Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:556

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-01-2014
Datum publicatie
30-01-2014
Zaaknummer
200.092.724-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incident vermeerdering van eis. Onvoldoende grond aanwezig om een uitzondering te maken op de "in beginsel strakke regel".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.092.724/01

(zaaknummer rechtbank Groningen 107532 / HA ZA 09-111)

arrest van de tweede kamer in het incident tot verzet tegen de eiswijziging van

28 januari 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: de man,

advocaat: mr. J.S. Bauer, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. P.A.K. van Eck, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 1 april 2009, 2 december 2009 en 8 december 2010 van de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 21 februari 2011,

- de memorie van grieven tevens inhoudend vermeerdering van eis (met producties),

- de memorie van antwoord, tevens van grieven in incidenteel hoger beroep,

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, tevens inhoudend voorwaardelijke vermeerdering van eis,

- een akte van de vrouw,

- een akte in incidenteel hoger beroep naar aanleiding van bezwaar vermeerdering eis.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest in incident overgelegd en heeft het hof arrest in incident bepaald.

2.3

De vordering van de man in de appeldagvaarding luidt:

"dat het het Gerechtshof behage de vonnissen waarvan beroep, te vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, het in eerste aanleg door gerekwireerde gevorderde alsnog in zijn geheel zal afwijzen en het in eerste aanleg door rekwirant gevorderde in zijn geheel zal toewijzen met dien verstande dat bij Memorie van Grieven de eis zal worden gewijzigd, met veroordeling van gerekwireerde in de kosten van het geding in beide instanties".

2.4

In zijn memorie van grieven heeft de man geconcludeerd conform het petitum in de appeldagvaarding met inachtneming van de eisvermeerdering en hetgeen in de memorie van grieven is gevorderd onder het kopje 'verdeling conform de stellingen van de man'.

2.5

In incidenteel appel heeft de vrouw gevorderd:

"I. Het vonnis van de rechtbank Groningen d.d. 8 december 2010 te bekrachtigen, voor zover hierin de verdeling is vastgesteld c.q. een verdeling is opgenomen, meer in het bijzonder bekrachtiging van de punten 4.1, 4.2, 4.3 en 4.6 van het vonnis van de rechtbank Groningen.
II. Te verstaan dat aan de man dientengevolge is toegekend een bedrag ad € 469.596,09 aan positief alsmede een totale schuldenlast van € 81.505,20, waardoor de man per saldo € 388.090,89 toebedeeld krijgt;
III. Te verstaan dat aan de vrouw zijn toebedeeld de positieve saldi op de rekeningnummers van in totaal € 12.677,51.
IV. Dat derhalve in totaal te verdelen is een bedrag van € 400.768,40. Elk der partijen heeft recht op de helft ofwel € 200.384,20.
V. Te verstaan dat uit hoofde van bovengenoemde verrekening, de man aan de vrouw een bedrag dient te voldoen van € 187.706,69.
VI. Te verstaan dat de vrouw aan de man een gebruikersvergoeding verschuldigd is, welke berekend is op € 34.125,-.
VII. De man te veroordelen aan de vrouw te voldoen een bedrag groot € 153.581,69, te betalen binnen een maand na het uitspreken van het in deze te wijzen arrest.
VIII. De man te veroordelen tot het betalen van een gebruikersvergoeding vanaf 1 februari 2011 van € 6.500,- per jaar, te rekenen vanaf 1 februari 2011 tot aan de datum der algehele voldoening en afwikkeling van de vermogensverrekening.
IX. Partijen te veroordelen om binnen vier weken na de datum van het in deze te wijzen arrest hun medewerking te verlenen aan het uitvoeren van de verdeling van de ontbonden gemeenschap met veroordeling van de man in de kosten welke zijn verbonden aan de uitvoering van deze verdeling.
X. Te bepalen dat de door uw Hof uit te spreken beslissing in de plaats treedt van de voor de levering vereiste medewerking van een der partijen, indien een der partijen niet zal meewerken aan levering van (haar of zijn aandeel) in de woning.
XI. Voor het overige al hetgeen anders of meer is bepaald af te wijzen.
XII. Althans zodanig te bepalen als uw Hof in goede justitie zal vermenen te behoren."
Bij zijn akte heeft de man zijn eis als volgt voorwaardelijk vermeerderd:

"De man vermeerdert zijn eis voorwaardelijk in dier voege dat hij vordert dat het hof - voor zover er een overeenkomst tussen partijen bestaat met betrekking tot de toedeling van de woning - de vernietiging van de overeenkomst uitspreekt, dan wel met toepassing van het bepaalde in artikel 6:258 BW op grond van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten de gevolgen van de overeenkomst wijzigt dan wel met toepassing van het bepaalde in artikel 6:230 lid 2 BW in plaats van de vernietiging uit te spreken de gevolgen van de overeenkomst wijzigt."

3 De feiten en het geding in eerste aanleg

3.1

Partijen zijn [in 1972] met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Het huwelijk is op 15 december 2004 omgezet in een geregistreerd partnerschap.

3.2

Partijen zijn feitelijk uiteen gegaan op 24 januari 2005.

3.3

Bij beschikking van 26 juli 2005 heeft de rechtbank Groningen de ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen partijen uitgesproken en partijen gelast de tussen hen bestaande gemeenschap te verdelen. Deze beschikking is op 18 oktober 2005 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

3.4

De man heeft de vrouw vervolgens bij dagvaarding van 26 januari 2009 gedagvaard en daarbij - voor zover in dit incident van belang - gevorderd:

"I.

Voor het geval de vrouw niet wenst mee te werken aan toedeling van de echtelijke woning met bijbehorende percelen aan [adres] aan de man tegen een waarde van € 400.000,--, als taxateur de heer [taxateur] te [plaats] (gespecialiseerd in paardenobjecten, tel: [telefoonnummer]) te benoemen, dan wel een door uw rechtbank te bepalen taxateur, teneinde de waarde van de echtelijke woning gelegen aan [adres] te ([woonplaats]) kadastraal bekend [nummers] te bepalen;"

3.5

De vrouw heeft verweer gevoerd en gevorderd dat de rechtbank zal verstaan dat de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap is verdeeld op de wijze als is weergegeven in het petitum van haar conclusie van antwoord.

3.6

In haar eindvonnis van 8 december 2010 heeft de rechtbank - onder de overweging dat partijen het erover eens zijn dat de woning kan worden toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 395.000,- (rechtsoverweging 3.5 onder a) - onder meer als volgt beslist.

"4.1 Gelast partijen de ontbonden gemeenschap als volgt te verdelen:

toe te delen aan de man:

- de voormalig echtelijke woning aan [adres], onder de verplichting van de man de hypothecaire geldleningen bij de Rabobank met de nummers [nummers] op zich te nemen, de vrouw te vrijwaren van aanspraken door de hypotheeknemer en zich in te spannen dat de hypotheeknemer de man [het hof leest: de vrouw] uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van de hypothecaire geldleningen zal ontslaan"

4 De motivering van de beslissing in het incident

4.1

Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 130 lid 1 Rv en artikel 353 lid 1 Rv aan de man de bevoegdheid toekomt zijn eis of de gronden daarvan te wijzigen. De toelaatbaarheid van een eiswijziging moet, zo nodig ambtshalve, mede worden beoordeeld in het licht van de herstelfunctie van het hoger beroep. De grenzen van het toelaatbare worden echter overschreden indien de eiswijziging leidt tot onredelijke vertraging van het geding en/of tot onredelijke bemoeilijking van de verdediging.

4.2

Bij memorie van grieven alsmede bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, tevens inhoudende voorwaardelijke vermeerdering van eis, heeft de man zijn eis gewijzigd/vermeerderd.

4.3

Tegen de eiswijziging en -vermeerdering bij memorie van grieven heeft de vrouw geen bezwaar gemaakt. Het verzet van de vrouw richt zich slechts tot de voorwaardelijke vermeerdering van eis zoals de man deze heeft verwoord bij zijn memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, welke vermeerdering er op neer komt dat de man thans vordert dat het hof - voor zover er een overeenkomst tussen partijen bestaat met betrekking tot de toedeling van de woning - de vernietiging van deze overeenkomst uitspreekt, dan wel de gevolgen van die overeenkomst wijzigt.
De vrouw stelt dat deze vermeerdering van eis is te beschouwen als een nieuwe grief die wordt aangevoerd na het tijdstip waarop de memorie van antwoord zijdens de vrouw is genomen. Daarbij komt de voorwaardelijke vermeerdering van eis volgens de vrouw niet voort uit een ontwikkeling ontstaan na de memorie van grieven waarop in redelijkheid niet eerder kon worden geanticipeerd, terwijl de thans geformuleerde wijziging voor de vrouw niet kenbaar in de procedure naar voren is gebracht.

4.4

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

4.5

De in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel beperkt de aan de oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot wijziging of vermeerdering van eis in hoger beroep in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of antwoord mag veranderen of vermeerderen. Dit geldt ook als de wijziging of vermeerdering van eis slechts betrekking heeft op de grondslag van hetgeen ter toelichting van de vordering door de oorspronkelijke eiser is gesteld. Op deze "in beginsel strakke regel" kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, met name indien de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de eiswijziging of -vermeerdering plaatsvindt, of indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een zodanige verandering of vermeerdering van eis kan plaatsvinden. Zie o.a. HR 20 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC4959), HR 19 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI8771) en HR 23 september 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ7064).

4.6

Gesteld noch gebleken is dat de vermeerdering van eis is ingegeven door na de memorie van grieven voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden of ertoe strekt te voorkomen dat beslist zou moeten worden op inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken gegevens. De eisvermeerdering ziet immers op vernietiging van een al dan niet tussen partijen gesloten overeenkomst ter zake van de toedeling van de woning aan de man tegen een waarde van € 395.000,-, terwijl de man het bestaan van deze overeenkomst reeds bij zijn memorie van grieven heeft betwist. Het hof acht dan ook onvoldoende grond aanwezig om een uitzondering op de "in beginsel strakke regel" te maken. De vermeerdering van eis, zoals door de man verwoord bij zijn memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep tevens inhoudend voorwaardelijke vermeerdering van eis, zal dan ook buiten beschouwing worden gelaten.

4.7

De zaak zal naar de rol worden verwezen voor fourneren. Elk oordeel over de proceskosten zal worden aangehouden totdat ook in hoofdzaak kan worden beslist.

5 De beslissing



Het gerechtshof:

verklaart het verzet van de vrouw tegen de eisvermeerdering van de man bij de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, tevens inhoudende voorwaardelijke vermeerdering van eis, gegrond;

houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan tot de einduitspraak;

In de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 11 februari 2014 voor fourneren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. L. Groefsema en mr. A.M. Koene en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag

28 januari 2014.