Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:5452

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
14-07-2014
Zaaknummer
200.138.289-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot vervangende toestemming tot verhuizing afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.138.289/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/352317/FL RK 13-2075)

beschikking van de familiekamer van 1 juli 2014

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de moeder ,

advocaat: mr. W.F. Wienen, kantoorhoudend te [woonplaats],

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vader ,

advocaat: mr. E.S. van Bon, kantoorhoudend te Hilversum.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 16 oktober 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 2 december 2013, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.

De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beslissende

- de moeder vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing van [kind] (hierna te noemen [kind]), geboren [in 2006], naar [woonplaats];

- de moeder vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [kind] op de [school] in [woonplaats] aan het adres [adres] [woonplaats];

- de kosten van deze procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, tussen partijen te compenseren.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 17 januari 2014, heeft de vader het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden.

Daarbij heeft de vader tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. De vader verzoekt het hof in het principaal hoger beroep de verzoeken van de moeder af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen voor zover in deze beschikking het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor verhuizing van [kind] naar [woonplaats] wordt afgewezen en in het incidenteel hoger beroep de beschikking waarvan beroep te vernietigen voor wat betreft het verzoek van de vader tot het verlenen van vervangende toestemming aan de vader voor het vaccineren van [kind] volgens het Rijksvaccinatieprogramma en deze toestemming alsnog te verlenen.

2.3

Daarop heeft de moeder in het incidenteel hoger beroep een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 28 februari 2014, waarin zij het hof verzoekt het verzoek van de vader in het incidenteel hoger beroep af te wijzen.

2.4

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 23 mei 2014 een journaalbericht van 22 mei 2014 van mr. Wienen met bijlagen;

- op 23 mei 2014 een brief van 22 mei 2014 van mr. Van Bon met bijlagen.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 2 juni 2014 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad welke in juli 2008 is beëindigd.

Uit deze relatie is [in 2006] de thans nog minderjarige [kind] geboren.

[kind] is door de man erkend en partijen oefenen gezamenlijk het gezag over hem uit. [kind] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder. Na verbreking van de relatie waren beide partijen woonachtig in [woonplaats]. Sinds augustus 2009 is de moeder (tot oktober 2013) met [kind] woonachtig in [woonplaats] geweest.

3.2

[kind] verbleef in de eerste periode na het uiteengaan van partijen om de week van zaterdagochtend tot en met maandagavond, alsmede de hele woensdag bij de vader. Later werd de omgangsregeling verder uitgebreid. [kind] verbleef toen om de week van zaterdagochtend tot en met donderdagochtend bij de vader (5 om 9 dagen). Vanaf het moment dat [kind] naar school gaat, is deze omgangsregeling gewijzigd naar een regeling waarbij [kind] om de week van vrijdagmiddag 12:30 uur tot en met maandagochtend 8:30 uur bij de vader verbleef. Op dit moment wordt er uitvoering gegeven aan een regeling zoals weergegeven onder punt 3.6.

3.3

Bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen ter griffie van de rechtbank op 10 september 2013, heeft de moeder de rechtbank verzocht vervangende toestemming te verlenen voor verhuizing van [kind] naar [woonplaats].

De vader heeft zich tegen dit verzoek verweerd en heeft bij zelfstandig verzoek, ter griffie van de rechtbank binnengekomen op 20 september 2013, de rechtbank verzocht vervangende toestemming te verlenen voor het vaccineren van [kind] volgens het Rijksvaccinatieprogramma.

3.4

De moeder is daarop zonder toestemming van de vader en zonder de beschikking van de rechtbank af te wachten, per 1 oktober 2013 met [kind] naar [woonplaats] ([provincie]) verhuisd, alwaar zij zich reeds op 1 september 2013 heeft ingeschreven in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA).

3.5

Bij de beschikking van 16 oktober 2013 heeft de rechtbank beide verzoeken, te weten zowel het verzoek van de vrouw tot het verkrijgen van vervangende toestemming om met [kind] naar [woonplaats] te verhuizen als het verzoek van de vader tot het verkrijgen van vervangende toestemming voor het vaccineren van [kind] volgens het Rijksvaccinatieprogramma, afgewezen.

Het principaal hoger beroep van de moeder en het incidenteel hoger beroep van de vader richten zich tegen deze beschikking.

De moeder heeft in hoger beroep haar inleidend verzoek vermeerderd, en verzoekt thans naast de vervangende toestemming voor de verhuizing met [kind] naar [woonplaats] ook de daarmee samenhangende vervangende toestemming voor inschrijving van [kind] op de [school] in [woonplaats] te verlenen.

3.6

Ter zitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, gehouden op 31 oktober 2013, betreffende de vordering van de vader, ertoe strekkende dat de moeder met [kind] zal terugverhuizen naar [woonplaats], hebben partijen overeenstemming bereikt. Afgesproken is (onder meer) dat, totdat in hoger beroep zal zijn beslist over de door de moeder verzochte vervangende toestemming voor verhuizing, [kind] drie van de vier weekenden bij zijn vader zal zijn, in beginsel van vrijdag 13.00 uur tot maandag 7.30 uur. De overdracht van [kind] vindt plaats bij McDonalds te [plaats 2] Tegelijkertijd zal gelden dat [kind] in ieder geval voor de duur van de procedure in hoger beroep bij de moeder woonachtig zal zijn in [woonplaats] en ook in [woonplaats] naar school zal gaan.

4 De motivering van de beslissing

De vervangende toestemming voor verhuizing van [kind] naar [woonplaats]

4.1

Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De gezamenlijke gezagsuitoefening van partijen brengt mee dat de moeder voor het wijzigen van de woonplaats van de minderjarige in beginsel toestemming van de vader behoeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden, zal de rechter hierover een beslissing nemen. De belangen van de minderjarige dienen hierbij een eerste overweging te vormen. Conform vaste rechtspraak dient de rechter echter bij de beslissing in een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en alle betrokken belangen af te wegen.

4.2

Als uitgangspunt geldt dat een ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft in beginsel de gelegenheid dient te krijgen om met de minderjarige en eventueel een nieuwe partner elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, indien de omstandigheden van het geval, na een belangenafweging, een dergelijke beslissing rechtvaardigen.

4.3

De moeder voert in hoger beroep ter ondersteuning van haar verzoek wederom aan dat zij haar tijdelijke huurruimte in [woonplaats] per 1 oktober 2013 moest verlaten en dat het haar niet is gelukt om in [woonplaats] een andere woning te vinden.

Zij stelt er werkelijk alles aan gedaan te hebben om andere woonruimte in [woonplaats] en dus in de omgeving van de oude school van [kind] in [woonplaats] te vinden, maar dat al haar inschrijvingen (op internetsites voor woningen) en haar reacties op aangeboden woonruimte tot niets hebben geleid, zodat zij voor een fait accompli kwam te staan en niet anders kon dan samen met haar nieuwe partner in [woonplaats] te gaan wonen. Anders zou zij, naar zij stelt, op straat komen te staan en letterlijk samen met [kind] onder een brug moeten gaan slapen.

Zij wijst erop dat in de particuliere sector een inkomenseis geldt waaraan ze niet voldoet en dat zij, gelet op haar inkomen en de wachtlijsten, niet in aanmerking komt voor een betaalbare huurwoning.

Per 1 december 2013 is haar arbeidsovereenkomst geëindigd en het is de moeder ondanks al haar sollicitaties niet gelukt om passende arbeid te vinden. In [provincie] is de moeder inmiddels een onderneming gestart, [X], en huurt zij vanaf 1 februari 2014 een dag per week een ruimte in [plaats 1] voor [haar vak]. Het gaat volgens de moeder goed met haar onderneming. Ze heeft vaste klanten en geeft daarnaast workshops. Als [kind] en de moeder naar [woonplaats] terug moeten verhuizen zou dat betekenen dat haar relatie zou eindigen. Ook de financiële consequenties zouden dan groot zijn.

4.4

De moeder stelt voorts dat voor [kind] de voordelen van een verhuizing naar [woonplaats] ruimschoots opwegen tegen de nadelen daarvan en dat het ondoenlijk is om die verhuizing terug te draaien. De moeder is van mening dat, ondanks het feit dat de huidige situatie niet helemaal correct tot stand is gekomen, het in het belang van [kind] is dat zij met [kind] in [woonplaats] mag blijven wonen. [kind] is opgeleefd, doet het goed op school en er is sprake van een goede zorgregeling, waarbij [kind] drie weekenden per vier weken bij de vader verblijft. Niks belemmert de vader om contact te hebben met de school van [kind].

Ten slotte heeft de moeder aangevoerd dat zij eindelijk een stabiele woonsituatie voor [kind] heeft gevonden. Eindelijk is er geen sprake van tijdelijke huur maar van vaste huur, waarbij de (huur)woning in [woonplaats] ook op haar naam staat zodat, mocht haar huidige relatie worden verbroken, zij daar kan blijven wonen.

4.5

De vader heeft de stellingen van de moeder gemotiveerd betwist.

De vader wijst er op dat partijen na hun uiteengaan in 2008 afgesproken hadden dat ze beiden in het [streek] zouden blijven wonen en dat hij destijds om die reden ook een woning in [woonplaats] heeft gekocht. De verhuizing van de moeder met [kind] naar [woonplaats] om te gaan samenwonen met een nieuwe (andere dan de huidige) partner heeft eveneens zonder toestemming van de vader plaatsgevonden waarbij de vader zich hier toen heeft neergelegd. De vader heeft er op gewezen dat de moeder in vijf jaar vier keer met [kind] is verhuisd en hij acht de verhuizing van [kind] naar [woonplaats] niet in zijn belang.

De vader ziet de kosten van de zorgregeling (van het heen en weer rijden) almaar stijgen en vindt dat de reisafstand tussen [woonplaats] en [woonplaats] (van 103 km enkele reis) veel tijd inneemt en daardoor zeer belastend is voor [kind] en niet in zijn belang. De vader mist de twee wekelijkse contacten met school, waarbij hij de leerkracht van [kind] bij het wegbrengen kon spreken. Hij wenst dat zijn zoon in [woonplaats] althans in de omgeving van [woonplaats] blijft wonen, zodat de oude omgangsregeling kan worden gecontinueerd en de geografische afstand gemakkelijker te overbruggen is met alle voordelen van dien, zeker als [kind] ouder wordt.

Volgens de vader zijn er voldoende geschikte woningen in [woonplaats] of in de omgeving van [woonplaats] te vinden, zeker nu de moeder een hoger bedrag aan huur kan besteden omdat haar partner aan de huur bijdraagt. De vader wil meer bij het leven van [kind] betrokken zijn dan mogelijk is als hij in [woonplaats] woont.

De vader wijst er op dat de moeder reeds in september 2012, toen zij de woning betrok, wist dat de huur van haar woning per september 2013 zou aflopen. Hij is dan ook van mening dat zij zich onvoldoende heeft ingespannen om nieuwe woonruimte te vinden. In het bijzonder verwijt de vader de moeder dat zij zich niet heeft ingespannen om in aanmerking te komen voor een urgentiebewijs. De vader stelt een goede band te hebben met [kind] en het is voor hem onacceptabel dat de moeder zich zonder enige noodzaak 100 km verder weg vestigt.

4.6

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat de moeder de noodzaak om met [kind] naar [woonplaats] te verhuizen, uitdrukkelijk tegen de wens van de vader in, onvoldoende heeft aangetoond en dat beoordeling van de omstandigheden ten tijde van het inleidende verzoek van de moeder in beginsel dient te leiden tot afwijzing van haar verzoeken.

De moeder heeft onvoldoende onderbouwd dat zij niet in staat was een (huur)woning in [woonplaats] te verkrijgen. Hoewel zij heeft verklaard niet in aanmerking te komen voor een urgentiebewijs, heeft zij daar geen bevestiging van de gemeente van overgelegd, hetgeen onder deze omstandigheden wel op haar weg had gelegen. Voorts heeft zij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat haar niets anders restte dan te gaan samenwonen met haar partner in [woonplaats], in het bijzonder nu de partner van de moeder (economisch) niet gebonden was of is aan [woonplaats], aangezien hij als technisch operator gedetacheerd wordt door het hele land. Verder maakt ook het bedrijfje dat de moeder thans heeft naar het oordeel van het hof niet dat zij economisch gebonden was of is aan [woonplaats]. Het had dan ook op haar weg gelegen om, wetende van de bezwaren van de vader tegen een verhuizing naar [woonplaats], met [kind] dichter bij de vader in de buurt te gaan wonen. Dit zou de moeder in ieder geval tijdelijk hebben kunnen doen, ter overbrugging van de periode dat zij in afwachting was van de beslissing van de rechtbank op haar verzoek tot vervangende toestemming.

4.7

Het is echter de vraag of een afweging van alle relevante belangen van [kind] en de ouders in de ontstane situatie een dergelijke afwijzende beslissing rechtvaardigt.

4.8

[kind] woont al sinds oktober 2013 met de moeder in [woonplaats] en het gaat goed met hem. [woonplaats] is een vertrouwde omgeving voor [kind] geworden en hij heeft belang bij behoud van deze sociale omgeving. Het is een feit van algemene bekendheid dat verbreking van de continuïteit van de woon- en sociale leefomgeving voor een kind van [kind]’s leeftijd ingrijpend is, zeker als dit voor de tweede keer binnen korte tijd gebeurt. Het hof onderkent ook dat de moeder probeert de gevolgen van de verhuizing voor de vader en [kind] te verzachten door de zorgregeling uit te breiden. De vader ziet [kind] op dit moment (voor de duur van deze procedure) drie van de vier weekenden van vrijdag 13.00 uur tot maandag 7.30 uur. Ter zitting van het hof heeft de moeder toegezegd om deze - voor de duur van deze procedure door partijen bij de voorzieningenrechter overeengekomen - zorgregeling ook na een eventuele, aan haar verleende toestemming om te verhuizen te zullen continueren.

4.9

De verhuizing naar [woonplaats] maakt uitvoering van de uitgebreide zorgregeling naar het oordeel van het hof echter veel te belastend voor [kind]. In het bijzonder is het erg onrustig voor hem dat hij ten behoeve van de omgang met de vader gedurende drie van de vier weekenden niet in zijn eigen omgeving kan zijn en dat hij telkens over aanzienlijke afstanden moet reizen, waarbij hij op maandagochtend voor schooltijd wordt overgedragen aan de moeder op een locatie langs de snelweg. Verder acht het hof het in het belang van zowel [kind] als zijn vader dat deze laatste regelmatig (direct) contact met de school kan hebben, terwijl de mogelijkheid daartoe door de verhuizing naar [woonplaats] ernstig wordt beperkt. Daarbij komt dat een verhuizing naar [woonplaats] meebrengt dat partijen elkaar - meer dan voorheen - zullen dienen te informeren over het verloop van de zorgregeling en over (de ontwikkeling van) [kind]. Gezien de beperkte communicatie tussen partijen en hun slechte verstandhouding -waarbij het hof mede betrekt dat de moeder de vader niet zelf rechtstreeks heeft geïnformeerd over haar verhuisplannen-, acht het hof hen daartoe thans onvoldoende in staat. Te verwachten is dat, ondanks het feit dat de moeder de vader tegemoet is gekomen met een ruime omgangsregeling, de spanningen die thans reeds aanwezig zijn, door de verhuizing slechts zullen toenemen, hetgeen strijdig is met het belang van [kind]. Niettemin heeft [kind] er belang bij om met beide ouders goed contact te hebben, zonder dat dit contact leidt tot strijd tussen de ouders.

4.10

Tegenover het belang van [kind] en dat van de vader staat het belang van de moeder om samen te kunnen wonen met haar nieuwe partner en met hem elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen. Voor het hof is echter onvoldoende vast komen te staan dat er thans reeds sprake is van een bestendige en duurzame relatie en evenmin dat aan genoemd belang van de moeder op geen andere wijze tegemoet kan worden gekomen dan door middel van een verhuizing naar [woonplaats]. Daarbij betrekt het hof dat de partner van de moeder kennelijk voldoende inkomen heeft om samen met de moeder een huur van € 850,-- per maand te betalen, zodat het vinden van op acceptabele afstand van de vader gelegen, voor de moeder en haar partner betaalbare woonruimte goed mogelijk moet worden geacht.

Het hof is dan ook van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat het belang van de moeder om samen te kunnen wonen met haar nieuwe partner en met hem elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, voor zover dit wordt getroffen door handhaving van de afwijzing van het verzoek tot vervangende toestemming om te verhuizen naar [woonplaats], zwaarder weegt dan de eerdergenoemde belangen van [kind] respectievelijk de man.

4.11

In weerwil van wat de moeder heeft gesteld is het hof er niet van overtuigd geraakt dat zij thans, door met [kind] te verhuizen naar [woonplaats], voor hem een meer stabiele situatie heeft gecreëerd. De door de moeder in deze genoemde omstandigheid dat zij na een eventuele verbreking van haar relatie in de huidige huurwoning in [woonplaats] met [kind] kan blijven, nu ook zij als huurder staat ingeschreven, acht het hof onvoldoende en zeker onvoldoende, afgezet tegen de relatie die [kind] heeft met zijn vader en tegen het belang dat zij hebben bij het behoud daarvan.

4.12

Ook is het hof er niet van overtuigd geraakt dat de huidige frequentie van omgang zoals overeengekomen tijdens de kortgedingprocedure gehandhaafd zal blijven zoals de moeder ter zitting heeft gesteld. Het hof acht de moeder hierin onvoldoende betrouwbaar gelet op haar eerder handelen ten aanzien van verhuizingen zonder toestemming van de vader en zonder afwachten van de beslissing van de rechter hieromtrent.

4.13

Alle voornoemde belangen en omstandigheden van het geval tegen elkaar afwegende, waarbij het belang van [kind] centraal staat, maar niet doorslaggevend is, is het hof van oordeel dat het belang van de vader bij afwijzing van het verzoek van de moeder zwaarder weegt dan het belang van de moeder bij toewijzing daarvan.

4.14

Nu [kind] na de verhuizing naar [woonplaats] snel vertrouwd is geraakt met zijn nieuwe omgeving, gaat het hof ervan uit dat hij na een terugverhuizing naar [woonplaats] ook snel zijn draai weer zal vinden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [kind] in dat geval, gelet op het aanbod van de vader ter zitting in hoger beroep, dat [kind] zijn schooljaar in [woonplaats] kan afmaken, in het nieuwe schooljaar 2014-2015 terug zal keren op zijn oude school in [woonplaats]. Hetgeen de vrouw voor het overige heeft aangevoerd met de betrekking tot de voordelen voor [kind] van het wonen in [woonplaats], is niet voldoende om anders te oordelen.

4.15

Het hof komt dan ook tot het oordeel dat het verzoek om vervangende toestemming om met [kind] te verhuizen naar [woonplaats] en daarmee samenhangende vervangende toestemming voor inschrijving van [kind] op school in [woonplaats], moet worden afgewezen.

De vervangende toestemming voor vaccinatie van [kind]

4.16

Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling overeenstemming bereikt over de vaccinaties van [kind].

Partijen hebben afgesproken dat [kind] ingeënt zal worden in etappes, te weten één keer per twee maanden, waarbij [kind] telkens maar één vaccinatie per keer zal worden toegediend (zoals door partijen toegelicht: geen vaccinatiecocktail, maar "elke letter" afzonderlijk). In geval van een ernstige reactie zullen partijen advies inwinnen bij een reguliere huisarts van [Y] te [plaats 1], waar partijen gezamenlijk naar toe zullen gaan, tenzij bij [kind] sprake is van een acute reactie. Het advies van de huisarts zal in dat geval worden gevolgd en partijen zullen de kosten delen.

4.17

De grieven van de vader in het incidenteel hoger beroep zijn dientengevolge niet meer gehandhaafd.

4.18

Het vorenstaande brengt mee dat het verzoek in het incidenteel hoger beroep van de vader tot vervangende toestemming voor vaccinatie van [kind] moet worden afgewezen.

4.19

Partijen hebben het hof verzocht hetgeen is overeengekomen vast te leggen in de beschikking. Het hof ziet tegen inwilliging van dit verzoek geen bezwaar en zal partijen over en weer veroordelen tot naleving ervan.

5 De slotsom

5.1

Gelet op het vorenoverwogene, zal het hof beslissen als na te melden.

6 Beslissing

Het gerechtshof:

in principaal en incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep met betrekking tot de vervangende toestemming verhuizing, met dien verstande dat het [kind] wordt toegestaan het huidige schooljaar in [woonplaats] af te maken en aldus tot die tijd daar te verblijven;

vernietigt de beschikking waarvan beroep met betrekking tot de vervangende toestemming medische behandeling;

verstaat dat partijen zijn overeengekomen hetgeen is weergegeven onder

rechtsoverweging 4.16;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Idsardi, voorzitter, mr. I.A. Vermeulen en mr. S. Rezel, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 1 juli 2014 in bijzijn van een griffier.