Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:5565

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-07-2014
Datum publicatie
11-07-2014
Zaaknummer
TBS P14/0205
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege zich naar haar aard niet leent voor het toekennen van terugwerkende kracht. Bovendien is het hof van oordeel dat gelet op de bedoeling van de wetgever in de laatste volzin van het tweede lid van artikel 509t, zoals die luidt sinds 1 juli 2013, onder "gedurende minimaal een jaar voorwaardelijk beëindigd is geweest" moet worden verstaan minimaal een jaar feitelijk beëindigd is geweest. De rechtbank Gelderland heeft de verpleging van overheidswege van de terbeschikkinggestelde in haar beslissing van 13 december 2013 voorwaardelijk beëindigd, Die beëindiging heeft dus (feitelijk) nog geen jaar geduurd, zodat het bepaalde in artikel 509t, tweede lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering thans in de weg staat aan een beëindiging van de maatregel. Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat zich hier niet de situatie voordoet dat er geen sprake is van een stoornis en/of van recidivegevaar en (derhalve) evenmin van een geval als bedoeld in de uitspraak van dit hof van 9 januari 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:67) dat moet leiden tot buiten toepassing laten van voornoemde volzin. Voor beëindiging van de maatregel bestaat dan ook geen grond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

TBS P14/0205

Beslissing d.d. 10 juli 2014

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[naam terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Gelderland (locatie Arnhem) van 18 april 2014, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar, tevens wijziging van de bijzondere voorwaarden.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- de akte van beroep van de terbeschikkinggestelde van 22 april 2014;

- het Voortgangsverslag toezicht nr.2 en het aanvullend advies van Reclassering Nederland, Toezichtunit 1 Oost, van respectievelijk 6 mei 2014 en 19 juni 2014.

Het hof heeft ter zitting van 26 juni 2014 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr A.L. Louwerse, advocaat te Haarlem, en de advocaat-generaal mr E.J. Julsing-Nijenhuis.

Overwegingen:

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsvrouw

De verpleging van overheidswege is nu in december 2013 voorwaardelijk beëindigd en het gaat erg goed met de terbeschikkinggestelde. Hij houdt zich aan alle voorwaarden en hij heeft een eigen woning. Daarnaast is de behandeling bij [instelling] gestart, is de reclassering positief en zijn er volgens psychiater [naam] grote vorderingen gemaakt. De contacten met de begeleidingsinstanties zijn nog maar heel beperkt.

Primair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de maatregel beëindigd dient te worden. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de reclassering adviseert tot verlenging van de terbeschikkingstelling met een jaar omdat de voorwaardelijk beëindiging nog maar kort heeft geduurd. Dit is echter geen criterium voor verdere verlenging van de maatregel. De wet eist het bestaan van een stoornis en van gevaar. Als daar geen sprake (meer) van is, moet verlenging achterwege blijven. De bij de terbeschikkinggestelde geconstateerde trekken zijn niet voldoende om een persoonlijkheidsstoornis volgens DSM IV vast te mogen stellen. De externe deskundige taxeert het gevaar voor recidive als gering. Daarnaast dient op grond van de subsidiariteit en proportionaliteit de vordering te worden afgewezen. De raadsvrouw heeft gesteld dat, hoewel de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege nog geen jaar heeft geduurd, kan de maatregel in dit geval toch beëindigd worden. De raadsvrouw heeft daarbij verwezen naar een beslissing van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem van 30 december 2013, waarin wordt gesteld dat de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege met terugwerkende kracht is ingegaan op de datum van de verlenging van de maatregel.

Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat artikel 509t, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zoals dat luidt sinds 1 juli 2013, terzijde geschoven dient te worden, een verlenging ondanks het ontbreken van gevaar in strijd is met artikel 38d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, en een dergelijke verlenging zonder wettelijke grondslag ook een schending oplevert van artikel 5 EVRM.

Meer subsidiair - indien het hof niet voornemens is de vordering tot verlenging af te wijzen - heeft de raadsvrouw verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden en psychiater [naam] als deskundige ter zitting te horen.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het horen van de deskundige is niet noodzakelijk. Volgens het Pieter Baan Centrum en psychiater [naam] is er nog steeds sprake van een (milde) stoornis en (gering) recidivegevaar. Een verlenging van de maatregel levert geen schending op van artikel 5 EVRM. Die verlenging dient ook plaats te vinden. De terbeschikkinggestelde heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt, maar het is allemaal nog pril. Uit de rapportrage van de reclassering volgt dat ondersteuning van en controle op gedrag nog noodzakelijk is. Ook dient het middelengebruik van de terbeschikkinggestelde te worden gecontroleerd.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank.

Het oordeel van het hof

Beëindiging van de maatregel

Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd (en de rechtbank Noord-Holland in zijn aangehaalde beslissing van 30 december 2013 heeft overwogen) is het hof van oordeel dat een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege zich naar haar aard niet leent voor het toekennen van terugwerkende kracht. Bovendien is het hof van oordeel dat gelet op de bedoeling van de wetgever in de laatste volzin van het tweede lid van artikel 509t, zoals die luidt sinds 1 juli 2013, onder "gedurende minimaal een jaar voorwaardelijk beëindigd is geweest" moet worden verstaan minimaal een jaar feitelijk beëindigd is geweest. De rechtbank Gelderland heeft de verpleging van overheidswege van de terbeschikkinggestelde in haar beslissing van 13 december 2013 voorwaardelijk beëindigd, Die beëindiging heeft dus (feitelijk) nog geen jaar geduurd, zodat het bepaalde in artikel 509t, tweede lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering thans in de weg staat aan een beëindiging van de maatregel. Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat zich hier niet de situatie voordoet dat er geen sprake is van een stoornis en/of van recidivegevaar en (derhalve) evenmin van een geval als bedoeld in de uitspraak van dit hof van 9 januari 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:67) dat moet leiden tot buiten toepassing laten van voornoemde volzin. Voor beëindiging van de maatregel bestaat dan ook geen grond.

Afwijzing verzoek

Het hof acht zich op basis van de voorhanden zijnde informatie voldoende voorgelicht om te

kunnen oordelen op het door de terbeschikkinggestelde ingediende beroep. Het (voorwaardelijk) verzoek tot het horen van de deskundige [naam] (psychiater)

wordt afgewezen, nu de noodzakelijkheid daarvan niet is gebleken.

Bevestigen

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom zal de beslissing, waarvan beroep met overneming van die gronden worden bevestigd.

Beslissing

Het hof:

Wijst af het verzoek tot het horen van de deskundige [naam].

Bevestigt de beslissing van de rechtbank Gelderland van 18 april 2014 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [naam terbeschikkinggestelde].

Aldus gedaan door

mr E.A.K.G. Ruys als voorzitter,

mr J.W. Rijkers en mr A.B.A.P.M. Ficq als raadsheren,

en dr. A. Verheugt en drs. M. van Weers als raden,

in tegenwoordigheid van mr J.P. Fuchs-van Dis als griffier,

en op 10 juli 2014 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.