Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:5494

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-07-2014
Datum publicatie
11-07-2014
Zaaknummer
200.104.522-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vraag wie partij was bij de verkoop van een paard. Kribbebijter-arrest. Voorshands geleverd bewijs dat gedaagde als verkoopster is opgetreden is na nadere bewijsvoering ontzenuwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.104.522/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 111966/HA ZA 09-729)

arrest van de tweede kamer 8 juli 2014

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats 1],

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [woonplaats 2],

advocaat: mr. P.H.F. Yspeert, kantoorhoudend te Drachten,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. S.A. Wensing, kantoorhoudend te Coevorden.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 23 april 2013 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Ingevolge het vermelde tussenarrest hebben op 3 september 2013 en 3 december 2013 getuigenverhoren plaatsgevonden. De hiervan opgemaakte processen-verbaal bevinden zich in afschrift bij de stukken.

1.2

Daarna hebben partijen een memorie na enquête genomen.

1.3

Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling in het principaal appel

2.1

Naar aanleiding van het verweer van [appellante] dat zij niet als verkoper van het paard [paard] ([Q]) kan worden aangemerkt, maar dat zij slechts als bemiddelaar is opgetreden bij de verkoop van het paard door [X], heeft het hof deze partij toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden dat zij wel als verkoper van dat paard is opgetreden. Bij de beoordeling van de vraag of dit vermoeden door de afgelegde getuigenverklaringen is ontzenuwd, staat voorop dat het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam - dat wil zeggen, als wederpartij van die ander - is opgetreden dan wel mede als vertegenwoordiger van een derde, dan wel slechts als bode of bemiddelaar, afhankelijk is van hetgeen hij en die ander daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Een bevestigend antwoord op deze vraag wordt niet uitgesloten door de omstandigheid dat die ander wist dat degene met wie hij handelde, dit ten behoeve van een opdrachtgever deed. (HR 11 maart 1977, NJ 1977, 521 (Stolte/Schiphoff of “Kribbebijter”). Bij de te maken beoordeling komt onder meer betekenis toe aan de aard van de desbetreffende overeenkomst en hetgeen ten aanzien van overeenkomsten als de onderhavige in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is (HR 18-03-2005, LJNAR5213, NJ 2006/606).

Het hof overweegt voorts het volgende.

2.1.1

Bij de te maken beoordeling staat de vraag centraal wat [appellante] enerzijds en anderzijds de heer (en, volgens [appellante]: mevrouw) [geïntimeerde] tegen elkaar hebben gezegd, en hoe met name laatstgenoemden de mededelingen van [appellante] hebben mogen opvatten. De heer [geïntimeerde] daarover in zijn getuigenverklaring: "Ik heb € 9.000,- als koopprijs afgesproken met [appellante]. De papieren stonden op haar naam, het paard stond bij haar. Alles wat ik wist is dat het paard van [appellante] was." en "Ik heb alleen met mevrouw [appellante] onderhandeld over het paard en zij heeft nooit gezegd dat zij eerst met de eigenaar moest overleggen. Zij heeft niet gezegd dat er een andere eigenaar was dan zijzelf."

2.1.2

De verklaring van [appellante] is hiermee onverenigbaar: “Ik heb duidelijk uitgelegd dat het paard [paard] van de familie [X] was maar dat zij het paard wel wilden verkopen omdat [X] in [plaats] ging studeren (…) Daarna hebben mevrouw [geïntimeerde] en [X] nog een keer een afspraak buiten mij om gemaakt en heeft [X] over het paard verteld aan mevrouw [geïntimeerde] en mocht zij er weer op rijden. (…) Meneer [geïntimeerde] en ik hebben op een avond in de kantine gesproken over de koopprijs van het paard. Ik had een vraagprijs en meneer [geïntimeerde] bood daaronder. Ik heb toen gezegd dat ik het daar met de familie [X] over moest hebben want ik kon dat niet beslissen. Ik heb toen direct, waar meneer [geïntimeerde] bij zat, naar [X] gebeld en kreeg mevrouw [X] aan de lijn. Ik heb haar verteld wat [geïntimeerde] voor [paard] wilde betalen. Ik ben toen even naar buiten gelopen en heb met mevrouw [X] telefonisch overlegd en uiteindelijk besloot mevrouw [X] dat de geboden prijs van € 9.000,- akkoord was. (…)

2.1.3

Deze verklaring sluit aan bij hetgeen [appellante] ter comparitie in eerste aanleg heeft opgemerkt: zij heeft mevrouw [geïntimeerde] over de toenmalige eigendomsverhouding ingelicht op het moment dat zij haar over het paard vertelde. Bovendien heeft [appellante], zo verklaarde zij ter zitting, aan mevrouw [geïntimeerde] verteld dat zij zoveel mogelijk voor de eigenaar zou regelen vanwege de emotionele band tussen [paard] en [X]. Pas bij de definitieve verkoop zou [appellante] de koper (het proces-verbaal spreekt ten onrechte over verkopers) kennis laten maken met de familie [X]. Direct bij de onderhandelingen heeft [appellante] naar haar zeggen aan (de heer of mevrouw) [geïntimeerde] meegedeeld dat zij namens [X] handelde.

2.1.4

Het hof stelt vast dat mevrouw [geïntimeerde] niet als getuige is opgetreden, zodat haar verklaring niet aan het door haar man aan te dragen bewijs kan bijdragen (c.q. in enig opzicht twijfel kan zaaien over hetgeen [appellante] over haar rol bij de onderhandelingen heeft verklaard).

2.1.5

Aan de geloofwaardigheid van hetgeen [appellante] heeft verklaard, draagt anderzijds wel bij dat tussen partijen niet ter discussie staat dat [appellante] eigenaar van het paard [paard] is geweest, maar dat zij het op enig moment aan (leden van) de familie [X] heeft verkocht. Ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst was de familie [X] (dat wil zeggen, de heer en/of mevrouw [X]) de eigenaar van [paard]. Onbestreden is ook dat het paardenpaspoort of het stamboekpapier, waarin [appellante] nog als eigenaar stond vermeld, geen bewijs van eigendom is. Bovendien heeft [X], zo staat evenzeer vast, [appellante] daadwerkelijk gevraagd te bemiddelen bij de verkoop. Mevrouw [X] daarover in haar getuigenverklaring:

Het paard werd in principe door mij verkocht maar omdat ik weinig tijd had, ik werk en mijn man was toentertijd ernstig ziek, hebben wij mevrouw [appellante] gevraagd het paard voor ons te presenteren en te verkopen.”

Het echtpaar [X] wilde tot deze verkoop overgaan omdat hun dochter, [X], die op [paard] reed, zou gaan studeren.

2.1.6

Ook de door [appellante] gegeven lezing ten aanzien van de totstandkoming van de koopprijs vindt steun in de verklaring van Mevrouw [X]: “Ik meen mij te herinneren dat ik de vrijdag erop van mevrouw [appellante] hoorde dat de familie [geïntimeerde] van zins was om het paard te kopen na veterinaire keuring. Wij hebben toen niet over de vraag- en biedprijs gesproken. Het paard moest eerst veterinair gekeurd worden. Ik hoorde wel dat [geïntimeerde] € 9.000,- voor het paard wilde betalen. Dat was wat mij betreft akkoord. Ik weet niet of dat nou ook precies mijn vraagprijs was maar € 9.000,- was wat mij betreft goed.”

2.1.7

Voor het feit dat dat de koopprijs aan [appellante] is overgemaakt, wordt door de getuigen een verklaring gegeven die het hof niet onaannemelijk voorkomt. [appellante] daarover:

Dat komt omdat [X] tegen mij had gezegd: laat het paard nog maar een maand bij jou staan in pension, en dan trek je de pensionkosten er maar af en maak de rest van de koopprijs maar aan mij over. Het was een vriendelijk gebaar van de familie [X] tegenover [geïntimeerde] dat het paard tot 1 februari bij mij zou blijven staan en dat [X] daarvan de kosten droeg. Maar uiteindelijk heeft [geïntimeerde] het paard eerder opgehaald omdat het zo goed ging tussen mevrouw [geïntimeerde] en [paard] dat ze hem graag thuis wilden hebben.

2.1.8

Mevrouw [X] hierover:

Het was dachten wij de makkelijkste weg dat het geld aan mevrouw [appellante] betaald zou worden.

2.1.9

De verklaring van mevrouw [X] geeft ook overigens geen steun aan de stellingen van [geïntimeerde]. Deze getuige gaat er namelijk met [appellante] van uit dat het voor [geïntimeerde] duidelijk was dat zij en haar man - en niet [appellante] - de verkopende eigenaars waren:

Op het moment dat wij met elkaar spraken is duidelijk naar voren gekomen dat wij de eigenaar van het paard waren. Dat is ook de reden dat ik daar was. Ik neem aan dat dat duidelijk is geweest voor de koper.

Hetzelfde geldt voor haar dochter [X], waar deze verklaart:

Het was voor mevrouw [geïntimeerde] heel duidelijk dat ik degene was die altijd op [paard] reed, hem verzorgde enzovoorts en dat ik (het hof leest: zijzelf en/of haar moeder en/of vader) de eigenaar was. Het was voor [geïntimeerde] duidelijk dat wij bij de verkoop betrokken waren. (…) Voor meneer en mevrouw [geïntimeerde] was het duidelijk dat mijn vader, moeder en ik de eigenaar van het paard waren en ook de verkoper.

2.1.10

In het licht van al het voorgaande ziet het hof geen reden om aan de verklaring van de heer [geïntimeerde] meer geloof toe te kennen dan aan die van [appellante]. Hetgeen de heer [geïntimeerde] heeft verklaard, is daarom onvoldoende om de verklaring van [appellante] als ongeloofwaardig terzijde te stellen. Dat betekent dat zodanige twijfel is ontstaan omtrent de aan de vordering ten grondslag gelegde partijverhoudingen, dat het door [geïntimeerde] voorshands geleverde bewijs als ontzenuwd moet worden beschouwd. Op die constatering moet de vordering alsnog stranden. Het geschil (het geheel van nog niet besproken grieven inbegrepen) behoeft om die reden voor het overige geen bespreking meer.

3 Slotsom in het principaal en incidenteel appel

3.1

Grief I slaagt, zodat de vonnissen van de rechtbank d.d. 28 april 2010 en 8 februari 2012 worden vernietigd. De vordering zal worden afgewezen. [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot terugbetaling van € 9.995,20 en rente (de betaalde koopsom, vermeerderd met rente), alsmede tot terugbetaling van in eerste aanleg opgelegde proceskosten. Aan de beoordeling van het incidenteel appel wordt niet toegekomen.

3.2

Het hof zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van beide instanties veroordelen. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten

-

- griffierecht

313,-

- kosten deskundigenbericht

1.536,-

totaal verschotten

1.849,-

en voor salaris advocaat/gemachtigde overeenkomstig het liquidatietarief I:

3 punten x € 384,-

1.152,-

(te vermeerderen met nakosten)

3.3

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellante] – zowel in het principaal appel als het incidenteel appel - zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten

90,64

- griffierecht

666,-

- getuigentaxen

33,-

totaal verschotten

789,64

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

3,5 punten x € 632,-

2.212,-

(te vermeerderen met nakosten).

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt de vonnissen van de rechtbank [woonplaats 1] d.d. 28 april 2010 en 8 februari 2012 en doet opnieuw recht;

wijst de vordering af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden einduitspraak aan de zijde van [appellante]:

wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 1.152,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 1.849,- voor verschotten, te vermeerderen met de nakosten volgens het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

wat betreft het hoger beroep tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 2.212,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 789,64 voor verschotten, te vermeerderen met de nakosten volgens het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling van € 9.995,20, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 27 februari 2012 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellante] van € 3.184,48 aan proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2012 tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, mr. L. Janse en mr. M.M.A. Wind, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 8 juli 2014.