appellante] de kinderen bij [geïntimeerde] zal ophalen;

totdat onder leiding van de gezinsvoogd gekomen is tot de zorgregeling zoals vastgesteld in de beschikking van 19 februari 2010, inhoudende dat [geïntimeerde] gerechtigd is de kinderen bij zich te ontvangen:

- eenmaal per veertien dagen, telkens van zaterdag 9.00 uur tot zondag 19.00 uur;

- de helft van de feestdagen;

- waarbij [geïntimeerde] de kinderen bij [appellante] zal ophalen en [appellante] de kinderen bij [geïntimeerde] zal ophalen;

onder bepaling dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 300,- voor iedere keer dat zij de zorgregeling niet of niet volledig nakomt met een maximum van € 9.000,-.

In rechtsoverweging 29 van deze beschikking is overwogen:

"Aangezien voldoende gebleken is dat de moeder weigerachtig is de zorgregeling op de door de rechtbank - al meermaals bij beschikking - vastgestelde wijze na te komen en er geen vertrouwen bestaat dat de moeder de zorgregeling thans wel zal nakomen, ziet het hof aanleiding om een dwangsom van € 300,-- te verbinden aan iedere keer dat de moeder de zorgregeling niet of niet volledig nakomt, met een maximum van € 9.000,--. Vorenstaande leidt slechts uitzondering indien de ouders schriftelijk een afwijking van het omgangsmoment zijn overeengekomen."

3.13

[geïntimeerde] heeft voormelde beschikking van 1 maart 2011 aan [appellante] betekend en aanzegging gedaan aan [appellante] van het verbeuren van dwangsommen ad € 300,- per dag over de periode 25 juli 2011 tot en met 29 juli 2011 voor € 600,-; 1 augustus 2011 tot en met 5 augustus 2011voor € 1.200,-; 8 augustus 2011 tot en met 12 augustus 2011 voor € 600,- en 15 augustus 2011 tot en met 19 augustus 2011 voor € 1.200,-.

3.14

[geïntimeerde] heeft ten laste van [appellante] op 19 augustus 2011 executoriaal beslag doen leggen onder de Belastingdienst Toeslagen en op 6 september 2011 loonbeslag doen leggen.

3.15

[appellante] heeft vervolgens een executiegeschil aanhangig gemaakt bij de voorzieningenrechter te Lelystad. Partijen hebben in het kader van deze procedure mediation beproefd wat niet tot resultaat heeft geleid.

3.16

De voorzieningenrechter te Lelystad heeft daarop bij vonnis van 23 augustus 2012 de vorderingen van [appellante] (onder andere staking van de executie) afgewezen.

3.17

De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft bij vonnis van 14 februari 2013 beslist dat de dwangsommen over periode 15 augustus 2011 tot en met 19 augustus 2011 ad € 1.200,- zijn verjaard en heeft in zoverre de vordering van [appellante] om de tenuitvoerlegging van de beschikking van het hof van 1 maart 2011 op te schorten en de aangevangen executie gestaakt te houden, toegewezen. Voor het overige is de door [appellante] gevorderde opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking van dit hof van 1 maart 2011 en staking van de executie afgewezen.

3.18

[appellante] heeft bij exploot van 6 februari 2013 [appellante] voor dit hof gedaagd en - samengevat weergegeven - gevorderd de in de beschikking van dit hof van 1 maart 2011 opgelegde dwangsom op nihil te stellen, althans in tijd te beperken, althans deze dwangsomveroordeling op te heffen, althans in goede justitie een voorziening te treffen die recht doet aan de omstandigheden van na die beschikking, om [geïntimeerde] te bevelen de executie van die beschikking te staken en hem te veroordelen tot opheffing van alle door hem gelegde beslagen, een en ander op straffe van een dwangsom. Deze zaak was bij dit hof aanhangig onder zaaknummer 200.121.499/01.

3.19

Partijen hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van de zaak met zaaknummer 200.121.499/01 op 18 februari 2013 afspraken gemaakt over een zorgregeling, ingaande 3 maart 2013. Dit hof heeft deze vastgelegd in het tussenarrest van 19 maart 2013, waarvan het dictum onder meer luidt:

verstaat dat tussen partijen is overeengekomen dat [geïntimeerde] met ingang van 3 maart 2013 eens per veertien dagen op zondag van 10.00 uur tot 19.00 uur omgang heeft met de minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2], waarbij [appellante] de kinderen bij [geïntimeerde] brengt en [geïntimeerde] ze weer terugbrengt bij [appellante]. De maandag na elk omgangsweekend dienen advocaten van partijen het hof schriftelijk te berichten of de omgang conform afspraak heeft plaatsgevonden;

bepaalt dat de advocaten van partijen over drie maanden te rekenen vanaf 3 maart 2013 het hof zullen berichten over het verloop van de omgangsregeling en daarbij tevens zullen aangeven wat zij verder van het hof verwachten. Het hof kan op verzoek van partijen, dan wel ambtshalve beslissen om de zaak opnieuw mondeling te behandelen, dan wel arrest te wijzen;

bepaalt dat gedurende deze drie maanden, althans zolang de omgang volgens bovengenoemde afspraken verloopt, [appellante] geen dwangsommen verschuldigd zal zijn en dat [geïntimeerde] geen uitvoering zal geven aan de inning van verbeurde dwangsommen".

3.20

[appellante] heeft op 9 september 2013 een verzoekschrift tot wijziging omgangsregeling ex artikel 1:377e BW ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, inhoudende dat de omgang tussen [geïntimeerde] en de kinderen eenmaal per veertien dagen zal plaatsvinden op zondag van 10.00 uur tot 19.00 uur, waarbij zij de kinderen heenbrengt en [geïntimeerde] de kinderen terugbrengt. Daarnaast heeft zij verzocht te bepalen dat de dwangsomveroordeling met ingang van 29 augustus 2013, althans een andere in het nabije verleden gelegen datum, niet meer van toepassing is, dan wel om een andere dwangsom vast te stellen.

3.21

Op 29 augustus 2013 heeft een pleidooi plaatsgevonden in het bij dit hof aanhangige executiegeschil met zaaknummer 200.121.499/01.

3.22

Op 15 oktober 2013 heeft dit hof in het executiegeschil met zaaknummer 200.121.499/01 eindarrest gewezen. Het hof heeft daarbij de oorspronkelijke vordering van [appellante] om voor recht te verklaren dat zij in de onmogelijkheid verkeerde om aan de eerder door (de rechtbank en) het hof opgelegde hoofdveroordeling (de omgang) te voldoen en dat daarom het verbeuren van de dwangsommen onrechtmatig dan wel ongewenst is, alsmede de nadien ingestelde vorderingen van partijen, afgewezen. Het hof heeft daarbij het navolgende overwogen:

"Het hof is, alles overwegende, van oordeel dat in de onderhavige zaak niet, althans onvoldoende is gebleken dat aan de zijde van [appellante] sprake is van onmogelijkheid in de zin van artikel 611d Rv. Zij is in het verleden weigerachtig geweest om aan de omgangsregeling mee te werken, waarbij zij niet op grond van objectieve factoren heeft onderbouwd, dat zij in de onmogelijkheid verkeerde haar medewerking te verlenen."

en

"Het is en blijft de verantwoordelijkheid van ouders om de omgang in goede banen te leiden. Van [appellante] mag verlangd worden dat zij zich zoveel als mogelijk inspant om gevolg te geven aan de hoofdveroordeling van het hof uit 2011 zonder de minderjarigen te belasten met de tussen partijen levende problematiek. (…)"

3.23

Op 6 december 2013 heeft [geïntimeerde] de grosse van de beschikking van het

gerechtshof van 1 maart 2011 nogmaals betekend en daarbij aangezegd dat op 15 oktober 2013 het hof eindarrest heeft gewezen en dat [appellante] niet heeft voldaan aan het haar gedane bevel tot nakoming van de omgangsregeling, rekening houdend met het bepaalde in het tussenarrest van 19 maart 2013 met betrekking tot de omgangsregeling in de periode 3 maart 2013 tot en met 3 juni 2013, zodat [geïntimeerde] aanspraak heeft gemaakt op de volgende verbeurde dwangsommen:

"Vakantieweek 25 juli 2011 tm 29 juli 2011, 2 dagen a € 300,00

Vakantieweek 1 augustus 2011 tm 5 augustus 2011, 2 dagen a € 300,00

Weekenddag 6 augustus 2011 a € 300,00

Weekenddag 7 augustus 2011 a € 300,00

Vakantieweek 6 augustus 2011 tm 12augustus 2011, 2 dagen a € 300,00

Vakantieweek 15 augustus 2011 tm 19 augustus 2011, 2 dagen a € 300,00

Weekenddag 20 augustus 2011 a € 300,00,

Weekenddag 21 augustus 2011 a € 300,00

Weekenddag 8 juni 2013 a € 300,00

Weekenddag 9 juni 2013 a € 300,00

Weekenddag 22 juni 2013 a € 300,00

Weekenddag 23 juni 2013 a € 300,00

Weekenddag 6 juli 2013 a € 300,00

Weekenddag 7 juli 2013 a € 300,00

Weekenddag 20 juli 2013 a € 300,00

Weekenddag 21 juli 2013 a € 300,00

Weekenddag 3 augustus 2013 a € 300,00

Weekenddag 4 augustus 2013 a € 300,00

Weekenddag 17 augustus 2013 a € 300,00

Weekenddag 18 augustus 2013 a € 300,00

Weekenddag 31 augustus 2013 a € 300,00

Weekenddag 1 september 2013 a € 300,00

Weekenddag 14 september 2013 a € 300,00

Weekenddag 15 september 2013 a € 300,00

Weekenddag 28 september 2013 a € 300,00

Weekenddag 29 september 2013 a € 300,00

Weekenddag 12 oktober 2013 a € 300,00

Weekenddag 13 oktober 2013 a €300,00

Weekenddag 26 oktober 2013 a € 300,00

Weekenddag 27 oktober 2013 a € 300,00

Weekenddag 9 november 2013 a € 300,00

Weekenddag 10 november 2013 a € 300,00

Weekenddag 23 november 2013 a € 300,00

Weekenddag 24 november 2013 a € 300,00

zomervakantie: 2 dagen per week gedurende 6 weken = 12 x € 300,00

Herfstvakantie: 2 dagen per week = € 600,00".

Per saldo heeft [geïntimeerde] aldus aanspraak gemaakt op het maximumbedrag van € 9.000,- aan verbeurde dwangsommen.

3.24

De rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft bij beschikking van 24 maart 2014, met ingang van 30 maart 2014 als voorlopige zorgregeling tussen [geïntimeerde] en de kinderen vastgesteld, totdat daarover nader wordt beslist:

- eenmaal per veertien dagen op zondag van 10.00 uur tot 19.00 uur na het avondeten, waarbij [appellante] de kinderen naar [geïntimeerde] brengt en [geïntimeerde] de kinderen weer naar [appellante] terugbrengt.

De rechtbank heeft de beslissing over de definitieve zorgregeling aangehouden, en heeft de Raad voor de Kinderbescherming verzocht rapport en advies aan haar uit te brengen over de wijze waarop uitvoering moet worden gegeven aan de zorgregeling en over het verloop van de voorlopige zorgregeling.

3.25

Op 30 maart 2014 heeft [geïntimeerde] gedurende ongeveer 1,5 uur omgang met de kinderen gehad, waarna zij weer naar [appellante] zijn teruggekeerd. Sindsdien zijn de kinderen niet meer bij [geïntimeerde] geweest.

3.26

De Raad voor de Kinderbescherming heeft op 16 mei 2014 een rapport uitgebracht en daarin verklaard dat, nu een gezamenlijk gesprek met partijen niet mogelijk is vanwege de weigering door [geïntimeerde], hij geen mogelijkheid ziet om tot een gedegen advies aan de rechtbank te komen.

4 De vordering en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellante] heeft [geïntimeerde] in kort geding gedagvaard en heeft - samengevat weergegeven - gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen om hangende de "beoordeling van de geschillen voorgelegd aan U.E.A." althans totdat de rechtbank op het op 9 september 2013 door [appellante] ingediende wijzigingsverzoek heeft beslist, de executie (hof: van de beschikking van dit hof van 1 maart 2011) op te schorten, althans in goede justitie een voorziening te treffen welke recht doet aan de omstandigheden ontstaan na de beschikking van dit hof van 1 maart 2011 en het (tussen)arrest van dit hof van 19 maart 2013, en [geïntimeerde] te bevelen de door hem aangekondigde dan wel aangevangen executie te staken en gestaakt te houden, in ieder geval voor zover dit een door de voorzieningenrechter voorlopig vastgesteld bedrag aan verbeurd verklaarde dwangsommen overschrijdt, een en ander op straffe van een dwangsom, en de opheffing van de mogelijk gelegde beslagen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van dit geding.

4.2

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 20 januari 2014 de vorderingen van [appellante] afgewezen en heeft [appellante] veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde].

5 Beoordeling

5.1

[appellante] heeft drie grieven opgeworpen.

5.2

De grieven 1 en 3 zijn gericht tegen de afwijzing van de vordering van [appellante] tot opschorting van de executie van de beschikking van dit hof van 1 maart 2011 en lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.3

[geïntimeerde] heeft op 6 december 2013 [appellante] aangezegd dat hij aanspraak maakt op de dwangsommen zoals hiervoor weergegeven in rechtsoverweging 3.23.

5.4

Het hof kan ingevolge artikel 438 Rv als executierechter slechts in deze executie ingrijpen indien (a) door de geëxecuteerde wordt aangetoond dat hij (al) aan de te executeren beschikking heeft voldaan, of (b) de executant zich door de executie schuldig maakt aan misbruik van bevoegdheid, bijvoorbeeld omdat de te executeren beschikking klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of omdat executie op grond van na de beschikking of het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor onverwijlde executie niet kan worden aanvaard (vergelijk Hoge Raad 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575).

5.5

Het hof heeft in dit kort geding allereerst te beoordelen of de bodemrechter, indien in het executiegeschil een bodemprocedure wordt gevoerd, tot het oordeel zal komen dat de dwangsommen zijn verbeurd. Het hof zal daarbij een inschatting moeten maken van de kans dat de executant in een eventuele bodemprocedure er in zal slagen te bewijzen dat de geëxecuteerde niet (volledig) aan de veroordeling in de beschikking van dit hof van 1 maart 2011 heeft voldaan.

5.6

In voormelde beschikking van 1 maart 2011 is een zorgregeling vastgesteld die inhoudt dat de kinderen eenmaal per veertien dagen op zaterdag van 9.00 uur tot 20.00 uur en op zondag van 9.00 uur tot 19.00 uur en een gedeelte van de vakanties en feestdagen bij [geïntimeerde] verblijven, totdat onder leiding van de gezinsvoogd tot een zorgregeling wordt gekomen waarbij de kinderen tevens van zaterdag op zondag bij [geïntimeerde] overnachten. De ondertoezichtstelling is geëindigd, zonder dat het tot de uitgebreide zorgregeling (met een overnachting) is gekomen.

5.7

In rechtsoverweging 29 van de beschikking van dit hof van 1 maart 2011 is overwogen dat de opgelegde dwangsom bij niet nakoming door [appellante] van de zorgregeling slechts dan niet wordt verbeurd wanneer partijen schriftelijk een afwijking van het omgangsmoment zijn overeengekomen.

5.8

Partijen zijn ter zitting van 18 februari 2013 een voorlopige zorgregeling met ingang van 3 maart 2013 overeengekomen die is vastgelegd in het tussenarrest van dit hof van 19 maart 2013. Daarmee zijn partijen schriftelijk een afwijkend omgangsmoment overeengekomen.

5.9

Niet in geschil is dat na 3 juni 2013 de omgang overeenkomstig de op 18 februari 2013 gemaakte afspraken is doorgelopen en dat partijen ook na 3 juni 2013 dit hof over het verloop van de omgang hebben bericht.

5.10

[appellante] heeft aangevoerd dat partijen in het kader van de uitvoering van de overeenkomst de goede trouw in acht dienen te nemen en dat de in het arrest van 19 maart 2013 vastgelegde zorgregeling weliswaar voor de periode van drie maanden is vastgelegd, maar dat de daaraan ter grondslag liggende overeenkomst van partijen na die drie maanden (stilzwijgend) is geprolongeerd, doordat de omgang overeenkomstig de overeenkomst met ieders instemming bleef plaatsvinden.

5.11

Het hof constateert dat [appellante] evenzeer als [geïntimeerde] van mening is dat de op 18 februari 2013 afgesproken zorgregeling - en het in verband daarmee niet verbeuren van dwangsommen - drie maanden zou gelden, zodat ook het hof hiervan uitgaat.

5.12

Niet gesteld of gebleken is dat partijen voor de periode na 3 juni 2013 schriftelijk een afwijkend omgangsmoment hebben afgesproken. [geïntimeerde] heeft (blijkens rechtsoverweging 2.2 van het arrest van dit hof van 15 oktober 2013) juist uitdrukkelijke aangegeven vast te houden aan de beschikking van dit hof van 1 maart 2011 (na de aanloopperiode vanaf 3 maart 2013). Naar voorlopig oordeel geldt daarom na 3 juni 2013 de in de beschikking van dit hof van 1 maart 2011 vastgestelde zorgregeling.

5.13

[appellante] heeft aangevoerd dat het niet aan haar te wijten is dat de beschikking van 1 maart 2011 na 3 juni 2013 niet is nagekomen, omdat zij daarvoor de kans niet heeft gekregen, althans niet uit te sluiten valt dat zij bereid was tot nakoming, omdat [geïntimeerde] voor zover zij weet niet is verschenen om de kinderen op zaterdag om 9.00 uur en zondag om 9.00 uur op te halen.

5.14

Het hof acht hiermee niet voldoende gesteld of gebleken dat [appellante] de kinderen op zaterdag om 9.00 uur en op zondag om 9.00 uur steeds gereed heeft gehouden voor vertrek naar [geïntimeerde]. Evenmin is gesteld of gebleken dat [appellante], nadat [geïntimeerde] niet kwam opdagen, hem heeft benaderd en haar bereidheid tot nakoming van de beschikking van 1 maart 2011 heeft geuit.

5.15

[geïntimeerde] heeft in dit kort geding dan ook voldoende aannemelijk gemaakt dat [appellante] de beschikking van 1 maart 2011 niet (volledig) is nagekomen. Het hof verenigt zich met de motivering in de rechtsoverwegingen 4.9 en 4.10 van het bestreden vonnis ter zake de omvang van de verbeurde dwangsommen en neemt die motivering over. Dit leidt tot het voorlopig oordeel dat [appellante] over de periode vanaf 25 juli 2011 tot en met 12 augustus 2011 en vanaf 4 juni 2013 tot en met 24 november 2013 de door [geïntimeerde] op 6 december 2013 opgeëiste dwangsommen tot het maximumbedrag van € 9.000,- ruimschoots heeft verbeurd.

5.16

Niet gegriefd is tegen de beslissing in het bestreden vonnis (rechtsoverweging 4.6) dat er geen sprake is van een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag in de beschikking van dit hof van 1 maart 2011, zodat het hof hiervan uitgaat.

5.17

[appellante] heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de executie op grond van na de beschikking van dit hof van 1 maart 2011 voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan haar zijde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor onverwijlde executie niet kan worden aanvaard. Dat [appellante] doordat zij de verbeurde dwangsommen aan [geïntimeerde] moet betalen van een klein bedrag rond moet komen is aan [appellante] zelf te wijten. Dat na de beschikking van 1 maart 2011 zich volgens [appellante] positieve ontwikkelingen hebben voorgedaan, waarbij zij doelt op de door partijen op 18 februari 2013 overeengekomen zorgregeling en de ook na 3 juni 2013 hieraan gegeven uitvoering, is, gezien hetgeen het hof hiervoor in rechtsoverweging 5.12 en 5.14 heeft overwogen, onvoldoende grond om aan te nemen dat onverwijlde executie van de beschikking van 1 maart 2011 niet kan worden aanvaard.

5.18

De grieven falen.

5.19

Grief 2 klaagt erover dat de voorzieningenrechter [appellante] heeft veroordeeld in de proceskosten.

5.20

Het hof acht het - in verband met het bij voortduring door [appellante] niet nakomen van de beschikking van 1 maart 2011 - aangewezen dat [appellante] in de kosten van deze procedure wordt veroordeeld.

5.21

De grief faalt.

Slotsom

5.22

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.23

Het hof zal [appellante], met verwijzing naar hetgeen in het kader van grief 2 is overwogen, als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen (salaris advocaat: 2 punten x € 894,-).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in kort geding, in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 20 januari 2014;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.788,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 308,- voor verschotten;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.M. Koene, M.M.A. Wind en M.A.L.M. Willems en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2014.