Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:5595

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-07-2014
Datum publicatie
14-07-2014
Zaaknummer
21-007647-13
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2013:4847, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:3354, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Grootschalige fraude. Bewezenverklaring medeplegen gewoontewitwassen en deelneming criminele organisatie. In de periode van december 2008 tot mei 2012 zijn personen, bedrijven en overheidsinstanties benadeeld voor een bedrag van ongeveer 1,3 miljoen euro. Daarnaast is getracht nog meer mensen en/of bedrijven op te lichten voor eveneens hoge bedragen, tot ruim 6,5 miljoen. De geleden schade is op geen enkele wijze (door een of meer leden) van de criminele organisatie vergoed.

Strafmaat: hof komt tot hogere straf dan de rechtbank en de advocaat-generaal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-007647-13

Uitspraak d.d.: 11 juli 2014

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 3 oktober 2013 met parketnummer 16-994013-11 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 27 juni 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr N. van Schaik, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 januari 2007 tot en met 2 mei 2012 te Amersfoort en/of Rijswijk en/of Baarn en/of ‘s-Hertogenbosch en/of Spijkenisse en/of Amsterdam en/of Rotterdam en/of

Scheveningen en/of Utrecht en/of Nijmegen en/of Zandvoort, althans in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband

met [medeverdachte 1] en/of [katvanger] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer andere (rechts)personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van de volgende misdrijven:

- (gewoonte)witwassen, strafbaar gesteld bij artikel 420bis/ter van het

Wetboek van Strafrecht en/of

- valsheid in geschrifte, strafbaar gesteld bij artikel 225 van het Wetboek

van Strafrecht en/of

- oplichting, strafbaar gesteld bij artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht

en/of

- diefstal (door middel van een valse sleutel), strafbaar gesteld bij artikel

311 (lid 1 sub 5) van het Wetboek van Strafrecht en/of

- het opzettelijk doen van onjuiste belastingaangiften, strafbaar gesteld bij

het artikel 69 Algemene wet inzake Rijksbelastingen.

2

primair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 2 mei 2012 te Amersfoort en/of Rijswijk en/of Baarn en/of 's-Hertogenbosch en/of Spijkenisse en/of Amsterdam en/of Rotterdam en/of Scheveningen en/of Utrecht en/of Nijmegen en/of Zandvoort, althans in Nederland, alleen, althans tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

(telkens) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders, (telkens) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en), tot een totaal bedrag van (ongeveer) Euro 1.391.048,18 te weten (onder meer)

1) Euro 130.804,07 (OPV-1) en/of

2) Euro 39.669,84 en/of Euro 240.144,03 (OPV-2) en/of

3) Euro 88.064,25 en/of Euro 16.310 (OPV-3) en/of

4) Euro 63.706.06 en/of Euro 1.021,48 (OPV-5) en/of

5) Euro 10.696,91 (OPV-7) en/of

6) Euro 8.902 en/of Euro 3.905 en/of Euro 66.638 en/of Euro 4.815 en/of

Euro 2.286 (OPV-8),

voorhanden gehad en/of verworven en/of omgezet en/of overgedragen en/of daarvan gebruik gemaakt,

terwijl, verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) wist(en) dat dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) (geheel of gedeeltelijk) onmiddellijk of

middellijk afkomstig was/waren uit misdrijf.

2

subsidiair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 2 mei 2012 te Amersfoort en/of Rijswijk en/of Baarn en/of 's-Hertogenbosch en/of Spijkenisse en/of Amsterdam en/of Rotterdam en/of Scheveningen en/of Utrecht en/of Nijmegen en/of Zandvoort, althans in Nederland, alleen, althans tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

(telkens) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en), tot een totaal bedrag van (ongeveer) Euro 1.391.048,18 te weten (onder meer)

1) Euro 130.804,07 (OPV-1) en/of

2) Euro 39.669,84 en/of Euro 240.144,03 (OPV-2) en/of

3) Euro 88.064,25 en/of Euro 16.310 (OPV-3) en/of

4) Euro 63.706.06 en/of Euro 1.021,48 (OPV-5) en/of

5) Euro 10.696,91 (OPV-7) en/of

6) Euro 8.902 en/of Euro 3.905 en/of Euro 66.638 en/of Euro 4.815 en/of

Euro 2.286 (OPV-8),

voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben verworven en/of heeft/hebben

omgezet en/of heeft/hebben overgedragen en/of daarvan heeft/hebben gebruik

gemaakt,

terwijl, verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) (geheel of gedeeltelijk) onmiddellijk of middellijk afkomstig was/waren uit misdrijf.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Nemo tenetur-beginsel, de cautie en doorzoeking van de kast

Standpunt verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de medewerkers van de Belastingdienst op 15 juni 2010, in strijd met het nemo tenetur-beginsel, wilsafhankelijk materiaal van verdachte hebben afgedwongen. Uit het dossier blijkt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] ‘toe hebben moeten geven’ waar de (computer met) administratie zich bevond. Het antwoord op de vraag waar de administratie zich bevond, alsmede het uiteindelijk verkrijgen van die gegevensdrager en de administratieve bescheiden dienen dus als afgedwongen materiaal te worden gekwalificeerd. Dit betreft voorts wilsafhankelijk materiaal, met name omdat zonder de (actieve) hulp van verdachte niet de beschikking over dit materiaal verkregen kon worden. Deze afgedwongen informatie vormt de directe aanleiding voor het strafrechtelijke onderzoek naar verdachte. Dat betekent dat al het materiaal dat door de controle en opsporing op en na 15 juni 2010 is vergaard van het bewijs dient te worden uitgesloten, aldus de raadsman. Daarbij merkt de raadsman nog op dat aan verdachte wel degelijk op een eerder moment de cautie had moeten worden gegeven. Uit het dossier blijkt immers onmiskenbaar dat reeds voorafgaand aan 15 juni 2010 een redelijk vermoeden van schuld van belastingfraude bestond.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de doorzoeking van de kast in de woning aan de [adres] te Amersfoort onterecht heeft plaatsgevonden. Zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte 2] hebben geen toestemming gegeven aan de medewerkers van de Belastingdienst om de kast te openen. De aangetroffen administratie mag daarom niet gebruikt worden voor het bewijs. Dat verdachte achteraf een bewijs van vrijwillige afgifte heeft getekend, doet daar niet aan af. Immers, dit bewijs van afgifte is ondertekend nadat de stukken op afgedwongen wijze zijn verkregen, aldus de raadsman.

Uit het dossier blijkt het volgende:

Uit de verklaringen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] bij de rechter-commissaris en uit het door hen opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (AH-002) d.d. 25 november 2010 volgt dat zij, op basis van de controlebevoegdheden die zij vanuit hun functie als belastingmedewerker hebben, bezig waren met een controlerend onderzoek, namelijk een boekhoudkundige controle, van rechtspersonen die gelieerd waren aan [verdachte] en [medeverdachte 2]. Het onderzoek werd gedaan naar aanleiding van ingediende negatieve aangiften omzetbelasting door drie met name genoemde rechtspersonen. Verbalisanten hebben in hun proces-verbaal van bevindingen (AH-002) onder meer gerelateerd dat zij op 15 juni 2010 met [verdachte] en [medeverdachte 2] een afspraak voor het beantwoorden van een aantal vragen hadden gemaakt op het bedrijfsadres van die drie rechtspersonen in Ermelo. De antwoorden van [verdachte] en [medeverdachte 2] waren niet consistent en werden herhaaldelijk bijgesteld. Dit gold ook voor de vraag op welke locatie de computer zich bevond waarop de administratie werd gevoerd. Er werden verschillende locaties genoemd. Toen [verbalisant 1] aanbood naar de laatstgenoemde locatie te rijden, werd toegegeven dat de computer op een andere locatie stond, namelijk op het adres [adres] in [plaats]. [medeverdachte 2] bleek over de sleutel te beschikken. Nadat [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verdachte] en [medeverdachte 2] op dat adres waren gearriveerd, werd aan de belastingambtenaren toegang verleend tot het pand. [verdachte] en [medeverdachte 2] deelden mee dat zij de betreffende ruimte in gebruik hadden voor hun zakelijke activiteiten. Toen verbalisanten in het pand stonden, ontstond bij hen het vermoeden dat [medeverdachte 2] het pand bewoonde. [verdachte] verklaarde vervolgens onder meer dat hij in 2009 in contact was gekomen met [medeverdachte 1], dat [medeverdachte 1] vroeg of [verdachte] en [medeverdachte 2] BV’s te koop hadden en dat [medeverdachte 1] [verdachte] en [medeverdachte 2] in contact had gebracht met [katvanger]. Verbalisanten vroegen [verdachte] naar de herkomst van facturen die als basis dienden voor de in het geding zijnde negatieve aangiften omzetbelasting. [verdachte] antwoordde toen dat hij de facturen in opdracht van derden valselijk had opgemaakt. Vervolgens werd aan [verdachte] en [medeverdachte 2] de cautie gegeven. In het pand stond een kast waarvan de deuren gesloten waren. [verdachte] en [medeverdachte 2] deelden mee dat kast op slot zat, dat die kast niet van hen was en dat ze geen sleutel hadden. Ze zeiden dat ze niet wisten wie de sleutel wel had. [verbalisant 1] vroeg vervolgens of hij mocht kijken of de kast open was. Door [verdachte] en [medeverdachte 2] werd dit niet geweigerd. De kast bleek open te zijn en vervolgens waren de opschriften van een veertigtal ordners zichtbaar, waarop ook namen stonden van rechtspersonen waarvan de belastingambtenaren wisten op basis van eerder onderzoek dat verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 2] daar bemoeienis mee hadden.

[verbalisant 1] heeft op 27 augustus 2013 bij de rechter-commissaris verklaard dat het klopt dat [medeverdachte 2] en [verdachte] bij hem in de auto mee zijn gereden van Ermelo naar Amersfoort, maar dat hij ze daartoe niet gedwongen heeft. [verbalisant 1] verklaarde verder dat de tegenstrijdige verhalen van [verdachte] en [medeverdachte 2] hem niet tot de conclusie bracht dat sprake was van een verdenking van overtreding van de AWR. Pas toen [verdachte] verklaarde dat hij valse facturen maakte, was volgens [verbalisant 1] sprake van een verdenking. Ook [verbalisant 2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat pas toen [verdachte] verklaarde over de valse facturen, er volgens hem sprake was van een verdenking.

Oordeel hof

Ten aanzien van de feitelijke gang van zaken gaat het hof er van uit dat een en ander heeft plaats gevonden zoals is beschreven en verklaard door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Voorts is het hof van oordeel dat [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet eerder dan op het moment dat [verdachte] verklaarde over de valse facturen er van uit hoefden te gaan dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. Het hof is derhalve van oordeel dat aan verdachte tijdig de cautie is gegeven.

Voorts dient te worden vastgesteld of er in de onderhavige zaak een zodanige dwang is uitgeoefend dat sprake is van een schending van artikel 6 van het EVRM. Het hof overweegt dat hier geen sprake van is. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat er door de verbalisanten handelingen zijn verricht die in strijd zijn met artikel 6 EVRM. Weliswaar gaat het hof er van uit dat op [verdachte] en [medeverdachte 2] enige druk is uitgeoefend die er toe geleid heeft dat verbalisanten terecht kwamen in het pand waar de gezochte administratie zich bevond, maar het gebruik van die administratie in de strafvervolging, levert geen strijd op met artikel 6 EVRM, omdat die administratie niet beschouwd kan worden als wilsafhankelijk materiaal.

Ten aanzien van het openen van de kast is het hof van oordeel dat de verbalisant [verbalisant 1] de kantoorkast heeft geopend zonder dat daarvoor expliciet toestemming is gegeven door verdachte of door medeverdachte [medeverdachte 2] en ook zonder dat is voldaan aan de eisen die het wetboek van strafvordering stelt.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Door dit verzuim is een voorschrift geschonden dat ziet op de bescherming van de belangen van verdachte, waarbij het hof er van uit gaat - ondanks de anders luidende verklaring van de verdachte - dat de ordners in de kast mede toebehoorden aan de verdachte.

Naar het oordeel van het hof is er echter sprake van een geringe schending van de belangen van verdachte gelet op de omstandigheid dat verdachte na het openen van de kast een verklaring van vrijwillige afgifte van de zich in de kast bevindende ordners heeft getekend, waardoor de schending niet meer behelst dan het zonder toestemming openen van de kast. Het hof volstaat daarom met het enkel vaststellen van bovengenoemd vormverzuim.

Bewijsoverwegingen

Door de verdediging is aangevoerd dat de rol van verdachte binnen de organisatie beperkt was in die zin dat de samenwerking met [medeverdachte 1] slechts betrekking had op het sluitstuk van de organisatie, namelijk het witwassen van het door oplichting verkregen geld.

Het hof is van oordeel dat verdachte wel een belangrijke rol in de organisatie had, zoals hieronder en uit de eventueel later uit te werken bewijsmiddelen zal blijken.

Op 15 juni 2010 heeft de Belastingdienst bij verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] de administratie van 38 rechtspersonen in beslag genomen. Een deel van deze rechtspersonen (en dan met name de bij die rechtspersoon of -personen behorende bankrekening) is gebruikt binnen de criminele organisatie om gelden, afkomstig uit oplichting van bedrijven, overheidsinstanties en personen, over te boeken. Die bedragen werden vervolgens (een of meermalen) doorgeboekt naar rekeningen van (andere) BV’s (of van verdachte of zijn medeverdachte(n)) die eveneens in handen waren van de criminele organisatie, waarna het geld uiteindelijk veelal contant werd opgenomen.

Uit bewijsmiddelen volgt dat verdachte de feitelijke beschikkingsmacht had over (een aantal) bankrekeningen van BV’s waar het door oplichting verkregen geld naar toe ging en waar vandaan het verder werd geboekt of werd gepind. Zo hadden zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte 2] de beschikkingsmacht over bankrekeningen van BV’s waar op 2 december 2008 vanuit de bankrekening van Dag Mountain BV delen van het door Beiersdorf (OPV-1) betaalde geld naar is overgeboekt, te weten Alfass Holding BV, Jamoah BV en Sharvex Vastgoed BV. Verdachte en [medeverdachte 2] hebben delen van dit geld contant opgenomen in het casino en bij geldautomaten langs de weg. Uit bankgegevens volgt dat zij op 2 december 2008 gelijktijdig toegang hebben verkregen tot Holland Casino te Rotterdam. Op 3 december 2008 hebben de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 2] opnieuw gelijktijdig toegang verkregen tot Holland Casino Nederland. Vervolgens is op 4 december 2008 een bedrag van € 2.000,-- gestort op de gezamenlijke rekening van verdachte en zijn echtgenote.

Ook ten aanzien van de oplichting van Max Bögl (OPV-2) is gebruik gemaakt van een bankrekening van een BV, te weten Falcon Holding BV, waarover verdachte kon beschikken. Zo is door Phoenix Beheer BV (onder meer) op 7 mei 2009 een bedrag van

€ 44.012,56 en op 8 mei een bedrag van € 11.034,06 overgemaakt op de bankrekening van Falcon Holding. Van deze bankrekening is op 7 mei 2009 vervolgens een bedrag van

€ 24.103,28 overgemaakt op een rekening van Kan Palen BV, eveneens een bankrekening waarover verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] konden beschikken. Op diezelfde dag is van de bankrekening van Kan Palen een bedrag van € 16.544,21 overgemaakt naar Brugstraat BV en € 2.500 naar Alfass Holding. Ook over deze rechtspersonen hadden verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] de feitelijke beschikkingsmacht.

Daarnaast zijn er op 8 mei 2009 acht contante bedragen opgenomen van € 1.500,-- van de rekening van Falcon Holding BV. In de woning van verdachte is een computer in beslag genomen. Op deze computer is bij het internetbankieren de naam Falcon Holding BV te lezen, het nummer van de bankrekening 60.21.52.305 (van Falcon Holding BV) en de datum 8 mei 2009. Het bovengenoemde bedrag van € 11.034,06 is ook te lezen in de computer van verdachte.

Zowel ten aanzien van de oplichting van Beiersdorf als Max Bögl blijkt dat nog op dezelfde dag dat het geld door middel van oplichting werd verkregen, het geld terecht kwam op rekeningen waarover verdachte kon beschikken en (uiteindelijk) door onder meer verdachte werd opgenomen. Hieruit leidt het hof af dat de wijze van het wegsluizen van het geld reeds voor de oplichting was georganiseerd en dat verdachte bij die organisatie was betrokken. Voorts overweegt het hof dat de wijze waarop het geld werd weggesluisd (ook) moest voorkomen dat degene(n) die betrokken was of waren bij de oplichting, in beeld kwamen. Deze wetenschap moet de oplichter(s) hebben aangemoedigd door te gaan met hun oplichtingspraktijken. Voor zover verdachte zelf geen uitvoeringshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van die oplichting, heeft hij die dus wel gefaciliteerd.

Naast het hebben van de feitelijke beschikkingsmacht over (een aantal) bankrekeningen waar het door oplichting verkregen geld heenging en weer verdween (door het door te boeken naar andere BV’s of het op te nemen), volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte bij een aantal gevallen zelf een belangrijke rol heeft gespeeld bij de (poging tot) oplichting en valsheid in geschrift.

Zo zijn er ter voorbereiding van de oplichting van Agentschap NL (OPV-4) vier accountantsverklaringen valselijk opgemaakt. Deze verklaringen zijn, samen met een getekende overeenkomst, op het werkadres van verdachte aangetroffen. De getuige [getuige] heeft verklaard dat hij met verdachte contact heeft gehad over het aanvragen van subsidies. [getuige] heeft vervolgens een subsidieaanvraag ingediend, maar heeft deze op het laatste moment weer ingetrokken. Verdachte heeft toen nog een brief geschreven aan [getuige], waarin hij [getuige] onder druk zette om de aanvraag toch in te dienen.

Ook bij de (poging tot) oplichting van ADT en haar schuldeisers (OPV-7) heeft verdachte een rol gehad. Uit de zich in het dossier bevindende tapgesprekken blijkt dat verdachte reeds op het moment dat medeverdachte [medeverdachte 1] de beschikking kreeg over de facturen, contact op nam met verdachte. In een telefoongesprek van 6 februari 2012 zegt [medeverdachte 1] tegen verdachte dat het om zes cijfers gaat. Als verdachte vraagt hoe het dan gedaan moet worden, zegt [medeverdachte 1]: ‘hetzelfde verhaal’. Ze moeten nog wel geduld hebben, ‘want op al die dingen staat zestig’. Als de oplichting daadwerkelijk wordt voorbereid heeft verdachte wederom telefonisch contact met medeverdachte [medeverdachte 1]. Op 12 april 2012 vraagt [medeverdachte 1] om een uittreksel van de Kamer van Koophandel van de stichting. Op 25 april 2012 hebben verdachte en [medeverdachte 1] contact over het niet werken van een telefoonnummer en verdachte wordt gevraagd actie te ondernemen om het weer voor elkaar te krijgen. Het gaat om een 800 nummer dat schuldeisers van ADT kunnen bellen als ze vragen hebben over het gewijzigde bankrekeningnummer; het gaat om het bankrekeningnummer waarover de criminele organisatie de beschikking had. Een paar dagen later, op 28 april 2012, hebben verdachte en [medeverdachte 1] opnieuw contact, nu over het feit dat de rekening is geblokkeerd. De pinpoging is mislukt. [medeverdachte 1] vraagt verdachte om dit te regelen, door de ‘kat’ naar de bank te sturen. Daarvoor heeft de verdachte op 10 april 2012 contact gehad met [betrokkene], de gemachtigde van de rekening van Stichting Liquidatiebeheer, en vraagt om een e-mail te sturen naar de bank waarin een aanvulling op de rekening wordt vermeld. De wijziging bestaat uit een aanvulling met de naam ‘ADT Benelux’. Verdachte heeft het over een stichting die aan liquidatiebeheer doet. Ook uit dit gesprek kan niet alleen worden afgeleid dat verdachte reeds in de fase van de voorbereiding van de oplichtingen van de schuldeisers van ADT wist van de hoed en de rand, maar ook dat hij daadwerkelijk een aandeel had bij de voorbereiding van die oplichtingen.

Voorts heeft verdachte bij de oplichting van de Belastingdienst (OPV-8), waarbij onjuiste aangiften zijn ingediend, eveneens een belangrijke rol gehad. Uit onderzoek is naar voren gekomen dat 27 rechtspersonen, waarvan de administratie is aangetroffen bij verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2], de aangifte omzetbelasting hebben ingediend vanuit het IP-adres van de Stichting [stichting] met het adres [adres] te [plaats], zijnde het werkadres van verdachte. Ook zijn digitale valse facturen aangetroffen op het werkadres van verdachte en [medeverdachte 2]. Tenslotte is een deel van de onterecht uitgekeerde gelden bij verdachte terecht gekomen.

Met betrekking tot de contante opnames van het geld overweegt het hof als volgt.

Verdachte heeft samen met medeverdachte [medeverdachte 2] aanzienlijke bedragen contant opgenomen van de bankrekeningen die gebruikt zijn bij het wegsluizen van gelden verkregen uit diverse strafbare feiten. Voor een deel is dit geld opgenomen in het casino en langs de weg bij pinautomaten. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] hebben veelvuldig diverse keren vestigingen van Holland Casino bezocht. Iedere keer dat zij het casino betraden, werd kort daarop geld gepind van bankrekeningen waarover zij konden beschikken en waarop geld uit misdrijven afkomstig is gestort. Daarnaast werd rond het moment dat er in het casino geld werd opgenomen, ook langs de weg bij geldautomaten gepind. In een aantal gevallen is geconstateerd dat kort na een contante opname geld gestort werd op een eigen rekening. In het geval van verdachte op zijn rekening dan wel op de rekening van zijn vrouw.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 december 2008 tot en met 2 mei 2012 te Amersfoort en/of Rijswijk en/of Baarn en/of ‘s-Hertogenbosch en/of Spijkenisse en/of Amsterdam en/of Rotterdam en/of Scheveningen en/of Utrecht en/of Nijmegen en/of Zandvoort, althans in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband

met [medeverdachte 1] en/of [katvanger] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer andere (rechts)personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van de volgende misdrijven:

- (gewoonte)witwassen, strafbaar gesteld bij artikel 420bis/ter van het

Wetboek van Strafrecht en/of

- valsheid in geschrifte, strafbaar gesteld bij artikel 225 van het Wetboek

van Strafrecht en/of

- oplichting, strafbaar gesteld bij artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht

en/of

- diefstal (door middel van een valse sleutel), strafbaar gesteld bij artikel

311 (lid 1 sub 5) van het Wetboek van Strafrecht en/of

- het opzettelijk doen van onjuiste belastingaangiften, strafbaar gesteld bij

het artikel 69 Algemene wet inzake Rijksbelastingen.

2

primair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2008 tot en met 2 mei 2012 te Amersfoort en/of Rijswijk en/of Baarn en/of 's-Hertogenbosch en/of Spijkenisse en/of Amsterdam en/of Rotterdam en/of Scheveningen en/of Utrecht en/of Nijmegen en/of Zandvoort, althans in Nederland, alleen, althans tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

(telkens) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders, (telkens) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en), tot een totaal bedrag van (ongeveer) Euro 1.391.048,18 te weten (onder meer)

1) Euro 130.804,07 (OPV-1) en/of

2) Euro 39.669,84 en/of Euro 240.144,03 (OPV-2) en/of

3) Euro 88.064,25 en/of Euro 16.310 (OPV-3) en/of

4) Euro 63.706.06 en/of Euro 1.021,48 (OPV-5) en/of

5) Euro 10.696,91 (OPV-7) en/of

6) Euro 8.902 en/of Euro 3.905 en/of Euro 66.638 en/of Euro 4.815 en/of

Euro 2.286 (OPV-8),

voorhanden gehad en/of verworven en/of omgezet en/of overgedragen en/of daarvan gebruik gemaakt,

terwijl, verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) wist(en) dat dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) (geheel of gedeeltelijk) onmiddellijk of

middellijk afkomstig was/waren uit misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk.

De meervoudige strafkamer in de rechtbank te Midden-Nederland heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk.

De advocaat-generaal heeft oplegging van eenzelfde straf gevorderd.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Bij de straf heeft het zich laten leiden door de strafdoeleinden, namelijk vergelding, de generale en speciale preventie.

Bij de vergelding gaat het om de ernst van de bewezen verklaarde feiten. Bewezen is verklaard dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie en dat hij grote bedragen heeft witgewassen.

Bij het bepalen van de ernst van de feiten, heeft het hof gelet op met name de volgende factoren:

  • -

    De hoogte van het nadeelbedrag;

  • -

    De duur van de periode waarin strafbare feiten werden gepleegd;

  • -

    De rol van de verdachte binnen de criminele organisatie;

  • -

    De inktvlekwerking van de criminele organisatie;

  • -

    De mate waarin getracht is de opheldering van de feiten te bemoeilijken.

Ten aanzien van eerste twee factoren geldt dat in de periode december 2008 tot mei 2012 personen en bedrijven door de criminele organisatie zijn benadeeld voor een bedrag van ongeveer 1,3 miljoen euro. Daarnaast is getracht nog meer mensen en/of bedrijven op te lichten voor eveneens hoge bedragen. De geleden schade is op geen enkele wijze (door een of meer leden) van de criminele organisatie vergoed.

Zoals blijkt uit het bovenstaande had verdachte een belangrijke rol binnen de organisatie. Hij heeft gedurende de periode dat de organisatie actief was veelvuldig geld gepind dat door middel van oplichting en valsheid in geschrift was verkregen. Daarnaast speelde hij een belangrijke rol bij het wegsluizen van het geld en het buiten zicht houden van de oplichters. Tenslotte is gebleken dat verdachte in een aantal gevallen daadwerkelijk betrokken was bij de pogingen tot oplichting en het indienen van valse aangiften.

Er is op vergaande wijze getracht te voorkomen dat de feiten zouden worden opgehelderd en de deelnemers van de organisatie konden worden getraceerd. De criminele organisatie maakte op grote schaal gebruik van BV’s die ingezet werden om het verkregen geld weg te sluizen en het zicht op de eindbestemming weg te nemen. Deze BV’s werden veelal op naam gezet van zogenaamde katvangers. Dit zijn mensen die vaak vanwege de problematische situatie waarin zij verkeren bereid zijn één of meer BV’s op hun naam te zetten in verband met de (kleine) vergoeding die zij hiervoor krijgen, maar die door hun aansprakelijkheid voor de schulden van de BV’s nog verder in de problemen kunnen komen. Ook is gebruik gemaakt van bankrekeningen van mensen die wel traceerbaar zijn en die daardoor in de financiële problemen zijn geraakt of konden raken. Verder had de organisatie mensen nodig die bereid waren facturen van of aan hun bedrijven te verstrekken aan de organisatie. De mist die door organisatie was gecreëerd heeft er toe geleid dat het onderzoek door de FIOD tijdrovend en dus veel (belasting)geld heeft gekost. Een tijdrovend onderzoek leidt er verder toe dat de FIOD andere onderzoeken moet laten liggen en er dus minder fraudegevallen kunnen worden opgehelderd. Ook dit is schadelijk voor de maatschappij. De gecreëerde mist heeft er verder toe geleid dat, ondanks het uitgebreide onderzoek van de FIOD, lang niet alles is opgehelderd. Zo is geen (volledig) zicht gekregen op de eindbestemming van het door oplichting verkregen geld en op alle deelnemers van de organisatie. De geraffineerde wijze waarop de strafbare feiten werden gepleegd vormt voor het hof een zwaarwegende factor bij het bepalen van de straf.

Ten aanzien van de generale preventie is van belang dat het anderen duidelijk moet zijn dat hoge straffen staan op hetgeen is bewezen verklaard en op de wijze waarop getracht is de opheldering van de feiten en de traceerbaarheid van de daders te voorkomen.

Ten aanzien van de speciale preventie geldt bovendien dat de maatschappij tegen verdachte beschermd moet worden. Verdachte heeft op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen en laten blijken dat hij spijt heeft van zijn handelen. Het hof heeft bij het bepalen van de straf bovendien acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 12 juni 2014, waaruit blijkt dat verdachte onherroepelijk is veroordeeld voor faillissementsfraude en valsheid in geschrift. Dit heeft hem er blijkbaar niet van weerhouden om wederom dergelijke strafbare feiten te plegen. Het hof zal hier ten nadele van verdachte rekening mee houden.

Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en op de recidive blijkens de documentatie van verdachte is een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats. Dit dient verdachte er van te doordringen dat hij zijn leven een andere wending dient te geven. Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde en de door de advocaat-generaal gevorderde straf – namelijk een gevangenisstraf van 20 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk – onvoldoende recht doet aan de strafdoeleinden. Het hof zal verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van twee jaar en acht maanden. Deze straf is vier maanden lager dan de straf die het hof oplegt aan medeverdachte [medeverdachte 1]. Ondanks het feit dat verdachte relevante recidive heeft en [medeverdachte 1] niet, komt het hof tot een iets lagere strafoplegging met name nu aan verdachte niet is tenlastegelegd dat hij een bedrag van totaal ruim € 714.000 (dat was verkregen door middel van de oplichting van Ikea) heeft witgewassen. Dit is wel aan [medeverdachte 1] tenlastegelegd en bewezen verklaard door het hof.

Het hof legt aan verdachte een iets hogere straf op dan aan de medeverdachte [medeverdachte 2], met name gelet op de rol van verdachte (in vergelijking met [medeverdachte 2]) ten aanzien van de in het dossier beschreven poging tot oplichting (voor een bedrag van vier miljoen Euro) van het Agentschap NL.

Vordering van de benadeelde partij Ikea BV

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 714.105,--. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Onvoldoende is gebleken dat de gestelde schade door het onder 1, 2 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij Max Bögl

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 279.813,87. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1, 2 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij Rabobank Zuidwest Friesland

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 104.374,25. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1, 2 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof merkt hierbij in het bijzonder op dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de door de Rabobank ontvangen valse facturen en het als gevolg van die valse facturen betalen van € 88.064,25 en € 16.310 op de rekening van een door de criminele organisatie gebruikte BV.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 57, 63, 140 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren en 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij Ikea BV

Verklaart de benadeelde partij Ikea BV in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij Max Bögl

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Max Bögl ter zake van het onder 1, 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 279.813,87 (tweehonderdnegenenzeventigduizend achthonderddertien euro en zevenentachtig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Max Bögl, een bedrag te betalen van € 279.813,87 (tweehonderdnegenenzeventigduizend achthonderddertien euro en zevenentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 266 (tweehonderdzesenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij Rabobank Zuidwest Friesland

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Rabobank Zuidwest Friesland ter zake van het onder 1, 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 104.374,25 (honderdvierduizend driehonderdvierenzeventig euro en vijfentwintig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Rabobank Zuidwest Friesland, een bedrag te betalen van € 104.374,25 (honderdvierduizend driehonderdvierenzeventig euro en vijfentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 99 (negenennegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr R. de Groot, voorzitter,

mr J.D. den Hartog en mr. M.C. Fuhler, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr E.C.M. Steeghs, griffier,

en op 11 juli 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr M.C. Fuhler is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.