Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:5563

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-07-2014
Datum publicatie
13-10-2014
Zaaknummer
200.148.901
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing. Deelbeschikking. Ontvankelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0298

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.148.901

(zaaknummer rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, 252416)

beschikking van de familiekamer van 10 juli 2014

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. de Jonge te Apeldoorn,

en

Stichting Bureau Jeugdzorg Gelderland,

gevestigd te Apeldoorn,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de stichting.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: de vader,

en

[belanghebbenden],

beiden wonende te [woonplaats],

verder te noemen: de grootouders (mz).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen (hierna te noemen: de kinderrechter), van

29 oktober 2013, zoals verbeterd bij beschikking van 6 november 2013, en naar de beschikking van de kinderrechter van 13 februari 2014, alle uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 13 mei 2014;

- het verweerschrift van de stichting, ingekomen op 3 juni 2014.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 12 juni 2014 plaatsgevonden.

De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de stichting is verschenen de heer E. Aukema, in zijn hoedanigheid van teamleider. Tevens zijn verschenen de vader en de grootouders (mz).

2.3

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de moeder, met instemming van de stichting, een verklaring van [A ] overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van de ouders zijn geboren:

- [kind 1] (hierna: [kind 1]), op [geboortedatum] 2007 te [plaats], en

- [kind 2] (hierna: [kind 2]), op [geboortedatum] 2009 te [plaats].

De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [kind 1] en [kind 2].

3.2

Bij beschikking van 23 oktober 2012 heeft de kinderrechter [kind 1] en [kind 2] onder toezicht gesteld van de stichting, welke termijn laatstelijk is verlengd bij beschikking van

1 oktober 2013 tot en met 22 oktober 2014.

3.3

De stichting heeft op 16 oktober 2013 indicatiebesluiten genomen als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wet op de jeugdzorg (verder: WJZ).

3.4

Bij beschikking van 15 oktober 2013 heeft de kinderrechter de stichting gemachtigd [kind 1] en [kind 2] uit huis te plaatsen binnen het netwerk bij de grootouders (mz) van de minderjarigen, voor de duur van vier weken met ingang van 15 oktober 2013 tot 12 november 2013.

3.5

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 29 oktober 2013 zoals verbeterd bij beschikking van 6 november 2013, heeft de kinderrechter de stichting gemachtigd [kind 1] en [kind 2] uit huis te plaatsen in het netwerkgezin van de grootouders (mz) tot (naar het hof begrijpt:) 15 februari 2014 en de beslissing op het verzoek van de stichting voor het overige aangehouden.

3.6

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 13 februari 2014 heeft de kinderrechter de stichting gemachtigd [kind 1] en [kind 2] uit huis te plaatsen in het netwerkgezin van de grootouders (mz) tot 15 oktober 2014.

3.7

[kind 1] en [kind 2] verblijven sinds 26 mei 2014 weer bij de moeder.

4 De omvang van het geschil in hoger beroep

4.1

De moeder kan zich met de uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] niet verenigen en is met (feitelijk) negen grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van

29 oktober 2013, zoals verbeterd bij beschikking van 6 november 2013, en die van 13 februari 2014. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. In haar beroepschrift (zoals aangevuld ter zitting) heeft de moeder het hof verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van de kinderrechter van 29 oktober 2013 (zoals verbeterd bij beschikking van 6 november 2013) en die van 13 februari 2014 te vernietigen en te bepalen dat de kinderen weer bij haar worden teruggeplaatst.

4.2

De stichting heeft in haar verweerschrift het hof verzocht de beschikking van de kinderrechter van 13 februari 2014 te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

De ontvankelijkheid van de moeder in het hoger beroep

5.1

De eerste vraag die in dit hoger beroep dient te worden beantwoord is of er hoger beroep open staat tegen de beschikking van de kinderrechter van 29 oktober 2013 (zoals hersteld bij beschikking van 6 november 2013).

5.2

Naar het oordeel van het hof is de desbetreffende beschikking aan te merken als een deelbeschikking, dat wil zeggen een beschikking waarbij in het dictum reeds uitdrukkelijk op een onderdeel van het verzochte is beslist en waarmee in zoverre een einde is gekomen aan de procedure in de betrokken instantie. In het dictum van de bewuste beschikking wordt het verzoek van de stichting tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling immers reeds voor een gedeelte toegewezen, te weten voor een periode tot 15 februari 2014. In zoverre is die beschikking een eindbeschikking. Tegen dit onderdeel van deze beschikking had de moeder binnen de toepasselijke termijn van drie maanden hoger beroep moeten instellen. Nu de moeder dit eerst op 13 mei 2014 heeft gedaan, is de moeder niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep tegen de in de deelbeschikking opgenomen beslissing tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing voor een periode tot 15 februari 2014.

Inhoudelijke beoordeling

5.3

Volgens de bestreden beschikking van 13 februari 2014 geldt de daarin gegeven machtiging tot uithuisplaatsing tot 15 oktober 2014. Inmiddels verblijven [kind 1] en [kind 2] sinds 26 mei 2014 weer bij de moeder. Gelet op het door artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven, heeft de moeder een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing van de kinderen in de periode van 15 februari 2014 tot 26 mei 2014 te laten toetsen en behoort haar niet haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de kinderen inmiddels weer bij haar verblijven.

5.4

Ingevolge artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan de kinderrechter de stichting als bedoeld in artikel 1 WJZ op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.5

De volgende vraag die in het onderhavige hoger beroep voorligt is of er ten tijde van de bestreden beschikking van 13 februari 2014 is voldaan aan de hiervoor, onder rechtsoverweging 5.4, genoemde criteria. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe het volgende.

5.6

Uit de brief van GGNet aan de kinderrechter van 31 december 2013 volgt dat de stichting in april 2013 aan kinder- en jeugdpsychiater [B] (verder te noemen: [B]) van GGNet advies heeft gevraagd in verband met het beoordelen van het psychisch functioneren van de moeder. Concreet wilde de stichting weten of het wantrouwen van de moeder tegenover de hulpverlening wel of niet in een psychopathologisch kader kon worden gezien. Tevens gaf de stichting hierbij te kennen dat zowel de moeder als de stichting zelf zorgen had dat de kinderen bij de vader mogelijk seksueel misbruikt zouden kunnen zijn en dat de moeder de kinderen graag door GGNet beoordeeld en zo nodig behandeld wilde zien wegens haar zorgen omtrent psychische schade wegens mogelijk seksueel misbruik. Er hebben vervolgens meerdere gesprekken plaatsgevonden tussen de moeder en (hulpverleners van het team van) [B] en de moeder heeft binnen GGNet deelgenomen aan het traject moeder-kind begeleiding bij GGZ-agoog [C]. [B] schrijft in de bewuste brief dat de moeder intussen wekelijks met haar kinderen bij [C] komt en dat de moeder vertrouwen in hem heeft en zijn adviezen positief kan omzetten.

In de latere brief aan de kinderrechter van 14 januari 2014 schrijven [B] en [D] (kinderpsychotherapeut) dat sprake is van contactgroei met de moeder en van een groeiend vertrouwen van de moeder in de hulpverleners van GGNet. Zij blijkt in het contact inmiddels veel rustiger te kunnen zijn en daarin veel beter af te stemmen. Volgens hen is bij de moeder geen sprake van een geestesstoornis, aangezien zij adequaat is in het contact met GGNet en dagelijks naar haar werk gaat. Wel hebben haar vroegere ervaringen als klokkenluider en de spanningen rondom de veiligheid van haar kinderen de moeder in zekere mate getraumatiseerd waardoor zij hyperalert is geworden. Het thema van bijna alle contacten was de veiligheid van haar kinderen en haar zorg dat haar zorgen niet door hulpverleners en instanties worden gedeeld. Zij is een moeder die alles over heeft voor haar kinderen en momenteel zeer lijdt onder de situatie van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing, aldus [B] en [D].

Voorts is van belang het observatieverslag van [C] van 20 januari 2014. Volgens [C] geven de affectieve basis en de wederkerigheid in het contact tussen de moeder en de kinderen geen reden tot vragen. Het opvoedhandelen vraagt wel aandacht (de moeder interpreteert het gedrag van de kinderen niet altijd goed en zij sluit vaak wel, maar soms ook niet goed aan bij hun leeftijd), maar de moeder staat in het algemeen open voor opmerkingen en zij wil leren. De moeder maakt een gemotiveerde indruk, voelt zich verantwoordelijk als moeder en laat dit in de praktijk ook zien, zo volgt uit dit verslag.

Daarnaast constateert het hof dat de stichting ter zitting bij dit hof heeft verklaard dat de stichting (reeds) na oktober 2013 vanuit de hulpverlening of de school geen zorgsignalen over de moeder (meer) heeft ontvangen.

5.7

Nu GGNet (vanuit haar ervaringen met de moeder vanaf mei 2013) in december 2013/januari 2014 positief berichtte over de samenwerking met de moeder en het contact van de moeder met de kinderen, heeft de stichting haar stelling dat medio februari 2014 nog steeds onvoldoende duidelijkheid bestond over de stabiliteit en emotionele veiligheid in de thuissituatie bij de moeder, onvoldoende onderbouwd. In het licht van het hiervoor onder 5.6 overwogene is niet aannemelijk geworden dat rond medio februari 2014 een (voortzetting van de) uithuisplaatsing in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen noodzakelijk was. Het feit dat de moeder in de periode voorafgaande aan de beschikking van 13 februari 2014 niet akkoord ging met de door de stichting voorgestane vorm van gezinsdagbehandeling bij Haemstede, vormt naar het oordeel van het hof onvoldoende grond voor een uithuisplaatsing. De moeder werd daarin namelijk gesteund door GGNet die de bewuste vorm van gezinsdagbehandeling niet adviseerde zolang gegronde twijfel bestond over de veiligheid bij de vader. Eerder had GGNet bij de stichting zorgen geuit over mogelijk seksueel misbruik van de kinderen en op advies van GGNet is toen de omgang met de vader voorlopig stilgelegd. Tegen deze achtergrond is ook begrijpelijk dat de moeder destijds slechts aan onderzoek naar de mogelijkheid van (hernieuwde) omgang tussen de vader en de kinderen wilde meewerken, indien er meer duidelijkheid over het (vermeende) seksueel misbruik zou komen. Het verzet van de moeder tegen samenwerking met de stichting vormde onder de gegeven omstandigheden evenmin voldoende grond voor een (voortzetting van de) uithuisplaatsing, nu de moeder binnen de door haar wél als veilig ervaren setting van GGNet, constructief aan hulpverlening bleek mee te werken.

5.8

Aangezien niet aannemelijk is geworden dat rond medio februari 2014 een (voortzetting van de) uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] noodzakelijk was in het belang van hun verzorging en opvoeding dan wel tot onderzoek van hun geestelijke of lichamelijke gesteldheid, is het verzoek van de stichting voor zover dit strekt tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing over de periode vanaf 15 februari 2014, ten onrechte toegewezen.

5.9

Uit het voorgaande volgt dat het hof de tussenbeschikking van de kinderrechter van

29 oktober 2013 en de eindbeschikking van 13 februari 2014 zal vernietigen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep tegen

de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van

29 oktober 2013, zoals verbeterd bij beschikking van 6 november 2013, voor zover daarbij de machtiging uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] is verleend voor de periode tot

15 februari 2014;

vernietigt de beschikking van de kinderrechter van 29 oktober 2013, zoals verbeterd bij beschikking van 6 november 2013, voor het overige, evenals de beschikking van de kinderrechter van 13 februari 2014;

en opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de stichting voor zover dit strekt tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] over de periode vanaf 15 februari 2014, alsnog af;

wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.M.M. Mostermans, A. Smeeïng-van Hees en

K.J. Haarhuis, bijgestaan door mr. M. Slagman-Boef als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. A. Smeeïng-van Hees en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2014.