Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:5531

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-07-2014
Datum publicatie
01-08-2014
Zaaknummer
13/01014
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:2595, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Ouderschapsverlofkorting. In aanmerking te nemen loon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1798
V-N Vandaag 2014/1613
V-N 2014/50.11
Mr. P.T. van Arnhem annotatie in NTFR 2014/2202

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 13/01014

uitspraakdatum: 8 juli 201

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 augustus 2013, nummer AWB 13/1509, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV; de aanslag) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 129.588 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.975. Daarbij is belanghebbende voorts heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 94.

1.2

De aanslag en de beschikking inzake de heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar gehandhaafd.

1.3

De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, voorts het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 28 mei 2014. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [A] namens de Inspecteur.

1.7

Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende heeft in 2009 een belastbaar loon van € 122.364 genoten.

2.2

Tot het huishouden van belanghebbende behoorden in 2010 twee kinderen, geboren op respectievelijk 9 oktober 2001 en 31 januari 2003.

2.3

Belanghebbende heeft in 2010 in totaal 468 uren aan ouderschapsverlof opgenomen. In verband hiermee heeft de werkgever een korting ouderschapsverlof ingehouden op het brutosalaris. Ook is het vakantiegeld en de dertiende maand in 2010 verlaagd in verband met opgenomen ouderschapsverlof.

2.4

De echtgenote van belanghebbende ([B]) is op 20 maart 2010 overleden.

2.5

Belanghebbende heeft in 2010 de volgende bedragen ontvangen:

Inkomsten uit vroegere arbeid

Naam

Bedrag

ABP

€ 15.593

SVB

€ 2.874

ING lijfrente

€ 1.042

NN lijfrente

€ 805

Bedrijfspensioenfonds Landbouw

€ 40

Totaal

€ 20.354

Inkomsten uit tegenwoordige arbeid

ING personeel Vof

€ 103.316

[C] BV/[D] Universiteit

€ 10.408

Stichting opleidingen CB

€ 18

Totaal

€ 113.742

2.6

Belanghebbende heeft op 25 februari 2011 aangifte IB/PVV voor het jaar 2010 gedaan en hierin onder meer bij het aantal uren ouderschapsverlof 468 uren en bij de terugval in loon voor de ouderschapsverlofkorting € 27.445 aangegeven.

2.7

De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag de ouderschapsverlofkorting niet verleend omdat er geen sprake is van een terugval in loon.

2.8

Hiertegen heeft belanghebbende vergeefs bezwaar aangetekend.

2.9

De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Volgens de Rechtbank leidt zowel de wettekst als de wetsgeschiedenis tot de conclusie dat de inkomenssituatie leidend is en dat er geen sprake is van gevallen die feitelijk en rechtens gelijk zijn noch dat er een objectieve en redelijke rechtvaardiging is.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende recht heeft op de ouderschapsverlofkorting van € 1.905. Meer in het bijzonder is in geschil of bij de bepaling van de maximale hoogte van de ouderschapsverlofkorting – het in het voorafgaande kalenderjaar genoten belastbare loon verminderd met het in het kalenderjaar genoten belastbare loon – € 20.354 in aanmerking moet worden genomen. Belanghebbende beantwoordt laatstgenoemde vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

3.2

Belanghebbende stelt primair dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om het nabestaandenpensioen bij de bepaling van de omvang van de maximale ouderschapsverlofkorting mede in aanmerking te nemen en subsidiair dat het in strijd is met het gelijkheidsbeginsel om het nabestaandenpensioen daarbij in aanmerking te nemen. De Inspecteur verdedigt de tegenovergestelde opvattingen. Tussen partijen is niet in geschil dat het nabestaandenpensioen behoort tot het in het kalenderjaar genoten belastbare loon en als zodanig op grond van de letterlijke tekst van artikel 8.14b van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) van invloed is op de hoogte van de ouderschapsverlofkorting.

3.3

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de aanslag tot een bedrag van € 54.091.

3.4

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Bedoeling wetgever

4.1

Artikel 8.14b van de Wet IB 2001 luidt als volgt:

“1. De ouderschapsverlofkorting geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar gebruik maakt van zijn recht op ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg.

2. De ouderschapsverlofkorting bedraagt 50% van het wettelijk minimumloon per werkdag, zoals bepaald bij of krachtens artikel 8 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, per werkdag opgenomen ouderschapsverlof in het kalenderjaar, met dien verstande dat de ouderschapsverlofkorting niet meer bedraagt dan het in het voorafgaande kalenderjaar genoten belastbare loon verminderd met het in het kalenderjaar genoten belastbare loon.

3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel.”

4.2

Artikel 8.14b van de Wet IB 2001 is met ingang van 1 januari 2006 ingevoerd bij de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling van 24 februari 2005, Stb. 2005, 115. In de memorie van toelichting is over deze bepaling opgemerkt (Kamerstukken II, 2003-2004, 29 760, nr. 3, blz. 19/20):

“Voor verlof dat de werkgever deels voor de werknemer had kunnen of willen financieren, omdat de werkgever in aanmerking kwam voor de afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof, wordt in de levensloopregeling een ouderschapsverlofkorting als tijdelijke extra faciliteit geboden. (…). De faciliteit van de ouderschapsverlofkorting wordt geboden tot het moment dat deelnemers aan de levensloopregeling voor dit verlof zelf voldoende hebben kunnen sparen. Gekozen is voor een fiscale tegemoetkoming aan werknemers bij gebruik van de levensloopregeling voor het financieren van (onbetaald) ouderschapsverlof.”

In de memorie van toelichting is verder opgemerkt (Kamerstukken II, 2003-2004, 29 760, nr. 3, blz. 39/40):

“De afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof biedt werkgevers die hun werknemer tijdens een periode van ouderschapsverlof loon doorbetalen een tegemoetkoming. Hierdoor heeft de werknemer tijdens de periode van ouderschapsverlof een inkomensvoorziening. De levensloopregeling biedt werknemers vanaf 1 januari 2006 de mogelijkheid om zelf een inkomensvoorziening op te bouwen voor een periode van (ouderschaps)verlof. (…). Omdat werknemers in de eerste jaren waarin de levensloopregeling bestaat, nog niet de mogelijkheid hebben gehad om een voldoende inkomensvoorziening op te bouwen, wordt een tijdelijke heffingskorting geïntroduceerd voor werknemers die gebruik maken van hun wettelijk recht op ouderschapsverlof.”

4.3

In de nota naar aanleiding van het verslag en het nader verslag is opgemerkt (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 760, nr. 10, blz. 54):

“Er zijn verschillende vragen gesteld over de achtergrond van de tijdelijkheid van de heffingskorting bij ouderschapsverlof. In de eerste jaren na de introductie van de levensloopregeling per 1 januari 2006 hebben werknemers over het algemeen nog niet voldoende kunnen sparen voor de financiering van een periode van ouderschapsverlof. Daarom geldt voor de jaren tussen 2006 en 2010 een tijdelijke heffingskorting. Daarna worden werknemers geacht voldoende gelegenheid te hebben gehad voor het

opbouwen van een financiële voorziening.”

4.4

In een amendement van Bussemaker c.s. wordt aan het tweede lid van artikel 14b van de Wet IB 2001 toegevoegd “met dien verstande dat de ouderschapsverlofkorting niet meer bedraagt dan het in het voorafgaande kalenderjaar genoten belastbare loon verminderd met het in het kalenderjaar genoten belastbare loon.”. Hierbij wordt opgemerkt (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 760, nr. 21):

“Ten slotte wordt wat de ouderschapsverlofkorting betreft aan de omvang van de korting een maximum gesteld (onderdeel I, onder B): de ouderschapsverlofkorting bedraagt niet meer dan het in het voorafgaande kalenderjaar genoten belastbare loon verminderd met het in het kalenderjaar genoten belastbare loon.

Op deze wijze wordt het treffen van regelingen voor ouderschapsverlof gestimuleerd, en structureel gemaakt. Daarmee kan arbeidsparticipatie van jongeren, met name vrouwen worden gestimuleerd, en worden ook toekomstige nieuwkomers op de arbeidsmarkt in de gelegenheid gesteld werk met de zorg voor kinderen te combineren. Jongere werknemers die zich voorbereiden op het krijgen van kinderen kunnen zo verleid worden tot sparen.”

4.5

De Minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid heeft op kamervragen geantwoord (Handelingen II 2004/2005, nr. 28, blz. 1.817):

“De levensloopregeling is een inkomensvoorziening voor onbetaald verlof. De uitkering kan niet hoger zijn dan het laatstverdiende loon. Met andere woorden: je kunt niet een week verlof opnemen en daarvoor een jaarsalaris aan levenslooptegoed opnemen. Het levenslooptegoed dient ter vervanging van het inkomen in de periode van verlof.”

4.6

Het in 4.4 vermelde amendement is gewijzigd, waarbij is opgemerkt (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 760, nr. 43):

“Ook wordt wat de ouderschapsverlofkorting betreft aan de omvang van de korting een maximum gesteld (onderdeel I van het amendement): de ouderschapsverlofkorting bedraagt niet meer dan het in het voorafgaande kalenderjaar genoten belastbare loon verminderd met het in het kalenderjaar genoten belastbare loon.”

4.7

De koppeling van de ouderschapsverlofkorting aan de levensloopregeling is in 2009 losgelaten (Belastingplan 2009). In de memorie van toelichting is opgemerkt (Kamerstukken II, 2008-2009, 31 704, nr. 3, blz. 13):

“3.2.Verhoging maximale ouderschapsverlofkorting en ontkoppeling van levensloopregeling

De ouderschapsverlofkorting biedt financiële ondersteuning voor werknemers die gebruik maken van hun wettelijk recht op ouderschapsverlof. Het wettelijke recht op ouderschapsverlof wordt met ingang van 1 januari 2009 uitgebreid van 13 naar 26 weken. Achtergrond van deze ambitie uit het Coalitieakkoord is de wens om ouders in de gelegenheid te stellen om desgewenst een langere periode zelf de zorg voor hun kind op zich te nemen. Door de uitbreiding van het wettelijke recht op ouderschapsverlof wordt het maximale bedrag van de ouderschapsverlofkorting ook hoger.

De ouderschapsverlofkorting wordt op dit moment alleen toegepast als de ouder in dat jaar inlegt in de levensloopregeling. Vanuit het oogpunt van vereenvoudiging wordt deze koppeling van de ouderschapsverlofkorting aan de levensloopregeling losgelaten per 1 januari 2009. De ouderschapsverlofkorting komt daarmee volledig los te staan van de levensloopregeling.”

4.8

In de nota naar aanleiding van het verslag is opgemerkt (Kamerstukken II, 2008-2009, 31 704, nr. 8, blz. 33 en 35):

“De ouderschapsverlofkorting bedraagt – voor zover het in het voorafgaande kalenderjaar genoten

belastbare loon meer bedraagt dan het in het kalenderjaar genoten belastbare loon – de helft van het minimumloon per opgenomen ouderschapsverlofuur.”

“Daarnaast blijft gelden dat de ouderschapsverlofkorting niet meer bedraagt dan het in het voorafgaande kalenderjaar genoten belastbare loon verminderd met het in het kalenderjaar genoten belastbare loon.”

4.9

De Minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid heeft, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, in zijn brief van 12 januari 2009 aan de Tweede Kamer op kamervragen geantwoord (nr. AV/AR/2009/372):

“Voor een deel van de werknemers die ouderschapsverlof opnemen, en derhalve in aanmerking komen voor de ouderschapsverlofkorting, zal een ouderschapsverlofkorting van nihil gelden. De in een kalenderjaar te benutten ouderschapsverlofkorting is namelijk gemaximeerd op het verschil tussen het in het voorafgaande kalenderjaar genoten belastbare loon en het in het kalenderjaar genoten belastbare loon. Achtergrond van deze maximering is dat de ouderschapsverlofkorting is bedoeld voor situaties waarin er sprake is van een inkomensachteruitgang. Daarvan zal bijvoorbeeld geen sprake zijn als de werkgever tijdens het ouderschapsverlof het loon volledig doorbetaalt of als de werkgever het loon gedeeltelijk doorbetaalt en er tegelijkertijd sprake is van een stijging van het uurloon.”

4.10

Tijdens de behandeling van het Belastingplan 2009 heeft de Staatssecretaris van Financiën aan de Tweede kamer het volgende geschreven (brief van 22 april 2009, Kamerstukken II, 2008-2009, 31 704, nr. 83, blz. 2):

“Bij de daadwerkelijke hoogte van de ouderschapsverlofkorting van een individuele belastingplichtige zijn de ontwikkeling van het loon, de doorbetaling van het loon en het opnamepatroon van ouderschapsverlof van belang. Bij een stijgend dagloon, bijvoorbeeld door een periodieke verhoging van het salaris of een promotie, kan sprake zijn van een situatie waarin – zelfs wanneer ouderschapsverlof wordt opgenomen – het belastbare loon hoger is dan in het jaar daarvoor. De kans hierop wordt groter indien de werkgever het loon gedeeltelijk doorbetaalt ten tijde van het ouderschapsverlof. Hierdoor kan de hoogte van de ouderschapsverlofkorting dalen of kan zelfs in het geheel geen recht meer bestaan op de ouderschapsverlofkorting.”

4.11

De Staatssecretaris van Financiën heeft in een verslag van een schriftelijk overleg opgemerkt (Kamerstukken II, 2008-2009, 31 704, nr. 85, blz. 9):

“De ouderschapsverlofkorting is bedoeld als financiële tegemoetkoming wanneer gebruik wordt gemaakt van het ouderschapsverlof. Aan het recht op deze financiële tegemoetkoming is de voorwaarde gekoppeld dat sprake moet zijn van een inkomensachteruitgang. Bij een zodanige positieve loonsontwikkeling tijdens het ouderschapsverlof dat er feitelijk geen sprake is van een inkomensachteruitgang acht het kabinet een verdere financiële tegemoetkoming niet nodig.”

4.12

De Minister van Financiën heeft in zijn brief van 9 april 2010 aan de Tweede Kamer op kamervragen geantwoord (nr. DGB2010/02129 U):

Antwoorden op de vragen van de leden Karabulut en Bashir over de teruggave van de ouderschapsverlofkorting

Vraag 1. Bent u bekend met de uitvoering van het amendement Bussemaker c.s. door de Belastingdienst dat bij aantoonbare terugval van het salaris de mogelijkheid bestaat om de ouderschapsverlofkorting (ingehouden door de werkgever) terug te vragen bij de Belastingdienst?

Antwoord 1. Het is mij bekend hoe de Belastingdienst de ouderschapsverlofkorting uitvoert. De ouderschapskorting is bij amendement op het wetsvoorstel aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling geïntroduceerd. Onderdeel van dit amendement is dat de ouderschapsverlofkorting gemaximeerd is op het verschil in het belastbare loon ten opzichte van het voorafgaande kalenderjaar.

Vraag 2. Bent u bekend met het feit dat de Belastingdienst bij de controle op de rechtmatige terugbetaling van de ouderschapsverlofkorting de terugval van het salaris uitsluitend bekijkt aan de hand van de eindtotalen op de jaaropgave van werknemers?

Antwoord 2. De terugval in salaris wordt afgemeten aan het belastbare loon in de relevante jaren. Doorgaans is dat het loon volgens de jaaropgaven, verminderd met een eventuele reisaftrek.

Vraag 3. Deelt u de mening dat de terugval in salaris van een werknemer niet altijd zichtbaar is in de eindtotalen van de jaaropgaven vanwege periodieke verhogingen, bonussen, nabetalingen van salaris of door opname van het ouderschapsverlof voor een gedeelte van een jaar?

Antwoord 3. De genoemde looncomponenten hebben invloed op het belastbare loon van het jaar waarin zij zijn genoten. De situatie kan zich voordoen dat een teruggang in loon als gevolg van het ouderschapsverlof wordt gecompenseerd of juist wordt versterkt door andere looncomponenten. Dit heeft dan ook invloed op de maximale ouderschapsverlofkorting.

Vraag 4. Vindt u het wenselijk dat de Belastingdienst niet slechts kijkt naar de eindtotalen op de jaaropgave van een werknemer, maar zich ook verdiept of er daadwerkelijk sprake is van salaristerugval van de betreffende werknemer? Zo ja, bent u bereid om de Kamer te informeren op welke wijze dit manco in de uitvoering van de Belastingdienst kan worden gewijzigd? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 4. Er is geen manco in de uitvoering. De Belastingdienst voert de wet op dit punt uit zoals deze luidt. De wettelijke regeling is uitdrukkelijk gebaseerd op de gedachte dat er bij ouderschapsverlof geen fiscale tegemoetkoming nodig is in gevallen waarin het loon niet lager is dan dat in het voorafgaande jaar. Dit punt is recent nog aan de orde geweest tijdens een schriftelijk overleg met uw Kamer bij de behandeling van het Belastingplan 2009 en in antwoorden die de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid mede namens mij heeft gegeven op vragen van de leden Smilde en Omtzigt. Een verfijndere regeling zoals in de vraag bedoeld zou overigens ook vanuit uitvoeringsoogpunt onwenselijk zijn. Het zou ondoenlijk zijn om verschillen in het loon op individuele basis uit te splitsen naar verschillende omstandigheden die deze verschillen hebben veroorzaakt, nog los van de vraag hoe de verschillende elementen dan gewogen zouden moeten worden.”

4.13

In de memorie van toelichting bij de Wet hervorming kindregelingen is opgemerkt (Kamerstukken II, 2012-2013, 33 716, nr. 3, blz. 12):

2.3.2 Afschaffen ouderschapsverlofkorting

De ouderschapsverlofkorting voorziet in een financiële bijdrage van de overheid voor het inkomensverlies als gevolg van opname van ouderschapsverlof in de vorm van een heffingskorting in de inkomstenbelasting. De hoogte van de ouderschapsverlofkorting is de helft van het wettelijk minimum uurloon per opgenomen uur ouderschapsverlof (in 2013 € 4,24 per uur). De korting kan niet hoger zijn dan de daling in het belastbare loon vergeleken met dat van het vorige jaar.”

4.14

Belanghebbende betoogt dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om het nabestaandenpensioen mee te tellen, waarbij wordt verwezen naar de in 4.11 en 4.12 vermelde antwoorden en de in 4.4 vermelde wetsgeschiedenis waarin wordt opgemerkt dat belastingplichtigen in de gelegenheid worden gesteld werk met de zorg voor kinderen te combineren. Verder betoogt belanghebbende dat de fiscale wetgever in verschillende andere regelingen rekening heeft gehouden met gevolgen die kunnen optreden in situaties waarin een partner overlijdt, waaruit in bredere zin de bedoeling van de wetgever ten aanzien van dit soort gevallen kan worden afgeleid.

4.15

Het Hof stelt voorop dat de ouderschapsverlofkorting als doel heeft om belastingplichtigen die er voor kiezen om ouderschapsverlof op te nemen te compenseren voor de terugval in loon. Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat het, gelet op dit doel, verdedigbaar is dat als loon wordt beschouwd het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, zijnde de onmiddellijke tegenprestatie voor verrichte arbeid. Echter, noch uit de wetsgeschiedenis noch uit andere parlementaire documenten valt duidelijk af te leiden dat de wetgever een bedoeling had die afwijkt van de letterlijke tekst van artikel 8.14b, lid 2, van de Wet IB 2001. In 4.11 noemt de Staatssecretaris van Financiën een inkomensachteruitgang en in 4.12 schrijft de Minister van Financiën dat de terugval in loon kan worden gecompenseerd door andere looncomponenten en dat een verfijndere regeling vanuit uitvoeringsoogpunt onwenselijk zou zijn. Mogelijk dat de wetgever, zo hij met de onderhavige situatie bekend zou zijn, genoemd artikellid zou aanpassen – zoals hij bij andere regelingen heeft gedaan –, doch de belastingrechter kan niet op deze mogelijkheid vooruitlopen. Het betoog van belanghebbende faalt derhalve.

Gelijkheidsbeginsel

4.16

Belanghebbende betoogt dat zijn geval gelijk is aan het geval dat een echtgenote niet is overleden omdat hij al sinds 2009 ouderschapsverlof heeft opgenomen en wat betreft het salaris, de korting op dat salaris vanwege het opgenomen ouderschapsverlof en hetzelfde aantal uren verlof er geen verschil is. Verder betoogt belanghebbende dat er geen objectieve en redelijke rechtvaardiging is voor het gemaakte onderscheid.

4.17

Het Hof stelt voorop dat artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM, in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Dit betekent dat alleen sprake is van discriminatie indien het gemaakte onderscheid geen gerechtvaardigde doelstelling heeft of indien er geen redelijke verhouding bestaat tussen de maatregel die het onderscheid maakt en het daarmee beoogde gerechtvaardigde doel (zie EHRM 29 april 2008, Burden tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 13378/05, EHRC 2008/80, paragraaf 60). Hierbij verdient opmerking dat op fiscaal gebied aan de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (vgl. onder meer EHRM 22 juni 1999, no. 46757/99, Della Ciaja en anderen tegen Italië, BNB 2002/398 en het zojuist genoemde arrest van het EHRM in de zaak Burden, paragraaf 60). Indien het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij het van redelijke grond ontbloot is (vgl. onder meer EHRM 12 april 2006, Stec en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 65731/01, RSV 2007/44, paragraaf 52, en EHRM 4 november 2008, Carson en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 42184/05, paragrafen 73 en 80). Dit laatste kan niet snel worden aangenomen. Het onderscheid moet van dien aard zijn dat de keuze van de wetgever evident van redelijke grond ontbloot is (“manifestly without reasonable foundation”, zie EHRM 7 juli 2011, Stummer tegen Oostenrijk, no. 37452/02, paragraaf 89, met verdere verwijzingen). Hetzelfde heeft te gelden met betrekking tot het verbod van discriminatie in artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Uit het Explanatory Report bij dit protocol (paragraaf 18) volgt dat de opstellers aan het daarin gebruikte begrip discriminatie dezelfde betekenis hebben willen toekennen als aan het gelijkluidende begrip in artikel 14 EVRM (zie EHRM 22 december 2009, Sejdić en Finci tegen Bosnië en Herzegovina, nos. 27996/06 en 34836/06, paragraaf 55).

4.18

Het Hof is van oordeel dat er geen sprake is van gevallen die feitelijk en rechtens gelijk zijn. Belanghebbende maakt een vergelijking met een belastingplichtige die ouderschapsverlof opneemt, maar die niet wordt geconfronteerd met het overlijden van de echtgenote en met de inkomensgevolgen die dat meebrengt. Voor de beantwoording van het beroep op het gelijkheidsbeginsel moet worden gekeken naar de hoogte van het belastbare loon. In de vergelijking is echter geen sprake van gelijke gevallen omdat moet worden gekeken naar het belastbare loon van de belastingplichtige, welk voor belanghebbende hoger is dan in het door belanghebbende vergeleken geval.

4.19

Het Hof overweegt ten overvloede met betrekking tot de objectieve en redelijke rechtvaardiging het volgende. Zoals overwogen, heeft de ouderschapsverlofkorting als doel om belastingplichtigen die er voor kiezen om ouderschapsverlof op te nemen te compenseren voor de terugval in loon. Een verschil in aanspraak op de ouderschapsverlofkorting omdat het belastbare loon mede bepalend is voor het bestaan van die aanspraak of de hoogte daarvan, vormt een objectieve en redelijke rechtvaardiging. Dit is niet van redelijke grond ontbloot.

artikel 8.14b

slotsom

Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van mr. A. Klein als griffier.

De beslissing is op 8 juli 2014 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(A. Klein) (B.F.A. van Huijgevoort)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 08-07-2014

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij:

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.