Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:5828

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
200.144.426-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kort geding over omgangsregeling. De vader wil omgang met zijn zoon van vijf, met wie hij al circa twee jaar geen contact meer heeft gehad. De rechter in kort geding heeft de moeder veroordeeld om contact op te nemen met Bureau Jeugdzorg om het omgangshuis in te schakelen voor het zo spoedig mogelijk opstarten van een omgangsregeling. Moeder stelt (ook in hoger beroep) dat omgang niet in het belang van de minderjarige is omdat zijn problematische gedrag erdoor zal toenemen. Naar het oordeel van het hof zijn er onvoldoende objectieve gegevens voorhanden om aannemelijk te achten dat omgang met zijn vader niet in het belang van het kind is. Daarvoor is nader onderzoek nodig, dat binnenkort zal plaatsvinden. Het hof ziet geen aanleiding om op dit moment tot een ander oordeel te komen dan de rechter in eerste aanleg. Het aangevallen vonnis wordt daarom bekrachtigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.144.426/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/151995 / KG ZA 14-51)

arrest van de eerste kamer van 22 juli 2014 in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. C.F. Roza, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde.

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A. Sarkis, kantoorhoudend te Sittard.

1 Het geding in eerste instantie

1.1

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis van 4 maart 2014 van de rechtbank Overijssel, team kanton en handelsrecht, locatie Zwolle (hierna: de voorzieningenrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij exploot van 25 maart 2014 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van voormeld vonnis van 4 maart 2014. De conclusie van de appeldagvaarding (met producties), waarin de grieven zijn opgenomen, luidt:

"1. te vernietigen het vonnis door de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel (...) gewezen tussen [appellante] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser waarvan beroep en voorts

2. alsnog [geïntimeerde] in zijn vordering(en) niet ontvankelijk te verklaren althans hem die vordering(en) te ontzeggen en/of die vordering(en) af te wijzen en

3. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van beide instanties, de nakosten daaronder begrepen, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

één en ander, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad."

2.2

[appellante] heeft van eis geconcludeerd conform de appeldagvaarding.

2.3

Bij memorie van antwoord (met producties) heeft [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"appellant niet ontvankelijk te verklaren in haar appel, althans dit ongegrond te verklaren en het vonnis van de Rechtbank Overijssel locatie Zwolle voor zover geïntimeerde in het appel hierin in het gelijk is gesteld bij arrest te bekrachtigen, althans opnieuw rechtdoende een beslissing te nemen zoals het Gerechtshof in goede justitie zal menen te behoren;

Kosten rechtens"

2.4

Partijen hebben hun zaak doen bepleiten. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft (de advocaat van) [appellante] een akte genomen en hebben de advocaten van [appellante] en van [geïntimeerde] een pleitnotitie overgelegd. Partijen hebben ten slotte arrest gevraagd, te wijzen op het pleitdossier.

3 De feiten, het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

Voor zover de voorzieningenrechter in onderdeel 2 van het vonnis van 4 maart 2014 feiten heeft vastgesteld, zijn hiertegen geen grieven aangevoerd. Ook anderszins is niet van bezwaren tegen de door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten gebleken. Deze feiten luiden, aangevuld met wat verder over de feiten als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende gemotiveerd betwist alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties vaststaat, als volgt.

3.2

[appellante] en [geïntimeerde] zijn [in 2008] met elkaar gehuwd. [appellante] heeft de Nederlandse nationaliteit. [geïntimeerde] heeft de Armeense nationaliteit. Partijen hebben na hun huwelijk in [woonplaats] gewoond.

3.3

Uit het huwelijk tussen partijen is in de gemeente [gemeente] [in 2008] geboren de thans nog minderjarige [kind]. In november 2009 is [appellante] met [kind] naar Nederland vertrokken.

3.4

Bij beschikking van 9 maart 2011 van de rechtbank Zwolle-Lelystad is - voor zover thans relevant - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is [appellante] belast met het gezag over [kind]. De echtscheiding is in 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Den Haag.

3.5

Sinds 2011 is Bureau Jeugdzorg betrokken bij [appellante] en [kind] in verband met problemen die [appellante] ondervindt bij de opvoeding van [kind].

3.6

[geïntimeerde] heeft [kind] na het uiteengaan van partijen een aantal malen bezocht in de woning van de ouders van [appellante] in [woonplaats]. Sinds medio 2012 heeft [geïntimeerde] geen contact meer gehad met [kind].

3.7

[geïntimeerde] heeft in (een eerder) kort geding gevorderd - kort gezegd - dat [appellante] meewerkt aan een omgangsregeling tussen hem en [kind]. In deze zaak (bekend bij rechtbank Overijssel, team familie, locatie Zwolle onder nummer C/08/141394 / KG ZA 13-254) heeft op 4 september 2013 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal daarvan blijkt dat de zaak op verzoek van partijen is doorgehaald, nadat door [appellante] is verklaard:

"Ik verklaar uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk dat ik binnen 10 dagen na heden contact zal opnemen met Bureau Jeugdzorg om het Omgangshuis in [woonplaats] in te schakelen voor het opstarten van de omgangsregeling tussen de man [hof: [geïntimeerde]] en [kind].

Voor zover vereist geldt mijn handtekening onder dit proces-verbaal als mijn vervangende instemming om medewerking te verlenen aan het opstarten van de omgangsregeling tussen de man en [kind] in het Omgangshuis in [woonplaats] op de woensdagmiddag."

3.8

Tot op heden is de omgang tussen [geïntimeerde] en [kind] niet tot stand gekomen. Bij brief van 23 december 2013 heeft Bureau Jeugdzorg het navolgende medegedeeld aan de advocaat van [geïntimeerde]:

"(...)

Bureau Jeugdzorg Overijssel verwacht dat wanneer [kind] zijn vader, een voor hem onbekende man, in het omgangshuis zal ontmoeten, dit veel onrust bij [kind] veroorzaakt. Dit zal zich hoogstwaarschijnlijk uiten in extreem druk gedrag. Dit zal tot gevolg hebben dat moeder [hof: [appellante]] nog verder belast wordt in de opvoeding, wat zeer onwenselijk is.

Bureau Jeugdzorg is derhalve van mening dat het voor de ontwikkeling van [kind] en de stabiliteit in de thuissituatie op dit moment niet wenselijk is dat [kind] zijn vader ziet.

(...)"

3.9

In het vervolgens door [geïntimeerde] aanhangig gemaakte onderhavige kort geding, vordert hij dat [appellante] - op straffe van verbeurte van een dwangsom - wordt veroordeeld om:

"(...) haar medewerking te verlenen aan de omgangsregeling, inhoudende één weekend per 2 weken, waarbij de vrouw [hof: [appellante]] [kind] op vrijdag om 19:00 uur naar de vader [hof: [geïntimeerde]] brengt en op zondagavond 18:00 uur weer ophaalt en dat [kind] om de schoolvakantie bij zijn vader verblijft en de zomervakantie gedeeltelijk bij zijn vader verblijft;"

3.10

In het vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter onder meer overwogen als volgt:

2.9

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat onvoldoende aanleiding om ieder contact tussen de man [hof: [geïntimeerde]] en de [kind] tegen te houden. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de man en de vrouw [hof: [appellante]] op 4 september 2013 zijn overeengekomen dat de vrouw vóór 14 september 2013 contact zal opnemen met Bureau Jeugdzorg om de omgangsregeling tussen de man en [kind] op te starten in het omgangshuis. De vrouw heeft echter niet gesteld dan wel aannemelijk gemaakt dat de problematiek die zij rondom [kind] ervaart en verwacht sinds 4 september 2013 dusdanig is dat zij niet aan voormelde afspraak gehouden kan worden. Daarbij komt dat uit de brief van Bureau Jeugdzorg Overijssel van 23 december 2013 weliswaar blijkt dat er zorgen zijn met betrekking tot het gedrag van [kind], echter de rechtbank acht dit onvoldoende om te concluderen dat omgang tussen [kind] en de man niet in het belang van de minderjarige is, te minder als de man zich, zoals hem voorgehouden ter zitting, blijft realiseren dat de hoofdverblijfplaats van [kind] bij de vrouw is en naar vooralsnog verwacht mag worden, zal blijven. De voorzieningenrechter is mede gelet op hetgeen Bureau Jeugdzorg Overijssel naar voren heeft gebracht evenwel van oordeel dat de (omvang van de) omgangsregeling die de man heeft gevorderd te bepalen, vooralsnog niet in het belang van [kind] geacht moet worden, omdat [kind] de man al lang niet heeft gezien en hij slechts vijf jaar oud is.

3.11

Het dictum van het beroepen vonnis luidt:

3.1.

bepaalt dat de vrouw [hof: [appellante]] binnen 10 dagen na heden contact zal opnemen met Bureau Jeugdzorg om het omgangshuis [woonplaats] in te schakelen voor het zo spoedig mogelijk opstarten van een omgangsregeling tussen de man [hof: [geïntimeerde]] en [kind] en tevens gehouden is deze omgangsregeling punctueel en consequent na te komen,

3.2.

veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere keer dat zij niet aan de in 3.1 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000.- is bereikt,

3.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen. in die zin dat iedere

partij de eigen kosten draagt,

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

3.12

Bij brief van 20 juni 2014 heeft Bureau Jeugdzorg het navolgende medegedeeld aan de advocaat van [appellante]:

"(...)

Middels dit schrijven wil ik u informeren over de stand van zaken rondom diagnostisch onderzoek betreffende [kind] [geïntimeerde], geboren [in 2008].

Wegens drukte is het niet mogelijk gebleken om het diagnostisch team van Bureau Jeugdzorg diagnostisch onderzoek uit te laten voeren bij [kind]. Derhalve is besloten om diagnostisch onderzoek bij Accare aan te vragen. Dit onderzoekstraject zal naar verwachting twee tot drie maanden in beslag nemen.

Bureau Jeugdzorg acht het zinvol om de uitkomsten van het diagnostisch onderzoek af te wachten alvorens een uitspraak te doen over de meest passende vorm van contact tussen [kind] en zijn biologische vader.

(...)"

3.13

Tot op heden heeft [geïntimeerde] in [land] noch in [land] een geldige verblijfstitel.

4 De beoordeling in hoger beroep

4.1

[appellante] heeft twee grieven ontwikkeld. Met grief I en de daarop gegeven toelichting bestrijdt [appellante] de hiervoor in 3.10 aangehaalde overweging van de voorzieningenrechter en de daarop gebaseerde beslissingen. Grief II stelt aan de orde dat de voorzieningenrechter niet heeft gemotiveerd waarom een dwangsom moet worden opgelegd. Het hof zal de grieven hierna gezamenlijk behandelen.

4.2

In de kern genomen komen de stellingen van [appellante] erop neer dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het (thans) niet in het belang van [kind] is om contact te hebben met zijn vader. [appellante] verwijst in dit verband naar de brieven van Bureau Jeugdzorg, zoals aangehaald in 3.8 en 3.12. Bureau Jeugdzorg mag volgens [appellante] als deskundige worden aangemerkt en aan de opvatting en het advies van Bureau Jeugdzorg mag dan ook niet zomaar voorbij worden gegaan. Voordat het tot een (al dan niet opgelegde) omgangsregeling tussen [geïntimeerde] en [kind] kan komen, dienen de uitkomsten van een nadere rapportage van Bureau Jeugdzorg te worden afgewacht dan wel dient een nader onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming of door andere deskundige instanties uit te voeren onderzoek te worden afgewacht, aldus [appellante].

4.3

Er bestaat naar het oordeel van het hof geen aanleiding om te veronderstellen dat Bureau Jeugdzorg niet objectief en geheel op de hand van [appellante] is, zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd. [geïntimeerde] heeft deze stelling onvoldoende onderbouwd. Met [appellante] is het hof van oordeel dat in beginsel aan de visie van een professionele instelling als Bureau Jeugdzorg over de ontwikkeling van een minderjarig kind waarbij zij kennelijk al langdurig is betrokken niet zonder meer voorbij kan en mag worden gegaan.

4.4

Uit het vonnis waarvan beroep blijkt dat de voorzieningenrechter kennis heeft genomen van de visie van Bureau Jeugdzorg zoals verwoord in voornoemde brief van 23 december 2013 alsmede van de visie van Bureau Jeugdzorg zoals ter zitting is verwoord. Ter zitting is namens Bureau Jeugdzorg naar voren gebracht dat Bureau Jeugdzorg sinds 2011 betrokken is bij de opvoedingsondersteuning van [kind], dat [kind] thuis en op school druk en explosief gedrag vertoont, dat op termijn de noodzaak van diagnostisch onderzoek wordt bekeken, dat [kind] qua gedrag en ontwikkeling achter loopt op leeftijdgenoten en dat [kind] slaapproblemen heeft. Ook blijkt dat namens Bureau Jeugdzorg naar voren is gebracht de bij Bureau Jeugdzorg levende opvatting dat het problematische gedrag van [kind] zal toenemen als hij omgang met [geïntimeerde] heeft en dat de daardoor bij [kind] optredende spanningen de belastbaarheid van [appellante] misschien te boven zullen gaan. De voorzieningenrechter heeft deze door Bureau Jeugdzorg geuite zorgen in ogenschouw genomen, maar hij heeft daaraan niet de conclusie verbonden dat elk contact tussen [geïntimeerde] en [kind] moet worden vermeden, zoals [appellante] ingang wil doen vinden.

4.5

Ten opzichte van de beoordeling in eerste aanleg zijn er geen nieuwe (objectieve) gegevens beschikbaar over (de oorzaken van) het gedrag van [kind] en de mogelijke invloed van omgang tussen [geïntimeerde] en [kind] op het gedrag van laatstgenoemde en de eventueel daaruit voortvloeiende opvoedingsproblemen voor [appellante]. Met de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gedragsproblemen van [kind] - en de problemen die [appellante] daardoor ondervindt bij zijn opvoeding - maken dat elk contact tussen [kind] en zijn vader (voorlopig) achterwege moet blijven. Er zijn op dit moment onvoldoende objectieve gegevens voorhanden die een dergelijke vergaande conclusie zouden kunnen schragen. Daarvoor is nader onderzoek nodig en dat onderzoek zal - zo blijkt uit de meest recente informatie van Bureau Jeugdzorg zoals aangehaald in 3.12 - de komende maanden plaatsvinden. In dit kort geding is - anders dan door [appellante] is gesuggereerd - geen plaats voor het gelasten van (en wachten op de uitkomsten van) een dergelijk onderzoek.

4.6

De door Bureau Jeugdzorg geuite bezorgdheid noopt - in het belang van [kind] - niettemin tot voorzichtigheid. De voorzieningenrechter heeft deze voorzichtigheid vertaald in veroordeling van [appellante] tot het inschakelen - door tussenkomst van Bureau Jeugdzorg - van het omgangshuis voor het opstarten van een omgangsregeling tussen [geïntimeerde] en [kind]. De modaliteit van de omgangsregeling heeft de voorzieningenrechter hierbij in het midden gelaten. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft de voorzieningenrechter de vaststelling van die modaliteit overgelaten - door tussenkomst van Bureau Jeugdzorg - aan de deskundige medewerkers van het omgangshuis. Het hof deelt de uitkomst van deze door de voorzieningenrechter in het kader van dit kort geding gepleegde afweging tussen het belang van [geïntimeerde] bij omgang met zijn zoon [kind] enerzijds (dat, anders dan [appellante] stelt, ook in hoger beroep nog voldoende spoedeisend is) en het belang van [kind] bij een geleidelijke opbouw van de omgang met zijn vader anderzijds, en maakt die tot de zijne.

4.7

Het hof benadrukt dat in dit kort geding slechts een voorlopige voorziening ten aanzien van de omgang tussen [geïntimeerde] en [kind] wordt getroffen. Eerst in een bodemprocedure, waarvan [geïntimeerde] ten pleidooie heeft aangegeven deze binnen afzienbare termijn aanhangig te zullen maken, kan de (on)mogelijkheid van een meer definitieve omgangsregeling worden vastgesteld. Daarbij kan tevens aandacht worden geschonken aan de door [appellante] geuite vrees dat de enige reden dat [geïntimeerde] omgang wenst met [kind], voortkomt uit de hoop dat zulks bijdraagt aan de pogingen van [geïntimeerde] om een verblijfstitel te verkrijgen, en aan haar vrees dat [geïntimeerde] [kind] wil ontvoeren. [geïntimeerde] heeft deze stellingen van [appellante] betwist. Wat er van de stellingen van partijen op dit punt ook zij, voor dit kort geding is slechts relevant dat onzekerheden rond de omgang - van welke aard dan ook - niet in het belang zijn van [kind]. De door de voorzieningenrechter uitgesproken veroordeling, die erop neerkomt dat een omgangregeling tussen [geïntimeerde] en [kind] alleen met tussenkomst van Bureau Jeugdzorg en onder auspiciën van het omgangshuis tot stand komt respectievelijk wordt opgestart, biedt naar 's hofs oordeel een voldoende waarborg tegen voormelde onzekerheden.

4.8

De voorzieningenrechter is in het beroepen vonnis - anders dan [appellante] meent - binnen de grenzen van de rechtsstrijd van partijen gebleven door in het dictum minder toe te wijzen dan door [geïntimeerde] is gevorderd.

4.9

Het gewicht dat toekomt aan het belang dat het intussen reeds geruime tijd verbroken contact tussen de minderjarige [kind] en zijn vader, [geïntimeerde], wordt hersteld, rechtvaardigt in dit geval reeds op zichzelf dat de veroordeling van [appellante] om mee te werken aan de totstandkoming en uitvoering van een omgangsregeling zoals waartoe zij in het beroepen vonnis is veroordeeld, wordt versterkt met een dwangsom.

4.10

De grieven stuiten af op de hiervoor weergegeven overwegingen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Aangezien partijen gewezen echtgenoten zijn, zullen de proceskosten op na te melden wijze worden gecompenseerd.

De beslissing

Het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van 4 maart 2014;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mr. A.M. Koene, mr. J.M. Rowel-van der Linde en mr. M.P. den Hollander, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 22 juli 2014.