Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:5532

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-07-2014
Datum publicatie
01-08-2014
Zaaknummer
13/01111
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:3205, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rioolheffing en onroerendezaakbelasting. Aanwijzing belastingplichtige. Genothebbenden krachtens eigendom. Echtscheiding. Civiele procedures tot verdeling. Beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1835
PFR-Updates.nl 2014-0211
V-N Vandaag 2014/1590
Belastingblad 2014/376
V-N 2014/45.25.2
mr. B.S. Kats annotatie in NTFR 2014/2209

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 13/01111

uitspraakdatum: 8 juli 2014

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] (hierna: belanghebbende),

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 september 2013, nummer AWB 13/1640, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Ede (hierna: de heffingsambtenaar).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 ter zake van de onroerende zaak
[a-straat] 32 te [L] een aanslag in de onroerendezaakbelasting opgelegd van € 424,80, alsmede een aanslag in de rioolheffing van € 105,12.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van
26 september 2012 de aanslagen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen de uitspraken van de heffingsambtenaar in beroep gekomen. Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 24 september 2013 het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft bij brief van 31 oktober 2013, ingekomen bij het Hof op
4 november 2013, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2014 te Arnhem. Belanghebbende is daar met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Namens de heffingsambtenaar is verschenen drs. [A].

1.7.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende was van 25 september 1981 tot 6 april 1998 gehuwd. Belanghebbende en zijn ex-echtgenote hebben op 24 maart 1992, ieder voor de onverdeelde helft, de eigendom verkregen van de (echtelijke) woning aan de [a-straat] 32 te [L] (hierna: de woning). Na de echtscheiding is de ex-echtgenote in de woning blijven wonen. Belanghebbende is sinds de echtscheiding elders woonachtig. De ex-echtgenote heeft in september 2009 de woning verlaten.

2.2.

Bij vonnis in kort geding van 8 november 2005 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Arnhem de volgende beslissing uitgesproken:

“De voorzieningenrechter (…)

1. veroordeelt [de ex-echtgenote] mee te werken aan de uitvoering van het bindend advies van 10 december 2004 door:

a. binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan notaris (…) te [L] (…) schriftelijk mee te delen welke makelaar namens [de ex-echtgenote] zal optreden bij de verkoop van de woning aan de [a-straat] 32 te [L], bij gebreke waarvan de notaris bindend een NVM- of LVM makelaar zal benoemen,

b. onbeperkt toegang te verlenen aan de aangewezen/benoemde makelaars tot de woning zodat zij zich een beeld kunnen vormen van de onroerende zaak met het oog op de bepaling van de vraagprijs,

c. binnen twee dagen nadat de twee makelaars de vraagprijs in onderling overleg hebben vastgesteld, de bemiddelingsovereenkomst te tekenen,

d. haar volledige medewerking aan de verkoop van de woning te geven en waar nodig de gelegenheid te geven tot bezichtiging,

e. niet in of rond de woning aanwezig te zijn bij de bezichtiging door (een) aspirant koper(s) en ervoor te zorgen dar hierbij ook de kinderen niet aanwezig zijn,

f. haar medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning als de beide makelaars schriftelijk hebben verklaard dat het bod, gezien de vraagprijs, redelijk is, door al datgene te doen wat nodig is, waaronder het tekenen van de voorlopige koopakte,

g. mee te werken aan de overdracht van de woning op de door de kopers gewenste termijn, voor zover deze termijn niet is gelegen vóór 1 juli 2006,

h. de woning bij de overdracht aan derden leeg, ontruimd en in goede staat op te leveren en leeg en ontruimd te houden, maar niet vóór 1 juli 2006,

2. Bepaalt dat dit vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van [de ex-echtgenote] voor elk van de hierboven vermelde rechtshandelingen na ommekomst van de hierboven vermelde termijn,”

2.3.

Bij arrest van 24 april 2007 heeft het gerechtshof te Arnhem voornoemd vonnis bekrachtigd.

2.4.

Bij brief van 19 februari 2009 heeft het hoofd Belastingen van de gemeente Ede het volgende aan belanghebbende geschreven:

“De afdeling Belastingen van de gemeente Ede is bezig met het onderzoeken of de beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige juist worden toegepast.

In de belastingadministratie bent u aangewezen als eigenaar van de [a-straat] 32 te [L]. Uit de gegevens van het Kadaster blijkt dat er twee eigenaren zijn ingeschreven als belanghebbende betreffende het genoemde adres.

In de beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige van de gemeente Ede staat dat degene die binnen de gemeente grenzen woonachtig is als belastingplichtige moet worden aangemerkt voor het eigendom. Bij u is dit niet het geval, de mede-eigenaar woont wel binnen de gemeente grenzen en zal dus volgens de beleidsregels als eigenaar beschouwd moeten worden. Alleen op uw uitdrukkelijke verzoek kunnen wij van die regels afwijken.

Wilt u daarom onderaan deze brief aangeven of u als belastingplichtige aangemerkt wilt worden. U kunt dan deze brief in de retour enveloppe naar de gemeente terug sturen.”

2.5.

Belanghebbende en zijn ex-echtgenote hebben op 30 maart 2010 de woning in eigendom overgedragen aan derden. In de akte van levering is onder meer het volgende vermeld:

“Heden, dertig maart tweeduizend tien,

Verschenen voor mij, mr. (…), notaris te [L]:

1. belanghebbende], wonende te (…) [Z], (…), ongehuwd en niet geregistreerd als partner in de zin van het geregistreerd partnerschap, te dezen handelend:

a. voor zich in privé; en

b. voorzover na te melden rechtshandelingen niet krachtens het vonnis van de Rechtbank Arnhem, sector civiel recht, de dato acht november tweeduizend vijf (zaaknummer 127302/KG ZA 05-321) tezamen met het arrest van het Gerechtshof te Arnhem, vierde civiele kamer, de dato vierentwintig april tweeduizend zeven (rolnummer 2006/00455 KG) op grond van het bepaalde in artikel 3:300 van het burgerlijk Wetboek beschouwd mogen worden als rechterlijke uitspraken welke dezelfde kracht hebben als een in wettige vorm opgemaakte akte, als hierna nader in de considerans nader omschreven, als gevolmachtigde van [de ex-echtgenote], wonende te 6718 VC [L], [a-straat] 32, (…), ongehuwd en niet geregistreerd als partner in de zin van het geregistreerd partnerschap, van welke volmacht blijkt uit:

- een beschikking van de Rechtbank Arnhem, sector civiel recht, de dato zeven juli tweeduizend negen (zaaknummer 185680/KG ZA 09-361);

- een beschikking van de Rechtbank Arnhem, sector civiel recht, de dato vijfentwintig augustus tweeduizend negen (zaaknummer 188899/KG ZA 09-551);

hierna zowel tezamen als ieder afzonderlijk in deze akte genoemd: “verkoper”;

2. (…)

CONSIDERANS

  1. [Belanghebbende] (hierna ook te noemen: “de man”) en voornoemde [ex-echtgenote] (hierna ook te noemen: “de vrouw”) zijn op vijfentwintig september negentienhonderd eenentachtig met elkaar gehuwd.

  2. Het huwelijk tussen de man en de vrouw is (…) op zes april negentienhonderd achtennegentig (…) door echtscheiding ontbonden.

  3. De man en de vrouw zijn ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van na te melden registergoed (hierna ook te noemen: “de woning”).

  4. Op gezamenlijk verzoek van de man en de vrouw is op tien december tweeduizend vier door mr. (…), notaris te [L], een bindend advies uitgebracht, welk bindend advies ondermeer betrekking had op de woning.

  5. Blijkens het vonnis in kort geding van de rechtbank te Arnhem de dato acht november tweeduidend vijf (…) is de vrouw ondermeer veroordeeld:

a. mee te werken aan de uitvoering van voormeld bindend advies;

b. haar medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning als de makelaars hebben verklaard dat het bod, gezien de vraagprijs, redelijk is, door al datgene te doen wat nodig is, waaronder het tekenen van de koopovereenkomst, en

c. mee te werken aan de overdracht van de woning op de door de kopers gewenste termijn.

In voormeld vonnis is voorts bepaald:

d. dat het betreffende vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van de vrouw voor elk van de in dat vonnis vermelde rechtshandelingen (waaronder de sub 5.b en 5.c rechtshandelingen);

e. (…)

f. (…)

(…)

(…)

Blijkens het arrest van het gerechtshof te Arnhem de dato vierentwintig april tweeduizend zeven heeft het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep, ondermeer het vonnis de dato acht november tweeduizend vijf bekrachtigd.

(…)

Blijkens het vonnis in kort geding van de rechtbank Arnhem de dato zeven juli tweeduizend negen heeft de voorzieningenrechter de man op grond van het bepaalde in artikel 3:174 van het Burgerlijk Wetboek gemachtigd tot het te gelde maken van de woning, waaronder het mede namens de vrouw:

a. aanvaarden van het bod, waarvan de in dat vonnis genoemde makelaars schriftelijk hebben verklaard dat het een redelijk bod is, en het sluiten van de koopovereenkomst;

b. het leveren van de woning aan de desbetreffende koper tegen de overeengekomen koopprijs en al datgene te doen wat nodig is, welk vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.”

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de aanslagen onroerendezaakbelasting en rioolheffing terecht aan belanghebbende zijn opgelegd.

3.2.

Belanghebbende betoogt dat hij weliswaar in het kadastrale register op 1 januari 2010 tezamen met zijn ex-echtgenote stond ingeschreven als (mede-)eigenaar van de woning maar dat hij op dat moment niet woonachtig was in de woning of elders in de gemeente [L], dat zijn ex-echtgenote op dat moment wel in de gemeente [L] woonachtig was, en dat daarom op grond van artikel 2, letter a, sub 2, van de Beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige en WOZ-belanghebbende in een keuzesituatie (hierna: de Beleidsregels) niet hij maar zijn ex-echtgenote dient te worden aangeslagen voor de onroerendezaakbelasting en de rioolheffing.

3.3.

Belanghebbende betoogt subsidiair dat door de brief van 19 februari 2009 bij hem het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat hij niet zou worden aangeslagen voor de onroerendezaakbelasting en de rioolheffing.

3.4.

De heffingsambtenaar verdedigt de opvatting dat de ex-echtgenote weliswaar in het kadastrale register op 1 januari 2010 als (mede-)eigenaar van de woning staat ingeschreven, maar dat de gerechtelijke uitspraken haar in het genot krachtens eigendom hebben beperkt, dat zij daardoor niet langer als genothebbende kan worden aangemerkt, waardoor zij niet belastingplichtig is voor de onroerendezaakbelasting en de rioolheffing. In dat geval is geen sprake van een keuzesituatie, zodat toepassing van de Beleidsregels niet aan de orde is, aldus de heffingsambtenaar. Volgens de heffingsambtenaar is belanghebbende dan ook terecht aangeslagen voor de onroerendezaakbelasting en de rioolheffing. Verder bestrijdt de heffingsambtenaar het beroep op het vertrouwensbeginsel.

3.5.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken van de heffingsambtenaar en tot vernietiging van de aanslagen onroerendezaakbelasting en rioolheffing. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

In de Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelasting 2010 van de gemeente [L], is, in overeenstemming met artikel 220b, tweede lid, van de Gemeentewet, onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 1 Belastingplicht

1. Onder de naam ‘onroerendezaakbelastingen’ worden ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:

  1. (…)

  2. een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.

(…)

Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.”

4.2.

In de Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2010 van de gemeente [L], is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 3 Belastingplicht

1. De belasting wordt geheven:

  1. Van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering;

  2. (…)

2. Met betrekking tot de belasting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt, ingeval het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.”

4.3.

In de Beleidsregels van de heffingsambtenaar is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 2

Met betrekking tot de gemeentelijke belastingen die worden geheven van genothebbenden krachtens eigendom, bezit of beperkt recht wordt de aanslag in onderstaande volgorde gesteld ten name van:

a. indien er binnen één categorie genothebbenden personen zijn die volgens de beschikbare gegevens in [L] wonen of gevestigd zijn:

1. degene die ook als gebruiker wordt aangemerkt;

2. degene die in de gemeente woont of is gevestigd;

3. degene die het grootste aandeel in het genotsrecht heeft;

4. een natuurlijk persoon boven een niet-natuurlijk persoon;

5. bij gelijke aandelen de oudste in leeftijd;

6. degene die bij de afdeling belastingen als genothebbende of gebruiker bekend is;

7. de eerstgerechtigde in de volgorde die door het kadaster wordt aangehouden;

(…)”

4.4.

Voor de heffing van de onroerendezaakbelasting en de rioolheffing dient de juridische eigenaar als genothebbende krachtens eigendom te worden aangemerkt, tenzij het genot krachtens eigendom anders dan voorbijgaand onvrijwillig wordt beperkt (vgl. HR 10 maart 1982, nr. 20.862, BNB 1982/115; HR 4 juni 1986, nr. 23.764, BNB 1986/240;
HR 29 november 1989, nr. 26.308, BNB 1990/43; HR 21 juni 2000, nr. 34.633,
BNB 2000/273).

4.5.

Door de beëindiging van het huwelijk tussen belanghebbende en zijn ex-echtgenote is de gemeenschap ontbonden en dient verdeling van deze gemeenschap plaats te vinden. Zolang deze verdeling niet heeft plaatsgevonden zijn belanghebbende en zijn ex-echtgenote gelijkelijk gerechtigd tot het gebruik en het genot van de woning. In die situatie kan één van beiden slechts zonder de ander tot verkoop van de (gemeenschappelijke) woning overgaan nadat daarvoor een machtiging op grond van artikel 3:174 BW is verkregen. Het bepaalde in artikel 3:174 BW is een specifieke toepassing van de algemene voorziening in artikel 3:300 BW (rechtsvorderingen) waarin de gehoudenheid tot medewerking is geregeld.

4.6.

De ex-echtgenote is op 1 januari 2010 juridisch eigenaar van de onverdeelde helft van de tot een gemeenschap met belanghebbende behorende woning. Bij gerechtelijke uitspraken is de ex-echtgenote veroordeeld om – conform de op haar rustende wettelijke verplichting – mee te werken aan een overdracht van haar onverdeelde aandeel in de eigendom van de woning en is belanghebbende op grond van artikel 3:174 BW gemachtigd om namens de ex-echtgenote de gemeenschappelijk woning te gelde te maken en op deze wijze de onverdeeldheid te beëindigen. Deze uitspraken houden aldus verband met de verdeling van de tussen belanghebbende en de ex-echtgenote bestaande gemeenschap en vormen een uitvloeisel van de rechten en verplichtingen die zij in dat kader jegens elkaar hebben. Gelet daarop kan naar het oordeel van het Hof, anders dan de heffingsambtenaar verdedigt, niet worden gezegd dat deze gerechtelijke uitspraken de ex-echtgenote zodanig in haar (evenredige) genot van de woning beperken dat zij voor de onroerendezaakbelasting en rioolheffing niet langer kan worden aangemerkt als genothebbende krachtens eigendom. In dit verband hecht het Hof mede betekenis aan het feit dat de ex-echtgenote naar evenredigheid van haar aandeel in de verkoopopbrengst van de woning heeft gedeeld. Anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld is voor het genot van een onroerende zaak niet nodig dat de zaak door de genothebbende wordt gebruikt.

4.7.

De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard dat als de ex-echtgenote als genothebbende kan worden aangemerkt, sprake is van een keuzesituatie waarop de Beleidsregels van toepassing zijn, en dat in dat geval – vanwege de omstandigheid dat voor dit geschil ervan moet worden uitgegaan dat de ex-echtgenote op 1 januari 2010, anders dan belanghebbende zelf, binnen de gemeente [L] woonachtig is – belanghebbende onterecht is aangeslagen voor de onroerendezaakbelasting en de rioolheffing.



4.8. Gelet op het vorenstaande dient het hoger beroep van belanghebbende gegrond te worden verklaard. Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel behoeft derhalve geen behandeling.

5 Kosten

Het Hof vindt aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op
€ 974 voor de beroepsfase (1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor zitting, waarde per punt
€ 487), en op € 487 voor de hogerberoepsfase (1 punt voor hogerberoepschrift, waarde per punt € 487).

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

– vernietigt de uitspraken van de heffingsambtenaar;

– vernietigt de aanslagen in de onroerendezaakbelasting en rioolheffing;

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.461;

– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende de in beroep (€ 44) en hoger beroep (€ 118) betaalde griffierechten vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter,
mr. J.P.M. Kooijmans en mr. R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. A. Klein als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2014.

De griffier, De voorzitter,

(A. Klein) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 9 juli 2014

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.