Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:5485

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-07-2014
Datum publicatie
27-08-2014
Zaaknummer
200.133.948
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag CFO/statutair directeur? Voorgewende reden? Ontslag wegens bereiken 65-jarige leeftijd? Doorwerken na 65.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0753
AR 2014/617

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.133.948

(zaaknummer rechtbank Overijssel, team kanton en handelsrecht, locatie Almelo: C/08/130723)

arrest van de derde kamer van 8 juli 2014

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. A. Schippers,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WTS Energy Holding B.V.,

gevestigd te Enschede,

geïntimeerde,

hierna: WTS,

advocaat: mr. L.N. Schallenberg.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 5 november 2013 hier over.

1.1

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van comparitie van partijen gehouden op 18 december 2013;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord.

1.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverweging 2 van het bestreden vonnis van 17 juli 2013.


3.De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

De zaak gaat over het volgende. [appellant], geboren op [geboortedatum], is op 1 april 2005 bij de rechtsvoorganger van WTS in dienst getreden. Hij was laatstelijk werkzaam als Chief Financial Officer (CFO)/statutair directeur/lid managementteam tegen een bruto maandsalaris van € 11.070,- inclusief vakantietoeslag. Hij was tevens statutair directeur van True Capital Investments BV (hierna: TCI), enig aandeelhouder en bestuurder van WTS. [appellant] zelf was tevens minderheidsaandeelhouder (4.99%) in TCI. Tijdens de aandeelhoudersvergadering van 16 april 2012 is [appellant] ontslagen als statutair directeur van TCI. Bij aandeelhoudersbesluit van WTS van 18 april 2012 is [appellant] ook ontslagen uit zijn functie van statutair directeur van WTS. WTS heeft bij brief van 18 april 2012 de arbeidsovereenkomst met [appellant] opgezegd met inachtneming van de geldende opzegtermijn zodat de arbeidsovereenkomst eindigde per 1 juli 2012. In het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst is aan [appellant] een vergoeding toegekend van
€ 50.000,- bruto, die hem ook is uitbetaald.

3.2

[appellant] heeft in eerste aanleg, kort samengevat, uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag aanspraak gemaakt op een schadevergoeding van € 267.100,- bruto, alsmede een bedrag van € 5.675,11 netto, alsmede de rente over deze bedragen vanaf 1 juli 2012, met kosten. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank, veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat sprake was van kennelijk onredelijk ontslag, de vordering afgewezen met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding.

3.3

[appellant] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. De (vier) grieven leggen het geschil in volle omvang aan het hof voor en lenen zich daarmee voor gezamenlijke bespreking. De vraag die voorligt is of sprake is van kennelijk onredelijk ontslag en zo ja, welke schadevergoeding dient te worden toegekend.

Kennelijk onredelijk ontslag

3.4

De rechtbank heeft de vordering van [appellant] afgewezen en is er daarbij veronderstellenderwijs vanuit gegaan dat sprake was van kennelijk onredelijk ontslag. Het hof ziet aanleiding allereerst de vraag te beantwoorden of sprake is van kennelijk onredelijk ontslag.

3.5

Artikel 7:681 lid 1 BW bepaalt dat indien een van de partijen de arbeidsovereenkomst, al of niet met inachtneming van de voor de opzegging geldende bepalingen, kennelijk onredelijk opzegt, de rechter steeds aan de wederpartij een schadevergoeding kan toekennen. Lid 2 bepaalt onder meer dat opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever onder andere kennelijk onredelijk geacht kan worden (sub a) wanneer deze geschiedt zonder opgaaf van redenen of onder opgave van een voorgewende of valse reden en (sub b) wanneer (kort gezegd) de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met belang van de werkgever bij de opzegging. De stelplicht en de bewijslast van de kennelijke onredelijkheid rust op [appellant], nu hij zich op de gevolgen daarvan beroept.

Valse/voorgewende reden

3.6

[appellant] heeft aangevoerd dat opzegging heeft plaatsgevonden onder opgave van een valse/voorgewende reden. Hij heeft daartoe in hoger beroep aangevoerd dat de door WTS opgegeven reden voor beëindiging niet opgaat omdat van disfunctioneren geen sprake was en voorts dat het evident is dat de opgegeven reden voor beëindiging, niet dan wel onvoldoende functioneren, gefingeerd is en pas is gebruikt toen het WTS duidelijk werd dat [appellant] niet van plan was mee te werken aan vrijwillig vertrek op de wijze zoals WTS dat graag zou zien.

3.7

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een valse/voorgewende reden, zoals [appellant] heeft aangevoerd, stelt het hof het volgende voorop. Een valse reden is een niet bestaande reden. Een voorgewende reden is een bestaande reden die niet de werkelijke ontslaggrond is.


3.8 Voorts stelt het hof voorop dat het hier gaat om het ontslag van een statutair bestuurder, waarbij de vergadering van aandeelhouders vennootschapsrechtelijk in beginsel de vrijheid heeft een bestuurder ‘te allen tijde’ uit zijn positie te ontslaan. Voor een statutair bestuurder geldt dat het in hem gestelde vertrouwen van essentieel belang is, hetgeen met zich brengt dat de toetsing terughoudend of zo men wil marginaler van aard dient te zijn. De rechter treedt in beginsel niet in een inhoudelijke beoordeling of een statutair bestuurder terecht op een bepaalde wijze handelde of bepaalde beslissingen nam, maar of de als reden opgevoerde feiten en omstandigheden in redelijkheid kunnen leiden tot het gestelde verlies aan vertrouwen.

Valse reden?

3.9

[appellant] heeft in dat verband allereerst aangevoerd dat zijn gestelde niet-functioneren een valse reden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst vormt (memorie van grieven sub 10). Hij heeft uitdrukkelijk ontkend dat hij niet naar behoren functioneerde. Hij heeft immers steeds goed gefunctioneerd hetgeen blijkt uit het feit dat WTS geen verslagen van functioneringsgesprekken in geding heeft gebracht waaruit zijn disfunctioneren blijkt. Voorts is nooit commentaar gegeven op de wijze waarop hij zijn functie uitoefende, aldus [appellant]. WTS heeft de stellingen van [appellant] weersproken. Bij de beoordeling zal het hof zo nodig op deze verweren ingaan.

3.10

Beoordeeld dient te worden of de aangevoerde ontslaggrond van disfunctioneren niet bestaat.

3.11

Het hof stelt voorop dat [appellant] het besluit om hem te ontslaan als statutair bestuurder niet als zodanig wegens strijd met bepalingen uit Boek 2 BW heeft aangevochten. Het hof gaat er daarmee vanuit dat dit ontslag in zoverre voldeed aan de daaraan formeel te stellen eisen. Of de ontslaggrond het ontslag kan dragen zal hierna worden beoordeeld.

3.12

Anders dan [appellant] heeft aangevoerd kan uit de omstandigheid dat verslagen van functioneringsgesprekken en beoordelingsverslagen ontbreken, niet worden afgeleid dat [appellant] steeds goed functioneerde. [appellant] was in zijn hoedanigheid van CFO en bestuurder van beide vennootschappen verantwoordelijk voor de financiële gang van zaken van de WTS groep. WTS heeft er terecht op gewezen dat [appellant] geen reguliere werknemer was maar als CFO, statutair bestuurder en lid van het managementteam een bijzondere positie bekleedde hetgeen met zich heeft gebracht dat geen functioneringstraject is ingezet, zoals WTS heeft gesteld. Deze gang van zaken, die door [appellant] niet voldoende gemotiveerd is bestreden, acht het hof op zichzelf niet onbegrijpelijk. Ook de stelling van [appellant] dat [persoon 1], CEO van WTS (hierna: [persoon 1]), bij gelegenheid van de comparitie van partijen in hoger beroep zou hebben verklaard dat [appellant] door hem niet is aangesproken op zijn functioneren, baat hem niet. [persoon 1] heeft bij die gelegenheid immers gewezen op de in zijn ogen naderende opvolging van [appellant]. Uit de zinsnede in het proces-verbaal: “Ik heb toen niet gezegd: ‘Ik wil dat je uit de directie stapt, omdat je niet functioneert.’” (onderstreping hof) kan, anders dan [appellant] kennelijk bedoelt, niet worden afgeleid dat WTS [appellant] nimmer heeft aangesproken op zijn functioneren. De verklaring slaat evident terug op de vorige zin luidende: “In de zomer van 2011 heb ik het één en ander bespreekbaar gemaakt door te spreken over opvolging” en ziet daarmee alleen op de zomer van 2011. Daarbij komt nog dat WTS heeft onderstreept dat [persoon 1] [appellant] in verband met zijn verwachte aanstaande pensionering de hand boven het hoofd heeft gehouden om hem een waardig afscheid te gunnen. In zoverre gaat de stelling van [appellant] niet op.


3.13 Ook zijn stelling dat vanuit de vennootschap nooit commentaar is gegeven op de wijze waarop hij zijn functie uitoefende, kan - indien al juist - [appellant] om deze reden in zoverre niet baten. Anders dan [appellant] heeft gesteld kan uit het enkel niet aanspreken van hem niet worden afgeleid dat hij goed functioneerde. De vraag is evenwel of deze situatie zich hier voordoet. Door WTS is immers aangevoerd dat [appellant] door [persoon 1] vanaf 2009 meermalen is aangesproken op zijn kwaliteit als CFO alsmede dat dit gebeurd is op enkele aandeelhoudersvergaderingen. WTS heeft gesteld dat [appellant] beschikte over onvoldoende parate dossierkennis en dat hij de ontwikkeling van de toegenomen omvang en complexiteit van de internationaal opererende WTS groep onvoldoende heeft kunnen volgen. WTS heeft daarbij gewezen op een aantal incidenten.

3.14

Dat betreft ten eerste het aangaan van een kredietovereenkomst met ING terwijl deze overeenkomst door een omissie van [appellant] tot aanzienlijke hogere rentelasten heeft geleid vanwege het ontbreken van een rentecompensatiestelsel. Het hof oordeelt dat niet opgaat de stelling van WTS dat deze overeenkomst is aangegaan zonder toestemming van de aandeelhoudersvergadering nu [appellant] er terecht op gewezen heeft dat uit de notulen van de aandeelhoudersvergadering van 30 mei 2011 (productie 1 bij conclusie van antwoord) blijkt van instemming. [appellant] heeft als verweer aangevoerd dat het arrangement van ING weliswaar niet het eerder door Rabobank gehanteerde rentecompensatiestelsel kende, maar wel de gewenste kredietverruiming. Wat daarvan ook zij, daarmee staat vast dat het rentecompensatiestelsel is vervallen zoals WTS heeft gesteld. Dat hem hiervan niet eerder dan bij gelegenheid van de beëindiging een verwijt zou zijn gemaakt kan [appellant] niet baten waarbij het hof verwijst naar hetgeen hiervoor onder 3.12/13 is overwogen. [appellant] heeft ook nog gesteld dat ING hem-WTS niet goed heeft voorgelicht. Ook dat verweer faalt, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen. Daarbij komt dat WTS er expliciet op heeft gewezen dat de stelling van [appellant] bij conclusie van repliek sub 14 (het hof begrijpt: sub 13) dat uit de notulen blijkt dat hem geen verwijt treft, niet opgaat omdat [appellant] zelf de notulen van de aandeelhoudersvergadering opstelde en hij de terechtwijzing niet in de notulen heeft opgenomen, hetgeen de overige aandeelhouders vanwege het pijnlijke karakter van de kwestie zo hebben gelaten (conclusie van dupliek sub 4.10). [appellant] heeft deze stelling in hoger beroep niet bestreden, hetgeen gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep op zijn weg had gelegen, zodat het hof van de juistheid daarvan dient uit te gaan.

3.15

Ten tweede, zo heeft WTS gesteld, had [appellant] verzuimd het aanzienlijke debiteurenrisico (3 à 4 maal de jaarwinst) van een grote klant voldoende af te dekken door de kredietlimiet van de debiteurenverzekering te verhogen. [appellant] heeft dit op zichzelf niet bestreden maar gesteld dat dit veroorzaakt werd door de grote werkdruk nu hij in die periode zowel CFO als CEO was. Het hof oordeelt dat dit op zich begrijpelijk is maar niet afdoet aan de constatering van WTS. Dat voorts uiteindelijk voor de vennootschap geen schade is ontstaan omdat de klant tijdig betaalde, doet daaraan evenmin af.

3.16

Ten derde heeft WTS [appellant] verweten dat de liquiditeitsplanning en het cashflowmanagement niet op orde waren. [appellant] op zijn beurt heeft niet betwist dat in de aandeelhoudersvergaderingen in 2010 en 2011 enkele malen aan de orde is geweest dat liquiditeitsprognoses niet voorhanden waren, maar heeft gesteld dat het daarbij steeds ging om speciale scenario’s en dat hij wel zorgde voor de gewone maandelijkse liquiditeitsprognoses. Hiermee heeft hij de stelling van WTS onvoldoende weersproken.

WTS verwijst voorts naar een mailwisseling waaruit volgt dat WTS de fiscalist van WTS onjuiste gegevens had aangeleverd voor de Vpb-aangifte 2008 en welke aangifte eerst op het laatste moment kon worden gecorrigeerd. [appellant] heeft deze stelling van WTS met het verweer dat sprake was van de presentatie van verschillende scenario’s niet gemotiveerd weersproken, zodat het hof daarvan dient uit te gaan.

3.17

In de hiervoor (3.14 – 3.16) weergegeven incidenten besloten liggende verwijten aan het adres van [appellant] zijn naar het oordeel van het hof niet ongegrond.

3.18

WTS heeft aangevoerd dat het vertrouwen van de aandeelhouders in het functioneren van [appellant] mede als gevolg van deze incidenten is afgebrokkeld en uiteindelijk begin 2012 geheel verloren is gegaan. De verhouding tussen [appellant] als CFO en [persoon 1] als CEO raakte steeds meer verstoord. De meerderheid van de aandeelhouders heeft daarop besloten tot ontslag van [appellant] als bestuurder van de vennootschappen. [appellant] heeft betwist dat zijn functioneren ter discussie heeft gestaan. De door hem herhaaldelijk gevraagde onderbouwing van de verwijten jegens hem is uitgebleven. Hij verwijt WTS op zijn beurt dat [persoon 1] buiten hem om geprobeerd heeft de financiële afdeling te beïnvloeden waardoor onzekerheid bij het personeel werd gecreëerd. Dat hij daarop commentaar heeft geleverd kan niet beschouwd worden als negatief spreken over [persoon 1], aldus [appellant].

3.19

Het hof is van oordeel dat in het midden kan blijven waardoor het conflict precies is ontstaan en is geëscaleerd - waarbij gelet op de overgelegde stukken zowel [persoon 1] als [appellant] zich niet onbetuigd heeft gelaten - nu het in elk geval genoegzaam is gebleken dat op enig moment de meerderheid van de aandeelhoudersvergadering, inclusief de professionele investeerders, het vertrouwen in [appellant] heeft opgezegd, wat uiteindelijk heeft geleid tot het voorliggende ontslag. Het hof betrekt bij dit oordeel de bijzondere positie van [appellant] als statutair directeur, van zowel (de dochtermaatschappij) WTS als (de moedervennootschap) TCI, tegen de achtergrond van de omstandigheid dat hij tevens aandeelhouder van TCI was alsmede zijn functie als CFO en lid van het managementteam. Dit alles brengt met zich dat vertrouwen van (mede)aandeelhouders cruciaal is voor het functioneren van een werknemer als [appellant]. Dat de afweging van aandeelhouders en/of de vennootschap ook anders had kunnen uitvallen, kan wellicht aan [appellant] worden toegegeven maar dat maakt de ontslagaanzegging in het licht van de hiervoor weergegeven terughoudende toetsingsmaatstaf nog niet kennelijk onredelijk. Dat de vertrouwensbreuk in overwegende mate aan WTS is toe te rekenen is niet gebleken. Dat sprake is van een valse, in de zin van een (in het geheel dan wel in overwegende mate) niet bestaande reden is niet komen vast te staan. Het beroep van [appellant] op een valse reden wordt daarom verworpen.

Voorgewende reden

3.20

[appellant] heeft zich voorts beroepen op het bestaan van een voorgewende reden voor diens ontslag. Hij heeft daartoe in hoger beroep aangevoerd dat het evident is dat de door WTS opgegeven reden voor beëindiging, niet dan wel onvoldoende functioneren, gefingeerd is en pas is gebruikt toen het haar duidelijk werd dat [appellant] niet van plan was mee te werken aan vrijwillig vertrek op de wijze zoals WTS dat graag zou zien (memorie van grieven sub 6 en 25). In de opzeggingsbrief van 21 maart 2012 is gesteld dat wat de drie aandeelhouders betreft de oplossing van het disfunctioneren van [appellant] gelegen was in zijn pensionering per november 2012 en het in aanloop daarvan afstoten van taken en verantwoordelijkheden. [appellant] heeft aangevoerd dat het beweerdelijk disfunctioneren eerst aan hem bekend is gemaakt toen duidelijk werd dat hij niet vrijwillig wilde vertrekken. Zelfs al sprake zou zijn van onvoldoende functioneren, dan nog is dat niet de werkelijke reden geweest voor het ontslag, zo heeft [appellant] daarnaast gesteld (memorie van grieven sub 28).

3.21

Het hof overweegt als volgt. Aan [appellant] kan worden toegegeven dat in de tijd gezien er sprake is van een zekere samenloop. Dit brengt evenwel, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet zonder meer mee dat de werkelijke reden voor het ontslag was dat [appellant] niet met pensioen wilde gaan op 65-jarige leeftijd. Zoals volgt uit de email van [appellant] aan [persoon 1] van 29 januari 2012 luidende: “Na de verkoop van Worldwideworker in mei 2010 bespraken wij dat we nog 2-3 jaar zouden ‘knallen’ om WTS groot te maken en ‘verkoopklaar’.” mocht WTS in 2010 verwachten en erop vertrouwen dat [appellant] na twee tot drie jaar met werken zou stoppen, waarbij als vermoedelijke pensioneringsdatum zijn 65e verjaardag in november 2012 voor de hand lag. Het verweer van [appellant] dat deze uitlating niet zag op pensionering maar op het willen ‘cashen’ van de aandelen, zoals hij bij gelegenheid van de comparitie van partijen heeft verklaard, kan hem niet baten, nu gesteld noch gebleken is dat WTS dit aldus begrepen heeft dan wel heeft moeten begrijpen. Daarbij komt dat zonder toelichting, die ontbreekt, niet kan worden ingezien dat het voor het cashen van de aandelen noodzakelijk was dat [appellant] in dienstbetrekking werkzaam bleef. Dat de economische crisis tot een later tijdstip van beëindiging van de arbeidsovereenkomst zou moeten leiden, zoals het hof het standpunt van [appellant] verder begrijpt, ligt niet meteen voor de hand maar dat dit de gedachte van [appellant] was en dit voor WTS ook duidelijk was, is in elk geval niet komen vast te staan.

3.22

[appellant] heeft zich voorts beroepen op het Pim succession plan II van 16 december 2011 waarin [persoon 1] noteerde onder punt 9: “Ik heb na onze gesprekken genotuleerd dat jij nog niet weet of je op je 65e met pensioen wil.”. Voorts wijst [appellant] er op dat [persoon 1] heeft gezegd dat hij in de zomer van 2011 met [appellant] heeft gesproken over zijn opvolging. Dit ligt evenwel niet voor de hand nu [appellant] in november 2011 64 zou worden, zodat een veranderde rol in het jaar dat hij 64 wordt onmogelijk is, aldus [appellant]. Het hof overweegt dat uit het aangehaalde citaat uit het plan van 2011 niet zonder meer kan worden afgeleid dat [appellant] zou doorwerken ná het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Niet gebleken is voorts dat [appellant] [persoon 1] dan wel de aandeelhouders(vergadering) heeft geïnformeerd wat zijn concrete plannen waren en zo ja, dat deze zouden inhouden dat hij nog twee jaar langer wilde werken. [appellant] miskent voorts dat niet [persoon 1] (alleen) bevoegd was om hem als statutair directeur te ontslaan maar dat dit de bevoegdheid was van de aandeelhoudersvergadering die daartoe met grote meerderheid (TCI), respectievelijk unaniem (WTS), heeft besloten. In het vorenstaande ligt besloten dat WTS niet hoefde te begrijpen dat [appellant] tot 1 januari 2015 door had willen werken, hetgeen de stelling van WTS onderbouwt dat zij, althans de aandeelhouders, haar klachten niet in een functioneringstraject expliciteerde omdat ze ervan uitging dat [appellant] toch bijna met pensioen ging. De omstandigheid dat er geen dossier opgebouwd, brengt dus niet mee dat sprake is van een voorgewende reden.

3.23

Wanneer een natuurlijk persoon die als bestuurder van een naamloze of besloten vennootschap is benoemd en krachtens arbeidsovereenkomst zijn werkzaamheden verricht, bij een geldig besluit van het bevoegde orgaan van de vennootschap als bestuurder ontslag is verleend, verliest hij ingevolge art. 2:134 lid 1art. 2:134 lid 1 onderscheidenlijk art. 2:244 lid 1art. 2:244 lid 1 BW de hoedanigheid van bestuurder van de vennootschap. Uit vaste rechtspraak volgt dat aangezien genoemde bepalingen ertoe strekken te bewerkstelligen dat door een ontslagbesluitontslagbesluit ook een einde wordt gemaakt aan de arbeidsrechtelijke verhoudingen, een ontslagbesluit in beginsel tevens beëindiging van de dienstbetrekking van de bestuurder ten gevolge heeft. Voor een uitzondering is slechts plaats indien een wettelijk ontslagverbod aan die beëindiging in de weg staat of indien partijen anders zijn overeengekomen (HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2030, HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2713). Dat er na de beëindiging van zijn functie als statutair directeur/CFO nog ruimte was om anderszins te functioneren binnen de onderneming, is overigens gesteld noch gebleken zodat ook daarom beëindiging van het dienstverband door WTS niet als kennelijk onredelijk kan worden beschouwd.

3.24

Hieruit volgt dat ook niet sprake is van een voorgewende reden van het ontslag van [appellant].

Gevolgencriterium

3.25

Op grond van artikel 7:681 lid 2 aanhef en onder b BW zal opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever onder andere kennelijk onredelijk kunnen worden geacht, wanneer, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging. Bij de beoordeling van de vraag of de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging, dient de rechter alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking te nemen (o.a. HR 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2206). Na de ingangsdatum van het ontslag voorgevallen feiten en omstandigheden kunnen bijdragen tot het inzicht in de op de ingangsdatum bestaande toestand (Hoge Raad 8 april 2011, ECLI:NL:HR: 2011:BP4804).

3.26

Het hof is van oordeel dat het beroep op het gevolgencriterium niet opgaat, gelet op:

- de omstandigheid dat de werkgever een reëel belang heeft bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst in verband met het verlies van vertrouwen;

- de omstandigheid dat [appellant] tot aan zijn 65e een 100% inkomen houdt door WW en beëindigingsvergoeding. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat door middel van de toekenning van een vergoeding van € 50.000,- WTS [appellant] voldoende is tegemoetgekomen. Dit geldt ook voor (de overbrugging van) de periode van 1 juli tot 1 december 2012 ter aanvulling op zijn werkloosheidsuitkering (die door [appellant] zelf is becijferd op een bedrag van € 40.350,-, inleidende dagvaarding sub 58);

- het feit dat [appellant] heeft nagelaten enig inzicht te geven in de financiële gevolgen van zijn ontslag en meer in het bijzonder van zijn financiële positie daarna, zodat het hof er niet van kan uitgaan dat deze zodanig was dat hij om die reden wilde/moest doorwerken;

- de omstandigheid dat [appellant] tot december 2011 niet duidelijk heeft gemaakt dat hij tot na zijn 65e wilde blijven werken;

- [appellant]’ belang in verband met het ‘cashen’ van zijn aandelen onvoldoende gewicht in de schaal legt, mede gezien het feit dat [appellant] ook na het ontslag aandeelhouder bleef.

3.27

De overige omstandigheden van het geval, die hiervoor deels bij de beoordeling van grief 1 aan de orde zijn gekomen, leiden niet tot een ander oordeel. Er is, mede gelet op de (aard van de) functie, sprake geweest van een relatief kort dienstverband (zeven jaar). Arbeidsmarktperspectieven zijn, gelet op de leeftijd van [appellant] niet dan wel nauwelijks aan de orde. Nu de stelplicht en de bewijslast van het kennelijk onredelijk ontslag op [appellant] rust en hij geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die - mits bewezen - tot een ander oordeel zouden leiden, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

3.28

In het vorenstaande ligt besloten dat de grieven 1, 2 en 3 falen.

3.29

Nu het hoger beroep niet opgaat faalt daarmee tevens grief 4 die ziet op de proceskostenverdeling in eerste aanleg.

4 Slotsom

4.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

4.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van WTS zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 4.961,-

- salaris advocaat € 6.526,- (2 punten x tarief VI)

Totaal € 11.487,-

4.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Almelo, van 17 juli 2013;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van WTS vastgesteld op € 4.961,- voor verschotten en op € 6.526,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval hij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.L.R. Wefers Bettink, M.F.J.N. van Osch en A.E.B. ter Heide, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

8 juli 2014.